zondag 29 maart 2020

VOORPLATINSECTEN - MIJMERINGEN OVER BOEKOMSLAGEN 4


The cockroach van Ian McEwan gaat, zo verneem ik, over een kakkerlak die op een ochtend ontwaakt als president van een land. Een satire die wat de metamorfose betreft overduidelijk geënt is op Die Verwandlung, de beroemde vertelling van Franz Kafka, waarin een mens, Gregor Samsa op een ochtend ontwaakt als een insect. McEwan draait de gedaanteverandering dus om.
            Het voorplat van de Engelse uitgave toont een kakkerlak met de Union Jack op zijn rug. Het beeld op zich is niet slecht, maar inhoudelijk te bemoeizuchtig. Beeld nooit de titel uit, zou ook hier de stelregel moeten zijn geweest.
            De uitgave van de Spaanse vertaling neemt het Britse insect over:
De Duitse vertaling laat eveneens een insect zien:
Maar is dit wel (de kop van) een kakkerlak? Ik ben geen entomoloog, maar volgens mij worden kakkerlakken onder meer gekenmerkt door lange antennes; die op de Diogenesuitgave lijken me veeleer te behoren tot een kever. Waarmee ik uitkom bij het insect waarin Kafka’s Gregor Samsa verandert.
            Talrijk zijn de boekuitgaven (van vertalingen) van Kafka’s verhaal waarop een kakkerlak is afgebeeld. Zelfs een bidsprinkhaan heb ik gezien. En - hoe bestaat het - een spin! Afgezien van bovengenoemde stelregel: in zijn lezing over Die Verwandlung heeft Vladimir Nabokov, die wél een entomoloog was, laten zien dat de insectvorm die Samsa heeft aangenomen niet die van een kakkerlak kan zijn, maar het meest wegheeft van die van een kever.
De uitgave van de Franse vertaling van McEwans satire pakt het anders aan:
En ook de uitgave van de Nederlandse vertaling (verschenen bij De Harmonie) laat de kakkerlak zijn werk pas binnen in het boek doen. Maar wat is daar op het voorplat te zien…?
Dat is de afbeelding van het voorplat van de originele, allereerste uitgave van Die Verwandlung! Wat wil dat zeggen, waar haalt die vormgeving het recht vandaan, waar bemoeit die zich literatuurhistorisch tegenaan, waar dwingt die vaststelling me toe?


zaterdag 28 maart 2020

ARMOEDE - MIJMERINGEN OVER BOEKOMSLAGEN 3




Omslagen kunnen armoedig zijn. Ik heb er in mijn eigen oeuvre helaas zo een. Inspraakmogelijkheden waren er zo goed als niet en qua omstandigheden op dat moment in 2013 had ik al dan niet terecht de indruk dat ik blij mocht zijn met poëzie ergens onder de pannen te kunnen.
            Je ogen stellen onmiddellijk vast dat de vormgever van Hotel Eden praktisch geen kennis heeft genomen (rechtstreeks of via de auteur) van de inhoud van de bundel, dat hij zich louter heeft laten leiden door de titel. O, een hotel en de bundel als een soort kamer ervan – zoiets, bij gebrek aan meer verbeeldingsvermogen en liefde; en op de kamer(deur) hoort een sleutel… Maar als het voorplat een deur met een slot is, waarom zit die sleutel dan tegen die deur geplakt? Wat een krakkemikkig vooroorlogs hotel moet dat trouwens zijn met zo’n simpele klaviersleutel! Bovendien is het sleutelgat veel te ruim voor de sleutel. En dan die even onsubtiele als onooglijke ‘oplossing’ om de auteursnaam (in een saai font en noodgedwongen klein) in het sleuteloog en de titel (idem dito) in het sleutelgat te zetten, het naamvignet van de uitgeverij negentig graden gekanteld op de steel… De kleur groen is geraffineerd gekozen, want staat voor het grazige van de tuin van Eden? Kom nou! En die sleutelbaard suggereert de E van Eden? Ga fietsen. De technische uitvoering van de bundel is navenant: het papier is te glad en te wit, als je het boekje te wijd opent breekt de rug.

Jammer. Maar op geheel tegenovergestelde wijze jammer dan  waar vormgever Chris Vermaas het over heeft op het einde van zijn bericht dat hij me stuurde naar aanleiding van mijn vorige mijmeringen, over de vormgeving van Kid:

Meulenhoff was veel werk, het was visueel werk voor taalgevoeligen. Chin-Lien en ik hielden ook toen al van schrijvers, van hun taal en wat je er mee kan uitdrukken. Daarom was het voor ons een groot plezier om de inhoud van tekst, van een boek een geslaagde visuele vertaling te geven. Veel auteurs hadden daar geen of weinig interesse in, slecht enkelen spraken zich uit over onze voorstellen. Veelal in vage, of anders kunsthistorische termen om zo een idee of een gevoel te beschrijven, zoals een emotie die wel of niet, of juist meer of minder uitgedrukt moest worden.
            Op een dag werd mij bij Meulenhoff gemeld dat alle reeds ingeleverde voorstellen voor een omslag van een Nederlands auteur door hem waren afgekeurd. Daarbij had hij, in het geval de ontwerpers er interesse in hadden, aangeboden naar de uitgeverij te komen om zijn beslissing uit te leggen. De productiemedewerker –niet Bart K*.– stelde voor om het omslag aan een andere ontwerper te geven, al leek het mij juist interessant om dat gesprek aan te gaan, om er iets van te leren. Dezelfde productiemedewerker stelde daarna voor om bij dat gesprek aanwezig te zijn, om zo de vrede te bewaken.
            Dat leek mij niet nodig, was ook niet nodig want heb met plezier naar jou geluisterd**; ook al die jaren daarna.
            Daarom mag je ook niet schrijven: “Ik mag dat zelf zeggen, meen ik, omdat die vormgeving niet mijn werk was, en omdat ik iets dergelijks in de commerciële boekenproductie niet ken.”
            Want als ik terugkijk op onze samenwerking, kwam die voor ons neer op 1) luisteren, 2) verschillende visuele richtingen uittekenen, waarna  3) schuren en schaven aan de allerkleinste grafische details. Zo’n detail als op de rug van KID, waar de linkerzijde van de stam van de “K” in een rechte lijn doorloopt naar de rechterzijde van de stam van de “I”; die was je in je aardige beschrijving vergeten.
            En, voor zover mijn kennis reikt, ben jij de enige auteur die daar een oog en ook interesse voor heeft; jij slaat met groot gemak de brug tussen taal en beeld. Daarom is het ook zo jammer dat Meulenhoff is verongelukt, dan waren jij, Bart en wij nu vele geweldige boeken verder geweest.
_________________
*Bart Kraamer, toenmalig redacteur bij Meulenhoff, nu uitgever van Koppernik.
** Achteraf gezien en toegegeven: ik moest gewoon even wennen aan de visie van Office of CC.

donderdag 26 maart 2020

LIEFDE VOOR KID - MIJMERINGEN OVER BOEKOMSLAGEN 2


De vormgeving van mijn roman Kid (Meulenhoff 2007) is en blijft van een grote wonderbaarlijkheid. Ik mag dat zelf zeggen, meen ik, omdat die vormgeving niet mijn werk was, en omdat ik iets dergelijks in de commerciële boekenproductie niet ken. Ik begrijp nog steeds niet waarom er destijds niet meer exemplaren zijn verkocht, louter en alleen vanwege de vormgeving…
            Voor die vormgeving tekende bepaaldelijk Chris Vermaas die samen met zijn echtgenote Chin-Lien Chen onder de naam Office of CC werkt.
            Wat ik had aangeleverd, herinner ik me, was een reproductie van een schilderij van Rembrandt van Rijn, en in een voorgesprek had ik het een en ander over de vorm van de roman verteld en over de inhoud en het verloop van de gebeurtenissen, waarbij de angst van een jongen om de keel te worden doorgesneden de katalysator was.
Van die Rembrandt is niet veel meer overgebleven, zou je kunnen zeggen. Echter, het gebruikte detail heeft iets autonooms gekregen, door de sterke uitvergroting én tegelijk vervaging is het een achtergrondbeeld geworden dat veeleer op zichzelf raadselachtig of intrigerend wordt dan dat het (anekdotisch) naar (een ander kunstwerk met) een verhaal verwijst. Inhoudelijk is dat, zoals bij de lectuur van de roman zal blijken, ook zeer adequaat. Tevens is exact het juiste detail gekozen: de hand van de vader op de mond van zijn zoon, de kwetsbaar geworden keel. Doordat het detail zo groot en vaag is werkt het ook meteen als achtergrond waarover belettering mogelijk is; er gaat voor de verbeelding niets achter de typografie schuil.
            Zo vaag als die achtergrond is, zo groot en niet mis te verstaan, ook in zijn kapitale schreefloosheid, is de titel KID. Die naam, onder meer Engels voor ‘jochie’, staat letterlijk en figuurlijk dwars op de fysieke kwetsbaarheid van de jongen. Er lijkt zelfs bloed aan te zitten, uit iets als een geritste snee… Maar wacht, nee, dat is natuurlijk de auteursnaam in het bloedrood, met eronder in het diepzwart, heel klein, de naam van de uitgeverij en de genreaanduiding roman! Druist dat niet in tegen het door mij aangehangen beginsel dat alle tekst op een voorplat van een boek ogenblikkelijk leesbaar moet zijn? Ja, maar niet tegen dat andere beginsel: Tenzij.
            Terzijde: aan weinig heb ik in beginsel zo'n grondige hekel als aan prominente auteursnamen, dat wil zeggen, aan auteursnamen als handelsmerk.
Tenzij dus.
            Die auteursnaam op Kid heeft hier even een andere functie. Onthoud dat ‘even’. Al op de rug is hij, net zo groot, in dezelfde kleur en hetzelfde quasi handschriftelijke lettertype, veel prominenter aanwezig (net als het beeldmerk van de uitgeverij), terwijl de titel zich juist veel kleiner presenteert.
Maar dat laatste, die titel op de rug hangt letterlijk weer volkomen samen met die op de voorzijde van het boek. De stok van de K loopt, zonder dat de letter aan duidelijkheid inboet, over op de rug (zoals aan de overzijde de D voor een even groot deel wordt afgesneden zonder aan duidelijkheid in te boeten). Op de rug raken de I en D van de rugtitel – dus niet de K – aan de driehoek van die stok van de voorplat-K! Precies dit is het wat deze vormgeving zo bijzonder maakt: de samenhang, de voeling van alles met elkaar.
            Want nu slaan we het boek eens open; de D met zijn afsnijding nodigt ons al de hele tijd daartoe uit. Verrassend wat daar dan, op de zogeheten Franse pagina te zien is: de driehoek van de stok van de K op de rug, exact op dezelfde hoogte, maar dan zwart en gespiegeld… KID staat er heel klein naast.
Ombladeren nu, naar de titelpagina. ‘Onthoud dat “even”,’ bemerkte ik zojuist. Op de titelpagina is de auteursnaam prominent, in precies hetzelfde lettertype, met dezelfde grootte en op de dezelfde positie als die voorop. En nu is hij zwart. Alsof nu, na de titel, de schrijver aan het woord gaat komen, zoals het hoort. De genreaanduiding en de naam van de uitgeverij zijn los van elkaar wat opzij en naar beneden geschoven. Maar de romantitel, KID, is nog steeds even groot, staat nog altijd op dezelfde positie, alleen is hij niet meer wit, maar héél lichtgrijs, want hij is niet op deze en de tegenoverliggende bladzijde gedrukt, maar hij schemert erdoorheen… De vormgever heeft het gewaagd – en met welk succes! – om gebruik te maken van de transparantie van het papier (en heeft zich dus ook met de keuze ervan beziggehouden).
Wanneer we nu die titelpagina omslaan, zien we KID vet zwart gedrukt op de linker pagina, op de positie en daarmee als het ware precies de achterzijde van de witte KID op het voorplat…
Ik vind het nog steeds verbluffend. En fraai, fijn én zinnig. Ook verderop in het binnenwerk wordt gewerkt met papiertransparantie, met verschillende lettertypes en groottes, zonder dat het de eigenlijke lectuur van de roman stoort, integendeel.
            Je moet als auteur verwonderd dankbaar zijn voor zoveel liefde; dat ben ik nu dan ook andermaal.
            Office of CC verzorgde trouwens nog meer boeken van me. Van met name Chin is het omslagontwerp voor mijn verhalenbundel Dieman (2009):
Zonder ook hier gedetailleerd op in te gaan, wil ik toch even stilstaan bij wat een van de opmerkelijkste dingen aan dit omslag is, ook ‘bedacht’ door de vormgever. Het ontbreken van een auteursnaam en titel op het voorplat. Want? Simpel: het is een uitgave in eigen beheer, niet bedoeld voor in de etalage of op de tafel van een boekhandel; naam en titel derhalve alleen op de rug, voor wanneer je die in je boekenkast thuis moet herkennen tussen andere ruggen.
            Dit is eveneens prachtig werk van Office of CC, het bestiarium dat ik voor Artis mocht samenstellen (ook het binnenwerk is om van te smullen):
En er is nog het een en ander. Maar zonder uitputtend te zijn, tot slot nog iets over een andere Meulenhoffuitgave die door Office of CC werd verzorgd. Er hoort een triest stukje uitgeefgeschiedschrijving bij.
            Uitgeverij Meulenhoff was in 2010 helaas al verder heen dan op zijn retour toen de toenmalige uitgeefster met het even onverwachte als joviale idee kwam om twee dingen van me, te weten een lang gedicht en een essaybundel, gelijktijdig en als eenheid, als een soort twee-eiige tweeling uit te geven. Met dat gegeven ging Chris Vermaas / Office of CC vervolgens aan het werk, wat dit als resultaat had:
Het werd een faliekante mislukking omdat 1– de uitgeverij het duo niet als schier onafscheidelijke eenheid aanbood en verkocht, en 2– beide boeken (buiten mijn medeweten) werden geproduceerd als Printing On Demand, waardoor er door de boekhandel nauwelijks of niet werd ingekocht, er zelfs geen klein voorraadje werd aangelegd en het duo niet eens in de ramsj kon belanden. Dit nu stemt me andermaal droef.


dinsdag 24 maart 2020

MIJMERINGEN OVER LIEFDE EN BOEKOMSLAGEN


In besprekingen van literaire boeken wordt praktisch nooit iets opgemerkt over de vormgeving ervan. Misschien is dat maar goed ook. Toch beoordeel ik, zoals iedereen, neem ik aan, voor mezelf steevast de opmaak van het binnenwerk en het omslag, al is het maar met een oogopslag.
        Opgemerkt moet worden dat die vormgevingsaspecten zeker niet doorslaggevend hoeven te zijn bij het besluit een uitgave al dan niet aan te schaffen. En tussen de boeken die ik al heel lang koester zit menige uitgave die allesbehalve een schoonheidsprijs verdient; mijn pocketuitgave van Franz Kafka, Sämtliche Erzählungen heeft een tjokvolle bladspiegel met veel te kleine letters – toch blijf ik dat boek met zijn inmiddels vergeelde papier trouw; het stofomslag van mijn Coutinhovertaling van Vladimir Nabokov, Lolita is een (heerlijk) even smakeloos als liefdeloos monster…


Als je zelf auteur bent heb je wel direct te maken met beslissingen omtrent de vormgeving, althans als een uitgever je daar de gelegenheid en ruimte voor biedt. Wanneer ik de omslagen bekijk van mijn boeken die in de loop van meer dan vier decennia zijn verschenen, zie ik nog steeds geslaagde exemplaren, maar ook enkele mislukkingen, die, meen ik, mede zijn toe te schrijven aan het feit dat ik mijn poot niet heb stijf gehouden of niet alert genoeg ben geweest. Het voorplat van mijn roman O mores! (2000) vind ik ronduit lelijk. Wat een rommeltje! Slecht, disproportioneel knip- en plakwerk. Waarom bijvoorbeeld was dat beeld van de Antichrist en Satan rechtsonder niet voldoende? Dan zou de belettering ook niet zo opzichtig hebben gehoeven. Belettering over een afbeelding heen is toch al hachelijk, eigenlijk alleen verantwoord wanneer het beeld daar voldoende, dat wil zeggen alle ruimte voor biedt en je niet meer de indruk hebt dat er iets wordt overlapt. Wat een lelijk font trouwens. En waarom die letterschaduwen terwijl ze nauwelijks of niet opvallen?
        Standaardrecepten voor een goed voorplat zijn er uiteraard niet, al is het alleen maar omdat bij elke op te stellen regel in de praktijk wel een prachtige zondigheid te vinden is. Wel heb ik in de loop der jaren een weerwil in beginsel ontwikkeld tegen ontwerpen die de titel illustreren, zowel qua typografie als gebruikte afbeelding.


Een belettering die de titel illustreert vind ik bijna altijd te opzichtig, armoedig of infantiel. Ik las een bespreking van een nieuwe uitgave van Maarten van der Graaff, zag er het niet mee besproken voorplat bij en kreeg de indruk dat er al een programmatisch kunstje werd vertoond voordat ik binnen was; het ontwerp is te veel van invloed, te sturend voor wat en hoe ik meen te zullen gaan lezen (en mijn lectuur van de bespreking van de inhoud bevestigde dit). Maar misschien is dat een kwestie van smaak en voorkeur, tenslotte geeft zo’n omslag aan wat me van raaff Maarten van der G te wachten staat.
        Zelf heb ik ook een omslag, bedenk ik nu, waarop de typografie iets doet (of lijkt te doen) wat in de titel staat. Maar wel heel subtiel, hè. Misschien dat menigeen het zelfs niet meteen ziet. Programmatisch is het allerminst. Hoe kan het ook anders met zo’n vormgever als Joost van de Woestijne…


Ergerlijk sturend ervaar ik omslagen met een beeld dat zich bij voorbaat bemoeit met beelden die zich tijdens mijn lectuur pas zouden moeten vormen. Op een boek met als titel De neus hoort geen neus. Hoewel, zoiets als dit…:


Zoals op Lolita geen meisje of iets meisjesachtigs (sokjes, lipjes, lolly) zou mogen.
        Eens kijken wat men zoal heeft uitgespookt met Nabokovs Laughter in the Dark (Een lach in het donker).


Zie mijn zwak voor het omslag van mijn Coutinhovertaling. Zoveel discrepantie met de inhoud dat het weinig kwaad meer kan voor het eigenlijke leeswerk, maar alleen voor de zich bekocht voelende koper die op grond van het voorplat een andere sappigheid binnenin verwachtte.


De verfilming gebruikt om de roman commercieel te slijten. Nooit goed. Iets meer van deze tijd:


Alleen even over de voorstelling: aha die lach is dus van een begeerlijke, sexy vrouw: fout dus. Bovendien straalt het ontwerp ontwerpersplezier of -lol uit – niet onbelangrijk, maar dat is nog iets heel anders dan ‘liefde’…


Kijk, dit vind ik nou een mooie. Hier voel ik, eh, liefde in. Heldere compositie. De beschouwer vraagt zich af wat een projector te maken kan hebben met een roman, en daar kan alleen het lezen van de roman uitsluitsel over geven. De afbeelding is neutraal én passend. Duidelijke belettering, met een omgekeerd keldertrappetje van auteur naar de lach, naar het donker en naar de (klein gezet) roman waar alles in zit. En dat, juist met dat ‘Dunkel’ in de titel (die zelf niet zwart is!), op een witte ondergrond. Hier weet de vormgever aan nogal wat clichés te ontkomen. Het is een vormgeving die zo eenvoudig oogt dat je je blik er even de tijd voor moet geven.
        Ik moet onwillekeurig denken aan mijn uitgever Bart Kraamer, die zelf de vormgeving van zijn Koppernikboeken verzorgt (en wat mijn eigen dingen betreft, mij daar altijd bij betrekt). Toen hij me onlangs een eerste exemplaar overhandigde van De straffeloze, merkte hij op dat dit boek de mooiste rug had die hij tot nu toe had gemaakt. ‘De rug?’
        Toen zag ik het ook: die verdeling van boven en onder, die grijsgradaties, de belettering, de plaatsing van het beeldmerk – alles als niet anders dan vanzelfsprekend. Er sprak liefde uit, zowel uit zijn woorden als uit die rug.


woensdag 11 maart 2020

DE STRAFFELOZE


De straffeloze is er.

Op het voorplat een schilderij van Gerhard Richter.

ISBN 9789492313904
Uitgeverij Koppernik
Prijs € 19,50