maandag 29 december 2008

WHAT YOU'RE TOLD

Yangman (oom Gombrowicz zou ‘tante’ zeggen) Marc Reugebrink beklaagde zich er onlangs publiekelijk over dat toen hij destijds in de redactie van De Gids zat, daar ieder elan in de kiem werd gesmoord. Hij heeft daar in elk geval iets van opgestoken, van dat in de kiem smoren.

Hans Vandevoorde zond me zijn beschouwend stuk over de bloemlezing Hotel New Flandres toe. Een stuk dat hij op verzoek van de redactie van Yang – dat mag geloof ik niet, hè, met hoofdletter? – had geschreven maar dat na inlevering op zo veel weerstand stuitte dat hij besloot het terug te trekken.

“Aangezien de volledige redactie (yang heeft geen hoofdredacteur) zich niet kon vinden in de analyse van de criticus, vond zij het geen goed idee om de tekst zonder meer te publiceren in het laatste nummer van de jaargang. Ook leek het ons niet gepast om het stuk dan maar te voorzien van een distantiërende noot van de redactie. Dat leek ons respectloos en al te gemakkelijk,” zo laat Reugebrinks medeyangman Piet Joostens de wereld inmiddels weten.

Ik vertaal dat voor het gemak even: “We wilden de tijd hebben om onze pitbulls op scherp te krijgen en ze erop los te laten en dat lukte niet meer vóór de deadline van het laatste nummer van de jaargang dat tevens weleens het allerlaatste nummer van yang zou kunnen zijn, we treden immers weldra voltallig in het huwelijk met de voltallige redactie van Dirk van Bastelaere, lid van het trio dat voltallig Hotel New Flandres produceerde, en dan kun je toch niet op eigen erf een of andere domme hond ongestraft tegen de trouwbroek van je aanstaande laten pissen.”

Hans Vandevoorde zou waarlijk een nolles zijn geweest als hij zich aan het lijntje had laten houden om uiteindelijk te grazen genomen te worden.

Inmiddels publiceert Yangman Reugebrink al potsierlijk in Nieuw Zuid, het blad van de aanstaande met wie Yang innig zal versmelten, over de culturele wederwaardigheden rond een boek van hemzelf, waarin ik nu toch eindelijk eens moet proberen verder te komen dan, moeizaam, pagina zestig, om het daarna aan oom Witold uit te lenen, benieuwd of we tot een voltallige mening erover kunnen komen.

EEN BEELD VAN DE ZINNEN

Ter opluistering van de zeventigste verjaardag van H.C. ten Berge verscheen Een beeld voor de zinnen, een gezamenlijk geschenk van 27 auteurs. De uitgave is niet voor de handel bestemd, maar mogelijk zijn er nog enkele exemplaren verkrijgbaar (ad € 7,50 excl. verzendkosten) bij uitgeverij Nieuwe Doelen. (Neem contact op via bijvoorbeeld het e-mailadres van Nonnollesweblog.)

zondag 14 december 2008

DE BRIL VAN VERHAGEN

Ik wilde net zo’n bril als Hans Verhagen! De dichter Verhagen zoals hij op de voor- en achterkant van zijn bundel Sterren Cirkels Bellen stond, hielp me bijna op slag van het knagende minderwaardigheidsgevoel af, te worden gezien als een nerd, zoals dat tegenwoordig zou worden genoemd, wanneer je als scholier juist square of hip wilde zijn, zoals dat toen heette, maar dat wel met een verdomde fok op moest doen.
Lang haar had ik al. Het Verhagenmontuur maakte de zaak opeens compleet. En het was natuurlijk niet alleen de buitenkant van de bundel die het hem deed.

De inhoud! Dat was heel andere koek dan wat mijn medepuberdichters in het schoolblad Tolle Lege lieten lezen, dat ging niet van “Flarden in visioen gedrenkte wolk reizen in cyclonen rond/Rothonden vermaken zich met zielen in hun kaken malen/Uit het holst van het moeras wellen ongenaakbare vocalen” enzovoort. Integendeel:

Wanneer een man bemerkt,
dat de urinelozing bemoeilijkt wordt,
de urine niet meer met een straal geloosd wordt,
het water nadruppelt,
dan dient een man zijn arts te consulteren.

Wat zou ik het nog fantastischer hebben gevonden als ik toen ook al te horen zou hebben gekregen dat Hans Verhagen, dat mijn bril veertig jaar later de P.C. Hooftprijs voor poëzie zou worden toegekend!
Maar wat zou ik er van hebben gevonden als men mij vervolgens ook al wat van de poëzie zou hebben laten lezen die hij zou schrijven wanneer de urgentie van de inhoud van bovenstaand gedicht uit Sterren Cirkels Bellen, voor de persoon van de dichter zelf alsook voor zijn lezers van toen, alleen maar zou zijn toegenomen, regels bijvoorbeeld als deze:

Flarden in visioen gedrenkte wolk reizen in cyclonen rond
Rothonden vermaken zich met zielen in hun kaken malen
Uit het holst van het moeras wellen ongenaakbare vocalen
” ?

woensdag 10 december 2008

ALL ALONG THE WATCHTOWER

Niets is voor de hand liggender want niets is gemakzuchtiger dan al je kritische beoordelaars op een en dezelfde hoop te gooien, waarbij het er helemaal niet toe doet dat sommigen onder hen in hun kritiek simpelweg lijnrecht tegenover anderen staan.

Marc Reugebrink pakt de zaken ook zo aan. In zijn Gentse schrijfsel (http://reugebrink.skynetblogs.be/) tegen de kritiek op de opzet van de poëziebloemlezing Hotel New Flandres noemt hij mijn naam, licht hij smalend iets uit (de opmaat van) mijn kritische noten om vervolgens zonder verder personen van personen te onderscheiden de balans op te maken van de in zijn ogen bedroevende stand van zaken in de Nederlandse poëzie van de afgelopen decennia.

Kennelijk behoor ik tot de ‘Hollandse middens’. Hoewel ik al lang in Amsterdam woon, voel ik me nog steeds geen Amsterdammer of Hollander. Maar evenmin een inwijkeling. Ik heb doorlopend het, vaak prettige gevoel dat ik in de wereld, waar dan ook, op bezoek ben. Hoewel ik wekelijks binnen de historische grachtengordel drink en eet, doe ik dat nooit met iemand van de literaire of culturele grachtengordel. In het door Hollandse literatoren gefrequenteerde café Zwart was ik nog nooit in mijn hele leven. Op literaire recepties, lezingen en festivals zul je me zelden aantreffen. Aan Komrij heb ik een broertje dood – ik heb nooit en te nimmer met enig gedicht van me in zijn bloemlezing gewild. (Zie mijn blogarchief van juni.) Het verschijnsel van stads-, stadsdeel- en dorpsdichters is in mijn ogen even onschuldig als onnozel. Ik schrijf in het Nederlands, maar voel me geen Nederlandse dichter. (Om misverstanden te voorkomen: ook geen Limburgse of, hoogmoedig, internationale dichter.) Ik weet dat dit naïef gedacht is, want dat ik hoe dan ook deel uitmaak van het Nederlandse, dat ik niet zozeer leef met als wel in de taal – en dat is nu eenmaal geen Chinees of Turks –, maar het is een naïviteit die ik graag koester. Ik voel daarmee ook weinig of geen verantwoording voor (de stand van) DE Nederlandse literatuur als zodanig. Integendeel, ik ben allergisch voor lieden die dat wèl menen te (moeten) voelen of de schijn willen ophouden dat ze dat doen. Ik zou er werkelijk, glimlachend, geen enkel probleem mee hebben gehad wanneer Dirk van Bastelaere botweg zou hebben gesteld dat hij zichzelf de top vindt, maar dat voor zo’n top wel even een berg geschapen moest worden. Nu schrijft hij mij (e-mail van 29 november): “Er al eens aan gedacht dat van grofweg 200 van deze dichters nooit eerder werk was opgenomen in een bloemlezing, en zeker niet in zgn Groot-Nederlandse bloemlezingen? Dat ze maw aangewezen waren op een kartonnen doos of op kerkasiel omdat ze geen hotelkamer kregen in Groot-Nederland?”
Twee mogelijkheden, denk ik dan: of je huichelt of je bent zo’n sociaal cultureel werker onder wiens vleugels ik acuut artistiek impotent zou worden en ademnood zou krijgen.

Discussiëren wil Marc Reugebrink ook altijd maar. En als hij het daarover heeft begint hij ook meteen te pruilen, als een jongetje dat wil spelen, maar met wie niemand wil spelen, althans niet het spelletje dat hij wil, want alle andere spelletjes zijn dom.

Wanneer hij stelt dat de Nederlandse literatuur in de jaren tachtig zelfgenoegzaam was geworden, voegt hij eraan toe: “ik heb daarover discussies gevoerd in de Gidsredactie destijds, waar ieder elan in de kiem werd gesmoord door in feite neoliberale verdedigers van het Nederland-is-af-gevoel.”

Mogelijk slaat de dementie bij mij vroegtijdig toe, maar ik kan er maar niet opkomen wie hem destijds, toen Marc Reugebrink een paar jaar (zo tegen of rond 1998, denk ik) in de Gidsredactie zat, een strobaal of zelfs maar een enkel strootje breed in de weg heeft willen leggen. Xandra Schutte? René Boomkens? Stefan Hertmans? Ikzelf? Ik durf zelfs te stellen dat hij zomaar een paar nummers aan zijn behoefte aan discussie had mogen besteden van zijn mederedacteuren; had hij alleen ietsje meer de handen uit zijn mouwen moeten steken.

En daarmee kom ik bij het merkwaardige slot van zijn weblog: “De kankerpitjes die zich nu zo tegen deze bloemlezing keren,” zegt hij, “zijn eigenlijk alleen maar begaan met hun eigen winkel, in ieder geval ofwel te lui, ofwel te zwak, of te lui én te zwak om met een welomschreven visie op poëzie te komen, op de verhouding tussen poëzie en werkelijkheid, de plaats die poëzie in de samenleving zou moeten bekleden, dat wat ze omtrent die samenleving tot uitdrukking zou moeten brengen of juist niet enzovoorts. Men zou zich voor minder van het hele genre afkeren.”
Ik ga er maar vanuit dat hij mijn persoon nog steeds in zijn aantijgingen verdisconteert. (Vreemd genoeg heb ik de neiging om dat ‘te lui én te zwak’ onmiddellijk in het Duits te vertalen.) Zwak ben ik wel, daar heeft Reugebrink gelijk in: zwak in de sociale omgang, zwak in mijn culturele plichtsbesef (als schrijver dan, hè; vergeet niet dat ik drie dagen per week ook echt werk doe, schrijven is voor mij geen winkel), een bange natuur ben ik, met een duivenhart. Andere zwakheden durf ik hier om redenen van privacy niet eens te noemen.

Maar ‘lui’, ‘te lui’? Wat krijgen we nou? Ik ben absoluut niet te lui om “met een welomschreven visie op poëzie te komen”, ik weiger simpelweg om met zoiets te komen. Wat allerminst wil zeggen dat ik niet over poëzie en het leven nadenk en er al schrijvend over reflecteer. Maar mensen (klaarblijkelijk van een sterk én wilskrachtig ge“re-ideologiseerd” soort) die komen aanzetten met een welomschreven visie over de plaats van de poëzie in de samenleving, over wat ‘die’ poëzie omtrent die samenleving tot uitdrukking zou ‘moeten’ brengen, die dienen toch door dichters van hun deur te worden gehouden als discoursgeile Wachttorenverkopers?

dinsdag 2 december 2008

NEW YANG ZUID - VLAAMSEKANTTEKENINGEN VI (nachtslot)

- "Opvallend weinig tot geen reactie tot nu toe op het verschijnen van HNF door de kritische Yang Ones..."
- "Wist je dan nog niet dat die per komend jaar aan een en dezelfde redactietafel zitten met de Nieuw Zuiderlingen?"

maandag 1 december 2008

DE SJIMPANSEE DOET MEE - VLAAMSEKANTTEKENINGEN V (slot)

Toen ik een jongetje was gingen mijn ouders elk jaar met me naar de Halfvastenstoet in Maaseik. Maar we gingen ook wel eens verder Belgenland in. Naar Leopoldsburg bijvoorbeeld. Ik herinner me vaag dat we daar ergens bij mensen in huis werden ontvangen. Ik weet ook dat mijn vader en moeder wel eens een dag alleen naar Antwerpen zijn geweest. Achteraf heb ik pas begrepen met welk doel. Het ging namelijk om een erfenis. Uiteindelijk is de omvang van die erfenis flink tegengevallen, daar gaat het echter nu niet om.

De sjimpansee moet maar eens uit de mouw. Benno Barnard kan zich nog zo kwaad maken over het feit dat hij en andere Nederlandse dichters, die al jaren belastingen betalend woonachtig en zowel artistiek als cultureel werkzaam zijn in Vlaanderen, door de samenstellers van Hotel New Flandres worden behandeld als Marokkanen door het Vlaams Belang, in vergelijking met mij heeft hij nauwelijks recht van spreken. Ik heb namelijk wat hij niet heeft: Vlaams bloed in de aderen. En daarin ligt natuurlijk de eigenlijke reden, zo niet de natuurlijke oorzaak van mijn kritiek op deze uitgave.

Ik heb er eerlijk gezegd geen idee van met welke maatstaven je iemands genetische afkomst, zijn bloedlijnen kunt bepalen. Er bestaan ongetwijfeld perfect uitgedachte systemen voor. Dat de specialisten zich mogen melden. Maar ik zie het zelf zo dat ik Vlaams bloed heb van mijn moeders kant in de vierde lijn. Voor welk deel ben ik dan Vlaming? Voor een kwart? Maar dan vergeet ik mijn vaders kant, de Nederlands Limburgse lijn. Voor een achtste dan?
En stel dat ik volgens de ingenieuze paradigma-indeling van Hotel New Flandres als dichter recht zou hebben op vijf sterren, dan zou ik, voor een achtste Vlaming, toch zeker met één fors gedicht vertegenwoordigd moeten zijn? Datzelfde zou ook nog moeten opgaan wanneer ik als viersterrendichter zou worden gekwalificeerd – vooruit, met een korter gedicht dan in het eerste geval. Maar zelfs in alle bescheidenheid, wanneer ik be- en veroordeeld zou worden tot de categorie dichters met slechts een ster – en zonder hoogmoedig te zijn verwacht ik, de gemiddelde kwaliteit van de opgenomen gedichten in deze onderklasse in ogenschouw nemend, niet nog lager te worden geparadigmatiseerd -, dan nog zou ik, gezien de samenstelling van mijn bloed (en wie weet de vorm van mijn schedel) op zijn minst recht hebben op een sonnetfragment van iets meer dan anderhalve versregel of een gehalveerde haiku.

zondag 30 november 2008

BANGE NATUUR EN ZONNENSCHIJN - VLAAMSEKANTTEKENINGEN IV

Van tijd tot tijd wordt me opeens weer mijn afkomst en daarmee mijn positie als relatieve buitenstaander in de literaire wereld duidelijk. Dan voel ik me weer de kunstacademiestudent die ook wat schrijft, na en naast zijn gepenseel en gekwast. Ik heb mijn brood nooit anders verdiend dan met bezigheden die voortkomen uit het voltooien van mijn kunstopleiding. Terwijl het gros van de dichters, prozaïsten en literatuurbeschouwers juist een studie achter de rug heeft die met taal van doen heeft.
Ik heb dan ook niet zoveel oog en oor voor wat er zich op, rondom en onder het speelveld voordoet van mensen die zich wèl als volledig bevoegd deelnemer mogen beschouwen in het amfitheater van de literatuur. Voor de meeste spelers gaat het daarbij ook letterlijk om brood (en daarmee in figuurlijke zin om overleven). En ook om hun sociale Umfeld: terwijl ik me beroepsmatig meer dan de helft van mijn werkweek bevind in een levendige sociale omgeving die zo goed als niets met literatuur en de mechanismen van de literaire cultuur te maken heeft, zijn hun mogelijkheden tot sociale contacten vaak sterk afhankelijk van juist die literaire wereld. Toen ik me eens tegenover een dichter zonder vaste baan schamper uitliet over optredens in zaaltjes en schamele gelegenheden, dan weer eens hier en dan weer daar, merkte hij op dat hij zoiets ook voor zijn sociale contacten nodig had. Dat vond ik fair gezegd en ik voelde me enigszins beschaamd. Voor beroepsschrijvers geldt bovendien dat ze hun marktwaarde of fondswaardigheid hoog moeten zien te houden door de boer op te gaan. Ze moeten ook voortdurend calculeren wanneer ze op andere spelers reageren: verspeel ik met deze of die zet niet mijn kansen op een gunstige bespreking, op een uitnodiging tot publicatie in een literair blad of op een literaire prijs? En wat te denken van docenten en hoogleraren letterkunde? Die zijn uit hoofde van hun beroep al verplicht zoveel mogelijk bij te houden van wat zich in het amfitheater afspeelt, sterker, ze zijn zeker heden ten dage verplicht er hun rolletje in mee te spelen.

Ik vergeet dat allemaal nog wel eens. Dat besefte ik ook weer, met een lichte schok, toen ik, naar aanleiding van wat ik schreef over Dirk van Bastelaere en enkele reacties daarop, op internet op een tekst stuitte die ik niet eerder had gezien. Het ging en gaat om de tekst die Jos Joosten schreef bij het toekennen en de uitreiking van de Jan Campertprijs aan Dirk van Bastelaere voor diens bundel ‘De voorbode van iets groots’.
http://members.chello.nl/~jos.joosten/Bastelaere-Campert.pdf
Jos Joosten is hoogleraar letterkunde aan de universiteit van Nijmegen, lid van de kernredactie van het literaire tijdschrift Dietsche Warande en Belfort en bestuurslid van de jaarlijks prijzen toekennende Jan Campertstichting. (Tel uit je hieronder te behalen winst, HB.)

Het verbaast me dat een tekst die toch min of meer als een feestelijke gelegenheidsbeschouwing zou mogen gelden, praktisch helemaal drijft op het citeren van negatieve kritiek, dat hij dus vanuit het defensief is geschreven. Ik zou me als laureaat niet bepaald feestelijk voelen bij zo’n verweerschrift: alsof je niet zozeer wordt geprezen als wel door een jury wordt vrijgesproken.

Maar daarvan afgezien, interesseert mij persoonlijk uiteraard de rol die ik daar zelf in blijk te spelen. Joosten laat namelijk zijn tekst vooral cirkelen rond mijn bespreking van Van Bastelaeres bundel destijds in De Standaard van 19 mei 2006 (met gemakzuchtig vertrouwen neem ik de datum over van de hoogleraar). Joosten attaqueert mijn, in die bespreking gemaakte opmerking dat het werk van Van Bastelaere ook iets intimiderends heeft en dat zijn exegeten ‘de afhakers bestoken met proeven van andersoortige lezingen, waarin bijvoorbeeld het veelvuldig voorkomen van “de zon” wordt gesignaleerd om er een theorie over de finale eclips aan te kunnen ophangen’.
Wat zegt Joosten vervolgens tot mijn stomme verbazing? ‘Hij [ik dus, HB] kan hier niemand anders dan Johan Sonnenschein in het vizier hebben, die inderdaad bij deze (en veel meer) punten uit ‘De voorbode van iets groots’ stilstaat, en er wel degelijk alleszins behartenswaardige bevindingen aan koppelt. (Sonnenschein 2006)’
Johan Sonnenschein? Het kan een schande zijn, maar ik heb die naam werkelijk nog nooit gehoord of gezien, niet eerder in elk geval dan nu in dit artikel van Jos Joosten dat ik, zoals gezegd, zopas onder ogen kreeg. Het bedoelde stuk van deze Sonnenschein dateert, als ik weer mag afgaan op Joostens literatuuropgave, eveneens uit 2006 en werd gepubliceerd in Van Bastelaeres blad Nieuw Zuid.
Vóór mei 2006? Hoe kan dat? De bundel was toen nog warm van de drukpers. En ik weet uit eigen ervaring dat een literair blad heel anders werkt dan bijvoorbeeld een krant: tussen het ontstaan, het inleveren van de kopij en de daadwerkelijke verschijning liggen weken, zo niet maanden. En dan die naam: ene Johan Sonnenschein die over zonnenschijn bij Van Bastelaere in Van Bastelaeres tijdschrift schrijft: dat kun je allemaal niet bedenken! Een roman zou zoiets op slag ongeloofwaardig maken. Dát zou voor mijn Standaardrecensie pas gefundenes Fressen zijn geweest…

Maar het wordt nog leuker, want wat doet Jos Joosten vervolgens in zijn Campertprijstekst? Hij doet exact wat ik in de door hemzelf genoemde opmerking voorspel! Hij draagt als exegeet allerlei bewijzen aan voor het feit dat je, zoals ik aangaf, in Van Bastelaeres bundel lijnen kunt trekken die van doen hebben met de thematiek van de zon en met name van het doven van de zon over pakweg viereneenhalfmiljard jaar. Hij trakteert daarbij de lezer op een paar flinke stukken Lyotard. Mij best, dat soort Frans gebak. Ik kende die fragmenten nog niet. Maar ook zonder Lyotard zal de zon even goed doven en dat weet ik (allerminst al enige) al decennia lang en al tijden speelt dat ook voor mij (en in mijn eigen werk) een rol bij vragen naar de zin van ons leven.
Joosten doet het voorkomen alsof ik zomaar wat opperde over die zon als Leitmotiv. Maar ik heb óók een bril! Natuurlijk had ik dat zelf allang gezien, waarom anders zou ik uitgerekend dit thema in mijn bespreking hebben genoemd? In elk geval niet omdat ene Johan Sonnenschein aan de horizon van mijn lezend leven was opgekomen...
Kortom, Joosten is met precies dit stuk tegen mij – want dat is het inmiddels - hét bewijs van mijn gelijk. Want waar het mij om te doen was en is in die bespreking, is niet de vraag naar wetenschappelijk of geestelijk inzicht in onze situatie (die mosterd haal ik liever uit andere bronnen dan poëzie of proza), maar wat de artistieke kwaliteiten zijn van de poëzie van Dirk van Bastelaere. Op die vraag krijg ik van Jos Joosten geen enkel antwoord.
In plaats daarvan noemt hij, met een toespeling op de titel van mijn in 1998 verzamelde gedichten, mij een bange natuur die niet onbevangen kan en wil lezen. Mijn benadering maakt ‘zo de mogelijkheid klein (…) dat een wat minder bange natuur dan Beurskens Van Bastelaeres bundel gewoon, zonder nadere context, zou kunnen beginnen te lezen.'

Een Kaspar Hauser misschien? Wat een nonsens! ‘Gewoon, zonder nadere context’: moet je horen wie het zegt…

Het enige waar ik gewoon echt en oprecht bang voor was toen ik die bundel ging lezen om hem nadien te zullen bespreken, was dat ik er negatief over zou moeten schrijven. Ik had er serieus wat voor overgehad om ondersteboven te raken van deze poëzie. Die angst heb ik in elk geval, tegen mijn bange natuur in, weten te overwinnen.

Enfin, zo heeft Jos Joosten in feite, Dirk van Bastelaere ten spijt, een tweede Campertprijstekst over mij geschreven. In de eerste merkte hij op dat ik me met mijn gedichten ‘voortdurend de vraag naar de plaats van het individu in de wereld’ stel. ‘Doen alsof dat iets zo eenvoudigs is, zou je bijna als valse bescheidenheid kunnen uitleggen. Maar ik denk eigenlijk dat het de wat bittere ironie is van iemand die zeer terdege beseft dat deze existentiële kwestie eerder het omgekeerde van eenvoudig is,’ schrijft hij.
Inmiddels vertoon ik in zijn ogen ‘bij uitstek een strategie van de conservatieve criticus.’


Ach, toen was het ook pas 1996 en droeg Jos Joosten nog een spijkerjasje in plaats van een toga over een pak, terwijl ik sindsdien met het schrijven van gedichtjes en dergelijke qua economische en literair-culturele of maatschappelijke positie geen cent of millimeter ben opgeschoven. Nog steeds niet veel meer dan een dilettant aan de kant. Dat is eigenlijk best conservatief, ja.

zaterdag 29 november 2008

GEENE VLAMINK! - VLAAMSEKANTTEKENINGEN III

Iemand met de letters dirkvanbastelaere in zijn e-mailadres wees me erop dat Magritte en Delvaux geen Vlamingen zijn maar Belgen.

Wat dom van me om dat over het hoofd te zien juist in deze tijden van altruïstisch separatisme!

vrijdag 28 november 2008

JAILHOTEL - VLAAMSEKANTTEKENINGEN II






De vraag die niet wordt beantwoord door de samenstellers en inleiders van de bloemlezing met de 'welluidende, hedendaagse naam' Hotel New Flandres, hoewel het trio zich als zelfkritisch en zelfrelativerend presenteert (‘we zijn daar niet naïef in, laat staan te kwader trouw’ – een constructie die ik overigens niet begrijp): waarom is men ingegaan op de vraag van Willy Tibergien (ook ‘opdracht’ genoemd) om een bloemlezing te maken ‘ter gelegenheid van het dertigjarige bestaan van Poëziekrant en het vijfentwintigjarige bestaan van het Poëziecentrum’? Afgezien van de vraag waarom Tibergien kennelijk juist dit drietal heeft gevraagd: men had toch ook botweg of beleefd niet thuis kunnen geven?

Het is evident dat de mogelijkheid om een project als dit te realiseren uitstekend paste en past in de visie van Filippo Tomasso Van Bastelaere op literatuur (en cultuur) als een zaak van systemen en strategieën, als een strijd om dominantie, compleet met ‘kleine oorlogsmachines’. Met deze bloemlezing heeft hij zichzelf, voor zover hij dat in zijn eigen levensjaren vermag te overzien, voorgoed ‘ingeschreven’ (een woord dat me altijd doet denken aan Kafka’s In der Strafkolonie) in het door hem autarkisch verklaarde ‘poëtische systeem’ (sic!) van Vlaanderen.

Het eigenlijke probleem, de eigenlijke vraag is echter: waarom hebben zo veel dichters zich zelf en hun ‘tekstlichaam’ beschikbaar gesteld voor een dergelijke ‘inschrijving’? Het ‘veld’ overziend, heeft het er alles van weg dat er nauwelijks iemand heeft geweigerd om zich te laten inschrijven in dit op zijn minst bedenkelijke hotel, waar men niet uit eigen beweging een kamer huurt (om er naar believen in en uit te kunnen) maar waar al een speciale, op jouw maat gemaakte kamer voor je blijkt te zijn gereserveerd zonder dat je erom had verzocht.
De eigenaar laat zelf zien hoe comfortabel het er vertoeven is, met dit verschil dat hij de enige is die de kamersleutels bezit. Probeer daar nog maar eens op eigen houtje uit te komen! Intussen zou je bijna bang worden van juist dat verlokkende uitzicht op het spoor…

donderdag 27 november 2008

DE CORRECTE DYNAMIEK - VLAAMSEKANTTEKENINGEN I


‘Voor het Vlaamse poëtische systeem is Nederland een buitenland, net zoals Frankrijk, Amerika of India dat zijn,’ aldus de drie samenstellers van de bloemlezing Hotel New Flandres in hun voorwoord.

Impliceert dit dat in Vlaanderen ook andere taalsysteemregels gelden dan in Nederland?
Niet alleen de zinsconstructie van de stelling laat zoiets vermoeden. Men schrijft in Vlaanderen kennelijk ‘einzelgängers’ (pagina 23), waar Nederlanders zich met ‘einzelgänger’ ietsje meer schatplichtig tonen aan hun oosterburen. Ook wordt in Vlaanderen het woord ‘aantal’ grammaticaal behandeld als meervoudsvorm: ‘een aantal bundels (…) zien het daglicht’ op pagina 28. Waar Nederlanders menen dat na het voegwoord ‘als’ enkele voorbeelden volstaan, doen Vlamingen er na die voorbeelden nog een schepje bovenop: ‘We denken dan aan dichters als Mark van Tongele, Marc Tritsmans (… volgen nog acht namen …), enz.’ Rubenisten, hè!

Er zijn meer zulke voorbeelden van een eigen Vlaams taalsysteem te vinden in deze inleiding. Het lijken kleinigheden, maar wat zijn kleinigheden voor lezers van Vlaamse gedichten die soms uit niet meer dan enkele tientallen woorden bestaan? Alleen al de plaatsverwisseling van twee woorden kan een wereld van verschil oproepen. Dat weten Dirk van Bastelaere en 'consoorten' als geen anderen. Een Vlaamse wereld tegenover een Nederlandse, Franse, Amerikaanse of Indiase. Daarvan getuigt meteen de eerste de regel van het voorwoord.
Ogenblikkelijk moet je als Nederlandse lezer toegeven dat jij gedoemd bent in een andere wereld te leven dan die van Magritte en Delvaux.
Hotel New Flandres in Sint-Niklaas, zo staat er, kun je zien vanuit de trein Antwerpen-Gent, hoe het daar staat, ‘op een ongemakkelijke hoek van het Stationsplein (…) met kamers voornamelijk uitkijkend op de spoorlijn.’
Hoe saai zijn dan hotels in Nederland met voornamelijk kamers uitkijkend op de spoorlijn
Wanneer je dat eenmaal beseft en inziet dat je niet anders kunt dan de boven aangehaalde stelling over de aparte status van het Vlaamse poëtische systeem onderschrijven, kun je misschien ook iets vatten van het enigmatisch poëtische karakter van deze zin op pagina 13, in plaats van hem als een droogstoppel af te doen als een talige denkfout: ‘Toch is de dynamiek die Eliot beschrijft correct.’

zondag 23 november 2008

DUIVELSEIERENGEBROED

De algemene poëziebloemlezingen lijken deze herfst als paddenstoelen uit de grond te schieten. En dat is mooi, want hoe meer anthologieën des te beter, want des te duidelijker treedt de betrekkelijkheid van elke selectie, dat wil zeggen, het astrante ego van de samensteller aan het licht. Om dat laatste draait het immers, nietwaar? De samensteller wil indringend geurend uit en te midden van zijn ondergronds gekweekte zwamvlok gerezen staan, vliegen en aaskevers aantrekken die zijn sporen moeten verspreiden. Vandaar ook dat canons zo ruiken als ze doen: naar lijken. Het zijn niet zozeer de bloemlezingen zelf die uit de grond schieten, maar hun samenstellers, als paddenstoelen inderdaad, van het soort Phallus impudicus.

vrijdag 14 november 2008

WHAM! IN DE KOU

Er is een nieuwe gedichtenbundel verschenen van Rutger Kopland, Toen ik dit zag. De dichter heeft een ernstig ongeluk en coma overleefd en is revaliderende. Ik las een kort vraaggesprek waarin hij zegt: ‘Ik probeer met mijn gedichten nog steeds de wereld te laten zien zonder dat wij in die wereld zijn.’ Ook worden er drie versregels aangehaald uit ‘Tuin’, een van zijn nieuwe gedichten: ‘Ik zit voor het raam en zie/hoe de tuin niet is veranderd/voor haar ben ik niet weggeweest.’ En toen dacht ik aan Dirk van Bastelaere.

Nadat mijn tweede termijn als lid van de adviesraad van het Fonds voor de Letteren erop zat, meende ik dat ik mezelf op andere wijze moest dwingen om enigszins op de hoogte te blijven van wat er in het Nederlandse taalgebied aan poëzie verscheen. Dat was destijds ook een belangrijke persoonlijke reden geweest om adviesraadslid te worden: ik vreesde dat ik de gretigheid verloor om zoveel mogelijk te bekijken wat er aan nieuwe bundels en nieuwe namen uitkwam, zeker nadat ik zeven actieve jaren als redacteur van De Gids had afgesloten. Ik zocht daarom opnieuw een stek als poëziebespreker. Rond mijn dertigste had ik zo’n stek bij De Groene Amsterdammer. Daar kon ik weliswaar enkele artikelen publiceren, maar ik kreeg toch vooral credits van Jeroen Overstijns, destijds chef Letteren bij De Standaard. Zo publiceerde ik in de boekenbijlage van dat dagblad onder meer een bespreking van de bundel ‘De voorbode van iets groots’ van Dirk van Bastelaere. Dat was in mei 2006. Mijn, ik neem aan, definitief laatste poëzierecensie verscheen er eind juni 2007.

Er was en is nog zoveel meer te lezen en te zien dan de nieuwste Nederlandstalige poëzie en het buitenland is nog alijd en in toenemende mate nog veel meer en meer dan Nederland. Het meeste van wat ik in de loop der jaren heb geschreven over andermans gedichten lijk ik te zijn vergeten. Min of meer bij toeval lees ik er nog wel eens iets van terug, zoals onlangs, bijna noodgedwongen, mijn bespreking van Komrij’s gedichten in De Groene van mei 1982 (zie mijn blog van 7 juni jl.). En hoewel ik een en ander nu iets anders zou formuleren, kan ik me meestentijds nog in de strekking ervan vinden. Dat geldt ook voor die bespreking van de bundel van Van Bastelaere van een paar jaar terug. En toch had ik er, al tijdens het schrijven, een probleem mee dat ik nog altijd niet kwijt ben.

Mijn Standaardbespreking van ‘De voorbode van iets groots’ is niet bepaald wervend voor de uitgave te noemen. Dat heeft er alles mee te maken dat ik de bundel simpelweg te manifest poëticaal vond. Iets wat ik – ik zit er nu opnieuw in te lezen – nog steeds vind. Neem alleen al de titel met zijn integrale aanhalingstekens: in allerlei opzichten, negatief, positief, ironisch, gemeend, taalkritisch enzovoort, kan die meteen al worden gelezen als poëticaal programmatisch, als commentaar ook op hoe taal vaak werkt en hoe je daar dan op kunt wijzen en tegenin kunt gaan.

Wanneer iemand een lans breekt voor bepaald complex aandoend werk, zoals dat van Dirk van Bastelaere, worden critici van dat werk vaak neergezet als mensen die er geen raad mee weten. ‘De meeste recensenten van Nederlandstalige poëzie blijken maar niet met het werk van Dirk van Bastelaere uit de voeten te kunnen,’ schrijft zo ook Gaston Franssen aan het begin van een alinea (in Parmentier) en bij de besprekers die hij dan, geïllustreerd met een citaat, de revue laat passeren staat ook mijn naam. ‘De recensenten blijken maar weinig met zijn poëzie aan te kunnen vangen,’ schrijft hij daarna nogmaals, aan het einde van dezelfde alinea, om het stelletje als het ware in het kooitje van zijn alinea op te sluiten.

Ik pretendeer absoluut niet alles in Van Bastelaeres bundel te begrijpen, te kunnen volgen. Menige toespeling en de betekenis van deze of die wending zullen me ontgaan, maar dat wil niet zeggen dat ik er niet mee uit de voeten kan, dat ik er geen begrip voor kan opbrengen. Ik denk dat de denkwereld van Dirk van Bastelaere zich vrij dicht bij de mijne bevindt, dat die zelfs serieuze overlappingen met de mijne vertoont. Vandaar ook dat ik onwillekeurig aan Van Bastelaere dacht toen ik de uitspraak en de drie versregels van ‘de nieuwste’ Kopland las. Want zowel die uitspraak als die drie regels zouden, zeker inhoudelijk, noch van Dirk van Bastelaere noch van mij afkomstig kunnen zijn. Zowel hij als ik zou in zo’n geval als het weerzien met een tuin (na een ernstig ongeval en lange afwezigheid bijvoorbeeld) juist op de een of andere manier hebben opgemerkt dat die tuin juist wel veranderd was, dat met mijn afwezigheid en mijn terugkeer ook die tuin veranderd was, dat de tuin mij nu anders zag, zoals en omdat ik de tuin anders zag, dat alleen al het feit dat ik zou kunnen opmerken dat de tuin mij niet had gemist, er een andere tuin van zou maken, enzovoort, enzovoort.
Met andere woorden, ik ben het voor een zeer groot deel eens met Dirk van Bastelaeres visie op en denkwijze over de wereld en de taal. Ik heb veel respect voor zijn inzet, kennis en intelligentie. Dat besef ik ook wanneer ik naar het gesprek met hem kijk en luister dat enkele jaren geleden werd opgenomen en uitgezonden door De Vrije Gedachte, toen hij nog aan ‘De voorbode van iets groots’ werkte: http://www.devrijegedachte.nl/dvgtelevisie/dichters/afl-4/afl-4.htm

Misschien is het enige waarvoor ik allergisch ben in dat gesprek, zijn gebruik van en nadruk op het woord ‘onderzoek’. Maar dat enige is wellicht, in artistiek opzicht, essentieel. Bij een gedicht als ‘onderzoek’ haak ik radicaal af. Zo’n praktijk roept bij mij dan het beeld op van een scholier die van zijn tekendocent de opdracht heeft gekregen het beeld van een vuilstort te schilderen en met een verfsmeerboel op papier komt aanzetten omdat dit op zich ook een rotzooi is, zoals een scholier die de opdracht krijgt tot het schilderen van een sneeuwlandschap triomfantelijk een wit vel papier inlevert, met dit verschil dat Van Bastelaere opdrachtgever en uitvoerder tegelijk is. ‘Ga (de mechanismen van) de taal onderzoeken middels een gedicht, dus middels de taal’ – zo ongeveer zou de opdracht kunnen luiden die Van Bastelaere zichzelf heeft gesteld. De tekendocent die niet eerst zijn leerling heeft laten zien dat (het geheim of beeld of effect van) sneeuw veel meer dan wit is, dat 'wit' eigenlijk niet bestaat of in elk geval nooit hetzelfde is, heeft het aan zichzelf te wijten wanneer zijn leerling meent een blanco blad te kunnen inleveren.


Ter lering strekt en werkt de poëzie van Van Bastelaere al helemaal niet, daarvoor is hij veel te manifest tegendraads. Hij wordt juist alleen maar te begrijpen gevonden door mensen die hem (zowel de dichter als zijn poëzie) in feite juist misverstaan. Een goed voorbeeld daarvan lijkt me Anne Vegter, zelf een dichterlijke spring-in-‘t veld, van de hak-op-de-tak-springster, die vindt dat je maar associatief wat op papier hoeft te kwakken, dat de lezer aan een half woord genoeg moet hebben en dat dit dan zoiets is als je laten sturen door het accidentele materiaal. Terwijl Dirk van Bastelaere in boven genoemd gesprek duidelijk en zeer terecht een onderscheid maakt tussen de essayistische en lyrische praktijk, gaat Vegter in de bespreking lustig door met haar vrije associaties, in haar kennelijk ene en enige (door sommigen voor creatief, gevat en grappig gehouden) toonsoort.
http://www.groene.nl/2007/vsb/Anne_Vegter_over_Dirk_van_Bastelaere
Dit is het slot van haar bespreking van ‘De voorbode van iets groots’ (De Groene Amsterdammer, 3 april 2007): ‘Het is een oerzang geworden op een nieuwe werkelijkheid van het individu. De titel fluistert erover. De slotafdeling verwijst naar een onzegbare wereld in taal. Maar ook voor onzegbaarheid zijn een hoop woorden nodig. Mind you. Wroet niet te veel in die hoop. Explosiegevaar. Het bevredigt op magistrale wijze de culturele nood aan nieuwe mythen. Whhhham.'

Ik zou, als ik Dirk van Bastelaere was, wel weten wat ik liever zou hebben wanneer ik zou mogen kiezen: zo’n geëxalteerde bespreking van Anne Vegter of die kritische van mij in De Standaard. Want ik ben nog niet met Van Bastelaere klaar, Vegter wel, ze denkt dat hij in haar straatje past. En daarom nu Wham! - de titel fluistert erover en het bevredigt op magistrale wijze de culturele nood aan nieuwe mythen:



Wordt ongetwijfeld vervolgd.

donderdag 6 november 2008

WAT JAMMER NOU! OF NIET?

In De Groene Amsterdammer van deze week (45) wordt in een beschouwing over het werk van Francis Bacon, van wie in Londen nu een overzichtstentoonstelling te zien is, tot mijn verrassing en opwinding een relatie gesuggereerd tussen dat werk en een van de, wat mij betreft, topstukken uit de Westerse schilderkunst, de zogenaamde Allegorie van de liefde, geschilderd tussen 1540 en 1545 door Bronzino. De schrijvende beschouwer Patrick van IJzendoorn begint zich al kijkend af te vragen wat steeds weer die aanwijzende pijlen in Bacons schilderijen doen en als zo'n vraag eenmaal is gesteld leidt dat al gauw tot een mogelijk creatieve obsessie. Meer dan benieuwd volg ik dan ook zijn betoog.

Het valt Van IJzendoorn op dat die pijltjes van Bacon gericht zijn op lichaamsdelen en wonden daarin. Vervolgens oppert hij de mogelijkheid van een link met Monty Python ‘dat in 1970 het absurde How To Recognize Different Parts of the Body’ maakte. ‘Bij “Number One: The foot” wijst een pijltje naar de alles verpletterende voet van Cupido, die te zien is op Agnolo Bronzino’s Allegorie met Venus en Cupido in de National Gallery,’ schrijft hij, om te vervolgen met: ‘Bacon kwam daar graag om schilderijen van Rembrandt of Michelangelo te bekijken, maar met een zoon die door zijn moeder wordt gestraft, een man die schreeuwend de haren uit zijn hoofd trekt, een vrouw met een grotesk dierenlichaam en een gespierde oude man met een zandloper op zijn rug zal ook het schilderij van de Florentijnse meester hem hebben geboeid.’

En dan is zijn artikel meteen ook afgelopen. Zomaar, abrupt... Wat jammer! Jammer niet alleen dat niet nu pas echt wordt vastgebeten, maar ook dat Van IJzendoorn kennelijk niet eens even de moeite heeft genomen zelf goed naar het werk van Bronzino te kijken, zoals hij al evenmin enige moeite heeft gedaan om de betekenissen te achterhalen van dat schilderij!

Want hoezo een alles verpletterende voet? Cupido behoort niet eens tot de klasse van het vliegengewicht en de twee duifjes (waarvan bijna alle reproducties er eentje bruut wegsnijden) eronder, of beter ervoor, wordt geen veertje gekrenkt. Hoezo een zoon die door zijn moeder wordt gestraft? Met een tongzoen en zijn vingers rond haar tepel? Hoezo een man die schreeuwend zijn haren uit zijn hoofd trekt? Het is niemand minder dan Dame Invidia die zich daar tot wanhoop gedreven voelt door die verdomde liefde!

Wat een afknapper dus, zo’n artikel. Of toch juist niet? Want evident slecht kijken van de ene kan soms de waarneming van degene die dat tot zijn spijt en verontwaardiging moet constateren, helpen en verrijken.

Pijltjes, daar ging het toch in eerste instantie om? En kijk daar eens, in deze allegorie van Bronzino: een pijl, dé pijl (door Venus) gericht op een lichaamsdeel (van haarzelf)...
Overigens heeft deze, in zoet erosgif gedrenkte pijl volgens mij net zo min iets met die aanwijspijltjes op Bacons schilderijen te maken als dat Monty Python iets aan die schilderijen heeft bijgedragen.

HAND&BRAINJOB

Op het einde van een kort artikel in het nieuwste nummer van het tijdschrift Yang wordt Elias Canetti geciteerd uit de in een noot vermelde vertaling Het geweten in woorden uit 1984. Het geweten IN woorden? De titel van Canetti’s essaybundel uit 1978 is toch Das Gewissen DER Worte? Heeft hier een dualist al dan niet opzettelijk meteen maar het wereldbeeld van Canetti naar zijn hand gezet?
Alle reden in elk geval om van de noot terug te keren naar het citaat in de tekst, die, misschien op juist dat einde na, op mij was overgekomen als het zoveelste ingesleten, schijnoverzicht van DE ontwikkeling van DE Nederlandse poëzie van de afgelopen decennia; de auteur, Marc Reugebrink, zet weliswaar kritische kanttekeningen bij zulke overzichten van anderen, maar in feite denkt en kijkt hij daarmee zelf opnieuw in noodzakelijkerwijs kortwiekende en beknottende lijnen, ook wanneer hij uitkomt bij dichters die zich, als ik hem mag geloven, niet meer wensen vast te pinnen op programma’s en doelen. Op het einde van zijn artikel wordt echter duidelijk dat hij zijn kritisch schijnoverzicht juist heeft opgezet om zich te keren tegen precies dat kennelijk in DE ontwikkeling van DE Nederlandse poëzie ontstane en nu heersende gevoel van koersloosheid. De essentie van de literatuur, zegt hij, blijft een verlangen. En dan komt hij met Canetti op de proppen.

Op het einde van zijn, in genoemde bundel opgenomen beschouwende redevoering, zegt Canetti dat een schrijver een verantwoordelijkheid moet voelen voor het leven dat zichzelf vernietigt, ‘en men hoeft zich er niet voor te schamen te zeggen dat die verantwoordelijkheid gevoed wordt door mededogen (‘Erbarmen’)’. Er ligt een soort impliciete, persoonlijke wet aan ten grondslag die zegt – en nu citeer ik de Nederlandse vertaling uit 1984 – ‘dat men het Niets alleen opzoekt om de weg eruit te vinden en de weg voor een ieder aangeeft.’ Ik vind dat meerduidige ‘alleen’ (voor ‘nur’) prima, maar ‘bezeichnet’ verliest met ‘aangeeft’ precies dat cruciale karakter van de praktijk van het zetten van tekens. ‘Betekent’ is dan ook een even simpele als adequate vertaling, want die impliceert dat ‘men’ iets betekent in juist, misschien zelfs alleen maar in het betekenen, dat wil zeggen, binnen het geweten niet IN maar VAN de woorden. Als je Canetti’s woorden zó leest, lopen ze ook niet de kans menigeen als ‘dagsluitingsproza’ in de oren te klinken, zoals Reugebrink vreest. Als dagsluitingsproza klinken mij daarentegen zijn eigen slotwoorden in de oren. Voor het schrijven zijn volgens hem ‘als vanouds, veel hoop, geloof en liefde nodig’. Mij persoonlijk althans heeft geen van de drie genoemde deugden ooit mijn zwarte Waterman in de hand doen nemen.

Wat zet me dan wél aan om die vulpen op te pakken en de de dop ervan los te trekken? Met enig gevoel van artistieke, laat staan maatschappelijke verantwoordelijkheid voor De ontwikkeling van De literatuur heeft dat niets te maken. Ik probeer altijd eerst even uit hoe de Waterman schrijft. Onzin! Ik vind dat zetten van betekenisloze krullen die voortvloeien uit het vloeien van de inkt door de spleet van het gouden Parijse pennetje gewoon al meteen lekker… Het gevoel erbij in mijn hand. Of van mijn hand. Wat is het?

Dat vroeg Gottfried Benn zich ook al af. Een aandrang, toevloed, stuwing (‘Andrang’) in de hand, was het volgens hem. En waar kwam die aandrang dan vandaan? Een priapisme in de hersenen, zei hij. Uiteraard bedoelde hij dat als beeld. Priapos, de antieke god van de erectie. Voor met Viagra- en penisvergrotingsspam bestookte naïevelingen is de erectie en zeker de priapistische iets benijdenswaardigs. Maar deze dichter die het had over een priapisme in het brein was zeker op dat terrein alleminst naïef. Van beroep (dichter zijn is echt geen beroep, prozaschrijvers verdienen soms geld met hun boeken, dat is prettig voor die schrijvers maar misleidend voor de beeldvorming van hun praktijk), van beroep dus arts in huid- en geslachtsziekten, deze Gottfried Benn. De man heeft serieuze priapismen onder handen gehad, geloof maar.

Bijzonder pijnlijk, bovendien zeer gevaarlijk, zo’n toestand. Behandeling door de uroloog onder hemodynamische bewaking: adequate pijnstilling (eventueel penisblock) plus eventueel een kortwerkend anxiolyticum (saturatiebewaking!); met 23G-naald met driewegkraan het corpus cavernosum loodrecht aanprikken; zoveel mogelijk bloed aspireren in een 10 ml spuit met 10 ml 1:1.000.000 epinefrine-oplossing het corpus cavernosum irrigeren en zonodig meer bloed aspireren (de oplossing niet achterlaten); na verwijderen van de naald 5 minuten afdrukken. (Bron: AMC, Amsterdam)

Met andere woorden, men moet er zo gauw mogelijk vanaf zien te komen. In combinatie met die ‘aandrang’ in de hand, dringt zich nu natuurlijk het beeld op van een, pleonastisch geformuleerd, zelfverlichtende zelfbevrediging.

The poet as a wanker? Zijn we hier weer terug bij de modernistische misvatting van een dualistische ‘zelfexpressie’? Zoals elke vergelijking gaat ook deze gelukkig uiteindelijk mank. Namelijk precies wanneer ze ruimte biedt voor een volgende vergelijking: die van de dichter als schepper. Van zelfbevrediging komen niet gauw kindjes. Van schrijven komen echter wel teksten, Worte*. Er ontstaat (dat is althans mogelijk) die vreemde, mythisch aandoende ‘Verwandlung’ waar Elias Canetti het in praktisch zijn hele werk over heeft. Als vanuit het Niets, of vanuit zijn onaangename pijnen en zijn prettige stuwingen en aandragen, begint de dichter oog te krijgen voor zijn woorden, voor het gedicht dat bezig is te ontstaan. Met hoop, geloof of liefde heeft dat vooraleerst nog steeds niets te maken. Gaandeweg echter ontstaat er een (caverneus tekst-)lichaam, zo lijkt het, dat een eigen bestaan begint te leiden, dat een eigen geweten begint te krijgen, niet IN zijn woorden, maar als zodanig. Zelfs als die woorden gaan over menselijke wezens die elkaar misvormen en vernietigen: met een verwonderde en, zoals altijd na een daad waarin je jezelf leek te hebben verloren, met een weemoedige blik zie je dan, een weg, een ‘zin’ zowel in als uit het Niets.

Misschien dat je op grond daarvan, als lezer, even iets overkomt van hoop, geloof en liefde?

*Het Duits kent twee meervoudsvormen voor 'Wort': 'Wörter' voor wanneer het gaat om afzonderlijke woorden, 'Worte' bij samenhang van woorden, zoals dankwoorden, redevoeringen, teksten.

zaterdag 1 november 2008

"KINDEREN KENNEN TAFELS NIET MEER"


De schaal fruit

De tafel beschrijft
niets: vier poten maken
er een tafel van. Vier regels
maken er een kwatrijn van,

het gedicht dat de schaal fruit
schraagt wanneer we zeggen dat het op
een tafel lijkt – hoe kan het de strekking
beschrijven van het gedicht?


- William Carlos Williams

vrijdag 31 oktober 2008

PROTOHUMMINGBIRDHUMBIRD?

Nadat zijn Lolita een kassucces was geworden, ging Vladimir Nabokov met zijn vrouw Vera wonen in een zijvleugel van Grandhotel Montreux Palace aan het Meer van Genève. Waarom aan het Meer van Genève? Zijn zus Elena woonde in Genève. Maar was er niet nog meer waardoor deze literatuursfinx werd aangetrokken? Meer zelfs dan rust, fenomenale zonsondergangen, schitteringen in het water? In de Zwitserse Alpen ving Nabokov 4323 vlinders - zijn Europese verzameling die wordt bewaard in het Musée Cantonal van Lausanne. Maar er was volgens mij nog iets.

In de tweede helft van de negentiende eeuw was een zekere Aloïs Humbert curator en directielid van het natuurhistorisch museum van Genève. Deze paleontoloog en insectenkenner schreef in 1873 een brief aan Charles Darwin over een bijzonder verschijnsel, de pogingen van een pijlstaart om nectar te halen uit de bloemen van een bloemenbehang...

'(...) le Sphinx reste plus ou moin longtemps dans la chambre et s'arrête devant un plus ou moin grand nombre de bouquets, puis il repart subitement par la fenêtre.'

Wat past beter in Nabokovs fictieve Humberthumbirdhummingbirdsphinxworld!?

In zijn roman Ada, geschreven aan het Meer van Genève, heeft Nabokov een kamer (laten) behangen met papier met hummingbirdmotief...

Hum, bird, hum!

donderdag 30 oktober 2008

HUMBERTHUMBERTSHUMHUMMINGBIRDS




Een innemend licht stotterende Nabokov wordt aan de tand gevoeld over Lolita. "Je moet een schrijver nooit vertrouwen als het om zijn eigen werk gaat," wordt er gezegd. En let dan eens op het stiekem glunderen van die schrijver. Even later glundert hij opnieuw, wanneer hem wordt gevraagd naar de overeenkomsten tussen de auteur en de hoofdpersoon Humbert Humbert in Lolita.


'If if if you asked me (...) whether my my own ideas are those of Hum Humbert Humbert, no, I I I would say No...' Hij heeft erop gelet zichzelf en zijn personage duidelijk van elkaar te scheiden, zegt hij, 'to seperate myself f f from him.'


En dan laat hij een voorbeeld uit het schijnbaar gerijmde volgen. Humbert Humbert, zegt Nabokov, verwart 'hummingbirds' - kolibri's - met 'hawkmoths' - sfinxen of pijlstaartvlinders - 'en dat zou ik, als entomologist, nooit doen!'


Zich vermommen door een fout te maken waarvan je weet dat ze niet aan jou zal worden toegeschreven. Een schijnfout dus. Literaire mimicry. Nu alleen nog afleren erbij te glunderen en te stotteren.

donderdag 16 oktober 2008

Nederland Lees, Nice Veest

Feest in Frankrijk voor Harry Mulisch: op een boom in Parc Albert I in Nice werd een plaquette onthuld vanwege zijn boek Twee vrouwen. Precies het boek dat 'centraal staat', zoals dat in managersjargon heet, 'tijdens Nederland leest 2008'. Precies het boek dat ik een maand geleden ook nog eens in handen had - zie mijn verslag van 16 september. Precies in dat park in Nice waar ik niet lang geleden een zwerver een krant uit een vuilnisbak zag trekken om die onder een boom te leggen, erboven te hurken en er publiekelijk op te schijten. Laat ook ons hopen. Nederland lees!

PS Citaat: "Het boek van Mulisch zal worden verspreid onder leden van de bibliotheken en leerlingen van 4-havo en 4-vwo in de periode 17 oktober tot en met 14 november." Prachtig woord hier, dat "verspreid".

woensdag 17 september 2008

JALOERSE CICADEN

Toch nog heel even doorgelezen in Harry Mulisch' De pupil. (Zie mijn blog van gisteren.)

Zin 4 van deze korte roman of van deze vertelling laat de lezer weten dat de in zin 3 opgevoerde Mme. Sasserath nogal wat woningen bezit: in Venetië, Montreux, Parijs, Londen, New York.

Zin 5: "Ook die woningen waren onafgebroken bemand met personeel (...)." - (Onderstreping van mij.)

Wat een verrukkelijke, geraffineerde, humoristische woordkeuze van de auteur!

En zin 6 ten slotte - want het werd echt tijd het boekje terug te schuiven in zijn smalle spelonk in de boekenmuur - meldt dat deze rijke mevrouw over haar leven vertelde "tijdens de lange zomernamiddagen op het terras van haar villa op Capri, onder het tsjirpen van de krekels (...)."

Ik moet nodig naar Capri, een bijzonder eiland, waar de krekels de zomermiddagzon prefereren boven de schemer en de nacht. En dat ook nog in de bomen? De cicaden daar zullen er wel de pest over in hebben...

dinsdag 16 september 2008

OPENINGSZINNEN

Veel lezers zijn geneigd om bij de aanschaf van een roman het concrete gewicht en zeker de omvang van het boek zwaar te laten meetellen in hun overwegingen en besluitvorming. Men wil letterlijk waar voor zijn geld. Hoewel het heel goed zo kan zijn dat de inhoud van een literaire tekst van zestig pagina’s veel indringender en bij een juiste lectuur veel beklijvender is dan die van een turf van honderden bladzijden die dagen leeswerk heeft gevergd.

Om eens te zien hoe de tekst van een relatief korte roman grafisch acceptabel op te blazen is om toch als volwaardig boek de wereld in te kunnen, plukte ik twee dunne, maar alom gelezen Mulischen van hun plank: Twee vrouwen uit 1975, met een omvang van 156 pagina’s, elk met een vrij kleine bladspiegel, en De pupil uit 1987, 133 pagina’s inclusief wit, met naar schatting zo’n 210 (korte) woorden op een hele, met een groot lettercorps bedrukte bladzijde. De telling van De pupil voerde terug naar een typoscript van nog geen tachtig blaadjes van A4-formaat, getikt of geprint met een regelafstand van anderhalf.

Nogmaals: over literaire kwaliteit zegt omvang niets. Ik ben zelf wel geneigd te denken dat een mindere passage, een slechte formulering of andere fouten of slordigheden in een omvangrijk boek vergeeflijker zijn dan in een korte tekst – misschien kan een werk van honderden pagina’s zelfs niet zonder een paar inzinkingen en missers, mits die niet aan het einde en ook niet aan het begin voorkomen. Op de kortere afstanden kunnen missers eerder fataal zijn.

Er zijn altijd weer literatuurbeschouwers die het belang benadrukken van een binnenkomer, van een sterke openingszin. Er zijn er zelfs die sterke openingszinnen lijken te verzamelen. Alsof het daar allemaal om draait of zou moeten draaien, alsof in die eerste zin bij wijze van spreken al de hele roman vervat is.
Ik zie dat anders. Van mij mag een roman zich ook bijvoorbeeld ietwat schutterig, blozend, ongemakkelijk presenteren, net als een menselijk wezen – waarom niet? Wat niet wil zeggen dat de taal ervan onbedoeld krakkemikkig of zelfs grammaticaal fout kan zijn.

Bij het in de hand wegen en het kijken naar het letterbeeld van Mulisch' twee dunnere boeken, ging ik op een gegeven moment ook lezen, daar viel niet aan te ontkomen, ook al omdat het al heel lang geleden was dat ik die boeken las. Van de lectuur van destijds kan ik me nauwelijks iets herinneren. Maar dat hoeft allerminst aan de boeken te liggen.

Toch was ik verbaasd, zelfs licht geschokt bij het lezen van de openingszin van Twee vrouwen:
Er zijn mij een paar dingen overkomen, – niet alleen de dood van mijn moeder.”

Hè? Begint een ‘groot’ schrijver zó? Deze zin rammelt toch aan alle kanten?
Misschien, dacht ik, maakt de slotzin van het boek dan alles in één klap goed:
Ik kan eerder beneden zijn dan de echo van mijn schreeuw terug is van het paleis.”

Ik weet niet meer waar het boek over gaat, wat en waar dat “paleis” is. En deze slotzin is grammaticaal wel in orde. Maar wat zeker niet in orde is, is de observatie die erin en eruit spreekt… Hoe kan een echo “terug” komen of zijn? De echo wordt toch pas gevormd “ten paleize”, hij (of zij, zoals in de Griekse mythe) wordt er toch niet eerst op uitgestuurd om dan, na botsing met een berg of muur te moeten terugkeren?

Misschien had Harry Mulisch een minder jaar en een zieke of zelfs geen redacteur toen hij Twee vrouwen schreef en was dat twaalf jaar later allemaal beter bij het schrijven op de nog kortere baan.
De eerste zin derhalve van De pupil:
Elk leven kent zijn geheimen.”

Een dooddoener om een literair verhaal mee te beginnen, maar allez.
Die moeten geheimgehouden worden.”
Dat is de zin die er direct op volgt. Er staat niet dat “die” geheimen geheim of bewaard moeten blijven, nee, de geheimen moeten worden geheimgehouden (één woord)…

Hoe heet zoiets ook alweer, Meester, tautologisch of pleonastisch?

Ik klapte beide boeken dicht en schoof ze terug tussen dikkere Mulischruggen. Ik wist wat ik wilde weten.


Van links naar rechts: de Vesuvius

zondag 7 september 2008

zaterdag 6 september 2008

VOL IS VOL

'Ik denk wel dat iedereen die geschreven woorden de wereld instuurt zich moet afvragen of ze het labyrint niet nog ondoorgrondelijker maken dan het al is, en of dat echt nodig is. Er wordt moedeloos makend veel gepubliceerd en het meeste daarvan wordt door bijna niemand gelezen.'
Dat zegt Piet Gerbrandy op 6 september in Trouw nadat hij het ook al zo had gezegd in een lezing bij de opening van het academisch jaar aan de faculteit geesteswetenschappen van de Universiteit van Amsterdam. (In welke krant en voor welke gezindte publiceert de man niet?)

Wat is er op tegen dat een publicatie door ‘bijna niemand’, dus door maar een paar mensen wordt gelezen? Heeft de verschijning van een boek zin gehad wanneer het twee lezers heeft bereikt, onder wie de verloofde van de auteur? Of moeten het er minstens honderd zijn geweest? Of duizend? Honderdduizend lezende kopers, dus 0,0015% van de huidige wereldbevolking? (In het jaar 1750 zou dat nog 0, 0125 % zijn geweest.) Een miljoen? Meer dan 35 miljoen, zoals bij The Da Vinci Code van Dan Brown?
Als het erom gaat geld te vergaren met de publicatie van een boek lijkt me een antwoord in de vorm van een getal mogelijk. De commercieel belanghebbenden bij het bestaan van de Gouden Uil toonden zich niet al te handig maar wel begrijpelijkerwijs ontevreden met de verkoopcijfers die de laatste toekenning van de prijs had opgeleverd: van Marc Reugebrinks boek zijn ‘slechts’ 7500 exemplaren verkocht. Och ja, tel het maar eens uit voor de bekroonde zelf: met 10% royalties per verkocht exemplaar levert dat hem zo’n 15000 euro bruto op, een bedrag dat je met een parttime baan in het toch niet bijster goed gehonoreerde onderwijs binnen enkele maandjes ook binnen hebt. Nee, daar kan de schoorsteen inderdaad niet lang van roken.

Maar ik denk dat het Gerbrandy daar niet om gaat. Hij bedoelt niet zozeer dat de enorme hoeveelheid publicaties moedeloos makend concurrerend is voor schrijvers die willen dat hun boeken worden gelezen en vooral worden gekocht zodat ze van hun werk kunnen leven, maar hij heeft het over de lezers zelf. Die arme lezers zouden het allemaal niet meer overzien en bijhouden. Maar willen de meeste lezers wel overzicht hebben en het, wat dan ook, kunnen bijhouden? Kom nou! De allermeeste lezers willen gewoon het boek dat ze als lectuur mee op vakantie nemen net als de meeste andere lezers voorgeschreven krijgen.
Ook ikzelf heb er als lezer geen enkele behoefte aan om alles te overzien wat er geschreven is en wordt. Zonder daar ook maar een seconde moedelozer van te worden dan ik misschien sowieso al van het doen en laten van de hele wereld ben. Zonder bijgevolg het lezen en de lol ervan op te geven. Integendeel. Ik ervaar het juist als een heerlijke positie waarin ik verkeer. Want wie verplicht mij om, in de beperkte tijd die me als elk mens natuurlijkerwijs bemeten is, de nieuwste roman van A.F.Th. te lezen in plaats van hetzelfde aantal uren met veel plezier door te brengen met de lectuur van My Life on High Heels of van een boek over de Koningin van Saba of met voor de vierde of vijfde keer Jaloezie van Alain Robbe-Grillet?

Het is louter voor boekbesprekers, juryleden en soortgenoten irritant dat er zoveel verschijnt. Uitermate irritant. Stel je bent bijvoorbeeld vast prozabespreker voor een landelijk dag- of weekblad, dan kun je je het simpelweg vanwege je cultureel verankerde positie niet permitteren om het komende paar maanden de nieuwe boeken van onder meer Enquist, Franke, Grunberg, Van der Heijden, Kessels, Van Keulen, Münsterman, Schippers, Siebelink, Storm en Verhulst ongelezen te laten, wil je kunnen meepraten, ook al hoef je niet over elk van die boeken zelf iets te schrijven. Je kunt niet blijven hangen bij en aan wat ooit geschreven is, anders plaats je je 'buiten het gangbare discours' (eveneens Gebrandy, eveneens deze week, nu in De Groene Amsterdammer). En dan wil je uiteraard ook van tijd tot tijd ‘een ontdekking’ doen – wat denk je hoeveel rommel je daarvoor eerst moet doorploegen! En dan moet je ook nog alles bijhouden wat anderen schrijven over wat anderen schrijven over wat anderen… Arme, arme beroepslezers, het groeit ze echt totaal over het hoofd. Ze hebben door al dat moeten lezen niet eens meer tijd om de hond uit te laten! Ja, het is een schande dat er schrijvers zijn die deze toch al zo zware boekenwereld onnodig belasten met boeken die bijna niemand zal lezen. Vol is vol!

Voor menige schrijver is het intussen een uitgelezen tijd om te ontkomen uit de grot van Eenoog door zich als niemand beschouwd te weten.

vrijdag 29 augustus 2008

DE APPELSCHILLER 1

De nieuwe roman van de Deense schrijver Jens Christian Grøndahl verschijnt allereerst in een Nederlandse vertaling. De nieuwe roman van Anna Enquist verschijnt allereerst in een Duitse vertaling.

Een verschijnsel dat geen uitzondering meer is en dat vragen oproept over onder meer de relatie van de literaire auteur tot de specifieke taal waarin en waarmee hij of zij werkt. Ik kan me niet anders voorstellen dan dat zeker een auteur uit een klein taalgebied die weet dat het boek waaraan hij werkt allereerst of spoedig, in elk geval zeker in vertaling zal verschijnen, zich zal hoeden voor taalprovincialisme. De vertaalbaarheidsfactor zal ertoe bijdragen dat de drang tot ‘taalverrijking’ en zeker tot taalexperimenten op een dovend pitje komt te staan. Wie al in het Nederlands voor het Duits, Frans of Engels schrijft, beschouwt de taal niet zozeer als materie waaruit het boek ontstaat en zal bestaan, maar als vehikel.

Daardoor zou het ook kunnen gebeuren dat een vertaling literair of alleen al grammaticaal en stilistisch beter is dan het ‘origineel’. Een goede vertaler is de best denkbare redacteur.

Je zou daar als auteur èn als zijn thuisredacteur van kunnen profiteren. Was er bijvoorbeeld gewacht met de uitgave van Cees Nootebooms Paradijs verloren tot na de Duitse vertaling ervan, dan had men heel misschien nog tijdig kunnen onderkennen hoe het taalgebruik van deze roman van een rommeligheid en krakkemikkigheid was die je meestal aantreft bij scholieren met een gelukkig zeer tijdelijke artistieke bevlieging.


Twee van ca. 150 redactiebehoevende pagina's.
Klik op een van de twee pagina's voor een beter beeld van beide.


donderdag 21 augustus 2008

GOUDEN UIL VS STEENUIL

De juryleden voor De Gouden Uil moeten veel te veel boeken lezen! De uitgevers mogen derhalve niet meer ongelimiteerd boeken voor die prijs inzenden. Er moet worden voorgeselecteerd.
Maatregelen, toevallig (niet dus) bedacht nadat de prijs ging naar een schrijver van wie het boekenbedrijf desondanks weinig omzet verwacht.
Kreten van verontwaardiging in en uit de 'literaire wereld'. Hypocriet of meelijwekkend naïef. Alsof zo'n literatuurprijs ooit zonder commerciële oogmerken in het leven zou zijn geroepen en zou kunnen blijven bestaan. Ach, zo'n prijs doet menig schrijver natuurlijk de natte puberdroom verderdromen, de droom van de erkenning, zo niet meteen op jeugdige leeftijd, dan toch in de vorm van een 'doorbraak'. 'Laat ons verder dromen!' roepen ze.
De uitgevers beklagen zich ook al, alsof hun onschuld wordt vermoord: nu moeten zij zelf al een keuze maken, alsof voor hen niet elk boek en elke auteur van even veel waarde zou zijn... Natuurlijk zijn boeken en auteurs voor een uitgever niet van gelijke waarde, zowel in literair als commercieel opzicht, waarbij literair en commercieel allerminst hoeven samen te vallen. Kom, zeg! En natuurlijk kan zo'n jury onmogelijk 380 boeken lezen, tenzij de vijf leden een jaartje worden opgesloten in het Tegelse Trappistenklooster. Samen lezen is al helemaal uitgesloten. Boeken van gevestigde namen kunnen uiteraard niet na het lezen van vijf pagina's bij het afval worden gelegd, maar dat is geen probleem bij boeken van nietnamen, waaraan slechts een of twee juryleden even hoeven te hebben geroken om de overige leden een gerust gemoed te bezorgen.
En dan gaat het nog maar om een piepklein taalgebiedje. Wat te denken van boeken in het Engels? Van het merendeel van de jaarproductie in het Engels zal welke jury dan ook niet eens één letter kunnen lezen.
Het is even verbazingwekkend als typerend te zien hoe juist in onze tijd van geweldige (boeken)productie, instellingen en individuen pretenderen er het beste of meest waardevolle uit te kunnen pikken. Neem NRC'er Pieter Steinz, deze gids van de wereldliteratuur met zijn almaar groeiende, zich schier eindeloos (want uiteraard binnen het domein van de 'namen' blijvende) vertakkende literatuurschema's: de belangrijkste boeken van auteur X en bij dit boek zou je weer dit en dat boek van die en die moeten lezen, etcetera etcetera. Waar haalt hij het vandaan, ik bedoel alleen al de tijd om zelf al die boeken gelezen te hebben? En met welk tempo zou zo'n man moeten kunnen lezen? En zou hij ook wel eens een boek twee of drie keer lezen? En vooral: wat is de zin van dit alles? Met kunst om de kunst heb ik niet veel op, met lezen om het lezen nog minder.

Intussen heeft het schijnbare, in elk geval publiekelijke afnemen van kansen op doorbraken en soortgelijke rampen, voor de meeste schrijvers alleen maar voordelen, lijkt me. Wie schrijft wil tijdens het schrijven zo min mogelijk worden gestoord, toch? En een wandelingetje naar de sigarenman voor het invullen van een lottoformulier beschouwt hij of zij daarbij als een aardig verzetje.

Athene noctua, de vogel van Athene en Minerva, schittert allerminst als goud in de zon, maar vliegt geruisloos, liefst bij schemer en nacht.

Foto: Piet Munsterman (Lesbos)

maandag 11 augustus 2008

RAKEN

'Kunst moet raken, ' zegt
wie zonder kunst iets mist om
indruk te maken.

BEROEPS

Nooit een fondsaanvraag
noch een echte baan - toch geld:
is dat niet verdacht?

JALOUSIE DE COMMERCE

Voor het verscheuren
beurde hij meer dan de au-
teur zelf voor zijn boek.

CEES NOOTEBOOM E.A.

Allerminst wegens
mijn hoogtevrees haat ik die
literatoren.

maandag 7 juli 2008

LEEUWERIK

Nog net niet aangerand werden Daphne
laurier en Syrinx ritselriet, hamerde Picus
zijn boomklopperslied – veranderen in plant
of dier wanneer het exces van de lust het

al te onwenselijke, de mens zien liet,
het was intuïtief een gedachte die ook
iets goddelijks verried. Was de mythe maar
praktijk: in plaats van om ons te kwijnen

bloeiden dieren- en plantenrijken om ons
heen, Birkenau-eikenwouden, kuddes
Hararegeiten, zoetwilde Fritzldruiven,

bosmieren van Fourniret – hemels hoog
steeg ik om jubelend over heel de aarde uit
te kijken! Maar storten zou ik, als een steen.

zondag 6 juli 2008

PENIBEL BESTAAN

De taal is van het misverstand, soms
heel charmant, zoals je woord ‘penibel’
fout beklemtoond door een sensibel meisje
jou wel mooi voor oude bok deed staan,

vaak echter werkt moedwil echte ellende
in de hand. Stel merels sloegen ter verjaging
van medemerels katvrij alarm of muizen lokten
‘Kaas’ piepend medemuizen in de val, zoals

in de comics van onze cartoonisten. Ook dieren,
zelfs planten, menen wij, gebruiken listen. Maar
goed dat zij niet eens weten dat ze niets missen

door daar zelf niets van te weten. Ook ons verstand
is dier, van taal, zoals een garnaal van een garnaal
die nietsvermoedend leeft hoewel er pellers bestaan.

zaterdag 5 juli 2008

EVOLUTIE VAN HET ONGEDULD

Zouden de dieren langzamerhand
niet iets moeten gaan begrijpen van
onze gereedschappen in plaats van
eraan te ruiken of erop neer te strijken?

Al was het maar dat ze menen dat wij
met speren mieren jagen en olifanten
met een pincet. Wanneer begint bij
filevorming de paddentrek, imiteren

apen ons eindelijk zonder haar? E-
volutie is een zaak van lange duur,
zo bepaalden wij die menen zelf al

de eerste stap naar Godzijn in Gods
Al te hebben gezet. Wanneer gaan we
ons eindelijk niet meer boven de pet?

woensdag 2 juli 2008

HET TROCADÉROMOMENT

Een ex-leerlinge schrijft me een brief over een bijzondere ervaring. Ze was voor het eerst in Parijs, was met de metro naar Trocadéro gereisd. Op haar stadsplattegrond had ze een gebouw met de naam Palais de Chaillot aangegeven gezien. Ze had de vormen, de symmetrie van het gebouw en de omgeving op de kaart bekeken.
‘En plotseling stond ik daar! Bernardo Bertolucci – Il conformista – Marcello Clerici en zijn kersverse vrouw Giulia met op de achtergrond de Eiffeltoren, een zwart met rode taxi en Giulia’s domme blik wanneer Marcello haar in haar eentje weg laat rijden. Ik heb me nooit gerealiseerd dat dit plein echt bestaat, laat staan dat ik er ooit zelf zou staan, wat de hele gebeurtenis des te overweldigender maakte. Kijk, daar stopte de taxi. Denk even al die mensen weg. En Marcello, Giulia, zo moeten ze hebben gestaan. Loop terug, met het zicht op de Eiffeltoren, rug naar de weg. Het heerlijke gevoel bekroop me even door de ogen van Bertolucci te mogen kijken en even deel uit te maken van die meesterlijke film.’Die inderdaad meesterlijke film had ik zo’n anderhalf jaar eerder met haar studiegroepje bekeken en analyserend besproken. En naderhand is Il conformista nog menigmaal in onze gesprekken over kunst ter sprake gekomen. Nu komt ze uit de ondergrondse boven en staat volkomen onverwacht midden in die film! En midden in de wereld! Dat is zo’n moment van genade, van ‘duur’ dat telt, waar het om gaat, waar alles op zijn plaats lijkt te vallen en fictie de werkelijkheid die ze altijd al is geweest ook daadwerkelijk blijkt te zijn, waar kunst bovengronds komt.

zondag 29 juni 2008

GEMEENSCHAPPELIJK BEZIT

"Dat is," zeg je, "een uitspraak van Epicurus. Wat heb je te maken met een vreemde?"
Wat waar is, is van mij. Ik zal doorgaan met je Epicurus te voederen om te bereiken dat die mensen die zweren bij woorden en er niet op letten wat er gezegd wordt, maar door wie, gaan inzien dat wat het beste is gemeenschappelijk bezit is.

Zo besluit Seneca een van zijn brieven aan Lucilius. Waarom zou ik schrijven en publiceren wanneer ik het niet verheugend zou vinden op een goede dag te mogen merken dat een lezer zich enkele van mijn woorden of zinswendingen heeft eigen gemaakt?

zaterdag 14 juni 2008

TWEE MOGELIJKHEDEN

Wanneer een minbekend auteur wordt belaagd door een prominent criticus zijn er twee mogelijkheden:
de criticus maakt zich belachelijk door met een kanon op een mug te schieten of de mug is de criticus zelf.

dinsdag 10 juni 2008

VERKWIST EN GEMIST

Van een geïnteresseerde lezer in wiens eigen werk ik op mijn beurt geïnteresseerd ben, ontving ik het volgende bericht:

"Ik las net je nawoord bij Benn. Ik weet niet of je het volgende fragment van Nietzsche kent:

(...) want de mensheid heeft over het geheel genomen geen doelen, en dus kan de mens die de hele gang van zaken overziet daar geen troost en steun in vinden, maar alleen vertwijfeling. Neemt hij bij alles wat hij doet de ultieme doelloossheid van de mensen in aanmerking, dan krijgt ook zijn eigen activiteit het karakter van een verkwisting. Zich echter als mensheid (en niet alleen als individu) net zo verkwist te voelen als de eenzaame bloem die we door de natuur verkwist zien worden, is een gevoel dat alle gevoelens te boven gaat. - Maar wie is daartoe in staat? Natuurlijk alleen een dichter: en dichters weten zich altijd te troosten."

Het is aannemelijk dat ik het fragment (Menschliches Allzumenschliches, nr 33) ooit heb gelezen. Maar ik had het in elk geval niet paraat bij het schrijven van dat nawoord, waarin ik wijs op het belang van Nietzsche voor de dichter Benn.
Gemiste kans! Want deze woorden vormen zowel de basis van als de uitdaging voor Benns dichterschap.

Ach wat, gemiste kans! Zulke lezers zijn onmisbaar.

zaterdag 7 juni 2008

DE ANTIANTHOLOGIST VIII

of
HOOI VOOR EEN OLIFANT MET GEHEUGENVERLIES

“Beurskens is vergeetachtig,” schrijft Komrij op 30 mei op zijn weblog. Volgens hem ben ik pas op het idee gekomen te klagen over mijn detentie in zijn bloemlezing nadat hij in 2006 een stuk over mijn “laatste” roman Hoe heette die ook alweer in VN had gepubliceerd. “Meteen na publicatie begon hij te klagen bij mijn uitgever,”schrijft hij. “Schuimbekken mag je het gerust noemen, terwijl ’t toch een heel mild artikel was.”

Allereerst dit: ik heb nooit met wat dan ook in die bloemlezing willen staan. Toen het zover was, was dat een voldongen feit waartegen het, aldus mijn toenmalige uitgever, een wijze man, zinloos was te ageren: zelfs Kouwenaar en nog een paar andere bekende dichters was het niet gelukt er iets tegen te doen.

Dan dat artikel in VN. Het idee dat Komrij ooit iets positiefs over iets van mij te melden zou kunnen hebben is nooit bij me opgekomen. En ik zou ten gronde aan mezelf twijfelen als zoiets ooit zou gebeuren. Wat niet wegneemt dat het me verbaast dat Komrij aandacht aan me besteedt en, niet voor de eerste keer, tegen mij en mijn werk in het geweer meent te moeten komen.

Niet mijn vrienden, mijn vijanden moeten invloedrijk zijn. Een opvatting en instelling die Komrij kennelijk vreemd is. Dat Komrij op cultureel terrein publieke macht heeft is evident. In zijn kringen zal hij mij niet gauw treffen. Machthebbers kunnen hun macht op allerlei manieren bevestigen. Een van de methodes is het om iemand eerst publiekelijk een dreun te verkopen en hem dan even later min of meer privé over de bol te aaien om aan het slachtoffer een even nederige als dankbare glimlach te ontlokken.

Vrij gauw na publicatie van dat artikel in VN vroeg Komrij via uitgeverij De Bezige Bij me om toestemming voor opname van een paar van mijn gedichten in zijn poepenpiesboek. Ik zou toch een echte Nolles zijn geweest als ik toen braaf en blij die toestemming zou hebben gegeven! Het enige wat ik heb gedaan is De Bezige Bij laten weten dat ik op geen enkele wijze ook maar een cent zou willen bijdragen aan het inkomen van meneer Komrij. Dat was alles en het was afdoende. Ik ben dus allesbehalve meteen na publicatie van het VN-artikel bij Komrij’s uitgever begonnen met klagen. Het telefoonnummer van de Bezige Bij is 020.3059810.

Amnesie is natuurlijk een van de grootste schrikbeelden voor een bloemlezer. Een bloemlezer moet een geheugen als een olifant hebben. Amnesie kan, zo heb ik gelezen, onder meer het gevolg zijn van psychische of mentale stress, zoiets als verdringing is het dan, denk ik.

Waarom is die Komrij toch zo gebeten op iemand die in de kringen van en rond zijn ogen toch niet veel zou moeten voorstellen, heb ik me herhaaldelijk afgevraagd. Hij heeft me nu eindelijk zelf een mogelijke verklaring voor zijn gedrag aan de hand gedaan door te veronderstellen dat mijn verzet voortkomt uit frustratie vanwege een door hem geschreven negatieve bespreking.

Komrij is vergeetachtig. Onder de titel “Literaire kitsch en een bal gehakt” schreef ik een artikel in De Groene Amsterdammer van 12 mei 1982. Een stapelrecensie van drie poëziebundels (van respectievelijk Komrij, Büch en Winkler), maar met een tekstomvang (een hele Groenepagina) waar vijf huidige krantenbesprekingen van een poëziebundel in zouden passen. Meteen na publicatie ervan is het gelazer begonnen, terwijl het toch een heel mild artikel was.

Het stuk is nooit gebundeld, dus voor het gemak van vooral Komrij’s shrink laat ik het eerste deel ervan hieronder (De Antianthologist VII) even volgen. Kopij moest toen nog getypt worden ingeleverd om dan weer te worden overgetikt: een paar kleine maar evidente tik- of zetfouten heb ik verbeterd. Van de toentertijd modieuze k in woorden als ‘aspekten’ heb ik een c gemaakt. Er staan formuleringen in de tekst die voor verbetering vatbaar zijn, maar het gaat nu om de strekking, de historiciteit én het effect ervan, meer dan een kwart eeuw later.

DE ANTIANTHOLOGIST VII

De Groene Amsterdammer, 12 mei 1982:

“Dichters, we lezen ze met droge ogen./Waar zijn de tijden van het hartebloed?/Waar de gezangen van het mededogen?/De litanieën, waar? Voorbij. Voorgoed.”
Dit is een stofe uit de bundel Gesloten circuit van G. Komrij. Het zijn vier versregels die een kijk geven op nogal wat aspecten van een bepaald denkbeeld over poëzie (want hoe pasticherend deze regels misschien aandoen, nergens blijkt uit de context van de hele bundel dat ze spottend moeten worden opgevat; de toon die hier wordt aangeslagen is de ondertoon van het boekje.) Zo kun je allereerst concluderen dat er wordt gevonden dat men geen gedichten, maar op de eerste plaats dichters leest. Dat vindt G. Komrij dus en G. Komrij vindt verder dat poëzie de lezer moet doen huilen en bovendien vindt G. Komrij dat de dichter de lezer aan het huilen moet brengen door over het huilen te schrijven.
Iets verderop in hetzelfde gedicht staat “Het bloed werd gruis. De tranen werden glas. Het leed werd leed van bordkarton.” en daarmee maakt G. Komrij duidelijk poëzie “van het hartebloed”, die dus vochtige ogen veroorzaakt, als de poëzie van het echte leed, van het echte gevoel te beschouwen. Bijgevolg is de mate waarin een gedicht kan “ontroeren” maatstaf voor de kwaliteit van het gedicht. Dat betekent toch een sterk geloof in een hoge mate van gevoelsovereenkomsten tussen zeer veel mensen. Maar dat betekent ook een sterk geloof in het genoegen dat mensen scheppen in het huilen. Huilen staat in deze poëzieopvatting immers gelijk aan goed of mooi vinden.
Dat is toch merkwaardig. Want wie is er nu zo graag triest of terneergeslagen, wie heeft er graag pijn? Ik in ieder geval niet. Toch, dat moet ik bekennen, heb ik wel eens gehuild terwijl ik me daarbij tegelijkertijd erg mooi en goed vond, bijvoorbeeld als ik voor iemand iets prachtigs had gedaan en die iemand blijkbaar niet zag hoe prachtig ik dat iets voor hem had gedaan. Misschien is dat soort huilen wel het algemene huilen dat G. Komrij bedoelt.

Waar ik heen wil is het volgende: kitsch. Het kitschgenot lijkt veel op een esthetisch genieten, maar met dit verschil dat bij het kitschgenot het bewustzijn primair als bewustzijn van het genieten van de aandacht op de eigen gevoelshoedanigheden werkt. Kitschgenot is eigengenot. Zo wordt van een droevige gebeurtenis niet alleen de droefheid van het gebeuren, maar de diepte en mate van de eigen droefheid ervaren.
Hetzelfde geldt voor een kitscherige benadering van gevoelens van liefde. Dezelfde G. Komrij laat een mix van zowel treur- als liefdeskitsch zien in zijn serie “Peper en zout”. Daarin komt G. Komrij met een onsje kalfsgehakt van de slager: “Ik schrok. Was het wel schrik? ’t Was wanhoop en/Aanbidding tegelijk”. Komrij ziet in een flits een schoonheid tussen de mensen de straat oversteken, maar kan op het juiste ogenblik niet tot actie komen, zodat de schoonheid is verdwenen, iets wat prompt gedichtenlang zelfmedelijden opwekt: “Nu weende ik bijzonder hete tranen” of “Ik, arme slaaf, brandde zo pover, pover” en “Ik sudder eenzaam voort. Ik gloei vertwijfeld./Ik ben de martelaar van etenswaren”, met andere woorden, een bal gehakt.
Die jammerklachten worden doorspekt met opmerkingen die in eerste instantie een sterk relativerend en objectiverend karakter tegenover de gevoelsexplosies lijken te hebben en ze cirkelen vooral om het thema van het gekochte onsje kalfsgehakt: “Als ik het ons terstond had neergedonderd”. Maar de schoonheid die plots verdween blijkt van vers tot vers meer te zijn dan een mooie jongen: de suggestie wordt gewekt dat het hier gaat om een ongeluk (ook weer via zo’n objectiverende opmerking: “een auto – ’t was, geloof ik, een Renault –”), om iemands plotselinge dood op straat en uiteindelijk zelfs om de eigen dood en die dood als geliefde.
G. Komrij stond dus kortstondig oog in oog met de mogelijkheid van de eigen dood in “wanhoop en aanbidding tegelijk”! In het laatste gedicht vraagt hij zich dan ook af: “Zal ik zijn zeis nog eenmaal langs zien zweven?/O God, roep ik, ik wou maar dat het kon.” Dat is de perversiteit van het kitschgenot. En het kenmerkende is dat de wil om zich koste wat kost te laten ontroeren in concreto ertoe leidt roerende aspecten ook daar te vinden waar ze zelfs helemaal niet zijn: in het onsje kalfsgehakt. Want het is maar een kleine stap om een (mogelijk doodgereden) lichaam hier te vergelijken met gehakt (van een onschuldig kalfje), zeker als dat lichaam nog als volgt wordt gekruid: “Zijn hals was hoog, zijn lippen ietwat bleek/zijn ogen – peper en zout! Peper en zout!”
Tegelijkertijd kun je hier duidelijk zien dat het maken van kitsch zeker niet gelijk staat aan het ontbreken van zoiets als “vakmanschap”: zoals een maker van kitschbeeldjes uitstekend met klein en glazuur overweg kan, kan G. Komrij vakkundig met woorden schuiven, laat hij zijn lijden aan het lijden van een gehaktbal samenvallen met zijn lijden aan het lijden van een kalfje en bijvoorbeeld zijn verdriet over de eigen dood of kan hij met woorden spelen zoals in “mijn ons gehakt” waarin “ons” niet alleen voor een gewicht hoeft te staan, maar ook bezittelijk voornaamwoord kan zijn.

Het geraffineerde van G. Komrij’s kitsch is dat het in eerste instantie steeds lijkt alsof hij behalve die hoogdravende en diepgravende gevoelens elementen ten tonele voert die alles weer kunnen relativeren. Maar bij nadere lezing blijken ook deze elementen zo geladen te zijn dat ze juist extra meehelpen aan de versluiering van alle tegengestelde zaken. Alleen al hieruit wordt duidelijk dat het voornaamste doel van de kitsch het uitbannen van elk demonisch karakter van het leven is en wel juist daar waar blijkbaar alles het tegenovergestelde beoogt: dood, seks, oorlog, schuld, geboorte, god, enzovoort. Het zijn de elementen die ook in de bundel Dood kind van B. Büch aan de orde zijn. In de door B. Büch “doodsliederen” genoemde gedichten wemelt het weer van regels als (…).”