dinsdag 28 oktober 2014

DUFY - VERTELLER VAN HET ZIEN



Wanneer ik in Nice ben, bezoek ik steevast het Musée des Beaux-Arts vanwege de fraaie schilderijen van Raoul Dufy aldaar. Het museum is de geboorteplek voor mijn appreciatie van het werk van Dufy. Heel lang heb ik dat werk (gereproduceerd in boeken en in musea in bijvoorbeeld Parijs) bij wijze van spreken hoogstens vanuit een ooghoek bekeken en het daarbij als vrijblijvend decoratief links laten liggen. Ik vermoed dat het onder meer met mijn indrukken en beleving van de stad Nice te maken had, toen ik daar voor het eerst kwam, en dus ook voor het eerst de Dufy’s in dat museum zag, dat ik niet zozeer een schok ervoer (zoals dat schijnt te moeten gebeuren met ‘ontdekkingen’), alswel vervuld werd door en deel uitmaakte van een soort warm, transparant inzicht. Vanaf dat moment, een ervaring van durée, wist en weet ik dat Dufy me iets te vertellen heeft.
Toen ik zo’n maand geleden weer Nice bezocht, was het dan ook een teleurstelling te moeten vaststellen dat de Dufy’s uit de collectie van het Musée des Beaux-Arts tijdelijk hadden moeten wijken voor een gelegenheidstentoonstelling en ik het er dus moest doen met een Dufyblik door de vensters op de palmboomkronen met daarachter het blauwe ‘dak’ van de Middellandse zee.

Het Singermuseum in Laren biedt momenteel een sympathieke Dufytentoonstelling. Ik had stil gehoopt dat ook de werken uit Nice, vanwege de omstandigheden daar, de reis naar Het Gooi hadden mogen maken. Helaas. En echt veel andere ‘topstukken’ zijn in Laren evenmin te zien, maar wat er hangt is goed en zeer de moeite waard, en het liet me opnieuw zien wat Dufy is: een verteller van het zien.
 
‘Allereerst is er altijd allereerst de kleur. Dan komt vorm.’
Zo begint iedere Dufyvertelling.
‘Daar is het blauw, hier groen, en daar ook, in het midden, dit gebied, paars…’
En dan: ‘Kijk, hier staat een stoel, zo eentje met van… deze armleggers…, zie je? Net als die er naast, of die er wat schuin tegenover staat, op deze manier, hier, zie je hem, zie je me hem voor je zien? Naast dat groene tafeltje met het… r-o-n-d-e blad. Een vaas erop, ja, met bloemen weer daarin, kijk eens wat een bloemen, zeg! Zo, en zo, en zo… En nog maar een! En er staat, schuin, een bank, met latten, met latten… Tussen rug en zitting, dat is gras, gras, gras. Je ziet het ook weer boven de rug van de bank, kijk maar, ik laat het je zien, zie je het al? Oké. Op de grond ervoor dan, daar, hier, dat, zo, dit zijn, ja, precies, bladeren, vergeelde bladeren, van een boom gevallen, lijkt me, maar het is nog geen herfst, hoor, laat staan winter, zie je? Voor de gevel verderop, wacht, ik laat hem je zien, deze dus, van een huis, met een trap, stenen trap, leuning, gietijzer, ja, dat zie je goed, ramen, zulke, hangen groene bladeren, bladeren van een, van die zelfde boom…, we staan er eigenlijk gewoon onder, in de schaduw ervan…’
Enzovoort. En dat natuurlijk niet in deze volgorde, want terwijl een schrijver zijn lezer noodgedwongen van het begin naar het einde van een regel, een alinea, een hoodstuk, een boek moet leiden, in de hoop ondanks de lineariteit iets van durée te bewerkstelligen, kan Dufy zijn kijkvertelling eigenlijk overal beginnen en vervolgen waar hij wil.
 
‘Eerst Blauw. Nog meer blauw. Roze. Oker. Blauw, dat is de muur vooral. Met het raam dat openstaat, de vleugels ervan zo naar binnen, en door een raam kun je natuurlijk kijken, zien wat erachter en wat er achter die blauwe muur is, een straat met huizen, zie, kijk, met van die dakkapellen, ja meerdere geledingen, verdiepingen, onder de dakrand, met, hier ramen, ramen, ramen ertussen. Ook lucht, hemel, dat andere blauw, dat heb je goed gezien, ja. O, wat links van de blauwe muur is, dat roze en dat oker? Er staat een deur open, zo eentje, zie je? De andere kant op dan de twee raamvleugels, waardoor je op een soort gangetje komt, kijk, met een tapijtje op de vloer, en aan de andere kant staat ook en deur open, nu weer deze kant op,… Nee, die muur is niet egaal roze, maar met een be…, ik laat het je even zien, een behang met bloemmotieven, snap je wat er te zien is? In dat andere vertrek…’ Enzovoort.

Het is uiteraard niet in woorden te vatten, dit vertellen van het zien. Maar voortdurend vraagt de schilder om weer naar iets anders te kijken in wat hij met je aan het bekijken is, waardoor het voortdurend lijkt dat je alles vanuit een ooghoek ziet, zonder dat je iets van dat alles links wilt laten liggen. En een tijdlang, als je zodoende met de schilder hebt meegekeken, wordt alles, ook buiten zijn werk, Dufy, niet alleen Nice, zelfs Laren.

NB De twee schilderijen hierboven maken geen deel uit van de expositie in het Singermuseum.

maandag 27 oktober 2014

CHARME DIGITAAL

Mijn lange gedicht Charme uit 1988
is nu
(en met illustraties) te lezen.

donderdag 16 oktober 2014

NOG ERGER DAN GEDACHT



Is het een twijfelachtige eer dat ik op twee pagina’s mag figureren in de net verschenen biografie van Ida Gerhardt, Dwars tegen de keer, van Mieke Koenen? Het gaat op die pagina’s over het stuk dat Gerhardt op 3 februari 1984 in NRC Handelsblad publiceerde: ‘Kritiek als intimidatie. Een tijdverschijnsel.’ Ik herinner me nog goed dat mijn Meulenhoffuitgever Laurens van Krevelen op die dag bij me op bezoek kwam en me twee verrassende cadeaus overhandigde: eerst een fles mezcal met een heuse, nooit eerder door me geziene agaverups erin, vervolgens de NRC-editie van die avond.
Hoe twijfelachtig was de eer om door een dichteres van 78 met de P.C. Hooftprijs achter haar naam in een landelijke krant te worden vergeleken met, aldus Koenen, ‘de NSB’er die haar in de oorlog bij de bezetters verdacht had gemaakt’? Waarom klaagde ze mij, naast enkele andere critici van haar werk, publiekelijk aan? Vanwege een bespreking die ik zo’n drie jaar eerder van haar langere gedicht Dolen en dromen in De Groene Amsterdammer had gepubliceerd. Toen, in januari 1981, was het nog geen vier jaar terug dat ik als dichter bij Meulenhoff had gedebuteerd. Ik was in feite nog een aap.
Als ‘aap’ betitelde Ida Gerhardt me nadien ook in haar brieven, zoals na haar dood bleek uit de uitgave van die brieven onder de titel Courage!, samengesteld door Ben Hosman en Mieke Koenen (Athenaeum - Polak & Van Gennep, Amsterdam 2005). Toch zag ze me tegelijkertijd als ‘man’. In een brief van 19 september 1982 schreef ze: ‘Na de aanval van Beurskens op mij, weet ik dat deze man, en ws. Wiel (sic!) Kusters[*] eveneens, tot alles in staat is. Daarbij komt dat iedereen aan de kant stond te kijken: ik ben dat niet vergeten.’
De oude dame was uitermate gekwetst. Ik vrees dat ik toentertijd nog te weinig gevoelens van in- en medeleven met de ouder geworden mens had ontwikkeld, al heb ik allerminst van de affaire gesmuld. Nu ik de kwestie in de biografie van Mieke Koenen weer tot leven gebracht zie, voel ik me er opnieuw niet behaaglijk bij. En wie weet zat ik er, drieëntwintig jaar geleden, echt naast met mijn apenstreken. Ik ben wel eens meer op visies en meningen terug moeten komen.
Derhalve die uitgave van Dolen en dromen na zoveel tijd er weer bijgehaald en daarna mijn Groenebespreking ervan gelezen. En ik moet bekennen: ik heb in januari 1981 de crux gemist.

Nog steeds ben ik het wonderwel eens met de strekking van mijn bespreking (die hieronder integraal te lezen is). Zowel wat betreft de inhoudelijke strekking van het gedicht als de taalkwesties. Ja, het was, is en blijft een lofzang op vaderlandstrots, geslachtscontinuïteit et cetera. Inderdaad is het stupide voor een P.C. Hooftster om ‘buiten’ – waar anders? – een ‘losse’ – ? – bui te laten ‘vallen’ – wat anders? En hoe bestaat het dat iemand, ook als is ze van de damesliefde, bijna honderd jaar na het verschijnen van Die Traumdeutung, het zonder tongue in cheek (!) over ‘jonge spelers, met uw fluiten’ kan hebben en ‘zigzag binnendoor de Zaadmarkt’ bereikt, al heet in Zutphen een plein echt zo, terwijl het gedicht nota bene gaat over dolen en dromen…!
Maar in december 1980, toen ik die recensie schreef, beschikte ik nog niet over toegang tot het internet. Ik moest ambachtelijk typen en het getypte ter overzetting afleveren op Westeinde 16. Een echt goed excuus is dat echter niet: ik had me beter moeten en kunnen informeren!
Enfin, nu kan ik dus simpelweg op mijn werkplek nagaan wie die ‘Mr de Jonge’ is of was, die ‘de zilveren anjer werd gereikt’. Jonkheer Meester M.W.C. de Jonge (1911-2001) was onder meer secretaris van de Stichting Wijnhuisfonds, gericht op restauraties in Zutphen. De ‘zilveren anjer’ is een onderscheiding, aldus het Prins Bernhard Cultuurfonds, ‘voor mensen die zich geheel onverplicht en onbetaald hebben ingezet voor cultuur of natuur in het koninkrijk der Nederlanden.’ En de adellijke jurist De Jonge kreeg zo’n zilveren anjer in 1978.
1978: dat is dus het jaar waarin dit Dolen en dromen van Ida Gerhardt speelt. Dat is dus ook een jaar voordat Ida Gerhardt de P.C. Hooftprijs kreeg… En opeens valt bij mij het kwartje dat niet meer bestaat! Deze regels heb ik destijds niet kunnen duiden:
(…) Thuis ligt veel werk en vast
veel post. Misschien is er die brief wel bij
waarop wij wachten, jaar en dag. Dan vloeit
een springbron van gerechtigheid. Wie weet.

Nee, ik wist het niet, ik dacht aan iets juridisch misschien, een vervelende zaak over een huis of erfenis. Maar nu is het me zo klaar als een klontje waar mevrouw Gerhardt met haar gezellin zo naar smachtte, dromend – ja, freudiaans, nu wel! – van illustere stadgenoten als Mr de Jonge die wél al werden onderscheiden!
Eerst nog eens dat brievenboek. ‘Mijn eigen land heeft,’ schrijft ze, ‘anno 1971, expliciet te kennen gegeven dat Gerrit Kouwenaar mijn meerdere is. Onrecht en onwaarheid, dermate onbeschaamd in je gezicht geslingerd, zijn nooit licht te verwerken.’ Wat een jaloerse oude bi…, tante! Wat een springbron van nijd!
Dát is dus die brief, de brief van de Stichting P.C. Hooft-prijs… Daar snakt ze naar!
En het meest perfide komt nog. Want Dolen en dromen is dan wel gesitueerd in 1978, in elk geval vóórdat de dichteres de grote prijs werd toegekend, maar dat betekent niet dat het gedicht toen al geschreven werd. In elk geval wordt het niet eerder gepubliceerd dan in november 1980, wanneer mevrouw Gerhardt zich al een jaar lang met ‘de’ brief in haar nachthemd genaaid te dromen legt, van de droom die is uitgekomen. Niet storen s.v.p..
Snap ik nu opeens ook waarom ze zich zo gestoken voelde? Welhaast als betrapt, denk ik nu. Had ze zich maar gedeisd gehouden, dan had ze zich niet zoveel jaren later alsnog helemaal verraden tegenover een aap die intussen met den computer leerde speelen.



[*] Wiel Kusters en ik: ‘beide apen’, aldus Gerhardt, hoewel Wiel (sic!) Kusters haar bij mijn weten nooit echt in de wielen heeft gereden.

***
 

Een wereldbeeld van rust en restauratie
over Ida Gerhardt, Dolen en dromen, Amsterdam/Zutphen 1980

Een van de manieren die een maatschappij ter beschikking heeft om een auteur bruikbaar en onschadelijk te maken, is het toekennen van een hoge literaire onderscheiding. De Poolse schrijver Witold Gombrowicz heeft dit in de gaten gehad toen hij in zijn roman Tansatlantisch het autobiografische personage Gombrowicz voor een subsidie naar de Poolse ambassade in Argentinië liet gaan. Niemand heeft van de schrijver Gombrowicz gehoord en men wil hem aanvankelijk met wat kleingeld afschepen, maar de schrijver blijft zo lastig hardnekkig aanhouden, dat de ambassadeur wel moet concluderen: ‘Het is de ambassadeur zelf, de minister die voor jou heen en weer loopt en spreekt... Maar dan kun je toch niet de eerste de beste zijn, als Zijne Excellentie de ambassadeur zelf zo lange tijd bij je zit en voor je heen en weer loopt, spreekt en zelfs schreeuwt... Neemt u plaats, mijnheer de redakteur, neemt u plaats. En hoe is uw naam alstublieft?’ En de ambassadeur probeert de schrijver er nu toe over te halen propaganda voor de nationale cultuur te maken: ‘Dan kun je Copernicus prijzen, Chopin of Mickiewicz... Om Gods wil, we moeten voor eigen parochie prediken, anders gaan we eraan!
Maar als de schrijver weigert deze vaderlandsplicht op zich te nemen, keert de stemming als een blad aan de boom en wordt Gombrowicz uitgemaakt voor klootzak en schaapskop, hij wordt zelfs bedreigd, totdat de ambassadeur een briljant idee krijgt, hij ‘loopt rond en rond in de salon, fronst zijn wenkbrauwen, laat zijn hoofd zakken, snuift, briest. blaast zich op, en plotseling barst hij los met rollende ogen: “Wat een eer voor ons! Wat een eer! Want wij hebben een grote Poolse schrijver te gast, de grootste misschien wel! Een groot schrijver, misschien wel een genie! Wat sta je te kijken, Sroka? Begroet de grote klo... , eh, ik bedoel... ons genie,”

Zilveren anjer

Zo kan het functioneren. Natuurlijk zijn er niet alleen auteurs die in de prijzenkast gezet worden omdat ze te recalcitrant zijn, er zijn ook auteurs die worden geprezen om de (positieve) bijdrage die ze leveren aan de (bestaande) maatschappelijke orde. In het lange gedicht Dolen en dromen van Ida Gerhardt wordt dat culturele prijzenstelsel zelfs op zijn beurt geprezen: ‘Dan glimlacht hij. Precies zo keek hij toèn/– die mengeling van blijdschap en distantie/waarmee hij op die foto staat, u weet wel –/toen hem de zilveren anjer werd gereikt.’ En de vrienden van de vrouwelijke ik-persoon in het gedicht behoren tot de ‘notabelen’, ‘er verschijnt uit het stadhuis iemand van kennelijk aanzien’, en als iemand wat verderop ‘naar boven wijst’ is dat een ‘arts’...
Dolen en dromen is een gedicht van zo’n tien pagina’s dat over bijna anderhalf etmaal – zo staat het in de toelichting – in de stad Zutphen gaat. Er wordt gewandeld, er wordt gedroomd en dat bij voorkeur in een soort schemertoestand: ‘ik kan niet slapen en niet wakker worden,/steeds dromend en weer wetend dàt ik droom.’ Er worden een concert, een museum, een tuin, restauratiepanden bezocht, en als constante duikt steeds een kind op, een jongen. Een andere constante is een gedichtstrofe van Gerrit Achterberg die op drie plaatsen geciteerd wordt. Het woordgebruik en de toon in Dolen en dromen zijn plechtstatig: ‘telkenmaal’, ‘bijtijden’, ‘allengs’, ‘nochtans’, ‘luisterensgraag’, tot en met verzen als: ‘Verwachting spreidt zijn vleugelen over ons’, waarvan je wel aanvoelt wat de bedoeling van de schrijfster met zo’n regel moet zijn, maar die kapotspattende zeepbellen zijn zo gauw je echt wilt lezen wat er staat; en dat heeft dan niets te maken met het ontbreken bij de lezer van een of ander ‘Poëtisch gevoel’. ‘Er is buiten een losse bui gevallen’: dat is ook zo'n luchtbel.
Maar afgezien daarvan – maar waarom zou je daarvan afzien? – wordt het snel duidelijk dat het centrale thema van dit gedicht de verjonging moet zijn, de hernieuwing:  het kind, onkruid dat volop groeit in en om oude muren, de oude muren die weer tot volwaardige panden worden gerestaureerd, een springbron, een jeugdherinnering, het Achterbergcitaat: ‘De tijden kunnen gerust terug/hun uren gaan en zon en maan/ hun banen terug door dag en nacht’, enzovoort.

Mannelijke ernst

Maar wat is het nu voor een kind dat de ik-persoon zo respecteert en waardeert? Het is eenjongen. Het is een jongen die ‘stil zijn weg gaat door de stad/nadenkelijk van voorhoofd en van ogen.’ Het is een jongen die ook aanwezig is bij het concert, hij ‘voltrekt/de feestelijke aanvangsceremonie/en steekt de kaarsen naast het podium aan.’ Ook gaat hij naar het museum en staat daar ‘beschroomd en ernstig’ en ‘“Mijn vader,” zegt hij, “is een architekt.”/“Dat dacht ik al,” zeg ik.”’ Ook opent hij de stoet notabelen die langs de gerestaureerde gevels trekt en ‘hij speelt heel aardig klarinet.’
Om dat verfijnde milieu, om zo’n verfijnd kind gaat het dus, want alles wat niet met dat beeld strookt wordt geweerd: ‘(…) denk bijtijden/(…) dat hij spijbelt,/doch leg dit in mijzelf het zwijgen op’, of wordt ontvlucht: ‘Vlak langs mij stormt een horde van scholieren/de Turfstraat in. Vluchtend voor hun tumult/bereik ik (...).’
Nu is er natuurlijk niets tegen een verfijnd kind, niet iedere jongen van tien van tien jaar hoeft per se een deugniet te zijn, maar het kind van Ida Gerhardt wordt met een ideaal opgezadeld waarvan het bij voorbaat breekt:
God zij met hem. – Ik heb mij niet vergist.
Hoe argeloos voert dit kind een opdracht met zich
die nog verzegeld is; die hij eerst later
met mannelijke ernst ontcijferen zal.
In haar toelichting schrijft Ida Gerhardt: ‘Het gedicht gaat over een wijze van ervaren die de mens soms – bij hoge uitzondering – ten deel maa vallen: het bekende en vertrouwde opent zich voor hem. Het onthult zijn wonderen en verborgen samenhangen en geeft nochtans zijn laatste geheimenis niet prijs.’
Ik lees daarin zoiets als een respect voor de dingen. Maar in het gedicht lees ik eerder het tegendeel: het leven wordt in een vaste constructie gedrukt: het kind is kind om volwassen te worden, de jongen draagt de man al als einddoel in zich! En het beeld van die mannelijkheid is overal in het gedicht te vinden, ondanks alle (schijnbare) verstildheid: de fierheid, stoerheid, hardheid: jonge spelers met hun fluiten (!) vormen een ‘trots’ pentagram, in een schilderij in een stil museumzaaltje verwijst het ‘frank en ongetemd’ en ‘windomwaaid naar open zee’, of een zeilschip nadert ‘tegenstrooms’ en ‘met op de steven twee gekruiste fluiten’ of: ‘“Dàt kunnen ze in Zutphen”, zegt hij: “werken”’ en de man die de zilveren anjer ontving deed dat met een ‘mengeling van blijdschap en distantie’, zoals het een man betaamt, en feministische specialistes zullen nog wel meer van dit soort zaken vinden. Ik mág die parallellen ook trekken, want de poëtica van dit gedicht is gebaseerd op afbeelding en identificatie, het is niet voor niets dat de jongen in het museum uit het raam kijkt om een aquarel van een toren te vergelijken met de echte toren, of ‘daarginds een ware Dürer/van weegbree, paardebloem en wilde grassen’.

Jong zijn

Het wereldbeeld dat hier wordt uitgestald is dat van de restauratie, van de hernieuwing, jawel, maar dan van nationalistische principes als rust, orde, cultuur, mannelijkheid, waarbij het kind er vooral toe dient de plichten als erfgenaam na te komen (en, let wel, ik heb verder niets tegen het restaureren van oude panden... ). Misschien krijgt deze bundel wel een culturele onder-
scheiding.
Overigens denk ik dat het niet toevallig is, dat iemand met een opvatting over cultuur en maatschappij als die van Gombrowicz wél een grote eerbied heeft voor de jeugd, wars van iedere plechtstatige mannelijkheid of een volwassen-ideaal. Om tegenover de toelichting van Gerhardt nog een voorwoord van Gombrowicz (bij De Pornografie) te stellen: ‘Het existentialisme spant zich in om de waarde opnieuw te ontdekken; terwijl voor mij de onder-waarde, de ontoereikendheid, de onder-ontwikkeling, de mens meer nabij zijn dan alle waarden. Ik geloof dat de uitspraak de mens wil God zijn zeer goed de nostalgie van het existentialisme uitdrukt, waar ik dan een andere tegenover stel, wreed en onmetelijk: de mens wil jong zijn.

De Groene Amsterdammer, 7 januari 1981 (de spelling is aangepast aan de huidige)

vrijdag 3 oktober 2014

CAFÉ DU MIDI 3



Het kapitale of kapitalistische verschil tussen de marktprijs van Gombrowicz en Chagall laat zich niet beter uitdrukken dan door de hoeveelheid muntgeld op beider graven. Op de deksteen van het graf van de Poolse schrijver trof ik twee koperen muntjes uit diens geboorteland aan. (Vorig jaar juni lag er nog een zilverkleurig Pools muntje. Wie haalt zoiets daar weg?) Op die van de schilder Marc Chagall op de begraafplaats van Saint-Paul-de-Vence ben ik de munten niet eens gaan tellen, zo veel. Ik neem althans aan dat ze, net als al die kiezelstenen, bedoeld zijn voor de schilder en niet of in veel mindere mate voor de twee anderen in hetzelfde graf, Vava Chagall-Brodsky, de tweede echtgenote van de schilder, en haar broer Michel Brodsky.
 
Ik gun Chagall al dat kleingeld, maar vind Gombrowicz in Vence (niet te verwarren met Saint-Paul!) daarbij vergeleken schandelijk verwaarloosd.
         De uit Rusland afkomstige Marc Chagall vestigde zich in 1950 definitief in Saint-Paul-de-Vence. Hij was 72, maar kicking and alive, met nog maar liefst 25 jaar te gaan, toen Witold Gombrowicz op nog geen vier kilometer noordelijk van Chagalls onderkomen, voorgoed ademtekort kreeg. Volgens mij is Chagall niet bij de begrafenis in Vence geweest, mogelijk had hij nooit iets van de Poolse schrijver gelezen. Opvallend is het dat Vence en Saint-Paul toentertijd veel schilders en schrijvers aantrok en herbergde. Gombrowicz maakt er in zijn Dagboek expliciet melding van.
         In de lente van 1967 brengt Gombrowicz’ landgenoot Czesław Miłosz een maand door in Vence, waarbij de romancier en de dichter elkaar uiteraard ontmoeten en de romancier, aldus Miłosz, de dichter probeert te overreden om romans in plaats van poëzie te gaan schrijven. (Het is uit het gelijknamige fragment in zijn Dagboek bekend wat Gombrowicz Tegen de dichters had.)
 
Zou het echt geklikt hebben tussen deze mannen?
In de uitgave van door Gerard Rasch vertaalde gedichten van Czesław Miłosz staat een gedicht dat door de dichter is gedateerd met Saint-Paul-de-Vence 1967. Zo te lezen zal hij zich meer thuis hebben gevoeld bij Chagall dan bij Gombro's "Vanmiddag bij de lunch aten we kippenragout."

Onderweg

Waartoe geroepen? Voor wie geroepen? O machtige God, in den blinde, langs einders van katoen.

fata morgana’s van rode schubben op de forten van de kustprovincies,

door de rook van brandende wijn bij de bedding van beken of
door de helderblauwe mirre van dovende kerken.

Naar een onbereikbaar dal, voor altijd door woorden belommerd,
waar een onwerkelijke bron hen die naakt knielen schoonwast.

Zonder de appel van de kennis in virages van aarde naar hemel en van
de hemel in het opgedroogde bloed van het veld van de
pottenbakker.

Onterfd van profetieën, in het middaguur brood nuttigend onder
een hoogstammige den sterker dan de hoop.