zondag 15 september 2019

AAPNEK TUSSEN DE LADYSHAVES



Deze week naar de drukker voor een gelimiteerde oplage:

Aapnek tussen de ladyshaves

- gedichten en zo -

Uitgeverij Tromdrager - uitgeverij in eigen beheer van de dichter.

72 pagina's

ISBN 978 90 903 2182 0 / nur 306

Verkoopprijs ca. € 16,50 (incl.).

Nu reeds (door bijna iedereen) te bestellen:

info@huubbeurskens.nl

maandag 9 september 2019

SLAPEN OP ELKANDERS SCHOUDER MAG WEER


Slapen op elkanders schouder: het kan!

Met excuses aan Vasalis en dank aan Paul Claes.

(Al zou ik zelf nooit schrijven dat iemand op iemands schouder slaapt
als ik daarmee geen Lilliputter en een Gulliver op het oog had.)

vrijdag 6 september 2019

VASALIS OP DE HELLING


Terwijl Jos Joosten kennelijk bezig was met het schrijven van zijn weerwerk op wat Martin Reints hier publiceerde over het gedicht ‘Afluitdijk’ van Vasalis, las ik op het internet nog enkele andere gedichten van dezelfde dichteres. Wat me daarbij meer dan eens opviel was de interne inconsequentie of onsamenhangendheid van haar standpunt- en beeldkeuzen. Iets wat Martin Reints ook al opmerkte in ‘Afsluitdijk’ en wat ik zelf tegenkwam bij mijn lectuur van ‘De krekels.
            Zo stuitte ik in het gedicht ‘De idioot in het bad’ eerst op de waarneming dat de voeten van ‘de idioot’ die in een bad ligt of zit, ‘rechtop’ staan ‘als bleke bloemen’. Een curieuze vergelijking, want dat moeten wel erg vreemde bloemen zijn, elk met vijf teenachtige knopvormen naast elkaar. Het proberen me een beeld te vormen van zulke bloemen hield me meer bezig dan dat van de voorstelling van de voeten, waar het toch om zou moeten gaan, nietwaar. Maar vervolgens ging het over de ‘lange, bleke benen, die reeds licht verdorden’: die ‘komen als berkenstammen door het groen opdoemen.’ Ervan afgezien dat je van boomstammen niet zegt dat ze ‘verdorren’: door dat beeld van die in het groen opdoemende berkenstammen stonden die benen opeens recht overeind. Dat kon in de gegeven situatie toch niet de bedoeling zijn? Dus drukte ik ze tegen mijn gevoel in neer in het groene – waarom ‘groene’? – water. Maar toen zaten er dus van die rare, rechtopstaande bloemen (onder) aan die berkenstammen… Veeleer bleke, groteske tonderzwammen leken het nu. Met aspectivisch kijken van het kubisme of iets dergelijks had dit niets van doen, ook niet met surrealisme; wel met het kiezen voor afzonderlijke beelden zonder zich om hun samenhang te bekommeren.
            En toen had Jos Joosten zijn tegenaanval klaar.
            ‘Je verwacht van een hoogleraar beter,’ wilde ik hier eerst schrijven, met een punt erachter. Als contravariant of plagende tegenstoot op Joostens slotopmerking over Reints. Maar ik was er eerlijk gezegd niet zeker van of het wel zo was dat ik beter verwachtte.
            Joostens pleitrede voor de vakkundigheid van Vasalis’ ‘Afsluitdijk’ is voornamelijk gebaseerd op formele aspecten van het gedicht: de strofenbouw, het gebruik van jambische pentameters, het links plaatsen van het woord ‘links’, enzovoort. Het zijn aspecten die Martin Reints niet belicht, simpelweg omdat het (hem) daar niet om gaat. Waar het wel om gaat is dat wat er, poëzie of niet, gekund geteld, gerijmd of geïnverteerd, letterlijk staat. En hoe je het literair vakkundig wendt of keert, matrozen die op elkaars schouders slapen, een weg of tocht die geen begin heeft, uitkijken zeggen maar niet oppassen bedoelen: het blijft onzin of op zijn minst onbeholpenheid, zoals de formulering  ‘gespleten heden’ onzin of onbeholpenheid is. Joosten mag dan zo flauw zijn een stukje gedicht van Reints zelf (zonder diens naam als auteur te noemen) aan te halen om te kunnen opmerken dat hij dit geen poëzie vindt, onzin is wat er staat in elk geval niet: ‘De onrust in mijn darmen / herinnert me aan mijn ingewanden’. (En gelezen in de context van het gedicht is het welzeker poëzie…)
            Over die matrozenacrobatiek zwijgt Joosten. Wel vraagt hij zich af of het geen matrozen van de burgervloot betreft. Maar zou je die dan als matrozen hebben herkend? Ik denk van niet. In elk geval vindt Joosten het ‘al te bizar [van Reints] om te suggereren dat de dichteres kennis had van het feit dat zij aan de “vooravond van een wereldoorlog” leefde.’
            Maar toch, ook al zou dat gedicht al in bijvoorbeeld 1936 zijn geschreven: het werd (in de bundel Parken en woestijnen) gepubliceerd in 1940; eind augustus 1939 was de algehele mobilisatie begonnen. Ik bedoel, op zijn laatst in de drukproef zouden die matrozen toch een andere gevoelslading hebben moeten krijgen. Ik vraag me nu ook af hoe dat gedicht dan werd gelezen door de juryleden die in 1941, dus onder Duitse bezetting, aan Vasalis de Van der Hoogtprijs voor Parken en woestijnen toekenden…
            Nee, als ik Joosten was geweest had ik Reints hier op een andere manier geattaqueerd! Wordt er in het gedicht immers niet al een toespeling gemaakt op het lot van die twee argelozen? ‘Het gras’, staat er, ‘snijdt dwars door de matrozen heen.’ En alle vlees is als gras, is het niet…?
            Maar of Vasalis het zo bedoelde, dat wil zeggen, of ze hier de zeis van de oorlog al voorzag? Dan moet ik ook Joosten geloven wanneer hij beweert dat het persoonlijke voornaamwoord ‘wij’ ook kan worden ‘geïnterpreteerd als “wei”, de grasvlakte die men aan een kant buiten de bus ziet’, en dat gaat me toch net iets te ver.
            Dit brengt me namelijk opnieuw bij de standpunt(in)consequenties van Vasalis. Waar zit de ‘ik’ in de bus? Aan de linkerkant, dunkt me. Dat gras dat de matrozen die voor haar zitten doorsnijdt, ziet ze ook aan de linkerkant, dat wil zeggen, ze ziet de matrozen links in het/hun raam weerspiegeld en door die spiegeling heen ziet ze in het nachtelijke buiten het gras, ergens op nek- of bovenlijfhoogte (lager kan niet) van de gespiegelde, op elkaars schouders slapende matrozen (voor zover dat allemaal zichtbaar is). Echter het gras links van de (toenmalige) rijweg staat op een naar de Zuiderzee / het IJsselmeer aflopend talud, in tegenstelling tot dat aan de rechterkant voor en tegen helling van de dijk waar je, gezeten in een bus, niet overheen kunt kijken. De horizon links, gevormd door het water, bevindt zich ook op hals- of ooghoogte van de inzittende(n) van de bus, zie maar wat er vervolgens over het eigen hoofd van de ik wordt gezegd: dat ‘deint’ boven het watervlak. In elk geval snijdt dat gras daarmee beslist niet door de geschoren nekken of bovenlijven van de matrozen. De twee beschreven spiegelingen corresponderen simpelweg niet met elkaar. Vasalis heeft iets heel poëtisch bedacht, maar het helaas heel slecht waargenomen.


woensdag 4 september 2019

UITKIJKEN MET VASALIS OP DE AFSLUITDIJK


Martin Reints stuurde me als reactie op mijn lectuur van Vasalis’ krekelgedicht onderstaande, met zijn toestemming hier gepubliceerde beschouwing van het Vasalisgedicht ‘Afsluitdijk’.

Beste Huub,

‘Poëzie is onzin, totdat het tegendeel is bewezen.’ Daar ben ik het mee eens. En volgens mij maakt Vasalis weinig kans dat voor haar het tegendeel kan worden bewezen. Haar beroemdste gedicht, ik geloof dat het in geen bloemlezing ontbreekt, is een toonbeeld van onzin:


Afsluitdijk

De bus rijdt als een kamer door de nacht
de weg is recht, de dijk is eindeloos, 
links ligt de zee, getemd maar rusteloos, 
wij kijken uit, een kleine maan schijnt zacht.

Vóór mij de jonge pasgeschoren nekken
van twee matrozen, die bedwongen gapen 
en later, na een kort en lenig rekken,
onschuldig op elkanders schouder slapen.

Dan zie ik plots, als waar 't een droom, in 't glas
ijl en doorzichtig aan de onze vastgeklonken,
soms duidelijk als wij, dan weer in zee verdronken
de geest van deze bus; het gras
snijdt dwars door de matrozen heen.
Daar zie ik ook mezelf. Alleen
mijn hoofd deint boven het watervlak,
beweegt de mond als sprak
het, een verbaasde zeemeermin.
Er is geen einde en geen begin
aan deze tocht, geen toekomst, geen verleden,
alleen dit wonderlijk gespleten lange heden.

Er valt veel af te dingen op het gedicht van Vasalis, maar het belangrijkste zijn de onbeholpen slotregels: ‘Er is geen einde en geen begin / aan deze tocht, geen toekomst, geen verleden, / alleen dit wonderlijk gespleten lange heden.’

Van een lange weg, zoals die over de Afsluitdijk, kun je bij wijze van spreken wel zeggen: ‘Er lijkt geen einde aan te komen.’ Maar geen weg is zo lang dat je kunt zeggen: ‘Er lijkt wel geen begin aan te zijn.’ Wel kun je zo opgaan in het moment dat je niet meer aan het begin en het einde denkt, en dat moet wel zijn wat Vasalis probeert te beschrijven. De gerichtheid op het nu van de ervaring kan je losmaken van het tijdsverloop. Op zo’n moment, waarvan je achteraf nooit weet hoe lang het heeft geduurd, kunnen er duizenden dingen door je gedachten gaan. Maar precies één ding niet, namelijk dat tijdsverloop waar je net los van bent geraakt. Het is onmogelijk op te gaan in het nu en tegelijk te denken: ‘er is geen toekomst, geen verleden.’

En dan: als je alleen een heden ervaart, een tijdloze toestand waarin je geen veranderingen waarneemt, wat is er aan dat heden dan ‘wonderlijk gespleten’?

Dat deze regels onbeholpen zijn, kun je ook op een andere manier zien. Als je opgaat in het heden, weet je niet hoe lang dat duurt. Dat weet je pas achteraf. Overkomt het je op de Afsluitdijk, dan vraag je in Den Oever verrast: ‘Zijn we er nu al?’ Je zegt dus achteraf ‘dat is sneller gegaan dan ik had gedacht’ en niet ‘dat heeft lang geduurd’. Dat zeg je alleen als je te veel haast hebt. En dat is nog het vreemdste aan Vasalis’ gedicht: het wil tijdloosheid in beeld brengen, maar het is quasi-filosofie over de beleving van de tijd. De lezer beleeft de tijdloosheid niet, hij ziet Vasalis die de rit lang vindt duren en ondertussen doet of ze zit te filosoferen. Haar liefhebbers spreken dan van een mystieke ervaring.

Dan de titel. Het is heel goed bestaande omgevingen te noemen in je tekst, of dat nu een gedicht, een pleitnota of een mop is. De lezer wil zich kunnen voorstellen waar iets plaatsheeft. De omgeving is het podium waarop het toneelstuk wordt opgevoerd. Als je ‘De Dapperstraat’ van J.C. Bloem leest, heb je door de titel een straat in gedachten, zelfs als je de echte Dapperstraat niet kent. Bram en Moos lopen door de Kalverstraat. Het kon net zo goed ergens anders zijn, het Vrijthof, de Tweebaksmarkt, de Lijnbaan, als het maar een bestaande plek is. Dan zie je ze lopen en praten. ’Afsluitdijk’ is ook prima. Heel goed zelfs. Ik lees de titel en ik zweef in gedachten boven het IJsselmeer: ik zie op een afstandje de lange lijn van de dijk, rechts Friesland, links Noord-Holland. Over die dijk rijdt een bus, van rechts naar links. Ik zie het voor me.

Maar wat een rare bus: als een kamer. Rijdt er een kamer van Friesland naar Noord-Holland? Nee, ineens zitten we in de bus, en die is als een kamer. Het IJsselmeer links, ‘wij kijken uit, een kleine maan schijnt zacht.’ Wat een machteloos gebruik van de titel: het beeld dat ermee wordt opgeroepen, de bus die daar op de horizon over de Afsluitdijk rijdt, moet in de regels die erop volgen meteen worden gecorrigeerd: we kijken niet naar een bus die over de Afsluitdijk rijdt, maar we zitten in die bus. En we kijken naar buiten.

Dat is trouwens niet wat er staat. Er staat: ‘wij kijken uit, een kleine maan schijnt zacht.’ Iemand kan op de uitkijk staan, je kunt uitkijken naar iets of op iets, maar ‘wij kijken uit’ betekent toch: wij passen op, we zijn voorzichtig. Dat is wat er gek genoeg eigenlijk staat: wij zijn op onze hoede, want er schijnt een kleine maan. Zacht!

Nou ja, het beeld is gecorrigeerd, we zitten in de bus, en die heeft iets van een huiskamer. Ik begrijp het. Ik begrijp het niet doordat de tekst het helder oproept, ik begrijp het door welwillende correctie van wat de titel en de eerste drie woorden in beeld brengen. Maar wanneer een meubelmaker zijn stoelen zo slecht zou maken als Vasalis dit gedicht, zou hij geen stoel verkopen. En als een advocaat zijn pleitnota zo krakkemikkig in elkaar zou zetten, zou geen rechter hem serieus nemen.

Dus: in de bus. We kijken, welwillend gelezen, naar buiten. O nee, we kijken toch niet naar buiten, we kijken wat er in de bus gebeurt: ’Vóór mij de jonge pasgeschoren nekken / van twee matrozen, die bedwongen gapen / en later, na een kort en lenig rekken, / onschuldig op elkanders schouder slapen.’

Geen echt lekker beeld, die jonge pasgeschoren nekken, maar dat is een kwestie van smaak.

Het gedicht staat in een bundel uit 1940, dus het zal zijn geschreven tijdens de algemene mobilisatie. In de tweede helft van 1939 werden er tienduizenden dienstplichtigen opgeroepen zich te melden bij hun verzamelplaatsen. De Algemeene Transport Onderneming had tot half augustus 1940 een buslijn tussen Leeuwarden en Alkmaar. Ik neem dus aan dat die twee matrozen naar Den Helder moeten. Ze hebben hun nekken nog even keurig geschoren of laten scheren en nu zijn ze op weg naar het slagveld. Wat een weerzinwekkende vertedering bij Vasalis! Met dat ‘kamer’, die ’jonge nekken’, dat ‘bedwongen gapen’ en dat ‘kort en lenig rekken’. En dat woordje ‘onschuldig’. Vasalis vindt het aandoenlijk: twee keurig verzorgde matrozen aan de vooravond van een wereldoorlog.

En dan. Deze twee jongens slapen ‘onschuldig op elkanders schouders’. Het staat er echt! Ik denk: de een heeft zijn hoofd op de schouder van de ander en de ander heeft de zijkant zijn hoofd tegen de bovenkant van het hoofd van de een. Maar dat ze ‘op elkanders schouders slapen’? Gaat het nou over matrozen in een bus of over akrobaten in een circus?

Van de ergst mislukte beschrijvingen die ik ooit ben tegengekomen in de Nederlandse poëzie, staat deze regel op de eerste plaats. Hij is namelijk nog net iets erger dan ‘de bus rijdt als een kamer door de nacht’, die voor mij op de tweede plaats staat. Eigenlijk is van dit gedicht alleen de titel goed. Heel goed. Maar de rest van het gedicht: slecht geschreven onzin. Of is er toch iemand die het tegendeel kan bewijzen?


Martin Reints


zaterdag 31 augustus 2019

NIEUW GEMOR VAN EEN OUWE MOPPERAAR





Je hebt in de Nederlandse poëzie van de twintigste eeuw dichters waar je, ook in de eenentwintigste eeuw, alleen maar met geloken ogen voor schijnt te mogen knielen. Leopold is er zo een. Maar zoals voor gedichten van ieder ander geldt: wat mij betreft is poëzie onzin tot het tegendeel bewezen is. (Zie: http://huubbeurskens.blogspot.com/2010/09/hondsch.html, maar daarna toch ook:  http://huubbeurskens.blogspot.com/2010/12/leopold-revisited-bloem-2-3.html.)
            Vasalis is er ook zo een, naar ik meen. Ik ben geen kenner van haar werk. Ik kom veeleer bij toeval zo nu en dan iets van haar tegen. Zoals onlangs het gedicht ‘De krekels’ uit de bundel Parken en woestijnen, 1940.

De krekels

Ik lig met open ogen in het duister
en de gordijnen aadmen op en neer,
ik heb geen lichaam en geen zwaarte meer
mijn geest is rustig en ik luister...
Rondom: het lege land met stenen,
boven: de lege lucht met sterren,
‘t Begin, duizenden eeuwen her,
heeft nimmer zo nabij geschenen.
Dan, wat ik niet had moeten horen:
der krekels hese stroeve stemmen,
miljarden uiterst kleine remmen
schrammend de nacht... die gaat verloren.
- Er is geen rust. Er is geen nacht
oneindig en geen stilte stil.
Geen groot verlangen, geen enkele wil
kan maken, dat hij even wacht,
de eenmaal aangevangen tijd.
Ondanks de schijn van eeuwigheid
in enkle stille ogenblikken
hoor ik voortaan een fijn, schor tikken,
word ik geschonden door het weten:
ook dit wordt langzaam opgesleten.

De eerste vier regels klinken mooi. Toch krijg ik het meteen aan de stok met de tweede regel. Dat ‘aadmen’ wil ik wel op het conto schrijven van metrumdwang en archaïsch woordgebruik, toch zou er voor mij ritmisch meer worden geademd in: ‘en de gordijnen ademen op en neer.’ Enfin. Maar hoe moet ik me dat intussen voorstellen, dat op en neer ademen van de gordijnen? En hoe duister is het duister dat de ‘ik’ dit zo kan waarnemen? Waaien de gordijnen met regelmaat op en staat het raam open? Worden ze telkens korter en weer langer? Of is dit zichtbare – of is het hoorbare? nee – ademen een illusie vanwege het ademen van de ikpersoon, dus het op en neer gaan van de borst? Dat moet dan een vrij zware ademhaling zijn. Is dat ‘op en neer’ bij ademen niet overbodig, want hoe anders, toch niet ‘heen en weer’? Maar is het sowieso geen onzin om te zeggen dat gordijnen ademen als ze bewegen? Ademt dan niet veeleer iets achter die gordijnen, zoals mijn hemd ook niet zelf ademt wanneer ik het ademend laat bewegen? Ach, ik weet, het is poëtisch bedoeld. Toch blijft ook poëtische bedoelde onzin onzin.
            De ik onttrekt zich uit zijn of haar lichaam, wordt als het ware een en al luisteren. Mij best. Wat echter na die mededeling volgt is geen waarnemen van geluiden maar het zien van beelden in de verbeelding (de ik ligt immers in het duister binnen achter gordijnen), met een ervaring van eindeloosheid en eeuwigheden.
            ‘Dan’…
            Hoe zo pas ‘dan’? Pas ná die beeldende voorstelling van al het buiten om de ik heen? Het geluid van krekels hoor je toch meteen wanneer je stil ligt te luisteren achter gordijnen voor waarschijnlijk open ramen? Mogelijk ligt het aan de persoonlijke instelling van mijn zintuigen, ik had synchroniteit hier gepaster gevonden. Heel simpel: ‘Maar wat ik niet had moeten horen:’.
            Maar dan de ‘stemmen’ van de krekels. Dat is uiteraard ook weer poëtisch bedoeld. Ik neem aan dat de dichteres heel goed heeft geweten dat krekelmannetjes (het zijn alleen de mannetjes) geen stem hebben, maar geluid voortbrengen door met hun vleugels te ‘striduleren’, en het behoort tot de eeuwenoude literaire traditie om krekels te laten zingen. Voor mij is en blijft het een vorm van waarnemen en beleven op Disneyniveau . Zeker in een gedicht uit de twintigste eeuw vind ik zoiets niet meer kunnen, al helemaal niet wanneer die twintigste eeuw er in de volgende regel op een curieuze manier bij wordt gehaald: die ‘stemmen’ klinken als ‘remmen’… Opeens zijn daar, in mijn verbeelding als lezer, heel veel gemotoriseerde, in elk geval mechanische minivoertuigen te zien en te horen! Of piepkleine fietsjes die – door wie bereden en bestuurd? – almaar remmend almaar van een helling gaan. Luister maar eens naar hoe stridulerende veldkrekels klinken:


Dát kan toch niet de bedoeling zijn? Bovendien duidt ‘remmen’ op een in beweging zijn en tot stilstand willen komen, terwijl Krekeljapies alleen geluid maken als ze stilzitten. Het mag misschien een aardige ingeving zijn geweest dat de krekels met hun geluiden de wenteling van de aarde, de tijd trachten af te remmen, maar het blijft een bedenksel, alleen al omdat die krekels dat helemaal niet willen, die willen juist dat de tijd voortgaat, die willen wijfjes die willen paren!
        Wat hebben die miljoenen – want zoveel moeten het er zijn met die ‘miljarden’ remgeluidjes – mannetjeskrekels met wellicht evenveel miljoenen onhoorbare vrouwtjeskrekels trouwens te zoeken in zo’n leeg land met stenen? Voedsel zal het niet zijn…
        Dát nu zou míj aangrijpen, beangstigen. De dichteres echter ligt er niet van wakker en gaat over op filosofische bespiegelingen over de tijd die onophoudelijk doortikt, wat ik verder wel geloof, want waar ik geen dichter voor nodig heb om het maar weer eens te beseffen.

maandag 8 juli 2019

LUCEBERT KLOOS READING - 2



Nieuwe hypothese! Zie de vorige: hier.

Met interesse Kregtings lezingopties van Luceberts ‘sonnet’ gevolgd. Maar misschien blijf ik zelf als lezer meer een maker dan een naar duiding zoekende beschouwer. Ik bedoel dat ik altijd graag wil weten waarom en hoe bepaalde teksten al doende zijn ontstaan, hoe de maker het flikte, al doet dat er voor het uiteindelijke resultaat, voor dat waar het tenslotte ten slotte om gaat, en dus voor een close reading ervan niet veel toe.
         Opeens zie ik ze close geformeerd op mijn toetsenbord (dat grotendeels hetzelfde is als dat van een mechanische schrijfmachine): de vijf letters die Luceberts gedichttekst vormen onder de titel ‘sonnet’…
En dan zie ik ook al de houding en het gezicht van de maker, een beetje onderuit, landerig…
De rechterhand van de dichter…
Bij de toetsen van zijn schrijfmachine…
Een beetje lui, want met alleen de wijsvinger tikkend…
Als het ware uit verveling, een verveling die al gauw een spelletje wordt…
Want, kijk: ik - mij - ik - mij, enzovoort. Alleen de wijsvinger hoeft ervoor te bewegen. En kijk aan, wat er dan zomaar zo ontstaat wanneer je daar tussendoor met links de wagenvrijmaker bedient…! ik [ting] - mij [ting] - ik [ting] ...
Misschien wel het meest lui getypte gedicht dat mogelijk is…



Wat een hypothese, hè? Ik bedoel, wat een leuk spelletje toch om van alles en nog wat in, rond en met een op zich weinig zeggend gedicht te verzinnen!

Nu maar wachten op iemand die met bewijzen in de aanslag komt beweren dat Lucebert al zijn gedichten eerst met de hand schreef.

zondag 7 juli 2019

LUCEBERT KLOOS READING - EEN LECTUURINTERMEZZO





Wat ik hier allereerst vertel is niet waar, althans niet qua gesuggereerde chronologische volgorde.
         Ik zat in de Verzen van Willem Kloos te lezen. Veelal sonnetten, waaronder het beroemde met de beginregel ‘Ik ben een God in t diepst van mijn gedachten’. En opeens viel het me op hoeveel ‘ik’, ‘mij’ en ‘mijn’ in die sonnetten werd gebruikt.
         Ik begon te turven.
         Vers V (dat beroemde): 4 x ik, 2 x mij, 5 x mijn. VIII: 8 x ik, 3 x mij, 4 x mijn. XIV: 5 x ik, 2 x mij, 5 x mijn. XVI: 9 x ik, 2 x mij, 3 x mijn. LXV: 6 x ik, 3 x mij, 7 x mijn. (Zie beneden)
         Als je gemeen zou willen zijn, zou je die Kloossonnetten makkelijk kunnen parodiëren door alleen hun ge-ik, gemij en gemijn te gebruiken, ze dus daartoe te reduceren, dacht ik. Zoiets als, enigszins analoog aan vers VIII: mij - mij - ik - mijn - mijn - mijn - ik - ik - ik - ik -mij - ik - ik - mijn. En dat dan typografisch onder elkaar gezet in sonnetvorm, en om die vorm met zijn rijmschema parodiërend nog wat te benadrukken er iets van te maken als dit:
ik
mij
ik
mij

mij
ik
mij
ik

ik
ik
mijn

mijn
mijn
ik
en daar dan als titel ‘sonnet’ boven te zetten.
         Maar had je daarmee dan niet het eerste gedicht uit de bundel apocrief / de analphabetische naam (1952), het ‘historisch debuut’ van Lucebert…?

In werkelijkheid ging het als volgt.
         Ik was begonnen met het lezen van een uitvoerige beschouwing over dat Lucebertsonnet. Marc Kregting, de auteur ervan, merkte in de eerste alinea op dat hij hoopte in zijn beschouwing ‘trouw te blijven aan de enige benadering van literatuur die [hem] relevant lijkt: die van de close reading.’
         In de derde alinea zegt hij dat Luceberts ‘sonnet’ ‘op een rare manier […] amper gelezen [lijkt]. Het is ten prooi gevallen aan wat met een zouteloos grapje kloosreading mag heten. Daarbij geldt “sonnet” als een aanval door het geëngageerde Vijftig op het Tachtigersdogma van extreem individualisme in vormen die de traditie voorschreef. Luceberts naamwoorden beperken zich tot de eerste persoon enkelvoud, al bij al de spot drijvend met illuster, nagebauwd werk zoals Willem Kloos’ sonnet “Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedachten”. Kaltgestellt met eigen middelen.’
         ‘Ik ben nooit helemaal overtuigd geraakt van die interpretatie, waarschijnlijk mede doordat ik niet in enkelvoudige betekenissen geloof,’ schrijft Kregting dan, waarna hij zo te zien vele alinea’s lang op weg en op zoek gaat naar andere leeswijzen van dit ‘sonnet’, zo veel mogelijk close reading.
         Ik daarentegen volgde hem voorlopig niet meer, want ik had dat zouteloze grapje nooit eerder gehoord en zat binnen de kortste keren in de Verzen van Kloos te lezen, waarbij het me opeens, maar vrij snel opviel hoeveel ‘ik’, ‘mij’ en ‘mijn’ in die sonnetten werd gebruikt. Ik begon te turven. Vers V (dat beroemde): 4 x ik, 2 x mij, 5 x mijn. VIII: 8 x ik, 3 x mij, 4 x mijn. XIV: 5 x ik, 2 x mij, 5 x mijn. XVI: 9 x ik, 2 x mij, 3 x mijn. LXV: 6 x ik, 3 x mij, 7 x mijn. (Zie beneden)
         Origineel zal ik er niet mee zijn geweest, als ik mag afgaan op wat Kregting opmerkt over dat kennelijk bekende kloosreading, maar dat betekent niet dat het voor mij meteen zouteloos was wat ik (voor mezelf) tot mijn verrassing ontdekte. En vooral wat ik daarbij voor me zag: Bertus Swaansdijk, alias Lucebert, een jaar of zevenentwintig oud, Kloos lezend, giftig gniffelend of gnuivend, met een potlood in de hand, Kloos doorstrepend, alles, behalve ‘ik’, ‘mij’ en ‘mijn’, en op een papiertje de uitkomst tot ‘sonnet’ herschikkend.
         Ja, zo gaat zoiets, zo vind je dat, dat is de grap, zo doe je dat, toch? Het procédé doet denken aan wat tegenwoordig vaak wordt gepraktiseerd om tot poëtische teksten te komen, Newspaper Blackout. Alleen wist de wegstrepende Lucebert al bij voorbaat, dat wil zeggen, nadat hij de hoge frequentie van het voorkomen van de eerste persoon enkelvoud had opgemerkt, waar hij op uit was.
         Ook ik hecht veel belang aan close reading, en net als Kregting heb ik weinig ‘interesse in mij voor het genre van de biografie.’ Hoewel: Kregting heeft het over ‘ontstentenis’ van dat interesse in hem. Zo radicaal is het bij mij beslist ook weer niet. En nu ik eenmaal zelf de blackoutmethode op een aantal sonnetten van Kloos heb losgelaten kan ik niet anders dan Lucebert iets dergelijks met satanisch plezier te zien zitten doen.
         Nogmaals, ik kende het kloosreading-woordgrapje niet en heb het ‘sonnet’ van Lucebert eerlijk gezegd ook amper anders gelezen dan op zichzelf tamelijk zouteloos. Ja, als een voor literatuurhistorici interessante veeg uit de pan voor en afrekening met sonnettenbakkers en ik-lyriek, zoals het gedicht ongetwijfeld veel vaker dan hier is geduid. Maar als interessant gedicht op zich, los van de maker, bij close reading? Misschien dat Kregting me in zijn verdere beschouwing de zin of de charme van Luceberts ‘sonnet’ zou kunnen doen onderkennen. Allereerst was ik ingenomen met mijn eigen vondst van een blackoutende Lucebert avant la lettre. 

Helaas deden enkele blikken op het vervolg van ‘sonnet’ in de bundel apocrief / de analphabetische naam meteen al afbreuk aan mijn eurekastemming. Weliswaar volgen er geen sonnetten, maar de eerste persoon enkelvoud is niet van de lucht. Meteen al in het tweede gedicht, ‘school der poëzie’ komt ‘ik’ vijf keer voor binnen zestien regels. En wat te denken van het derde gedicht, ‘waar ben ik’? Kennelijk had Lucebert op zich helemaal niks tegen ‘ik’ in een gedicht… Of, hoe zat en zit dat nou?


         Verder dus met Kregting over Luceberts ‘sonnet’, van kloosreading weer naar close reading.

***
Uit Willem Kloos, Verzen.

V.

Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten,
En zit in 't binnenst van mijn ziel ten troon
Over mij-zelf en 't al, naar rijksgeboôn
Van eigen strijd en zege, uit eigen krachten, -

En als een heir van donker-wilde machten
Joelt aan mij op en valt terug, gevloôn
Voor 't heffen van mijn hand en heldre kroon:
Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten.

En tóch, zoo eind'loos smacht ik soms om rond
Úw overdierbre leên den arm te slaan,
En, luid uitsnikkende, met al mijn gloed

En trots en kalme glorie te vergaan
Op úwe lippen in een wilden vloed
Van kussen, waar 'k niet langer woorden vond.

VIII.

Gij, Die mij de eerste waart in 't ver Verleên,
Toen alles was één schoone somberheid,
Gij zult mij de allerlaatste zijn. Ik wijd
Dit stervend hart U, met mijn laatste beên.

Want àl mijn dwalingen en àl mijn strijd,
En wàt ik heb geliefd en heb geleên,
Het waren allen slechts als zooveel treên
Tot waar Gij eeuwig troont in Heerlijkheid.
 
Eéne, één' moet zijn aan Wie ik alles gaf,
En leven kan ik niet, dan als ik kniel,
't Zij voor Mij-zelf, een Godheid of een Droom:

De Godheid stierf.... Ikzelf ben als Haar Graf:
Kom Gij dan, nu ik val... Ziel van mijn Ziel,
Die niets dan droom zijt... 'k roep u aan: O, koom!


XIV.

Want Ik, die Ik ben, haat u om uw slechtheid,
Maar houd u dierbaar om mijn eigen pracht:
Gij zijt de toets-steen van mijn eigene echtheid,
De steen waarop ik trap, om mijne kracht

Te laten zien aan 't volk, èn mijn oprechtheid,
Waarmede ik alles, wat ik voelde en dacht,
Verloochende om de Waarheid en Gerechtheid,
Die niet gedoogt, dat één mensch de' and'ren slacht.

Gij deert mij niet, want wat gij deedt is zonde,
Gij weet mij niet, want hooger is mijn Ziel...

Gij zijt het Beest dier oude, schrikb're Oorkonde
Uit Gods Boek-zelf, dat van den Hemel viel...

En alle Goeden hebben eene wonde,
Nu-dat Mijn Licht op úw gestalte viel.


XVI.

Wanneer ik dood ben, lief, en iemand zegt,
Dat ik zoo niets was, dan zult Gij oprijzen,
Hem op dees allerlaatste bladen wijzen,
En zeggen: ‘Hij was groot! En die het zegt,

‘Ben ik, die 't weet: want ik, die altijd vecht
Met menschen, om mijns-zelfs wil, die durf eischen
Dat àlles voor mij wijkt, - ik kan 't bewijzen:
Heb ik niet zelf hem in zijn graf gelegd?’

Ik geef u geen gelijk, want grooter is 't
Te stérven voor zijn Ikheid, dan te léven:
't Zoet leven lokt méér dan een donkre kist.

Maar Gij komt mij nabij in kracht van pijn
En vreugd, en dus wil 'k U mijn doodsblad geven:
Mijn grootste glorie zal dees bladzij zijn.


LXV.

Ik hield u dierder dan mijzelf. Ik hàd
Geen dierbaar zelf meer, want ik wierp mijn trots,
Mijn donkren trots, mijn alles, wat ik had,
Vóór uwe voeten, als de voeten Gods.
 
Ja, gij waart God, maar God mij van veel spots,
Geen God van Liefde, - die mijn ziel vertradt
Totdat zij sterven wilde; - toen daar, plots,
Een lichte schaduw door mijn duister trad:
 
Ik zag dat bleek gelaat, de siddering
Dier lippen, - dàt waart gij - uw open hart
Bloedde en die oogen weenden van terzij...
 
Toen wist ik àlles en op eens verging
Al mijn verlangen en mijn wilde smart
In mijmering en eindloos medelij.