maandag 18 juni 2018

GIFTIG GETIKTE AFORISMEN - 4



Hij hoorde de door optredens op poëzieavonden en -festivals gepokt en gemazelde dichter op het podium verklaren dat dichters nooit met elkaar over het metier praten, wat door zijn al net zo geroutineerde collega naast hem net zo zelfgenoegzaam lachend werd beaamd.
Vanaf toen besloot hij geen uitnodigingen voor deelname aan dichtersbijeenkomsten te negeren of af te slaan, maar ze in zijn agenda te noteren om niet te vergeten op welke tijdstippen hij een extra praatje wilde maken met een buurman, een filiaalchef, een dierenoppasser, een tuinier, een huisschilder – over hun vak. Waardoor hij uiteindelijk geen uitnodigingen meer kreeg.
*
Hij kan het niet laten om van tijd tot tijd in een boekwinkel na te gaan of een van zijn overleden lievelingsauteurs niet toch nog een nieuw boek heeft geschreven. Wanneer dit niet zo blijkt te zijn voelt hij de aanvechting een boek te kopen dat hij uiteraard al heeft, een aanvechting die hij niet noodzakelijk wil bedwingen.
*
Hij schrijft liefst zelf het boek dat hij zou willen lezen.
*
Hij leest liefst een boek dat hem gaandeweg de indruk geeft dat hij coauteur aan het worden is.
*
Er zijn enkele romans waarvan hij wel tien exemplaren in zijn boekenkast zou moeten hebben staan, zo vaak heeft hij net weer een ander boek gelezen.
*
Er staan ook romans in zijn boekenkast die na te zijn gelezen tientallen jaren hebben moeten wachten op het moment dat hij ze verrast als voor het eerst las.
In het besef hiervan schuilt dat van een van de grote onrechtvaardigheden van de literaire kritiek.
*
Een schrijver kan niet veel meer dan imiteren wat hij bewondert. Daarom moet hij drie of vier zeer uiteenlopende schrijvers hebben wier werk hij adoreert.
*
‘Wat lijkt het me fijn om dichter te zijn.’
‘Het ligt eraan, lijkt mij, dichter bij wat.’
*
Erfgoed van zijn jeugd als arbeiderskind: zijn aristocratisch dedain (vroeger angst geheten) voor culturele elite.
*
Een oplage van één exemplaar zou hij eigenlijk voldoende vinden.
*
Hij verontschuldigt zich nederig en zoekt bijna met zijn handen voor zijn gezicht een andere plaats als hij ziet dat de persoon tegenover wie hij in de trein is gaan zitten een boek met zijn naam erop aan het lezen is.
*
Hij schrikt ervan hoe de dichter schrikt van zijn suggestie tot verbetering van een enkele versregel.

Zie HIER aflevering 1, HIER aflevering 2 en HIER 3

zondag 17 juni 2018

GIFTIG GETIKTE AFORISMEN - 3



Vrij naar Grock en Max van Emden:
‘Heb een neue Freund. Kafka ist mein Freund.’
‘Wat zegt u, Kafka is uw vriend?’
‘Ja, mein vriend.’
‘Kom nou, zeg, Kafka is dood!’
‘Wieso hij is dood? Kafka? Nee!’
‘Jazeker.’
‘Warum?’
‘Gestorven.’
‘Wie lang?’
‘Bijna honderd jaar.’
‘Honderd jaar?’
‘Ja.’
‘Oh! Wie die tijd vergaat!’
*
Na het verbreken van een liefdesrelatie of een vriendschap verbrandde hij steevast alle brieven die hij had gekregen. Ook brieven van literaire vriendschappen? Die meteen. Kreeg hij daar geen spijt van? Jawel. Van de liefdesbrieven omdat hij ze naderhand terug had willen lezen, van de literaire omdat hij ze niet opnieuw kon verbranden.
*
‘Kunnen wij onze polemiek niet beter stopzetten?’ Met die woorden begon de brief die een dichter aan de dichter schreef. Tien jaar lang voelde hij zich verwarmd door deze onverwachte handreiking en koesterde hij de zo persoonlijke brief. Totdat hij in een postuum uitgegeven brievenboek de tekst ervan woordelijk aantrof. Sindsdien voelt hij zich met terugwerkende kracht door de al lang overleden dichter verneukt.
*
Al die gestiliseerde nepbrieven van schrijvers, niet bestemd voor hun zeer geëerde adressanten maar voor de eer van hun eigen later. Gelukkig leven we niet meer in de tijd van vulpen en postkoets, en is ‘later’ inmiddels een reële apocalyptische angst of een naïeve droom. Praktisch ondenkbaar toch dat er over honderd jaar nog zoiets als een Nederlandse literatuur zal bestaan? Zou een schrijver sowieso niet moeten werken met het perspectief van een wereld die nog tijdens zijn leven of pal erna zal vergaan? Waartoe dan überhaupt nog schrijven van romans, gedichten? Daarom juist, vraagtekenloos: waartoe.
*
Dat hij, wat hij al vermoedde, aan de schrijver Y geen compagnon de route meer had, besefte hij ten volle, niet toen hij hem ten zeerste had afgeraden een tekst te publiceren die hem zoals gebruikelijk ter beoordeling was voorgelegd en hij die tekst desondanks zag verschijnen, maar toen hij daarna een uitgave zag van een tekst die hij nooit onder ogen had gekregen.
*
Dat hij, wat hij al vermoedde, aan de schrijver X geen compagnon de route meer had, besefte hij ten volle toen niet de schrijver zelf maar diens nieuwe vrouw hem er als zakenbehartiger pinnig aanmanend op wees dat hij ‘als vriend’ niets over iets persoonlijks tussen de schrijver en hem hoorde te publiceren, terwijl hij het had gedaan uit vriendschappelijke trots.
*
Wanneer er net als voor advocaten voor literatuurcritici een deken zou bestaan, zouden er meerdere Bram Moskowicz blijken te heten.
*
‘I’s verdienste is dat hij de [B-]ramp tot literair symbool heeft gemaakt.’
Hoe talrijk zijn zulke uitspraken die je je dom doen voelen omdat ze zo slim klinken, maar die dom zijn omdat ze je niets wijzer maken.

Zie HIER aflevering 1 en HIER afklevering 2

GIFTIG GETIKTE AFORISMEN - 2



Hoe beter de autobiografie van een schrijver geschreven is, des te arroganter de belediging van die ontelbare autobiografieën van niet-schrijvers die nooit geschreven worden.
*
Lakmoesproef: welke autobiografie ik duizend maal liever gelezen zou hebben: die van schrijver A of die van mijn vader.
*

De schrijver die op radio en televisie vertelt met zijn autobiografische werk zijn verlegenheid en angsten te hebben willen overwinnen in plaats van niet op radio en televisie te komen om zijn verlegenheid en angsten omwille van zijn werk te sparen.
*
Le dérèglement pour le dérèglement.
*
‘Ik heb in mijn broek gescheten,’ verstaan in plaats van ‘Ik heb een boek geschreven.’
*
Tijdens het vraaggesprek met de schrijfster van buitenlandse komaf die Nederlands sprak maar de taal nog niet helemaal machtig was, werd ik getroffen door haar poëtische uitspraak dat ze haar ideeën haalde van onder de woestijn. Dat zei ik haar na afloop, waarop ze me eerst onbegrijpend aankeek om me toen te corrigeren: ‘Van onder bewoest zijn!’ Iets minder, maar nog altijd niet echt verkeerd.
*
Hij kreeg op school voor declamatie een onvoldoende en trok zich terug om in stilte gedichten te schrijven.
*
Talent en tijd. Als dichter B nu zeventien was, zou hij nooit dichter worden, zoals Rembrandt in de tijd van Tracey Enim en Damien Hirst geen beeldend kunstenaar zou zijn geworden.
*
Meer en meer vrouwen lezen en schrijven literatuur, maar minder mannen nu vrouwen dit feminine domein van de man meer en meer voor zich opeisen.
*
‘Ik wil schrijfster worden,’ zei de bevallige leerlinge tegen de meester.
‘Daar ben jij veel te knap voor!’
‘Seksist,’ riep ze, maar niet gekrenkt genoeg om schrijfster te worden.
*
‘Ik bewonder uw werk zeer. Wilt u eens eerlijk laten weten wat u van bijgaande verhalen van me vindt?’
‘… raad ik u aan uw kostbare tijd anders te besteden.’
‘Ik heb al uw boeken in de stortkoker gegooid.’
*
Voor een criticus, vrij naar Giorgio Bassani: ‘Hoe graag, mijn beste, zou ik je in je ballen trappen, maar zou je het ook voelen?’

Zie ook aflevering 1

zaterdag 16 juni 2018

GIFTIG GETIKTE AFORISMEN - 1



Hij gebruikt zijn roman als zeepkist en glijdt als schrijver uit.
*
Hoe fijn dat literatuurbeschouwer X je als schrijver niet ziet staan als je niet achter zijn visie staat!
*
Hij wordt voor de prijs genomineerd omdat hij zich in zijn boek ‘zo krachtig uitspreekt tegen de gijzeling van de mens door de mediacultuur’, op voorwaarde van medewerking aan rond de prijs geplande lezingen en interviews voor krant, radio en televisie.
*
‘Wil iemand nog iets weten?’ vraagt de dichteres na haar gevoelige voordracht.
‘Wat moet ik erin horen en zien?’
‘U mag er alles in horen en zien wat u wilt.’
‘Ook niets?’
*
‘Veel van wat vandaag de dag wordt geschreven is zo vormloos.’
‘Ik dacht dat je je juist tegen de vorm wilde verzetten.’
‘Inderdaad, middels de vorm.’
*
Om ervoor te zorgen dat zijn visie op de hedendaagse literatuur visionair zal blijken, tentamineert hij zijn studenten over hoe hij in zijn colleges de ontwikkeling in de literatuur voorziet.
*
Hij kan zijn geluk niet op als in zijn pas gekochte gezinswoning de baby kraait en zijn vrouw hem aait omdat hij in de jury afdwong dat de meest ontregelende bundel won.
*
‘Y betitelt je in positieve zin als “late modernist”. Waarom kijk je dan sip?’
‘Omdat hij “te late modernist” zal hebben bedoeld.’
*
Onbedoeld zelfinzicht: de dichteres die zegt haar werk geen ‘poëzie’ te willen noemen omdat je dan zou kunnen denken dat het ‘iets goeds’ is. Ofwel actuele poëtica: als het maar niet goed is, dan is het goed. Vandaar dat de meeste actuele poëzie zo goed slecht kan zijn.
*
Zo gauw ‘ontregeling’ als poëtica in het academische curriculum is opgenomen mag je concluderen dat het een truc is.
*
Van literatuur lezen je beroep maken: hoe bestaat het!
Van literatuur lezen je beroep maken en ook nog beweren dat literatuur je leven zou moeten veranderen…?


donderdag 14 juni 2018

NIJLPAARD EN BOODSCHAP



Blijkbaar begint men ook in Hugo Claus’ geboorteland te zien dat bij het stilistische vermogen van de zo gevierde auteur de nodige vraagtekens gezet kunnen worden. (Zie hier en hier mijn vorige teksten over de roman De verwondering van Claus.) Zo schrijft Erik Spinoy op De Reactor het volgende:

‘Mij frappeerde, meer dan ooit tevoren, de hoekige, moeizame omgang met het Nederlands. Claus schrijft een Nederlands met fouten en onhandigheden. De taal lijkt met elke zin opnieuw te moeten worden uitgevonden. Zijn hele leven lang lijkt hij bijvoorbeeld niet te hebben geweten hoe het adjectief in het Nederlands wordt verbogen. De woordkeuze is soms bepaald ráár. Het meest op zijn gemak toont Claus zich waar zijn idioom een echo mag zijn van zijn West-Vlaamse moedertaal. Frappant is overigens dat dit geworstel met het Nederlands in de poëzie, waar nu eenmaal poetic licence geoorloofd is, op de vierkante millimeter aan de taal gewerkt kan worden en meeslepende muziek en suggestieve metaforiek het vaak halen van al de rest, veel minder als een probleem verschijnt. In het proza is het vooral lastig waar stilistische virtuositeit en raffinement een sine qua non zijn, zoals in de hoger genoemde stukken voor De Morgen: kennelijk bedoeld als dansante demonstraties van esprit en ironie, hebben ze de elegantie van een nijlpaard met overgewicht.
Ik haast me om hierbij op te merken dat dit niets zegt over Claus’ belang als schrijver. Je kunt een grandioos stilist zijn en een nulliteit als schrijver. Bij Claus liggen de verhoudingen precies omgekeerd: mag het Nederlands voor hem een instrument zijn waar hij zijn leven lang tastend en twijfelend aan heeft zitten vijlen, hij weet het wel met een dodelijke precisie in te zetten.’

Tegelijk heb ik ook weer vraagtekens bij de hier geëtaleerde opvatting. Allereerst aangaande die ‘poetic license’. Mag men in de dichtkunst wel nonsens verkopen of de ‘inhoud’ er minder toe laten doen als de vorm maar meeslepend en suggestief is? Is dat geen romantische quatsch om jezelf mee te bedriegen? En waarom zou dat in poëzie wel en in proza juist niet mogen? Wat dat proza betreft lijkt precies het tegenovergestelde te gelden, als ik Spinoy moet geloven: het kan stilistisch, dus qua vorm, fantastisch zijn zonder daarmee echt iets voor te stellen… Ik kan het met Spinoy eens zijn wanneer hij stelt dat stilistische gekundheid nog geen zeggingskracht garandeert. Maar het omgekeerde? Dat zegging in proza geen groot stilistisch vermogen behoeft? Als het alleen of voornamelijk om de inhoud of boodschap (maatschappelijk, psychologisch, politiek, filosofisch of wat dan ook) gaat, waarom moet dat dan in de vorm van een literaire roman, als kunst aan de man worden gebracht? Zijn er dan niet, zeker heden ten dage, veel geschiktere wegen en vormen om zo’n boodschap uit te dragen en karretjes uit of juist in de poep te trekken? Ik meen toch van wel. Sterker: juist het verpakken van een missie in een roman, zou die boodschap weleens volledig lam kunnen leggen, het is immers maar literatuur… Ergo?