woensdag 19 september 2018

DE PASSANT



Verboden zou het moeten worden, dat klokgelui over de Singelgracht,
de drie zwarte volgauto’s achter de zwarte limousine met gordijntjes
bedoeld om erachter gestrekt te kunnen liggen, die met zijn vracht nog
wacht tot het gezelschap in gedempt gesprek voor de kerkingang zich
genoeg droef bewogen heeft geacht! Zijn ze daar helemaal van zinnen?
Dat ik, die geen van allen ken, rechtdoor kan noch eveneens kan gaan
staan wachten omdat men zich dan wellicht afvraagt wie dat daar is,
waarna ik ervan verdacht word een ongepast nieuwgierige te zijn,
dat ik daarom even onverwacht als onverdacht rechtsaf moet slaan,
de Beulingstraat in, is het ergste niet, maar – nu word ik echt kwaad –
dat men mij me voorstellen laat dat ik het weleens zelf zou kunnen
zijn die achter de gesloten klep tussen de gordijntjes lig, die overigens
allerminst het beletsel vormen waardoor ik van het gezelschap
voor de kerkingang niemand herken. Maar omdat zoiets niet verboden
worden kan, zou er een passant moeten komen die onverstoorbaar
rechtdoor zal lopen – en zie, als vanzelf staat de achterklep al open,
het deksel van vurenhout is al losgeschroefd, gelicht en – ‘Kom eruit!’
– toegesproken word ik. Als een voorbijganger aan wie niet is af te zien
dat hij een wederopgestane is, zou ik dan over de Singelgracht naar
de Bloemenmarkt wandelen, geen volgwagens die met een lijkwagen
achter me wachtten, geen rouwgezelschap om voor de kerk te staan,
in de zonnige stad was de passant al lang onder alle andere passanten
opgegaan, want dat hier nooit iemand van zou mogen weten had ik ook
van hem verstaan: het klokgelui zou weer klinken, de weg me worden
versperd zonder dat ik ooit nog in de Beulingstraat af kon slaan.


zaterdag 15 september 2018

ZIJNE HEILIGHEID DE DICHTVORM



Volkskrantcriticus Arjan Peters attaqueert in zijn in de papieren krant in vier kolommen gehakte column van vandaag, zaterdag 15 september, de heiligheid van de gedichtvorm. Peters kent Fabian Stolk, letterkundedocent aan de Utrechtse universiteit; zo interviewde Stolk Peters in 2006 en maakten beiden meerdere jaren samen deel uit van de jury van de Academica Literatuurprijs voor debutanten. Weten doe ik het niet, maar het zou me niet verbazen als Peters zijn aanval heeft ingezet naar aanleiding van zijn lectuur van een blog van Fabian Stolk, een dag of vijf eerder, waarin juist een tekst die door een lezer ervan als gedicht meer dan ernstig in twijfel wordt getrokken, als gedichtvorm wordt verdedigd.
            Kort alvast dit: ik ben het bijna helemaal met Arjan Peters en lang niet helemaal met Stolk eens.
            Peters heeft het over ‘entergekte’, waarmee hij het vrijwel lukraak gebruiken van de Entertoets op de tastatuur voor het beeld van een gedicht moet zorgen. Een te ijken begrip, dat ‘entergekte’, want er lopen nogal wat entergekken en -gekkinnen rond in het vigerende Nederlandstalige poëziewereldje. Aan de hand van enkele voorbeelden laat hij zien hoe dat hakwerk met behulp van die praktisch niet te missen, want verlokkelijke extra grote toets rechts – je tikt er harder op dan op een van de andere toetsen, is mijn indruk, maar ik doe niets met mijn tienvingerdiploma – letterlijk tot schijnvertoningen leidt. Entergekte lijkt dichters ook een alibi te verschaffen voor het presenteren van flodder-, fladder- en flardpoëzie. Peters gebruikt vervolgens een stukje proza van een prozaschrijfster om te laten zien dat stapelingen allerminst voorbehouden zijn aan poëzie, dus dat je daar helemaal geen entertoets voor hoeft in te zetten. Alleen met zijn suggestie dat dit proza dan net zo goed poëzie is, ‘ware’ poëzie nog wel, ben ik het niet eens; vandaar het ‘bijna’ in mijn bijval. Je kunt het onder elkaar zetten, maar het hoeft niet - dat lijkt me niet het enige, laat staan doorslaggevende criterium voor poëzie of voor iets poëtisch in proza.
            De schrijver van een voor NRC Handelsblad ingezonden en daar geplaatste brief vraagt zich af waarom een bepaald gedicht van Esther Naomi Perquin, ‘Dichter des Vaderlands’, een gedicht mag heten, want, zo stelt hij, ‘er zit geen metrum in, geen rijm, geen binnenrijm, geen structuur, niets wat op een gedicht lijkt.’ Bovendien lijkt het voor hem meer op een korte ‘column’, waar hij in dat geval overigens ‘nog geen chocola’ van kan maken.
            In zijn verdediging van of poëticale toelichting bij het gedicht van Esther Naomi Perquin wijst Stolk op ‘de presentatiewijze evenwel’ en hij diept het een en ander aan het gebruik van kennelijk exclusief poëtische middelen uit de tekst op die de brievenschrijver domweg over het hoofd heeft gezien: ‘En zie (hoor!): de klankherhaling van men-stelt, aar-vra en zelt/gen. Wat een rijmpatroon in vier metrisch geordende lettergrepen (tweemaal een amfibrachys). En wat een prachtige vertraging is dat samengestelde zinnetje na die lange zin ervoor die over twee regels is uitgesmeerd. Wat een ritme.’
            Als ik die woorden in een ander verband had gelezen, zou ik dat enthousiasme als een vileine vorm van spot hebben opgevat. Nu zeg ik: ‘Pardon?’ en: ‘Nou en?’
            Afgezien van de chocola, die ook ik er inhoudelijk niet echt van kan maken – ‘Wie, wat, waar gaat het eigenlijk over, Thé?’ –, bij wijze van oefening hier het gedicht typografisch als proza gezet met de opgave er de typografische vorm van een gedicht aan te geven. Ik geef het u te doen.

Methode
Vraag: Hoe kan een leugenaar de waarheid spreken? Antwoord: Door te zwijgen. Door grondig te zwijgen, in alle talen te zwijgen, door dagen, weken, jaren te zwijgen, kan een leugenaar de waarheid spreken. Nog beter is het te sterven. Door te sterven kan het zwijgen van de leugenaar zo lang duren dat men vergeet wat er is gezegd. Men aarzelt, stelt vragen. Men wordt voorzichtig met de etiketten ‘goed’ en ‘slecht’. Men vindt hem, achteraf bezien, best een beetje, men bedoelt maar. Hij had toch ook, ieder mens tenslotte, daar kun je van leren. Trouwens; men vertelt wat men het liefste hoort en noemt dat dan geschiedenis. Een leugenaar die lang zwijgt komt opnieuw ter wereld. Verklaart, erewoord, dat hij een ander is.

Deze tekst blijft, hoe je hem ook entert, bestaan uit zinnen, niet uit regels. Ach, en dan dat onafgemaakte dat waarschijnlijk suggestief bedoeld is, zoals in de achtste zin, zonder dat wat wordt gesuggereerd een meerwaarde heeft, er is alleen maar iets weggelaten, de goede verstaander heeft maar een half, begrijpt u? Of waarom dat ‘Trouwens’? Wie zegt dat in dit verder onpersoonlijk overkomende betoogje? En waarom een puntkomma erachter? Waarom een punt tussen ‘wereld’ en, met een kapitaal, ‘Verklaart’? Ik heb een vermoeden. Om het op poëzie te laten lijken. Waarom? Waarom in hemelsnaam moet iets op poëzie lijken als het dat net zo goed niet hoeft te doen? Wat is dat voor een behoefte aan artistiekerigheid? Als er dan nog inhoudelijk of qua beelden iets ‘poëtisch’ ontstaat en blijft hangen… Want ik ben niet mordicus tegen het ‘vrije’ vers!
            Hier! Vindt u onderstaand ‘vrije’ gedicht niet schrijnend, misschien zelfs pijnlijk fraai, hoewel het geen eindrijmen heeft, niet op een sonnet of haiku lijkt? Ach, er zijn uiteraard ook hier allerlei poëziestijlkenmerken te onderscheiden, zoals het geweldige binnenrijm van juist ‘ogen’ en ‘romance’. En het terugkeren van de ‘een’ in regel 2 uit het ‘inenen’ van regel 1, in samenspraak met het ‘alleen’ in regel 11 en het ‘eentonige’ in regel 12: suggereert dat niet de eenzaamheid die het thema van dit gedicht is? Ah, het binnenrijm van de slotregel: aan - haar - jaren… En dat ritme! Maar dit alles lijkt me op de tweede plaats te (moeten) komen, in dienst van, nooit op de voorgrond. Dit is allereerst chocola, proef maar:

DE OOIT GELIEFDE

Ze keek naar me alsof ze inenen het ongelooflijke –
en op de een of andere wijze vervelende, verwarrende
en nodeloze – feit besefte dat de afstandelijke,
elegante, tengere veertigjarige lammeling die
in zijn fluwelen jasje naast haar zat, elke porie
en follikel van haar donzige lichaam gekend en
aanbeden had. In haar afgetobde, vreemd bebrilde
grijze ogen weerspiegelde onze armzalige romance
zich even, om overpeinsd en afgedaan te worden
als een duf feestje, als een verregende picknick
waar alleen de allersaaisten op af waren gekomen,
als een eentonige exercitie, als een droge spat
modder die aan haar kinderjaren koekte.

Zelf begin ik me er intussen welhaast voor te schamen om zogenaamde vrije verzen te schrijven als ik zie wat er onder die benaming allemaal aangeklooid wordt. En hoe meer geklooid des te meer bewierookt. Is het niet typerend dat de hedendaagse modieuzen niets moeten hebben van ouderwetse vaste vormen zoals het sonnet, maar intussen hun knip-, plak- en enterwerk bovenal het artistieke aanzien willen geven van – zwengelen maar met het wierookvat! – een ‘Guhhuddicht’? Inhoudelijk hoeft men zich zodoende ook nergens voor te verantwoorden, gaat het immers niet om... Ontregeling? O Sanctus Discidius! Wat zijn dat voor masochistische gelovigen die daarvoor knielen? Is het gek dat iemand verbijsterd over zo’n ‘gedicht’, over die ‘methode’, in zijn krant een brief naar die krant schrijft?
            Nee, nee, ik ben niet conservatief, ik ben geen contrarevolutionair, revisionist of reactionair op artistiek gebied. Maar ik ben, net als Arjan Peters, faliekant tegen de holheid, tegen het drogbeeld, de artistiekerige nep van al die enterpoëzie!
            Trouwens ‘De ooit geliefde’ is van oorsprong helemaal geen gedicht, de tekst onder die titel is een geënterd stukje uit een roman van Vladimir Nabokov. Maar wellicht had u al lang in mijn trukendoos gekeken.

woensdag 12 september 2018

HET WAS NIET MOGELIJK ZIJN LICHAAM OP TE HALEN



Hadden we wel goed gezocht? Was het wel de juiste jongen
met hetzelfde zwakke hart en identieke longen die monter
alweer thuis bleek in de door de merel al gewijde schemer
toen we met zijn moeder terug het bos in gingen waar hij,
na het samen zilveren beekvissen vangen, nog gebleven was
bij de stille kleine poel die diepzwart leek toen haar lantaarn
door het klare water scheen? Was het wel dezelfde jongen
die vijftien jaar nadien in een rubberbootje zat om vissen
naar boven te halen toen de lucht eruit ontsnapte alsof heel
de hemel door de waterspiegel zeeg en naar wie gedregd
werd tot in de door de merel al gewijde schemer, hoewel
het zinloos was, geen lantaarnlicht hielp, tweehonderd meter
was het lago er kouddiep, en over wie de moeder die hem
halen wilde ‘Non è stato possibele recuperare il corpo’ te
horen kreeg? Was hij me toen ik tien was in mijn geest niet
al genoeg verdronken geweest? Wat rozen op het water,
dat was alles wat haar restte. Zo wilde ik gisteren ook rozen
strooien, maar vond van de bospoel zelfs de bomen errond
niet terug. Ach, spoedig zouden ze evenwel op de bodem liggen
als onze beekvissen in het weckglas de volgende morgen
toen. Maar het Comomeer – dat was toch nog lang niet leeg?

© HB 2018

dinsdag 11 september 2018

VERDOMDE DILEMMA'S, RECENSIEDESTRUCTIE & CULTURELE CLAIMS




Via een algemeen e-mailbericht werd ik geïnformeerd over de op handen zijnde verschijning van Een iets beschuttere plek misschien, een boek van Cyrille Offermans en een uitgave in de gerenommeerde Privé-domeinreeks van De Arbeiderspers.       

Ik heb Cyrille Offermans ergens in 1980 persoonlijk leren kennen, toen ik over poëzie mocht gaan schrijven voor De Groene Amsterdammer, het weekblad waar hij toen net als Anthony Mertens en Jacq Vogelaar literatuurrecensies voor schreef, iets wat hij trouwens nog steeds doet. Grote jongens waren die drie in mijn ogen, ik bedoel, jongens waar ik tegenop keek, erudiet, intellectueel, academisch in de betekenis van universitair, als op een of andere hoge school in Frankfurt gevormd, terwijl ik slechts van een kunstacademie kwam waar ik niet had leren omgaan met taal maar met zwijgend teken- en schildergerei in mijn handen. Om de zoveel tijd vergaderden de vier literatuurbesprekers in het pand van De Groene tegenover de Nederlandse Bank, meestal onder leiding van redacteuren Max Arian en/of Aafke Steenhuis (er was geen hoofdredacteur) en enkele jaren later van hoofdredacteur Martin van Amerongen (toen was ik al vooral over beeldende kunst gaan schrijven). Ik weet dat ik tijdens die vergaderingen nogal geïntimideerd was door de intellectuele kennis en de verbaliteit waarmee die geuit werd door mijn drie collega-recensenten, die voortdurend als vrienden met elkaar leken te moeten en willen discussiëren. Het woord ‘discours’ was toen geloof ik nog niet uitgevonden, maar ik leek me al voortdurend midden op en in een woeste bergstroom van die naam te bevinden als een onervaren machteloze, want peddelloze kanovaarder. Van Witold Gombrowicz had ik in die tijd weliswaar al het een en ander gelezen, maar ik had dat zowel nog niet helemaal begrepen als het wel al begrepene nog niet in de eigen levenspraktijk durven omzetten. Nu zie ik die drie opeens in korte broek voor me, destijds waagde ik het uit ontzag niet om ook onder tafel te kijken, maar zelfs wanneer ze toen op een hek in een weiland hadden gezeten zou ik geen oog hebben gehad voor hun blote knieën.
        Bijdehante jongens waren het – maar toch ook aardige jongens. Al zeg ik ’t zelf. Hoewel ik vond dat ik in hun gezelschap niet meetelde en me daardoor verschrikkelijk vervormd, bijna mismaakt voelde, gedoogden ze me niet alleen, ze waren ook aardig tegen me zo gauw ze me opmerkten. Dat besef ik vooral zo veel jaren achteraf, want als ze niets of te weinig in me als poëziebespreker zouden hebben gezien, had ik spoedig geen uitgetypte teksten meer hoeven afleveren op Westeinde 16. Anthony Mertens had in 1979 zelfs een zeer positieve bespreking in De Groene gepubliceerd van mijn prozadebuut De leguaan. Wie weet fungeerde dat stuk wel als toelatingspapier. Overigens had Jacq Vogelaar, meteen bij onze kennismaking, wel wat aan te merken op mijn boek. Ik begreep niet goed wat hij bedoelde, wat er fout was aan wat ik had gedaan, en eerlijk gezegd begrijp ik dat nog altijd niet. Of ik wist wat ‘het snoepje van de week’ was, wilde hij weten. Ja, dat wist ik, dat was het kleine cadeautje dat je wekelijks kon krijgen in de winkels van De Gruyter (die sloten in 1976). In Tegelen had je zo’n winkel aan de Grotestraat, mijn moeder deed echter altijd haar boodschappen bij de Coöp in de Kerkstraat... Maar ik had het in mijn proza over een ‘snoepje van de maand’ en dat kon dus niet, vond hij. Het was daar simpelweg een benaming voor de maandelijkse centerfold van de Amerikaanse Playboy… Nee, dat kon niet. Strenge jongen, die Vogelaar. Maar toch aardig, steeds aardiger, vond ik. Hij heeft nooit iets over mijn werk geschreven, bij mijn weten, zelfs mijn naam nooit in een of andere tekst genoemd. Hoewel, ik kan me vergissen. Je, als ik het zo algemeen mag stellen, vergeet als schrijver positieve recensies veel sneller dan wat de Duitsers ‘ein Verriss’ noemen. Zo weet ik niet meer wat de kop was boven Mertens’ stuk over De leguaan, wel wat er in de Haagse Post boven het stuk van Aad Nuis over hetzelfde boek stond: ‘Proza als beton’ – en dat was allerminst bedoeld als een compliment voor de stevigheid van dat proza… Net voor Abcoude was het, zie ik nog altijd, waar ik, die bijna letterlijk probeerde te ontsnappen aan de net gelezen woorden van Nuis, van mijn fiets moest vanwege het plots slecht geworden zicht, niet vanwege de regen – de zon scheen volop – maar door een niet meer te bedwingen tranenvloed. Ik zou dat stuk uit de HP net als dat van Mertens uit De Groene nu, met in meerdere opzichten zoveel afstand, nog eens moeten nalezen – maar misschien ook juist niet. In elk geval kan ik dat thuis niet. Meerdere keren in de afgelopen decennia heb ik de diepe wens of aanvechting gevoeld om totaal niets meer van doen te hebben met wat dan ook in de literair culturele wereld. Telkens stelde ik daarbij ook een daad. Een van die daden – ik weet niet eens meer wanneer en bij welk concreet voorval het was – bestond uit het vernietigen van alle besprekingen die er van mijn poëzie of proza waren verschenen, rigoureus, dus niet alleen de negatieve stukken: alles! Vandaar dat ik ook alleen nog maar weet, zonder het meteen te kunnen checken, dat Mertens naderhand een grote bespreking aan mijn roman Leila wijdde, in Vrij Nederland, waarbij hij die roman neerzette als een pastiche – volgens mij omdat hij toen zelf geobsedeerd was door het verschijnsel van de pastiche in de literatuur, want in mijn ogen sloeg (en slaat) dat nergens op, niet alleen omdat Leila helemaal niet met die intentie geschreven was, maar ook al omdat ik veel te weinig bagage had om te kunnen pasticheren, ik kwam maar van een kunstacademie dus… Dat de vertelinstantie in Leila een vrouw was (en nog steeds is) was hem intussen ontgaan. 1993. Geen enkele bespreking van zowel dat jaar als alle jaren ervoor en nog vele jaren erna heb ik meer. Ik behoor niet tot die stoerdoeners die beweren zich persoonlijk niets van kritieken aan te trekken en beweren dat je stil moet blijven zitten als je wordt geschoren, maar die wel over al hun andere ellende en misvormingen schrijven, alsof je het ene gevoel van vernedering (‘het culturele’) van het andere (‘het wereldse’) kunt en mag en moet scheiden. Nee, wat dat betreft heb ik een aardje naar mijn Poolse oudoom Witold. En ik heb nog altijd geen spijt van mijn recensieverreissaanval. Ook voel ik geen aandrang om via buitenwegen te proberen weer wat van die dingen op te diepen. 
Sporen van recensiedestructie
Dus of Jacq Vogelaar ooit iets van mij heeft besproken? Ik vermoed in elk geval van niet. Zelf schreef ik wel in ‘zijn’ Groene Amsterdammer een lap van een tekst – nu volstrekt ondenkbaar: een complete, propvolle pagina, drie kolommen met 10 punts Millerfont, het fotootje van Vogelaar met moeite nog in de rechterbovenhoek gewurmd! – over zijn boek Oriëntaties, kritieken en commentaren 2 (juli 1983)… Blijkbaar begon ik toen ook wat lef in de broek te krijgen, want je moest voor zoiets in eigen huis wel van goeden huize (lijken te) komen, terwijl hielenlikkerij meteen zou worden doorzien en genadeloos zou worden afgestraft. Voor De Groene schrijven was toen ook schrijven tegen de literair culturele corruptie.
        En toch werd er dus ook daar over elkaar geschreven. Zeker in een klein taalgebied als het Nederlandse is dat niet onbegrijpelijk. Al gauw kent ons ons, al is het maar van afstand of van horen zeggen. (Het Wikipedialemma ‘Nederlandse prozaschrijvers’ telt, voor wat het waard is, zo’n 470 namen; stel dat er in de Verenigde Staten een soortgelijke dichtheid van prozaschrijvers onder de bevolking bestaat, dan zou zo’n lijst voor dat land ongeveer 9000 namen moeten bevatten.) Daar komt bij dat er, in sterk toegenomen mate, voor een vrij klein aantal schrijvers proportioneel uitermate veel aandacht in de media is, waardoor anderen zo goed als onzichtbaar worden, wat weer zo zijn gevolgen heeft voor hun publicatiemogelijkheden. In zulke omstandigheden is het welhaast noodzakelijk om te proberen de ‘eigen’ niche toch enigermate zichtbaar te maken en te houden. Die niche is voor mij overigens altijd vooral sterk artistiek (en dus veel minder cultureel) bepaald geweest. De schrijvende vrienden of goede kennissen die ik heb (of had), heb ik altijd leren kennen via (wederzijdse) waardering van het literaire werk. En zodoende heb ik er ook wel weer eens een ‘verloren’. Onder het kleine aantal van mijn kennissen en vrienden bevindt zich in elk geval geen enkele bestsellerauteur, jammer of juist typisch genoeg. Dus van tijd tot tijd moet je elkaar publicitair, wat iets heel anders is dan met commerciële succesintenties, een opkontje geven, ook in je eigen belang, immers zo kun je ook weer in positieve zin laten zien waar en voor wat je zelf staat. Je zou zo’n houding halfedel kunnen noemen. Daar staat in elk geval veel onedels tegenover, want er wordt wat afgelobbyd, bevoordeeld, geslijmd, gemarchandeerd en gekoeioneerd in het culturele wereldje! Reden te meer om me, met de grachtengordel op loopafstand van mijn woning, zo ver mogelijk te houden van ‘veestje en ander partijdigheden’. Je zou het met een net iets te beladen begrip een kwestie van ‘Innere Emigration’ kunnen noemen. 

Maar nu kreeg ik dus dat bericht over de aanstaande verschijning van Een iets beschuttere plek misschien, een boek van Cyrille Offermans. Opmerkelijk vooral dat het een Privé-domeinuitgave betreft, want zoals bekend wordt die reeks gevormd door sterk autobiografische bepaalde geschriften. Een ‘cultureel journaal’ werd het boek genoemd.
        Cyrille Offermans en ik zijn nooit bij elkaar over de vloer gekomen, we hebben ook nooit ergens met elkaar afgesproken, maar wanneer we elkaar min of meer toevallig weer eens ontmoetten was dat prettig, en vooral: we hebben elkaars werk altijd met veel belangstelling en waardering gevolgd. Ook heeft Offermans een paar keer publiekelijk en uitvoerig een lans voor mijn werk gebroken. Anderzijds weet ik hoe ook hij gebukt kon gaan onder bepaalde kritiek op en negatie van zijn boeken. Dat hij bijvoorbeeld vier jaar geleden door Arnold Heumakers in NRC Handelsblad werd weggezet als een hoogmoedige mopperende moralist, is hem niet in de koude kleren gaan zitten. Hoogmoedig heb ik Offermans nooit kunnen vinden, mopperen is vaak terecht en dat het zelfs ‘te’ vaak is ligt niet per se aan de mopperaar wanneer die er wél een niet te corrumperen moraal op na wenst te houden. Enfin, reden voor me om Offermans een mailtje te sturen waarin ik mijn verrassing en oprechte nieuwsgierigheid liet blijken. Ik hou eigenlijk niet zo van zogenaamde spontane mensen, mogelijk omdat de charme van spontaneïteit mezelf niet gegeven is, dat ik me een aansteller zou vinden wanneer ik zo zou willen overkomen zoals anderen dat met kennelijk natuurlijk gemak doen, maar dat neemt niet weg dat ik, zeker in mijn enthousiaste verwachting (net als in mijn omziende verbolgenheid), nogal impulsief kan zijn. Dus voegde ik er in mijn mailtje meteen maar het ideetje aan toe om dat nieuwe boek te gaan bespreken, als de redactie van De Reactor het zou willen, voor dat forum. En zou hij me, in dat geval, alvast een pdf van het binnenwerk kunnen sturen? Een idee onder voorbehoud, want zo schreef ik erbij:
‘Of ik er dan ook over wil schrijven hangt af van mijn gevoel of ik er wel capabel genoeg voor ben. Ik ben maar een (kritisch) artistiek ingesteld wezen. Ik herinner me nog heel goed dat ik, lang geleden – het moet kort na 1980 zijn geweest – na een vergadering bij De Groene nog met jou, Jacq Vogelaar en Anthony Mertens naar een etablissement aan de andere kant van het Frederiksplein ben gegaan. (Naderhand werd het een Turks restaurant, inmiddels is het een koffiezaak.) Ik voelde me toen een flink stuk onbenul dat de hoogstaande intellectuele, vooral politieke discussie niet kon bijbenen. Op een gegeven moment riep een vent die een paar tafels verderop zat schamper: “Goh, zeg, zijn jullie daar al, bij Marcuse!?” Waarop Jacq hem voor “vlerk” – ja, dát was het curieuze woord! – uitmaakte. In plaats van me te verkneukelen over de situatie schaamde ik me naar twee kanten tegelijk, met mijn smoel vol tanden […]. Overigens had ik, vreemd genoeg, ook weer helemaal niet de indruk dat jullie me om mijn zwijgen minachtten, maar toch voelde ik me vervormd… Maar wat emmer ik nu. Ik ga je lezen!’
        Ik kreeg dat bestand en begon vrijwel meteen te lezen. Dat wil zeggen, ik keek allereerst nietsvermoedend in de namenindex, ontdekte daar ‘Beurskens, Huub 214-216’, waarna ik uiteraard meteen naar pagina 214 scrolde…
        Probleem, want kon ik het maken om een boek te bespreken dat bijna drie bladzijden ten faveure van mezelf bevatte?
        Voor de zorgvuldigheid legde ik de kwestie meteen voor aan Arnoud van Adrichem, redacteur van De Reactor: ‘Voor mezelf geen onoverkomelijk probleem voor een eventuele bespreking, maar misschien vanuit jullie optiek toch een beletsel?’
        Zijn antwoord: ‘Voor mij is het ook geen onoverkomelijk probleem. Dat een essayist positief tegenover je werk staat, betekent natuurlijk niet automatisch (“per decreet”) dat je niet over hem of haar zou “mogen” schrijven. Als vrije geest maak je natuurlijk je eigen (evaluatieve) afwegingen, in alle autonomie en onafhankelijkheid, met de benodigde kritische distantie die ik van je gewend ben, maar ik zal je inderdaad zorgvuldige en integere reserve, waarvoor mijn dank, met de redactie delen.’
        Hoe ik dat gegeven zou oplossen, dat wil zeggen, in de bespreking zou kunnen integreren, zou zich al schrijvende wel tonen, veronderstelde ik intussen.
        Maar na het bereiken van bladzijde 334 (van de 564) van Een iets beschuttere plek misschien was het over en uit. Want in de tien eraan voorafgaande pagina’s had Offermans het onder het subkopje ‘Pro domo’ verdomme precies over de kwestie of en hoe je zou kunnen schrijven over werk van vrienden en bekenden…
        Er zat niets anders op dan hem (en na hem ook Van Adrichem) te berichten hoe het voor mij zat:
Beste Cyrille,
Zou het kunnen dat ik uit waardering en sympathie voor jou en je werk te impulsief ben geweest met mijn idee om je Privé-domeinboek te willen bespreken voor De Reactor?
            Voordat ik de pdf van de uitgave had gezien, wist ik uiteraard niet dat er bijna drie pagina’s op positieve wijze aan mij en mijn werk waren gewijd. Dat zag ik toen ik, zoals men dat doet, allereerst in de namenindex keek en daarna, zoals je je kunt voorstellen, de bladzijden 214 – 216 meteen las.
            Oké, zei ik tegen mezelf, dat zou een bespreking toch nog niet echt in de weg hoeven te staan, het ligt er maar aan hoe je ermee omspringt. Het feit tussen neus en lippen vermelden, of juist even ingaan op wat er staat… De “oplossing” zou zich naderhand al schijvende wel aandienen.
            Wel liet ik de redactie van De Reactor, in de persoon van Arnoud van Adrichem, voor de zorgvuldigheid dit weten: “Daarbij heb ik gezien – ik wist het niet – dat er bijna drie pagina’s (van de meer dan 500) met positieve strekking zijn gewijd aan mij / mijn werk. Voor mezelf geen onoverkomelijk probleem voor een eventuele bespreking, maar misschien vanuit jullie optiek toch een beletsel?”
            Ik kreeg tegenbericht dat mijn voorstel met mijn kanttekening in de redactie besproken zal worden.
            Intussen echter ben ik vlijtig en met veel belangstelling gaan lezen, keurig vanaf het begin. Weer op weg naar pagina 214 en eraan voorbij. (Haha, een echte HB-“openingszin” als laatste zin vóór die pagina’s over mij, hoewel die over jezelf gaat: “ik schrok van het gezicht dat me geschrokken aankeek” – evenals een fraaie HB-afsluiting als eerste zin van het erop volgende stuk: “Mijn favoriete liefdesroman?”)
            En nu ben ik beland op pagina 334, dat wil zeggen: ik heb zojuist je vrij uitvoerige beschouwing onder de titel “Pro domo” (p. 325 – 334) gelezen, waarin je uiteenzet wat er zo link aan is om werk van vrienden of bekenden te bespreken, inclusief pijnlijk praktijkvoorbeeld, en waarom je dat zelf daarom praktisch niet meer doet en liever alleen nog boeken van buitenlandse auteurs recenseert.
            Hier snijd je me de pas af! Onopzettelijk uiteraard, maar juist daardoor zo goed als finaal. Want doe ik door jouw boek te bespreken niet precies wat je zegt zelf te willen vermijden? Niet dat wij zo hecht met elkaar zijn zoals bijvoorbeeld Ivo Michiels en jij dat waren, en niet dat ik bang ben negatief over je boek te zullen moeten schrijven – maar je wijst me, in mijn geval met mijn bespreekvoornemen, rechtstreeks op gevaren en bezwaren. Wanneer je (terecht) opmerkt: “ik weet inmiddels dat het bijna uitgesloten is dat je die sympathie niet laat meewegen in je oordeel, en zeker in de toon van je bespreking,” lees ik dat in deze situatie niet alleen alsof die “je” een “men” is, maar voel ik me in die “je” persoonlijk toegesproken…!
            Nog steeds zou er kunnen worden gedacht over een kruip-door-sluip-door-ontsnappingsroute, ware het niet dat deze tien pagina’s over dit thema deel uitmaken van het boek zelf… Zou ik nog met een listig boogje de pagina’s 214 – 216 kunnen omspelen, de pagina’s 325 – 334 onbesproken laten zou verraad zijn of op zijn minst misleiding, zowel tegenover de lezer, tegenover het boek als tegenover mezelf. En wat wanneer ik die omvangrijke passus ter sprake zou brengen? Daarmee tonen dat ik het dus eigenlijk niet met je eens ben, terwijl ik dat wél ben? Laten zien dat ik dus een Nolles ben, zoals ze dat in Tegelen noemen, een tromdrager, sukkel? Zoiets kan de bedoeling van jou en je boek toch juist niet zijn! En nog afgezien van dat vicieuze gecirkel: ik zou er onevenredig veel aandacht aan moeten besteden, er ruimte aan moeten geven die, zelfs al zou ik die zo beperkt mogelijk weten te houden en dat zelfs op De Reactor waar de 2000 woorden overschreden kunnen worden, niet in verhouding zou staan tot de aandacht (met instemming of tegenspraak) die allerlei andere thema’s en aspecten van je boek verdienen! Met andere woorden, ik blijk verdomme een van de minst geschikte personen om Een iets beschuttere plek misschien publiekelijk te bespreken, gediskwalificeerd door het boek zelf!
            Dat terwijl ik maar al te goed weet hoe belangrijk het voor onze publicatiemogelijkheden is dat er op zijn minst érgens serieus aandacht aan ons werk wordt gegeven… We zijn te weinig corrupt voor deze wereld. Dat zou mogelijk ook het Leitmotiv van mijn bespreking zijn geworden, maar, om het nog eens anders te formuleren, daarvoor zou ik dus in mijn eigen staart moeten bijten. Ik kan daarom niet anders, vind ik, dan mijn voorstel aan de redactie van De Reactor terugtrekken; ik voel me nu al veel te veel moreel “verstrikt”. Daarbij zal ik er trouwens wel meteen op aandringen dat men probeert je boek door iemand anders te laten bespreken. […] Zelf rest me eventueel mijn blog Nonnolles, daar kan ik freewheelen, zelfs een mail als deze publiceren als je daar geen bezwaar tegen zou hebben.
        Al het bovenstaande in de hoop dat je me kunt begrijpen (zoals ik jou meen te kunnen begrijpen) en je niet al te veel de indruk hebt blij gemaakt te zijn met een dode mus, want dat is het laatste wat ik heb gewild en ooit zou willen.
Gelukkig, maar eigenlijk achteraf ook zoals kon worden verwacht, reageerde Offermans joviaal en vol begrip:
Haha, ik begrijp je volkomen en vind het geen probleem, sterker: ik had niet anders verwacht. Alleen vond ik het geen taak voor mij om je te waarschuwen voor de dilemma’s waar je na lectuur van mijn boek onvermijdelijk in zou terechtkomen – als je die al niet eerder had gevoeld. Ergernis over het ons-kent-ons gehalte van veel literaire (en andere) kritieken bracht me ertoe dat fragment “Pro domo” te schrijven, me de consequenties daarvan natuurlijk realiserend. Maar ik vond zo’n stuk nodig: de Nederlandse kritiek hangt van de wederzijdse loyaliteiten aan elkaar; in zekere zin is dat een gevolg van de omstandigheden: Nederland is nu eenmaal een klein land, iedereen kent elkaar en dat heeft onvermijdelijk gevolgen. Dat is niet altijd erg, maar soms – voorbeelden ken je ongetwijfeld zelf genoeg – loopt het de spuigaten uit.
Tja, zo moest dat kennelijk gaan. Erg is het niet. Integendeel misschien. Ik kan nu hier wanneer ik dat wil, zo gauw het boek eind september in de handel verkrijgbaar is, ingaan op bepaalde aspecten en thema’s van dat journaal, zonder de plicht te voelen iets overkoepelends en daarmee al te gauw inkapselends over het geheel te zeggen. Zoals ik dat gerust ook nu al kan doen met betrekking tot die bladzijden onder het kopje ‘Taalmagie’ over mezelf en mijn eigen werk.
        ‘Hoe dan ook,’ schrijft Offermans daar, ‘ik lees dat werk wel, heb er ook al in een vroeg stadium (toen hij net als ik criticus was voor De Groene) diverse keren over geschreven, doorgaans lovend, een enkele keer (over de roman Leila) zeer kritisch, en heb zojuist ook zijn nieuwste werkstuk, de roman Eindeloos eiland gelezen. Met het grootste genoegen, moet ik zeggen. En omdat ik wel een vermoeden heb van het gevoel van radeloosheid dat zich van een schrijver meester maakt die, zoals hij, domweg genegeerd wordt, heb ik hem dat ook laten weten.’
        Eerlijk gezegd kan ik me van die kennelijk zeer kritische recensie van Leila totaal niets herinneren en het stuk krantenpapier waarop die gedrukt stond is dus eveneens verloren gegaan in mijn privé recensiedestructie. Zal dat gebrek aan herinnering komen doordat Offermans stuk niet vilein en op de persoon gespeeld zal zijn? Zou zomaar kunnen.
        ‘Schrijft Beurskens gewoon meer dan een modale criticus kan bijhouden?’ vraagt hij zich af. ‘Moet hij zich wat vaker laten zien op presentaties, openingen en feestjes? Is zijn werk te frivool, te woordverliefd, te vreemd, te zuidelijk?’
        – Ik bedenk nu opeens dat zowel Vogelaar, Mertens, Offermans als ik ‘zuiderlingen’ waren of zijn…
        En verderop: ‘Misschien is het dat, de afkeer van die directheid, het moedwillig gebrek aan realisme, de afstand tot de spreektaal, de complexiteit van de zinnen, de stapeling van adjectieven, de voorkeur voor een nominalistisch toegespitst, dus ook vaak vreemd, althans ongebruikelijk idioom.’ 

‘Moedwillig’ in de betekenis van ‘opzettelijk’ heb ik in mijn poëzie of proza nooit willen zijn, zoals ik ook nooit een lezer ‘op het verkeerde been’ heb willen zetten, zoals dat heet. Misschien ben ik gewoon een realist in mijn ongeloof in de almacht van het realisme. Maar van dit alles afgezien: ook ik stel me weleens de vraag, zoals Offermans dat hier doet, waardoor mijn werk nog niet meer lezers heeft dan het – mag ik zo onbescheiden zijn? – zeker in vergelijking met dat van menige andere schrijver verdient. Maar zoals ik gombrowicziaans geloof dat anderen ons vormen en vervormen, meen ik ook te moeten geloven dat ik mijn romans en gedichten niet zou hebben kunnen vormen wanneer ik als schrijver door andere en meer lezers en critici anders zou zijn gevormd… Met andere woorden, zou Eindeloos eiland, waaraan Offermans tot mijn plezier nu zoveel genoegen heeft beleefd, hetzelfde Eindeloos eiland zijn geweest wanneer, eh, Leila in 1993 het succes en de doorbraak voor me was geworden zoals Maarten Asscher, toentertijd naast Van Krevelen uitgever bij Meulenhoff, dat had verwacht? (Zie Asscher over Leila in HP/De Tijd.) Zou er dan in 2017 überhaupt een Eindeloos eiland zijn verschenen…? Is een gebrek aan sociaal-culturele claims niet een geschenk van vrijheid en ruimte?



zaterdag 8 september 2018

FOTO HEIN STEEGH



Hij, zeventien, liet haar, achttien, voor zijn Agfa Click
op de bloeiende heide tegen een berk poseren met
haar linkerhand in haar zij, de andere hand achter haar rug verdwenen tegen de vlieswitte stam waar ze, met een knie opgetrokken, haar rechtervoet in het roze flatje tegen had
gezet, en, ah, het ermee omhooggeschoven zoompje van
het rokjeshemelsblauw en de binnenzijde van haar dij…

Zich tot elkaar verhouden was waar het maar kon zich
als in een gezamenlijke natte droom gedragen, zondigen
als in de dagen vóór de zonde, onwetende uitgewezen
te zullen worden, uitgewezen niet omdat tot beider
genoegen zij zich als de beesten gedroegen –  zie hoe zij,
hoewel de lucht betrekt, glimlacht voor de klik, met een blik
die aanvallig is van een en al kattigheid! –, als in een Hof
van Eden die levenslang kon worden uitgerekt, maar
omdat Iets of Wat of Wie vond dat dit niet blijven kon
daar blijven geen blijven was zonder dat verdrijven erin
huishield – zie haar vier bovenste bloesjesknopen nog
openstaan of al, en hoor, oh, in zijn oor bij wijze van stem
de warmte van haar tong! Mijn god…

Wist ik hoe hij er nu uitzag, zou ik langsgaan of
iets troostrijks schrijven – waar de boom stond ligt asfalt
en is het verkeer dat er ruist. Maar alleen als ik de zwart-witfoto
zie, ach, herken ik, achtenzestig, hem, blozend bij het denkbeeld
dat de negatieven ooit ontwikkeld werden en het Agfapapier
belicht, en zij, achttien, bij rood schijnsel weer verscheen,
zacht schommelend in een badje tegen een berk poserend
voor een man alleen in een verduisterde kamer
achter de kalkwitte gevel van foto hein steegh,
en hoe de jongen, als onteerd, haar met elf andere kiekjes
van 6 x 6 in een gesloten matzwart omslag
over de toonbank toegeschoven kreeg,
door Hein, die zweeg.



© HB