vrijdag 30 januari 2009

DE SNEEUW VALT TE VROEG

In kringen van zich als artistiek volwaardig beschouwende Nederlandse dichters en poëziebeschouwers wordt in het algemeen met minachting gekeken naar en gereageerd op mensen die in de Nederlandse taal haiku’s schrijven. Zoals men ook bijna steevast van mening is dat aquarelleren niet meer kan zijn dan een tuttige tijdsbesteding voor echtgenotes van ministers of andere bestuurders. Dat zulke beoordelingen symptomen zijn van een op zijn minst gedeeltelijke blindheid behoeft geen betoog voor wie ook maar iets weet van zowel het wezen en belang van de traditionele Japanse poëzie als van het werk van meester-aquarellisten als William Turner, Paul Cézanne en David Hockney.
Intussen stroomt er, als door een landbreed open riool, een onophoudelijke vloed van vormeloze uitingen van zelfexpressie en privéreflectie middels het woord uit Nederlandse pennen en computers. Alsof op het gebied van de poëzie de puberteit een levenslang verschijnsel is.

Naast mijn eigen praktijk als schrijver werk ik parttime als docent Kunst en Klassieke Culturele Vorming op een school voor Havo, VWO en gymnasium in Amsterdam. Van leerlingen op zo’n school wordt tegenwoordig verwacht dat ze voor hun eindexamen een zogenaamd profielwerkstuk maken, een soort verslag van een onderzoek dat ze hebben gedaan naar een segment van de stof van een of twee van hun ‘profielvakken’. Ze worden daarbij begeleid door een vakdocent. Zo gebeurt het geregeld dat ik leerlingen begeleid bij het maken van een profielwerkstuk, uiteraard aangaande een onderwerp uit de beeldende kunst of een thema uit de klassieke oudheid. Maar ‘kunst’ en ‘klassiek’, dat zijn terecht zeer rekbare begrippen, waarbinnen veel met veel te maken kan hebben.

Zo kon het gebeuren dat mijn KCV- en Kunstleerlinge Manon Ladru dit cursusjaar in samenspraak met mij uitkwam bij de oude Japanse cultuur en meer in het bijzonder bij de ‘klassieke’ Japanse poëzie. Met overgave is ze zich, met behulp van Nederlandse en Engelse literatuur en vertalingen, gaan bezighouden met die, voor haar tot dan onbekende wereld van Japanse dichtkunst, waarbij ze zich vooral richtte op de zeventiende eeuw, met vanzelfsprekend Bashō in een van de hoofdrollen.

Het verplichte ‘onderzoek’ binnen haar profielwerkstuk, zo hadden we bedacht, zou moeten bestaan uit het zelf beoefenen van zulke vormen als de haiku en de tanka. Maar wat zou er, ook voor mij als begeleider, leuker, interessanter en uitdagender zijn dan samen een heuse renku te schrijven! Bovendien is internet een heerlijk, razendsnel medium om zoiets te kunnen uitvoeren.

We hebben de structuur voor ons kettingvers overgenomen van de zitting ‘Eerste voorwintermiezel’ uit de renku-verzamelbundel Sarumino (‘Het strojasje van de aap’) uit 1691, inclusief de plaatsbepaling voor seizoensverzen en seizoentrefwoorden.* Aan die zitting in Japan namen toen vier dichters deel, Kyorai, Bashō, Bonchō en Fumikuni; Manon en ik hebben elk als het ware twee rollen voor onze rekening genomen.

Al snel was ik meer dan prettig verrast door het inzicht en de souplesse waarmee deze gymnasiaste van pas zeventien jaar haar beelden en verzen als het ware uit de voorschriften tevoorschijn haalde. We hadden allerlei vormafspraken gemaakt, zoals geen enjambement tenzij het functioneel is. Slechts twee keer heb ik Manon even moeten terugfluiten omdat ze de afspraak was vergeten dat de beelden concreet moesten blijven en dat het concrete niet moest worden vermengd met het abstracte. ‘Don’t use such an expression as “dim lands of peace”. It dulls the image,’ aldus de Imagist Ezra Pound in 1918. ‘It mixes the abstraction with the concrete. It comes from the writer’s not realizing that the natural object is always the adequate symbol.’ De verbetering liet beide malen niet lang op zich wachten.

Niet alleen vind ik ons resultaat zodanig dat het de moeite van publicatie waard is, het heeft me ook weer eens doen beseffen dat, didactisch gezien, het stimuleren van leerlingen en studenten tot ‘vrije expressie’ en ‘zelfexpressie’ ten enenmale juist aan datgene voorbijgaat wat op zichzelf al veel waardevoller is en wat hoogstwaarschijnlijk tot resultaten kan leiden die ook in artistiek opzicht veel boeiender, want opener en communicatiever zijn, ook wanneer je naderhand zogenaamde vrije verzen gaat schrijven: het leren werken en daarmee vrijheid en bijna letterlijk ‘ruimte’ leren zoeken juist binnen voorgeschreven vormen. Omdat voorgeschreven vormen je dwingen ongekende mogelijkheden te vinden in plaats van als het ware in te vullen of te kleuren wat je toch al ‘in gedachten had’ (en wat meestentijds clichématig blijkt te zijn). De haiku leert je daarnaast je taal zo economisch mogelijk te gebruiken. En, last but not least, door zijn concrete beelden scherpt de haiku je waarneming, van de buitenwereld en daarmee indirect of vanzelfsprekend ook van jezelf. Het zou wat zijn, bedacht ik opeens, wanneer in Nederland alle middelbare scholieren gediplomeerd hun school verlieten met onder meer een portfolio van enkele honderden haiku’s, tanka's en sonnetten…

Huub Beurskens en Manon Ladru 
De sneeuw valt te vroeg
 

De sneeuw valt te vroeg
dit jaar, zeggen de mensen.
‘Niet waar,’ zegt de sneeuw.

De witte hermelijn vlucht
voor het eigenwijze weer.

De sporen blijven achter,
een spel van zon en
schaduw, tot de nacht.

Geen spoor, geen sneeuw meer ’s ochtends,
donker zelfs is van de dag.

Tot de maan verscheen
in zijn boom heeft het aller-
laatste blad gewacht.

Zilverstralen verraden
de koers van wilde ganzen.

Je brief verregend,
mijn hemdsmouw nat van tranen:
‘O, dat jij hier was.’

Niets mooiers: op die foto
wij twee samen: niets ergers.

De glans verdwenen
uit het stilstaand beeld.
Geen leven, windstil.

Rook van een uitgeblazen
kaars kringelt recht naar boven.

Stilleven met fles,
leeg wijnglas en schedel: ik
in slaap voor de buis.

Door zacht getik uit een droom
gewekt; voorzomerregen.

Hij zuivert de geest,
zoals iemand gevallen
bladeren opveegt.

Leven: zoiets eenvoudigs
als bladerneerdwarrelen.

Als bloesemknoppen
zo eenvoudig wacht de dood
op openbloeien.

Bij de lange terugreis
schenkt hij troost: de nachtegaal.

Hoor je de vogel
zingen met dezelfde lucht
die wij ademen?

Dag in dag uit dezelfde
veranderende vallei.

Hetzelfde gezicht.
Nachtelijke schaduwen
of stralend zonlicht.

De winterse motregen
als een waas van mijmering

Je gezichtssluier
draag je als ik niet meer ben
– maar waarom nu al?

Geen kleur meer in jouw iris
in het kleine rouwboeket.

Netjes ingekleurd;
deze kindertekening
met felle kleuren.

Zie schaduwovergangen
naar kindzijn weerverlangen.

De man zoekt terug
zijn eerste lief – zijn hele
leven lang, vrees ik.

Een hagedis verschuilt zich
onder een oude linde.

Uitgesneden hart:
groeide het breed of hoger?
Een examenvraag.

Als een kind juichend uit school
wil hij er juist heen rennen.

De mist belemmert
hem het zicht maar de man rent.
Hij kijkt niet meer om.

Hij ziet de mieren zwoegen:
zijn evenbeeld van gister.

Niet mijn haar verf ik
maar gevallen bladeren
en hang ze terug.

De bladeren lichten op
in het schrale winterlicht.

Niet één lichtbundel
op of in mijn boekenkast.
Het lampje brandt niet.

De boeken in mijn leven:
herinneren ze zich mij?

Zilvervisje glipt
tussen wat we schreven weg,
ganzen keren weer.

Ik zie de oude nesten
Nieuw begin van vorig jaar.


Structuur van de renku: 1 Huub winter – 2 Manon winter – 3 M seizoenloos – 4 H seizoenloos – 5 H herfst, maanvers – 6 M herfst – 7 H herfst – 8 H seizoenloos – 9 M seizoenloos – 10 M seizoenloos – 11 H seizoenloos – 12 M zomer – 13 M seizoenloos – 14 H seizoenloos – 15 H voorjaar – 16 M voorjaar – 17 H voorjaar – 18 H seizoenloos – 19 M seizoenloos – 20 M winter – 21 H seizoenloos – 22 M zomer – 23 M seizoenloos – 24 H seizoenloos – 25 H seizoenloos, liefdesvers – 26 M seizoenloos – 27 H seizoenloos – 28 H seizoenloos – 29 M herfst – 30 M herfst – 31 H herfst – 32 M winter – 33 M seizoenloos – 34 H seizoenloos – 35 H lente – 36 M voorjaar
*Door Noriko de Vroomen-Kondo en mij vertaald en geannoteerd in mijn essaybundel De school aan zee, uitgeverij Vantilt, 2001.

donderdag 22 januari 2009

W.H. AUDEN - MUSÉE DES BEAUX ARTS

In wat lijden is hebben ze zich nooit vergist,
De Oude Meesters: die hadden pas verstand
Van zijn menselijk belang; hoe het plaatsgrijpt
Terwijl iemand eet, een raam openzet of in de struiken pist.
Hoe, als de ouderen zich toegewijd, koortsig voorbereiden
Op de wonderbaarlijke geboorte, het alleen doorgaat als er allemaal
Kinderen zijn die het een zorg is wat moet komen, die schaatsenrijden
Op een vijver aan de bosrand:
Nooit hebben ze eraan voorbijgestaard
Dat zelfs het ergste martelaarschap zich moet voltrekken
In een uithoek, op een van die sjofele plekken
Waar de honden hun hondenleven blijven leiden en het beulspaard
Zijn onnozele kont schurkt langs een paal.

In Bruegels Icarus bijvoorbeeld: hoe alles zich zonder ijver
Afwendt van de rampspoed; het kan dat de ploegdrijver
De plons heeft gehoord, de verloren kreet,
Maar dat bracht hem niet uit zijn doen; de zon scheen
Zoals ze moest op de bleke benen die verdwenen in het watergroen;
En het sierlijk rijke schip dat iets moet hebben waargenomen toen
Wat verbazingwekkend was, een jongen die uit de hemel gleed,
Moest naar ergens toe en zeilde rustig heen.





© Nederlandse vertaling H.B. & J.M. Meulenhoff

zaterdag 17 januari 2009

NEE, PLATO, NEE

Omvangrijke en geannoteerde selectie uit de poëzie van W.H. Auden.

Vertaling Benno Barnard, Huub Beurskens & Wiel Kusters.

Tweetalig, gebonden, 256 bladzijden, uitgeverij Meulenhoff,

isbn 9789029083607, vormgeving Office of CC, verwacht 28 januari 2009

donderdag 15 januari 2009

DE SCHAAMTE EN DE SCHRIJVER

Een schrijver hoort zich te schamen voor zijn schrijven en het geschrevene.

‘Het was een vreemd, toxisch werk,’ aldus Witold Gombrowicz (in 1960, vanuit Argentinië voor Radio Free Europe) over zijn eerste pogingen, als aankomend student, om een roman te schrijven. ‘Ik werkte harder dan een voerman of kok (…); desalniettemin was dat werk op de een of andere manier verdacht, nep. Het was lastig, een ware worsteling, maar het leidde allerminst tot respect. Dat was mijn eerste confrontatie met de schaamte waaraan elk artistiek werk gepaard gaat, met name het soort dat de goedkeuring van anderen niet kan wegdragen en waar geen behoefte aan is. Dat schaamtegevoel zou zwaar op me drukken, vele, vele jaren lang; pas de laatste tijd begint de druk ervan een beetje af te nemen.’
Je moet er toch niet aan denken!? De verwarmingsmonteur die je thuis in flagranti betrapt… ‘Meneer is schrijver? Detectives? Of SF? O, literatuur. Is dat niet saai?’

Je vrouw die je ’s avonds je ‘werk’kamer hebt uitgeblaft toen ze je stoorde bij je ‘werk’ en die, zo gauw je je hielen hebt gelicht, leest wat je toen hebt geschreven…
De nieuwe vrouwelijke collega op je échte werk die daar ter ore is gekomen dat je óók schrijft en zegt dat ze graag leest – ‘Ach, gedichten,’ zeg je om van haar af te zijn – ‘Maar toch ook echte boeken?’ riposteert ze – Je knikt – ‘Zijn die ook te koop? Wat is je naam ook alweer?’

Of zo’n ongevraagd oordeel van iemand die eens iets van je probeerde: ‘Wel moeilijk, hoor. Zeg eens, is het autobiografisch en verdien je daar nou ook nog wat mee?’

En wat te denken van iemand die meent je te moeten laten weten de Verriß van je nieuwste roman door de bekende criticus K te hebben gelezen en in antwoord op je vraag of hij die roman zelf ook heeft gelezen, zich excuseert met 'Geen tijd en ik houd sowieso niet zo van lezen'?

Vernederd voel je je in alle gevallen in eerste instantie nooit, maar altijd beschaamd, terecht beschaamd.

Soms, meestal voor de televisie want bijna nooit live bij zoiets aanwezig, zit ik als uit het veld geslagen te kijken naar hoe een schrijver en plein public schaamteloos de schrijver durft uit te hangen, alsof hij niet in zijn blote kont in zijn broek staat of onder tafel zit. Ik betrap me dan steevast op zoiets als wrevelige jaloezie. Maar spoedig erna, als ik weer ‘aan het werk’ ben, koester ik mijn schaamte, hoewel dat op zich natuurlijk opnieuw iets is om me voor te schamen.

donderdag 8 januari 2009

HELP KOMRIJ DE WINTER DOOR

Bepaalde mensen ontlenen hun majesteitelijkheid aan de wijze waarop ze zich beledigd tonen.
Meneer Komrij toont zich zwaar beledigd door de wijze waarop hij door iemand van de NPS werd gevraagd of hij aanwezig zou kunnen zijn bij de rechtstreekse televisie-uitzending van de bekendmaking van de (hoeveelste?) dichter des vaderlands op woensdagavond 28 januari aanstaande. Niet eens een vliegticket kreeg hij er ongevraagd bij aangeboden! http://komrij.blogspot.com/

Reden voor enkele onnozele vazalinegebruikers, door meneer Komrij eufemistisch als ‘schatten’ betiteld, om met de collectebus voor zo’n retourtje rond te gaan. Maar daar ging en gaat het natuurlijk niet om. O, onbegrepen ironie! Meneer Komrij hoeft het niet van de bedeling te hebben, zeg! Hij ligt zelfs ironisch genoeg naar eigen zeggen ’s middags op het strand van Copacabana op 28 januari, wanneer het hier koud en al avond is en het hele land nagelbijtend voor de televisie zit. Het gaat er dus ook helemaal niet om dat meneer Komrij die dag niet toevallig of toevallig niet in Nederland is, hij wist zelf allang dat hem die hele bekendmaking in Holland gestolen kon worden. Het gaat om DE VORM die beledigd is. En schennen van DE VORM, dat is altijd een schande! Allemaal de schuld van ene meneer Jan Kok, televisiemaker die het alleen maar te doen is om kijkcijfers en inkomsten.

Daarom roep ik iedere poëzie- en cultuurminnende Nederlander op om op woensdagavond 28 januari de uitzending van de NPS voor honderd procent te boycotten. Door met ware zelfverachting en zelfopoffering massaal niet te kijken, maar als zoete troost in plaats ervan in gedachten bij meneer Komrij op het strand van Copacabana te vertoeven, zal het betreffende programma een afgrondelijk diepterecord bereiken wat kijkcijfers betreft, met als onvermijdelijk gevolg het congé van de hoofdschuldige. Had meneer Kok maar, op zijn blote knieën door het Portugese stof en met een geldzak tussen zijn kaken, meneer Komrij, weliswaar vergeefs, moeten gaan smeken om in plaats van heerlijk ironisch te gaan liggen luieren in de Zuid-Amerikaanse zon, ware poëzie en cultuur in zijn Hollandse programma en daarmee in onze snakkende huiskamers te komen brengen! Ach, waar moet het heen met een land waar zelfs meneer DE VORM KOMRIJ niet meer wordt gerespecteerd?

zondag 4 januari 2009

DOM OP ZIJN BEK

Wat me stilaan het meest teleurstelt met betrekking tot de Vlaamse poëziebloemlezing Hotel New Flandres is de wijze waarop degenen die kritische opmerkingen plaatsen en vragen stellen bij deze uitgave, door Dirk van Bastelaere c.s. van repliek worden gediend. http://hotelnewflandres.wordpress.com/
Steevast wordt elke opponent met minachting bejegend en met grote stelligheid uitgemaakt voor iemand die ‘op zijn bek gaat’, een paar ‘blauwe ogen’ oploopt om als ‘dom’, zelfs dommer dan dom in een hoek te worden gezet.
‘Stelligheid en halsstarrigheid zijn onmiskenbare tekenen van domheid.’ (Montaigne)

Vergeetachtigheid is soms een weldaad, namelijk wanneer ze tot de verrassing van een herontdekking leidt.
Bij het opruimen van een kast kwam ik een stofmap tegen met daarin een compleet typoscript (nog op de typemachine getikt) van een kleine essaybundel waarvan het ooit de bedoeling was dat die zou worden uitgegeven door Perdu in Amsterdam. ‘Ooit’: dat zal in 1990 zijn geweest. Waarom de uitgave toentertijd niet door is gegaan, kan ik me niet meer precies herinneren. In elk geval zou het boek ‘acht beschouwingen over Zuidnederlandse poëzie’ bevatten. Een aantal van die beschouwingen had ik eerder gepubliceerd in tijdschriften, maar er zijn er ook die speciaal voor dat project werden geschreven. Tot die laatste stukken behoort het openingsessay, dat bij mijn weten ook naderhand nooit elders werd gepubliceerd. Het heet ‘Het doorkijkrif’ en gaat over Pornschlegel en andere gedichten van Dirk van Bastelaere.
Toen ik de tekst, die dus zo’n twintig jaar oud moet zijn, vandaag voor het eerst herlas, verraste die me op aangename wijze. Ergens, denk ik, zit in deze tekst inmiddels de teleurstelling verborgen die ik niet toen maar nu ervaar.
Een opmerkelijke bijkomstigheid is dat in de noten bij de beschouwing uitgerekend twee namen opduiken van mensen die behoren tot degenen op wie door Van Bastelaere vanwege hun kritiek op zijn bloemlezing wordt neergezien, Hans Vandevoorde en Benno Barnard, die ik toentertijd geen van beiden persoonlijk kende.

Onlangs de lengte van de tekst wil ik hem eindelijk en wel hieronder in zijn geheel publiek maken.

HET DOORKIJKRIF

In de lente van 1836 ging de Beagle voor anker bij de Kokoseilanden in de Indische Oceaan. Aan de kust van Chili had Darwin het idee gekregen dat, als de aardkorst opgeheven kon worden, ze ook moest kunnen dalen. Al in oktober 1835, onderweg van Galápagos naar Tahiti, had hij een aantekening over koraaleilanden gemaakt: ‘... we zagen verscheidene van die allermerkwaardigste ringen van koraalland, die net boven het wateroppervlak uitkomen en lagune-eilanden worden genoemd... Deze lage, uitgeholde eilanden staan in geen verhouding tot de uitgestrekte oceaan waaruit ze abrupt oprijzen en het lijkt een wonder dat zulke zwakke indringers niet overweldigd worden door de almachtige en nooit moe wordende golven van die grote zee, die ten onrechte de Vreedzame wordt genoemd.’
De theorie dat atollen de met koralen bezette randen van ondergedompelde vulkanen zijn, wilde Darwin nu op de Kokoseilanden toetsen.
Hij meende dat de koraalpoliepen die in tropische wateren de riffen opbouwden, uitsluitsel zouden kunnen geven. De poliep was niet in staat op een grotere diepte dan veertig meter onder de zeespiegel te leven en men had beweerd dat het diertje zich altijd dicht bij de rand van een vasteland of rondom een vulkanisch eiland moest vastzetten. Maar stel, dacht Darwin, dat geconstateerd kon worden dat deze riffen zich ver in de diepte voortzetten en dat alle koralen beneden de veertig meterlijn dood zouden zijn – zou dat dan niet het bewijs ervan zijn dat de bodem van de oceaan langzaam gedaald was en dat de koraalpoliepen gelijke tred gehouden hadden met deze daling door de riffen voortdurend naar boven op te bouwen?
Darwin voer met Robert FitzRoy, de kapitein van de Beagle, in een kleine boot naar het buitenste rif en verrichtte een groot aantal peilingen aan de steile buitenste helling van de Kokosatol. Het bleek dat tot de veertigmeterlijn de talk, die in de uitgeholde onderkant van het dieplood was aangebracht, naar boven kwam met de afdrukken van levende koralen, maar geheel schoon; naar mate men dieper kwam, nam het aantal koraalindrukken echter af, tot het op het laatst helemaal duidelijk was dat de bodem uit een gelijkmatige zandige laag bestond. Daaruit concludeerde Darwin dat de koraalformaties de voorlopige eindproducten waren van eonen durende reciproque processen: het vormen van een eiland door onderzeese vulkanische, processen, het koloniseren van de hellingen door myriaden van koraalpoliepen en ten slotte de langzame daling van het eiland in de zee.
Hij onderscheidde drie typen koraalformaties: atollen, barrièreriffen en franjeriffen, die alle deel uit maakten van hetzelfde evolutionaire proces. De groei van de koralen moest gelijke tred houden met de snelheid van de daling. Naar mate het eiland daalt, bouwen de koralen een kustrif, daarna een barrièrerif en uiteindelijk, als het laatste restje van het oorspronkelijke land onder water verdwenen is, een atol: ‘Bergen van steen, opgehoopt door de werking van heel veel kleine, tere diertjes.’ Darwin berekende dat voor de vorming van een atol niet minder dan een miljoen jaar nodig was.

De eerste reeks gedichten in Pornschlegel en andere gedichten van Dirk van Bastelaere heet ‘Atol’. Het is een reeks die direct geïnspireerd is door Darwins koraalonderzoek op de Kokoseilanden.
‘Het rif leeft./Zijn eigen herinnering/Houdt een rif vast aan zijn begin,’ staat er meteen in het eerste gedicht. Het tweede gedicht heet ‘Journaal’:

Gaviaal uit gaviaal.
Uit vis vis. Zo wordt het rif
Door zich zelf voortgebracht.

Het hoort het zachte gekraak
Van het groeien. Weet hoe koraal
Zich vertaalt in zijn slaap.

In zijn journaal voegt zich letter
Aan letter. Het kan niet zijn
Dat de wereld zou slinken.

Het is waar dat hij geredelijk vordert;
Het rif stort zich langzaam de zee in:
Inkt die men morst in een bron.

Een kalkskelet kan hij zich denken,
Zijn pen krast het verder de tijd in.
Dit deinende vlak hier, is zijn dagboek.

De wereld weet dat.
Hij, die nog nablijft.
Het dagboek dat groeit.

Het rif dat zich voortschrijft.

In dit gedicht wordt het groeien van Darwins journaal vergeleken met het groeien van een rif. Zoals de koralen zich vertakken, over en op elkaar groeien terwijl het oorspronkelijke land weg, uit het zicht zakt, schrijft Darwin zijn dagboek over en op het verloop en het verstrijken van zijn reis, van zijn eigen leven. En met zijn woorden over de koraalvorming bouwt hij ook mee aan de riffen: de koralen vertakken zich niet meer alleen in de oceaan, maar ook in en op de bladspiegel van Darwins journaal. Het rif: eenmaal door de menselijke waarneming begrepen, wordt het schrift. Zo’n anderhalve eeuw na Darwins dagboekaantekeningen en meer dan een eeuw na zijn dood, steken de atollen nog steeds boven de zeespiegel uit, zoals hier bij Van Bastelaere. ‘Darwin verdampt/Gaat het rif met rifbouw door,’ staat er in het eerste ‘Atol’-gedicht.

De reis van Darwin en zijn beroemde werk On the Origin of Species by Means of Natural Selection zijn natuurlijk ook niet uit de lucht komen vallen. Darwins grootvader, dr. Erasmus Darwin, had zich met de evolutiegedachte beziggehouden, zijn vader, Robert, had medicijnen gestudeerd, Charles zelf had aan de universiteit van Cambridge gestudeerd, enzovoort. Met andere woorden, zijn waarnemingsvermogen en denken was, zoals dat van ons allen, gebaseerd en bouwde voort op het enorme cultuurrif dat zich op aarde en in het menselijk doen en laten had gevormd.

Het lijkt me een exclusief menselijke eigenschap de ander, de soortgenoot dus, in de eigen (denk-)beelden te willen laten delen en anderzijds zelf de behoefte te (kunnen) hebben door de ogen, via de zintuigen van de ander waar te nemen, niet alleen via de zintuigen van soortgenoten maar ook van andere organismen. Wellicht groeit het cultuurrif onder invloed van deze wisselwerking, door de behoefte aan het zich in iets of iemand verplaatsen, door het verlangen naar metamorfose.
In het gedicht ‘Stern’, eveneens uit de ‘Atol’-reeks, vraagt Van Bastelaere zich af hoe het is door het oog van een stern te kijken.

Vanuit de lucht moet het rif
Niet uit te spreken zijn, een verrukking.
In hoeverre kan ik dat weten?

In het gitzwarte oog van de stern
Die nu overvliegt
Komt, interesseloos, een man te verschijnen.


‘Niet uit te spreken’ – desondanks wordt er een poging gedaan het beeld woord te laten worden! Darwin noteerde over de sneeuwwitte sterns met de grote zwarte ogen die op de Kokoseilanden vlak boven zijn hoofd in de lucht zweefden: ‘Er is weinig fantasie voor nodig om zich voor te stellen dat in zo’n licht en fragiel lichaam een of andere dolende sprookjesfee huist.’

Het water stijgt of het land daalt. De poliepen sterven af, maar het door hen gevormde koraal laat toe dat bet leven boven de veertigmeterlijn verder kan gaan. Is de kunst niet ook zo’n door de makers en bewoners verlaten uitwendig skelet dat ons meer houvast en fundament biedt dan de knekels van de mensen die er vorm aan gaven?

De reeks ‘Een bolronde spiegel’ in de bundel van Van Bastelaere bestaat uit een aantal gedichten naar aanleiding van schilderijen.
Geportretteerden zijn in de tijd verdwenen en schilders zijn in de tijd opgelost en toch is het ons mogelijk iets van hen terug te zien, ja, het standpunt van de schilder in te nemen en door zijn ogen te kijken; de schilder heeft in het kunstwerk zijn blik tot koraal gevormd, een blik waarin en waarop onze blik kan doorgroeien.
Dirk van Bastelaere heeft twee gedichten geschreven op het paneel dat Jan van Eyck in 1434 schilderde van het bruidspaar Arnolfini. De beeldstructuur, de symboliek, de stoffering van het interieur, de kleding van de twee personen – eeuwen later kijken we ontegenzeggelijk naar een vijftiende-eeuws schilderij van een vijftiende-eeuws tafereel. ‘Zijn hoed is een onding/Dat de dood niet belemmert,’ schrijft Van Bastelaere en dan heeft hij het over het lichaam van Arnolfini dat ‘wellicht,/Geheel anoniem,/In een kerkvloer van hardsteen verviel.’ Maar in het optische centrum, dus op ooghoogte van de beschouwende schilder, tegen de muur achter het bruidspaar, heeft Jan van Eyck een bolronde spiegel gehangen; ‘Johannes de Eyck fuit hic’ heeft hij er in de vorm van graffiti van een kalligraaf boven gezet. In de spiegel zien we het bruidspaar op de rug, maar tussen de twee door kijken we de schilder recht in het gezicht! Van Eycks vlees en bloed zijn allang vergaan, maar zijn spiegelbeeld is ons, nee, is het onze gebleven, dat wil zeggen, als ik voor het schilderij sta, is mijn blik door tijd en ruimte heen met de zijne verweven, heb ik van Eycks waarneming en denkbeeld op en in mijn eigen netvlies, mijn weefsel gekregen en heeft van Eyck zich via zijn blik in mij voortgezet. Uiteraard is mijn blik door het kijken naar het schilderij niet van het ene moment op het andere puur gotisch, want met mijn blik zijn inmiddels zoveel andere tijden, zijn de beelden van Gatwick Airport en de Londense Ondergrondse naar de National Gallery verweven. En wat heet hier ‘puur gotisch’, hoeveel percent romaans bevatte de blik van Jan van Eyck, hoeveel Gent en hoeveel Italië...?

Dit paar uit het elders,
Van perfectie verwezen,
Het zal bestaan

Door de man in het midden.
Zich noemend Van Eyck
Bood hij zich aan als getuige.

Ook nu in die opstelling
Smokkelt hij zich de tijd uit;
De bolronde spiegel weet hem te bewaren.

Dat men kan zeggen, turend
Naar binnen: dankzij afzijdigheid
Zal hier zijn geweest

De spiegelman Dirk van Bastelaere.


Dirk van Bastelaere is Jan van Eyck in beeld gaan staan zonder daarmee het uitzicht op Van Eyck te ontnemen. Integendeel, op de plaats voor het schilderij, voor de spiegel in het schilderij wordt elke beschouwer transparant, samen met de miljoenen beschouwers die na Van Eyck al voor het schilderij hebben gestaan. Even kan men samenvallen met de ruimte van het schilderij en met het denkbeeld van een leven dat ook zonder jou kan bestaan.
De spiegelman Dirk van Bastelaere – ik kijk even met zijn ogen, in zijn schriftuur door en naar de ogen van Jan van Eyck.

Weer een andere reeks in de bundel heet ‘De doorkijkman’. Wat kan dat zijn, een doorkijkman? Een man die tussen personen door naar iets kijkt, zoals de beschouwer die tussen het Arnolfinipaar de diepte van het bolronde oppervlak van de spiegel ziet? Of een man die zelf transparant is, nog doorzichtiger dan een doorkijkblouse? Iemand die doorzichtiger, dat wil zeggen, eerder oplosbaar is dan de behuizing die hij bouwt?
Stuk voor stuk interpretaties die op de poëzie van Van Bastelaere, op de rol van de dichter in zijn poëzie passen. Er zijn nog meer mogelijkheden en ook die sluiten elkaar niet uit. Zo doet het werkwoord ‘doorkijken’ denken aan het Duitse durchschauen, dat ‘begrijpen’, ‘doorgronden’ betekent. En ‘doorkijken’ kan ook zoveel betekenen als verderkijken, het kijken voortzetten... In alle betekenissen is de dichter het weekdier dat zijn koraaltje aan het rif bijdraagt: ‘omdat ik dood ben/gaan de dode dingen in mij leven.’ De dichter – of moet ik schrijven: de mens? – leeft in de paradox van de vormdwang: om te kunnen vormen moet hij zelf breken, ‘Trillen/Als een duivepen, die afschrijft/Wat geheel is. ‘Doorkijken’, zegt Van Dale, heeft ook de weinig gebruikte betekenis van ‘over de gehele ruimte of uitgestrektheid bezien’. Het is de tragiek van de Doorkijkman dat hij zichzelf niet meer kan overzien, dat hij zich slechts fragment mag weten van een groot, hem omvattend en bevattend geheel.

DU ÜBERSIEHST DICH NICHT –

Du übersiehst dich nicht mehr?
Der Anfang ist vergessen,
die Mitte wie nie besessen,
und das Ende kommt schwer.

Was hängen nun die Girlanden,
was strömt nun das Klavier,
was zischen die Jazz und die Banden,
wenn alle Abende landen
so abgebrochen in dir?

Du könntest dich nochmals treiben
mit Rausch und Flammen und Flug,
du könntest –: das heisst, es bleiben
noch einige Töpferscheiben
und etwas Ton im Krug.

Doch du siehst im Ton nur die losen,
die Scherben, den Aschenflug –
ob Wein, ob Öl, ob Rosen,
ob Vase, Urne und Krug.

Een gedicht uit de bundel Fragmente uit 1951 van Gottfried Benn.

Dat het werk van Gottfried Benn van belang is voor Van Bastelaeres poëzie in Pornschlegel en andere gedichten is evident. De bundel opent met een citaat uit Benns gedicht ‘Nur zwei Dinge’, afkomstig uit de in 1953 verschenen bundel Destillationen. Op het omslag van Van Bastelaeres bundel staat echter de volgende opmerking: ‘Van statische gedichten kan bij Van Bastelaere dan ook geen sprake zijn.’
Ik weet niet in hoeverre de dichter hier zelf tekent voor de flaptekst, maar met deze opmerking wordt de indruk gewekt dat iemand zich juist wil afzetten tegen de dichter Gottfried Benn die in 1948 zijn opmerkelijke comeback in de literatuur maakte met de bundel Statische Gedichte… ‘Maar betekent statisch bij Benn ‘a-dynamisch’, ‘star’?
Wie het denken en de poëtica van Gottfried Benn kent, weet dat er voor hem geen blijvend houvast bestaat. Zoals ook blijkt uit het hierboven geciteerde gedicht, gelooft Benn niet meer in vaste waarden, voor hem bevindt alles zich in een voortdurend metamorfoserend bewegen. In plaats van aan waarheden kunnen we ons slechts tijdelijk vasthouden aan mogelijkheden en vermoedens; zowel op het algemeen filosofische gebied als in de meest persoonlijke, intieme sfeer is ons bestaan er een van louter speculaties. We verlangen ernaar door het oog stern naar een atol te kijken en kunnen niet eens weten hoe we in de blik van onze geliefde bestaan. ‘Ik denk dat ze denkt ik ben van haar/Onbestendigheid een veeg, een verzinsel’, lees ik in een van de gedichten van Dirk van Bastelaere. Ook de kunst zal vermolmen en breken en zinken. Het ‘statische’ is dan een kwestie van gelukkige samenloop, een coïncidentie van woord en beeld, een kleur, een vorm of een klank, die ons in een flits juist dat onophoudelijke bewegen in al zijn intensiteit openbaart.

Ein Wort –, ein Glanz, ein Flug, ein Feuer,
ein Flammenwurf, ein Sternenstrich –,
und wieder Dunkel, ungeheuer,
im leeren Raum um Welt und Ich.

– zo luidt de slotstrofe van een gedicht uit Statische Gedichte. Gottfried Benn is geen reiziger, in zijn leven heeft hij slechts een paar keer Duitsland verlaten, als militair arts, toen hij in de eerste wereldoorlog naar Brussel werd gestuurd, en in 1952 om in Knokke aan zoiets als een poëziefestival mee te werken. Voor het reizen heeft hij nooit veel waardering gehad:

ach, vergeblich das Fahren!
spät erst erfahrenSie sich:
bleiben und stille bewahren
das sich umgrenzende Ich.


Ook voor het doelgericht handelen, voor dadendrang, het streven naar het verwezenlijken van idealen, voor maatschappelijke bedrijvigheid heeft Benn niet veel respect. In het titelgedicht van Statische Gedichte zegt hij het zo: ‘Richtungen vertreten,/Handeln,/Zu- und Abreisen/ist das Zeichen einer Welt,/die nicht klar sieht.’ En wat doet de doorkijkman van Van Bastelaere? In het gedicht van Benn zit de wijze voor zijn raam en kijkt naar buiten. En wat zegt de doorkijkman?

Ik slaap voor de spiegel. Eet bij het raam ’s nachts.
Voor camera’s speelt zich mijn liefde af in
Kerkers van het oude Rome. Een lijfstraf.

Helder leven heb ik te leren geprobeerd
Want slechts wat klaar is wil nog zingen. Geen
Melodie glanst op uit toegesproken dingen.

Wat doen die mannen daar dan achter hun raam? Ze houden zich bezig met perspectivisme:

Perspektivismus
ist ein anderes Wort für seine Statik:
Linien anlegen,
sie weiterführen
nach Rankengesetz, –
Ranken sprühen, –
auch Schwärme, Krähen,
auswerfen in Winterrot von Frühhimmeln,

dann sinkenlassen –,

Du weisst – für wen.

Ze zitten slechts uiterlijk stil. Hun dynamiek is er een van de hersenen en soms, onder gelukkige omstandigheden, op een stil ogenblik, verschijnt er iets van op een blad, met een nauwelijks zichtbare beweging, van een kleine hand. En Perspektivismus, betekent dat niet zoveel als vooruitkijken, verderkijken,
‘door-kijken’...? En nach Rankengesetz, is dat niet zoiets als ‘volgens de wetten van het koraal’...? Gottfried Darwin… Statische evolutie…

Onze hersenen zijn zelf overigens ook zoiets als atollen, op het limbische systeem zwellende weefsels met een ronde, geplooide structuur. Volgens schattingen tellen onze hersenen ongeveer honderdmiljard cellen, evenveel als het aantal sterren in de Melkweg. Tijdens de embryonale periode groeien de hersenen met een kwartmiljoen cellen per minuut. In de volwassenheid schrompelt dit universum weer ineen, langzaam weliswaar, want we verliezen per dag slechts zo’n tienduizend hersencellen, evenveel als er in de embryonale fase elke twee tellen werden gevormd. En wat de evolutie van onze hersenen betreft, maakt de natuur zoveel mogelijk gebruik van bestaande systemen, demonteren en opnieuw monteren vindt niet plaats, de natuur bouwt liever voort op wat er al is.

De meest opvallende afdeling in de bundel van Dirk van Bastelaere is de laatste, ‘Pornschlegel’, een gedicht van tien pagina's.
Ik las het gedicht voor het eerst in een boekje dat Van Bastelaere samen met drie andere Vlaamse dichters maakte en het deed me meteen denken aan het zogenaamde Rönneproza dat Gottfried Benn rond 1915 schreef. Van Bastelaere gaf zelf al een hint, want hij liet het gedicht voorafgaan door een citaat uit ‘Die Eroberung’, een tekst waarin een zekere Werff Rönne door een buitenlandse stad dwaalt die sterke gelijkenis met een bepaalde Belgische stad vertoont, waarbij deze stad steeds meer beelden, associaties en denkprocessen in zijn hersenen activeert – een barbier, een bloemenverkoopster, het slachthuis, een prostituee, een tropische plantenkas...: ‘Ich wollte eine Stadt erobern, nun streicht ein Palmenblatt über mich hin.’
Het gedicht van Dirk van Bastelaere kent ook zo’n dolend denkende of denkend dolende stadsmens. Victor Pornschlegel, een naam die in eerste instantie op een ironische manier verwijst naar een geslaagde synthese van erotiek en denken, van lichaam en geest, van erectie en romantiek.
Het gedicht begint met een zomerse hitte, waarin een dertigjarige man, ‘In lommer op een veldbed wat rustend’, indommelt en in een droom belandt. ‘Het heeft de schijn van een/Andere werkelijkheid die zich vertakt/Tot binnen het dagelijks leven van iemand.’ Hij komt als suppoost in een museum waar hij verleid wordt door de Maria met kind, omstreeks 1480 geschilderd door Jean Fouquet. De stad moet Antwerpen zijn, want het werk hangt in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten aldaar. Ergens wordt een gebied door politie afgezet en in een dichtgelast olievat wordt een zak met een lijk gevonden. Victor Pornschlegel stapt op een scooter en wil een bijl gaan kopen. Hij loopt over de Sinksenfoor en rijdt over de Belgiëlei. Hij ontmoet een paar maal een uitdagende vrouw met ‘azuren pumps en bruine/Dijen, waarlangs haar vingers glijden.’ Alles ‘lijkt wel een droom in een droom in een droom’ en ‘waar Pornschlegel reed was het alsof hij reed,’ staat er in de epiloog.
Het ligt voor de hand het gedicht te gaan vergelijken met ‘Awater’ of ‘Het uur U’ van Martinus Nijhoff... Ik moest bij eerste lezing ook denken aan de film Blue Velvet van David Lynch die eind 1986 in de Verenigde Staten en in het voorjaar van 1987 in Europa in première ging. Een soortgelijke beklemmende sfeer van dreiging, van romantiek en pornografisch geweld, waarin wordt gemoord om een vrouw – ‘het is juli en wie moordt nog om een vrouw,’ luidt de eerste regel van het gedicht –, een film over een droom in een droom, over angst en fragmentering van het leven. Het perspectivisme van Gottfried Benn is er een van esthetische aard; het perspectivisme van David Lynch in Blue Velvet is er een van angst en geweld, is een perspectivisme dat de gezond lijkende dynamiek van het kapitalistische liberalisme, van een hedendaagse burgerlijke welvaartcultuur ontmaskert, het toont de verborgen driften onder de alledaagse schijnbewegingen.

In de bundel is het Benncitaat bij ‘Pornschlegel’ vervangen door een citaat uit een songtekst van Roy Orbison: 'Just running scared/each place we go/so afraid/ that he might show.’ Het citeren van songteksten is bij Van Bastelaere niet nieuw. In zijn debuutbundel Vijf jaar gebruikt hij al citaten van John Cale en Joy Division. In ‘Pornschlegel’ meen ik ook songteksten te herkennen; zo zie ik in de zin ‘Hij is een jongen snorrend/Als de zon, maar met een doorn nu in de zijde’ een vertaling van een regel uit een nummer van The Smiths: ‘The boy with the thorn in his side/behind the hatred there lies/a murderous desire for love (...).’ Maar het is wel heel frappant dat juist de door Van Bastelaere gebruikte muziek van Roy Orbison in de film van Lynch een cruciale rol speelt, het is de muziek van Roy Orbison waarbinnen zich in Blue Velvet het geweld lijkt te centreren!
Trouwens, net als ‘Pornschlegel’ begint Blue Velvet met een warme zomerdag en is iemand in slaap gevallen in een tuin met een tuinsproeier, Victor Pornschlegel wil een bijl kopen en in de film wordt een bijl gekocht of verkocht…
Opzettelijke of toevallige parallellen, hoe dan ook, zowel de film van Lynch als de poëzie van Van Bastelaere laat zien dat het perspectivisme van Gottfried Benn zo’n veertig jaar na de Statische Gedichte alweer een andere lading, een andere betekenis en functie heeft gekregen.
Ieder van ons heeft inmiddels een televisiescherm in huis en velen van ons zitten dagelijks voor een computerscherm. Miljoenen mensen zitten avond aan avond met de gordijnen dicht voor hun oplichtend raam en zien perspectieven waar men een halve eeuw nog nauwelijks van durfde dromen, een en al beweging van beelden, een komen en gaan van indrukken, een Zuidpoolexpeditie, een vreemde diersoort, een vliegtuigramp, erotica, palmbomen en witte stranden, snelheidsrecords, een kerk met psalmengezang, rassenrellen, ...Wat een statisch perspectivisme!
Maar het gaat hier om een collectief perspectivisme, waarbij de man of vrouw voor het oplichtende raam de illusie heeft naar buiten te kijken terwijl de beelden hem of haar, zonder dat de persoon zich ervan bewust is, van buitenaf worden toegezonden. Schijnperspectivisme dus. Schijndenken en schijnfantasie. En dat iedereen hetzelfde te zien krijgt, dat de aangeboden perspectieven collectieve perspectieven zijn, is daarbij misschien niet eens het meest funeste voor de menselijke blik. Eeuwen en eeuwen geleden zaten de mensen ook al als collectief naar een en dezelfde voorstelling te kijken, in de openluchttheaters van Delphi en Verona bijvoorbeeld. Maar de toeschouwers in die theaters zagen niet alleen de voorstelling, ze zagen ook de anderen naar de voorstelling kijken! Het gevaar voor de dood van de blik ligt, mogelijk nog meer dan in de bedenkelijke kwaliteit van het gros van de aangeboden programma’s, besloten in de isolatie van de kijker, in de schijnprivatisering van de blik. Men kijkt in massa’s, maar de massa is niet meer dan een statistisch kijkcijfer. Intussen wordt er in de systeemautomatisering naar gestreefd de ‘omweg’ van de zichtbare informatie zoveel mogelijk te bekorten, de snelheid van de informatieoverdracht zo hoog te maken dat ze voor de menselijke, zintuiglijke waarneming niet meer te volgen is. Met andere woorden, men tracht de omweg van de blik op te heffen. ‘Centraal in (...) de toekomstige kijkmachine staat dus de blindheid, want de productie van een zien zonder blik is zelf slechts de reproductie van een intensieve blindheid, van een blindheid die een nieuwe, laatste vorm van industrialisering wordt: de industrialisering van de niet-blik,’ schrijft Paul Virilio.

Het perspectivisme van de kunst zal bijgevolg op het tegenovergestelde, op het telkens opnieuw openen van de blik gericht moeten zijn, op het kijken als activiteit en op een grote mate van interesse voor het kijken van de ander. Onder meer daarin ligt een verklaring voor het feit dat een dichter uit het einde van de twintigste eeuw terugkeert naar het kijken van iemand als Jan van Eyck, Diego Velázquez of Jean Fouquet, zich verdiept in de werken van louter dode schrijvers. Men kan het atol niet ongestraft de hoogte in bouwen zonder daarbij voortdurend voeling te houden met en zorg te dragen voor de basis waarop men bouwt. Op het gebied van het hersenonderzoek gaan steeds meer stemmen op die zeggen bang te zijn dat onze hersenen te snel zijn geëvolueerd en daardoor defecten gaan vertonen. Door de grote ontwikkelingssnelheid zijn weliswaar verschillende hersenonderdelen tot sterkere ontplooiing gekomen, maar tevens is de coördinatie van de onderdelen door die partieel gerichte ontwikkelingssnelheid verwaarloosd of althans achterop geraakt, waardoor het limbische systeem, dat betrokken is bij emoties en waakzaamheid, in het ongerede kan raken met het oudste deel van de hersenen, de hersenstam, hypothalamus en kleine hersenen, die in het teken staan van instincten en lichaamsfuncties, of, wat nog meer voor de hand ligt, zal botsen met de neocortex, die ons in staat stelt gedifferentieerd waar te nemen en symbolische informatie te verwerken. Het is blijkbaar niet alleen van levensbelang de natuur om ons heen, het ecologische systeem van de aarde te beschermen en te herwaarderen.

‘Soll die Dichtung das Leben bessern?’ Die vraag probeerde Gottfried Benn in een referaat in het najaar van 1955 te beantwoorden. ‘Die Dichtung bessert nicht, aber sie tut etwas viel Entscheideneres: sie verändert. Sie hat keine geschichtliche Ansatzkräfte, wenn sie reine Kunst ist, keine therapeutischen und pädagogischen Ansatzkräfte, sie wirkt anders: Sie hebt die Zeit und die Geschichte auf, ihre Wirkung geht auf die Gene, die Erbmasse, die Substanz –ein langer innerer Weg.’
Veertig jaar later koester ik nog steeds sympathie voor deze onvoorwaardelijke keuze van Benn voor de autonomie van de kunst, maar ik doe het, merk ik, wel al met gevoel van weemoed. Ik heb namelijk het gevoel dat de kunst niet meer of überhaupt nooit zo autonoom kan zijn, zo zonder ‘geschichtliche Ansatzkräfte’, zonder dood en levend ander koraal. Misschien dat de kunst van nu de tijd en de geschiedenis juist dient te adopteren, te incorporeren. Maar ik weet het absoluut niet te formuleren. – En laten we Benn in ere houden, naar hem blijven luisteren. Nochtans..., de kunst wordt zelf al te zeer bedreigd door het geweld van het streven naar eliminering van tijd en geschiedenis, een gewelddadig streven dat onze huidige, technologische conjunctuur kenmerkt – al te zeer bedreigd om zich niet met dat geweld bezig te hoeven houden.
‘Ich habe gesagt, dass Dichter nur sein kann, wer Verantwortung fühlt, obwohl er vielleicht wenig mehr als andere dazu tut, sie in Einzelaktionen zu bewähren. Es ist eine Verantwortung für das Leben, das sich zerstört, und man soll sich nicht schämen zu sagen, dass diese Verantwortung von Erbarmen genährt ist. (...) Es kann nicht Sache des Dichters sein, die Menschheit dem Tode auszuliefern. Mit Bestürzung wird er, der sich niemandem verschliesst, die wachsende Macht des Todes erfahren.’ – Woorden van Elias Canetti, uitgesproken bijna tien jaar na Benns dood.
En zo'n dertien jaar na Canetti’s woorden zegt de schilder R.B.Kitaj: ‘Ik ben van plan die onmogelijke zaken in de kunst met elkaar te confronteren, om op een dag, als ik hompelend door een straat gejaagd word en omzie naar een brandende stad, de kleine genoegdoening te mogen smaken geen kunst te hebben gemaakt waarin menselijke kwetsbaarheid, angst, middelmatigheid en de banaliteit van het kwade niet als evidente tegenwoordigheid in het kunstleven worden erkend.’
Deze door Kitaj genoemde ingrediënten vind ik ook in de kunst van Van Bastelaere, de doorkijkman die inmiddels maar al te goed weet dat de meest autonome, van de bewoonde wereld geïsoleerde atollen de meest geschikte plekken voor atoomproeven kunnen zijn en dat de mens er stekeblind en zijn wereld er volledig doorzichtig kan worden, in een flits.


NOTEN
- Dirk van Bastelaere, Pornschlegel en andere gedichten, De Arbeiderspers,
Amsterdam 1988.
- Gottfried Benn, Gesammelte Werke, Limes Verlag, Wiesbaden 1968.
- Piet Vroon, Tranen van de krokodil – Over de te snelle evolutie van onze hersenen, Ambo, Baarn 1989.
- Twist met ons, Dirk van Bastelaere, Bernard Dewulf, Charles Ducal, Erik
Spinoy, met een voorwoord van Benno Barnard, Den Gulden Engel bvba, Wommelgem 1987.
- ‘Rönne wollte nach Antwerpen fahren, aber wie ohne Zerrüttung?’ – Eerste regel van Gottfried Benn, Die Reise.
- ‘Met zijn Pornschlegel heeft Dirk van Bastelaere zelfs een complete anti-Awater geschreven, waarin de hoofdpersoon helemaal geen reisgenoot meer zoekt, maar integendeel zijn nog wél levende broer wil vermoorden.’ – Benno Barnard in Twist met ons.
- In Yang 138, 1988, wijst Hans Vandevoorde al op parallellen tussen Blue Velvet en 'Pornschlegel'.
- Dirk van Bastelaere, Vijf jaar, Soethoudt & Co, Antwerpen 1984.
- The Smiths, The Queen Is Dead, Warner Bros Music Ltd, 1986.
- Paul Virilio, La machine de vision, Éditions Galilée, Parijs 1988.
- Elias Canetti, ‘Der Beruf des Dichters’, opgenomen in Das Gewissen der Worte, Carl Hanser Verlag, München 1976.
- R.B.Kitaj, First Diasporist Manifesto, Thames and Hudson, Londen 1989.