maandag 9 oktober 2017

VAN HET ROZENDAL TERUG NAAR ROZENDAAL

Onderstaande tekst werd door mij gelezen op zondagmiddag 8 november 2017 in de Nederlands Hervormde Kerk van Rozendaal (Gelderland) bij gelegenheid van de openstelling van het Barnard Poëziepad in de gemeente aldaar.
***
Tussen Benno Barnard en mij bestaat slechts een leeftijdsverschil van viereneenhalf jaar – in zijn voordeel helaas –, maar we hebben elkaar pas in de eenentwintigste eeuw leren kennen. De oorzaken van die vijftig jaar lange praktijk van wederzijdse praktische onbekendheid doen er even niet toe. Maar toen ik Benno eindelijk leerde kennen, was dat hier, in Rozendaal, waar ik vandaag voor het eerst in mijn leven ben…
        Dat vraagt om toelichting.
        Ik was lid van de adviesraad van het Fonds voor de Letteren toen daar een werkbeursaanvraag van Benno Barnard binnenkwam en ik Benno’s laatste publicatie als onderdeel van de beoordeling moest lezen. Die publicatie was het kloeke Eeuwrest, ‘een genealogische autobiografie’, zoals de ondertitel luidt, verschenen in 2001.
        U moet weten dat ik niet dol ben op autobiografieën van schrijvers. Schrijvers, vind ik, moeten hun autobiografisch materiaal in hun ficties stoppen – ‘verstoppen’ zou iemand anders wellicht zeggen. Maar zoals elke regel uitzonderingen behoeft om te mogen gelden, kende ik ook enkele schrijversautobiografieën die met succes weerstand boden aan mijn afkerigheid. Een ervan was afkomstig van een geboortige Rus en heette Geheugen, spreek.
        Over diezelfde Rus heeft Benno onlangs publiekelijk iets opgemerkt wat ik even publiekelijk wil tegenspreken, nu ik er hier de kans voor heb.
        Quasi terloops noemt hij in een bespreking van gedichten van een andere Rus, Nabokovs Lolita een aanstellerig boek, een ‘kroonluchter die niet kan branden’. Als íemand kroonluchters kan doen branden, zeker ook in Lolita, is het wel Vladimir Nabokov. Probleem is veeleer dat er nogal eens zó veel kroonluchters bij hem branden dat ze de plafondschilderingen aan het oog dreigen te onttrekken, én dat ze ook wel eens willen schijnen als de zon dat al gratis door de ramen doet.
        Nu ik met Benno bevriend ben en dus menig biografisch feit aan de weet kom, weet ik ook dat hij Lolita hoogstwaarschijnlijk op het verkeerde moment en op de verkeerde plaatsen en bij de verkeerde gelegenheid heeft gelezen, namelijk in de Verenigde Staten, rondrijdend door hetzelfde land waar Humbert Humbert met Dolores Haze rondreed.
        Maar eigenlijk neem ik het hier vooral voor Nabokov op ten faveure van Benno zelf. Binnen een paar bladzijden van Eeuwrest had ik namelijk het nogal sensationele gevoel dat ik iets aan het lezen was wat door geen Hollander geschreven kon zijn – u moet weten dat ik een Limburger ben die zichzelf ooit vrijwillig naar Holland heeft laten meevoeren –, maar iets wat van een Rus of een Oost-Europeaan afkomstig moest zijn, en dan niet van een blokhut bewonende schrijver in de naaldbossen van de Balkan of de Oeral, maar van iemand die zich ook verbonden voelde, ja, die verbonden was met de westelijke contreien van dit werelddeel, via de Engelse en Franse taal onder meer, welhaast zo’n banneling als Vladimir Nabokov dat was…
        ‘Kroonluchters’ – ik had die vergelijking toen nog niet bij de hand –, dat leken ook Benno Barnards formuleringen meer dan eens. Of op zijn minst brandende kaarsen die het duister leken te verlichten om de schaduwen erin te laten zien.


In dat eerste hoofdstuk van Eeuwrest wordt verteld over de aankomst van het gezin Barnard in Rozendaal, verhuisd uit Amsterdam.
[Ik zie dat hij me nu zou willen onderbreken:
        – ‘Heb ik je al eens verteld dat ik niet van Amsterdam houd, Huub?’
        ‘Ja, meer dan eens, Benno!’ – ]
        Maar in Rozendaal keek hij allereerst naar ‘het ontoegankelijke huis’: ‘mijn ogen,’ schrijft hij, ‘werden nat van boosheid en in mijn met tranen vermengde verbeelding loste de gevel met de gesloten blinden op, zodat de onvervangbare kamers waarin ik tot vanochtend had gewoond ergens onder de nok zichtbaar werden, een poppenhuis met belachelijk veel schots en scheef staande schoorstenen.’
        Maar al heel gauw begint de nieuwe omgeving de jongen te intrigeren. Wat we daarover te lezen krijgen is uiteraard niet verwoord door diezelfde jongen, maar door diens naderhand tot grote schrijfvaardigheid ontwikkelde, al vroeg aanwezige schrijflust.
        Zo is er het kasteel met een baron die ‘leed aan een Gelderse variant van tropenindolentie’, ‘een adellijke huisjesslak die een burcht met zich meetorste’. Het huis waar de jonge Benno nu woonde veranderde rond Pasen ‘vanzelf in een buitenplaats onder de zon, met weelderig gras en overvloedig bloeiende tamme kastanjes. In oktober werden de bolsters verzameld en de halmen gemaaid, in november trokken we ons weer terug in het winterpaleis en aten fazant.’
        In de fantasieën van de jongen is zijn vader uiteraard een ‘baron’, terwijl hij zichzelf van ‘page tot raadsheer’ promoveert.
        Ook deze grotendeels verbeelde wereld doet denken aan die van de jeugdige Nabokov in het vóórrevolutionaire Rusland. En net als de jeugdige Vladimir beschikte de jeugdige Benno over een scherp zintuiglijk waarnemingsvermogen.
        Een voorbeeld. Op een gegeven moment zit Benno weer eens te schaken met zijn vader… – Schaken! Met zijn vader! Net als de jonge Vladimir! – Hij redeneert te schools om zijn voorbeeld te verslaan, noteert hij zo’n drieëndertig jaar later in Eeuwrest: ‘Schouderophalend zet ik mijn koningin ergens neer. Het schemert, hij doet het licht aan en de tuin wordt zwart.’
        Die laatste, zo simpel ogende, terloops aandoende zin: ‘Het schemert, hij doet het licht aan en de tuin wordt zwart.’ – die kan weliswaar pas decennia later worden geschreven, maar niet zonder wat er destijds, toen, op dat moment door een jongen van een jaar of veertien concreet werd waargenomen: ‘… en de tuin wordt zwart.’ Die zin is bijna letterlijk zo’n kaars die het duister laat verschijnen!

Het tweede hoofdstuk van Eeuwrest heet ‘In en uit het paradijs’.
        Het is bekend, neem ik aan, waarom vader Nabokov er meer dan verstandig aan deed met zijn gezin het zo dierbare Rusland met spoed vaarwel te zeggen. Maar lang niet iedere jongen die de plek van zijn jeugd zo gedwongen moet verlaten wordt daardoor, als hij al ambities in die richting heeft, een goede schrijver. Zoals je om een goede schrijver te worden niet noodzakelijk de plek van je jeugd onder bedreiging verlaten hoeft te hebben. Wat je op zijn minst wél nodig hebt, in beide gevallen, is het besef of een vermoeden van afscheid nemen als enige mogelijkheid om een nieuw paradijs te kunnen maken van dat allereerste en wellicht enige paradijs, dat hoe dan ook verloren gaat.
        Benno beschrijft zijn fascinatie als scholier voor het boek Le Grand Meaulnes van Alain-Fournier. En dan komen op een gegeven moment deze zinnen:
        ‘Het heeft me jaren gekost om in te willen zien dat alleen wie afscheid neemt van Meaulnes, zoals Meaulnes in het boek afscheid neemt van François (o spiegel!), over hem kan schrijven. En alleen wie schrijft maakt een nieuw paradijs, een besloten ruimte waarin alles onderling samenhangt – maar de kinderlijke daad van het schrijven vergt volwassenheid, de verveling van het dagelijkse werk en de mediocriteit van geduld.’

Uiteraard zijn er grote verschillen tussen Vladimir Nabokov en Benno Barnard, uiteraard is het heel wat beroerder om letterlijk, onder doodsbedreiging uit je paradijs verbannen te worden dan dat het paradijs, zoals dat onherroepelijk gebeurt, zichzelf uit jou verbant. Vladimirs vader kwam op zijn eenenvijftigste om het leven bij een aanslag, Benno’s vader werd negentig jaar oud. En Vladimir had zijn leven lang, geloof ik, het een en ander met vlinders en jonge meisjes, terwijl als ik Benno op iets zou moeten kunnen betrappen, dat in elk geval iets anders zou zijn. Daarnaast had Benno een vader die zelf schreef en dat al deed toen zijn zoon nog een pen moest leren vasthouden.
        In de tweedelige Verzamelde gedichten van Guillaume van der Graft uit 1982 heeft de dichter nogal wat gedichten van plaats en datum van ontstaan voorzien. Zodoende weet ik dat hij in Rozendaal op 31 juni 1965 een gedicht schreef dat begint met:
Uit gebrek scheppen wij, uit gemis
worden wij overvloedig
onmacht versterkt ons het hart
Dat vind ik in meerdere opzichten frappant en ontroerend. De dan bijna vijfenveertigjarige Willem Barnard verwoordt hier min of meer hetzelfde wat zijn zoon op ongeveer diezelfde leeftijd in Eeuwrest opmerkt, namelijk dat alleen vanuit het afscheid iets nieuws geschapen kan worden. En onwillekeurig stel ik me daarbij Rozendaal voor, hoewel ik hier dus vandaag in werkelijkheid voor het eerst ben: dat huis en ergens een jongetje van nog geen elf jaar oud, midden in zijn paradijs zonder dat te beseffen, terwijl zijn vader, misschien overdag – het was een rustige, vrij zonnige, hoewel niet erg warme zaterdag – of in de avonduren – met aan de hemel een wassende maan –, aan een bureau of tafel zit om vanuit zowel een gevoel van gemis als uit scheppingsbehoefte zoiets te formuleren. Het is duidelijk dat Willem Barnard al met het besef van zo’n verlies in Rozendaal arriveerde, terwijl Rozendaal, of zal ik zeggen ‘het rozendal’ voor de tienjarige alleen nog maar aan het groeien en bloeien was, met ‘het kasteel, dat uit donkere vijvers vol lisdodden verrees,’ met ‘lege paardenstallen’ en ‘schemerige loofbossen, de eindeloze metastase van het verwilderde park,’ zoals Benno het lang nadien verwoordt.
        Het gedicht van de vader eindigt met een variant op de eerste strofe:
uit gebrek scheppen zij
uit gemis
hebben zij lief, uit onmacht
brengen zij vrucht voort
Het woord ‘vrucht’ is hier buitengewoon meerzinnig. Het kan simpelweg gelezen worden als beeld voor een creatief werk, zoals een gedicht. Maar de associatie met de zo beladen vrucht uit het paradijs is niet ver weg: het telkens opnieuw scheppen van juist de vrucht die, door het gebruik ervan, tot verbanning heeft geleid. En ten derde, maar hier volkomen mee samenhangend, kan, nee, moet het woord ‘vrucht’ natuurlijk ook slaan op het eigen nageslacht, op de eigen, misschien op dat moment zelf direct zichtbare of hoorbare kinderen van die schrijvende man op die zaterdag in Rozendaal.
        Een van die kinderen is zelf dus naderhand dichter geworden. Ik denk niet dat Willem Barnard destijds heeft geweten dat de titel ervan ooit vooral op hem zelf en zijn eigen zoon zou blijken te slaan: ‘Dichtgenoten’.

En nu worden deze dichtgenoten samen geëerd met een gedichtenpad, in de plaats waar de ene over het afscheid schreef en de andere zich bevond in dat waar afscheid van te nemen was.
        Ik vind dat zoiets eigenlijk niet kan, zo'n pad. Zoals Benno niet door Amerika rijdend Lolita had moeten lezen. Ik was twee jaar geleden in Le Cannet, het plaatsje boven Cannes, waar een bijna-naamgenoot van de Barnards, de schilder Pierre Bonnard gewoond en gewerkt heeft. Men heeft daar een wandeling uitgezet tussen uitzichtpunten waar Bonnard bepaalde landschappen schilderde. Op die punten zijn ook reproducties van de betreffende werken te zien. Het slaat nergens op. En dat niet alleen omdat uitzicht en horizon er met hun woekerende nieuwbouw inmiddels zoveel anders uitzien dan meer dan zeventig jaar geleden. Ook wanneer er zo goed als niets zou zijn veranderd zou ik niet de landschappen hebben gezien die Bonnard op zijn doeken geschapen of herschapen had. Het was bijna net zo ridicuul als wanneer men me in het atelier van Cézanne appels had voorgehouden met de opmerking dat die van hetzelfde ras waren als de appels die Paul Cézanne in zijn stillevens schilderde. De ware schilder schildert, als het hem lukt, ook altijd het verlangen naar zijn motief mee, omdat hij werkt vanuit een gevoel van gebrek of gemis.
        Maar dat is stoere en hooguit theoretisch misschien enigszins interessante praat. Helemaal waar en oprecht, want volledig is het namelijk niet. Ik kreeg ongewild tranen in mijn ogen, daar op de hoogte van Le Cannet. Daar kon ik met goed fatsoen nog de wind de schuld van geven, die blies flink, en het was bewolkt en fris. Maar dat excuus gold niet meer toen ik nadien in het kleine museum oog in oog stond met wat of, beter, met hoe Bonnard me liet zien wat hij zelf waarnemend beleefd had, daar op de hoogte boven Le Cannet.
        En daarom ben ik blij, en niet eens stiekem, eindelijk eens in Benno’s Rozendaal te mogen zijn, hoewel hij het me eigenlijk al veel eerder echt heeft laten zien.
       


zaterdag 9 september 2017

WAT ZOUT VOOR OP SLAKKEN

Dat aan de columnist Bas Heijne de P.C. Hooftprijs werd toegekend, heeft me verbaasd en het verwondert me nog steeds. Sinds de bekendmaking lees ik zijn zaterdagstukken in NRC Handelsblad met ietwat aangepaste ogen, ogen die beseffen teksten te lezen van een P.C. Hooftprijswinnaar voor essayistiek, en daardoor lees ik ze wellicht nog wat (taal-)kritischer dan voorheen. Het beste lukt dat na even losgekoppeld te zijn geweest van het maar doorbakkende, -pauwende en -draaiende Holland. Zo heb ik kort na een vrijwel internet- en televisieloos verblijf in de Dordogne vandaag Heijne’s column als volgt gelezen:

ZIJN WE ECHT ZO DOM?

Boeiende week voor wie hongert naar vergezichten [Adequaat beeld? Een ‘vergezicht’ is het zicht op iets wat concreet zichtbaar is en al bestaat, dus deel uitmaakt van mijn wereld. Waarom niet ‘visies’ o.i.d.?] in de politiek [Boeiend alleen voor wie naar iets dergelijks ‘hongert’? Honger ik naar zoiets? Naar bepaalde visies allerminst.]: [Waarom hier een dubbele punt terwijl er maar één geval in deze zin volgt?] de film over GroenLinks-voorman Jesse Klaver beleefde alsnog [Aha, nieuwe informatie voor me.] een première in Carré. Eveneens in Amsterdam [Is dat relevant, ‘eveneens in Amsterdam’? Zo ja, hoezo? En waarom dan slechts één locatie in die stad genoemd?] hield CDA-leider [Is een ‘leider’ iets anders dan een ‘voorman’?] Sybrand Buma zowat tegelijkertijd [Binnen een week is alles ‘zowat tegelijkertijd’.] de H.J. Schoo-lezing [Wat is dat voor een soort lezing?]. Twee leiders [Ja ‘leiders’ en ‘twee’, dat begreep ik al, zo dom ben ik nou ook weer niet.] van middelgrote partijen kregen de kans [Krijgen ze die kans niet sowieso wekelijks, zo niet dagelijks? Misschien omdat beider partijen ‘middelgrote’ partijen zijn?] om hun ideeën te presenteren, een politiek visitekaartje af te geven [Een visitekaartje geef je af bij een eerste ontmoeting. Ik meen, met velen, al een hele tijd te weten wie deze mannen zijn en zelfs waar ze voor staan.] [Klaver is hier toch een ander geval dan Buma? De laatste sprak geheel zelf en zelfstandig, de eerste werd door of via iemand anders getoond.] Wat is hun idee [Enkelvoud?] van Nederland? Wat te doen aan de groeiende tegenstellingen? Hoe gaan we de onzekere toekomst [Is de toekomst niet per definitie onzeker?] tegemoet? Wat willen we onze, nou ja, [De scribent wil hier zeggen dat hij een kinderloze homoseksueel is.] uw [Maar ook heteroseksuelen kunnen kinderloos zijn.] kinderen nalaten? [Let op de registerverschuiving waarmee de scribent zijn lezers van de twee protagonisten af en naar zichzelf toe probeert te halen: zij / ‘hun’ > algemeen / neutraal > ‘we’ / ‘onze’.]
Boeiend, toch? [Let op het vertrouwelijk aandoende, maar in wezen, ondanks de kinderloosheid, paternalistische ‘toch?’] Nog boeiender wordt het als je de twee [Wat wordt bedoeld met ‘de twee’? De twee mannen?] naast elkaar legt [De twee mannen…?]. [Hoezo ‘nog boeiender’? Ik ging er al na drie regels vanuit dat het om zo’n vergelijking zou moeten gaan. Zo dom ben ik nou ook weer niet.]
Wat aan de lezing van Buma vooral [‘vooral’: dus naast wat nog meer?] opviel, was dat hij [‘hij’? De lezing…?] meer in het verleden dan in de toekomst geïnteresseerd lijkt. Vraag Buma of hij suiker in zijn thee wil, en hij begint tegenwoordig [Was dat eerder niet zo?] over de joods-christelijke wortels [Vormen die ‘wortels’ immers niet het fundament van Het Christelijk DA?] van onze beschaving. Waar hij in zijn vorig jaar verschenen boek Tegen het cynisme een breed perspectief probeerde te schetsen voor een conservatief-christelijke politiek, is het nu vooral [Weer ‘vooral’] regressief rechts [Graag uitleg over het verschil tussen ‘conservatief-christelijk’ en ‘regressief rechts’, want misschien ben ik hiervoor te dom.] wat de klok slaat. De verlichting is een dwaalleer, het idee van gelijkheid een dwaallicht. [Graag een paar citaten als voorbeeld, want dit is gemakkelijk beweerd.] [Bewust taalspelletje met ‘-licht-’, ‘dwaal-’, ‘dwaallicht’?] Cultuurrelativisme zet onze beschaving op het spel, we gaan ten onder aan een alles-moet-maar-kunnen[-]mentaliteit.
Ik weet niet in welke kringen Buma verkeert, maar nooit kom ik een Nederlander tegen die vindt dat alles moet kunnen – ik kom alleen mensen tegen die dingen niet vinden kunnen. Vroeger werd die niksige frase [Welke frase wordt bedoeld: ‘dat alles moet kunnen’ of ‘dingen niet vinden kunnen…?] gebruikt [Gebruikt Buma die ‘niksige frase’? Wordt mij hier niet duidelijk.] om afkeer van bijvoorbeeld homoseksualiteit te etaleren [Dus de frase ‘homoseksualiteit niet vinden kunnen’?] – waarvan de acceptatie [Ik neem aan van ‘homoseksualiteit’ en niet van die frase.], ik geef een voorbeeld, toch echt een verdienste van de Verlichting is. Betwist Buma dat? [Dat moet de scribent míj niet vragen, híj heeft Buma’s woorden gehoord en geanalyseerd! Nou, Heijne: betwist Buma dat? Geef het antwoord man, in plaats van het te suggereren!]
Dat het Verlichtingsdenken correctie behoeft, vind ik ook [‘ook’: dus Buma ook?] – en Buma citeert me instemmend [Hè? Heeft Buma in zijn lezing Heijne geciteerd? Wat dan? Hoezo dan? Ook als ik niet in de Dordogne was geweest, zou ik niet bij die Amsterdamse lezing aanwezig zijn geweest.] Het wegvallen van een idee van gemeenschappelijkheid [Valt dat ‘idee ervan’ weg of de ‘gemeenschappelijkheid’ zelf?] is een groot probleem, maar ik zou zeggen: kijk eens vooruit. ‘De gewone Nederlander’, stelt Buma, voelt dat hem van alles wordt afgenomen, hij voelt zich vervreemd van zijn omgeving; een nieuwkomer moet zich zodanig aanpassen dat je nergens meer aan ziet dat hij een nieuwkomer is – en eigenlijk had hij gewoon niet moeten komen. [Het wordt hier op een bedenkelijke wijze onhelder of Buma’s ‘gewone Nederlander’ dit voelt en vindt, of dat Buma dezelfde gevoelens en gedachten heeft.] Alles wordt gezien in termen van dreiging en verlies. Iedere inleving in iemand met een andere achtergrond dan de jouwe wordt afgedaan als relativisme. [Idem. De suggestie is dat Buma er net zo over denkt. Is dit hard te maken? Zo ja, waar blijven de citaten e.d.?]
Nog iets: hoe vaak hebben we [We?] dit verhaal nu al gehoord? Edith Schippers vertelde het in de vorige H.J. Schoo-lezing, Maxime Verhagen vertelde het zes jaar geleden. Dat begint op zwelgen te lijken. [Hoezo leidt het herhalen van constateringen en meningen tot ‘zwelgen’? En behoort Edith Schippers niet tot een andere partij dan Buma?]
Ik heb niks tegen conservatisme. Ik heb wel iets tegen conservatisme dat iets wil bewaken wat er niet meer is [Wie of wat maakt uit wat er niet meer is en wanneer dat er niet meer is?] – of er nooit is geweest. Het eerste is nostalgie [Dus ‘nostalgie’ is afkeurenswaardig.], het tweede leidt tot haat tegen vermeende krachten die een terugkeer onmogelijk maken. [Ongelukkig geformuleerd: ‘haat tegen vermeende krachten’ - dat lijkt zoiets als donquichotterie, terwijl de scribent iets anders lijkt te bedoelen.]
Wie de zoektocht naar een idee van gemeenschap in een pluriforme samenleving terugbrengt [Doet Buma dat dan? Bewijsvoering graag.] naar het staand zingen van het Wilhelmus, is cynisch bezig. Dat is geen visie, dat is bejaarden kietelen. [Cynisch: omdat veel bejaarden niet meer kunnen staan? Haha.]
Wat zet Jesse Klaver daar tegenover? [Zoals al opgemerkt: is het vergelijken van een lezing van iemand met een documentaire over iemand niet het vergelijken van een appel met een peer?] In de aanloop van [ontbreekt: de vertoning van] Jesse, de film die Joey Boink van de jonge politicus maakte, ging het vooral [3x] over de dubbele pet die de maker op had gehad – hij was de ‘beeldregisseur’ van Klaver tijdens de campagne. Daarna ging het eindeloos over de vraag of de film propaganda was. Tegenover Eva Jinek legde Klaver zelf enthousiast uit dat er best nare trekjes van hem in zaten.
Jesse laat veel zien, maar hij gaat nergens over [Het gebruik van de cursivering lijkt me hier uiterst vilein. ‘Jesse’ als filmtitel dient inderdaad te worden gecursiveerd, de toevoeging ‘maar hij gaat nergens over’ juist niet. Door ook die oordelende toevoeging te cursiveren, wordt de cursivering van ‘Jesse’ gerelativeerd, zodat er valt te lezen: ‘Jesse laat veel zien, maar gaat nergens over’, de persoon ‘Jesse’ dus.] – op zich een prestatie [Over cynisme gesproken!]. De grote thema’s die Buma aansnijdt in zijn lezing, de intellectuele inspanning [Met al het voorgaande heeft de scribent bepaald niet de indruk gewekt dat Buma een ‘intellectuele inspanning’ heeft geleverd.], het streven om een politieke visie te ontwikkelen: geen spoor ervan in Boinks documentaire. [Dus Boink – en niet Klaver – vertoont geen spoor daarvan.] Nergens een idee, een interessante gedachte, laat staan een visie. [Van Boink of diens documentaire, neem ik aan.] Lifestyle als politiek. [Dus toch van Klaver…!] Het schandaal van Jesse is dat de maker [Nee, toch Boink…] het kennelijk niet nodig vond ook maar iets van een politiek verhaal zichtbaar te maken. Alle inhoud is persoonlijke emotie, zoals de dood van Klavers moeder [De dood van Klavers moeder ‘is persoonlijke emotie’…?]. Ik heb niks tegen [‘Ik heb niks tegen conservatisme’, zolang… - zie boven.] buitenkant, zolang je maar voelt dat er ook een binnenkant is. Niks. Nada. [‘Niks. Nada.’ – dat is toch overbodig toegevoegde buitenkant zonder binnenkant?]
Dat je vervolgens Carré afhuurt en gaat zitten shinen [shinen? Waarom dat verhollandste Engels? Of moet ik soms aan de speelfilm The Shining denken?] met een film die, onbedoeld, een ontmaskering [Dus toch een binnenkant!] is – hoe vaak kun je in je eigen voet schieten?
Waar houden Klaver en Boink ons voor, zien ze ons als zo dom en oppervlakkig? Zo gaan we dus de toekomst tegemoet – met een centrum-rechtse partij die zich steeds meer verliest in verbeten nostalgie naar een verzonnen verleden [Eerder werden nostalgie en verzonnen verleden van elkaar onderscheiden en gescheiden...] en een linkse partij die zich volledig verliest in de persoonlijkheidscultus rondom iemand zonder veel persoonlijkheid [Wat is dat? Wie bepaalt dat? En mag je die conclusie trekken op grond van een documentaire die geen selfie is?]. Dat kan niet alles zijn. [Van, voor wie of wat niet? Of wordt bedoeld dat er meer is dan deze twee leiders van slechts ‘middelgrote partijen?] Toch? [2x Zie boven.]


Dit artikel werd gepubliceerd in NRC Handelsblad op zaterdag, 9 september 2017, pagina 2-3

vrijdag 8 september 2017

EIN WASCHECHTER MONDRIAN?

Via NRC Handelsblad is een voorpublicatie te lezen van een stuk tekst uit de binnenkort te verschijnen Mondriaanbiografie van Léon Hanssen.
Het betreft een verhaal over de ontdekking van een vervalsing van een schilderij. Zoiets staat altijd garant voor enig vermaak. Voor leedvermaak (die sukkels die erin zijn getrapt!), maar ook voor het vermaak van zelf mee willen en kunnen speculeren, ook speurneus willen zijn.
Hanssen ontdekt, samen met een restauratrice, dat een bepaald schilderij niet hetzelfde is als dat waar het voor gehouden werd: het schilderij of de ‘compositie’ van Piet Mondriaan dat door de nazi’s werd geconfisqueerd bij een museum in Hannover, in 1937 op de tentoonstelling Entartete Kunst in München werd getoond, om vrij snel daarna spoorloos te worden.

Het opduiken van het werk lijkt derhalve een sensatie (voor kunsthistorici). Dat beseft Hanssen wanneer hij het doek begin 2016 in het Brusselse Bozar ziet. Maar zoals het hoort koestert hij ook meteen argwaan.
Uiteindelijk geeft een restauratrice in Amsterdam uitsluitsel. Ze heeft het werk vergeleken met een paar zwart-witfoto’s van de ‘compositie’ uit het museum van Hannover en de nazi-tentoonstelling. Wat blijkt? ‘De zwarte lijnen op het originele schilderij lopen net een fractie anders dan op het teruggevonden werk. De signatuur “PM 23” is substantieel naar rechts verschoven en staat nu niet meer in een grijs vlak, zoals bij het oorspronkelijke werk, maar in een roodgekleurd vlak.

Oké. Maar nu heb ík enkele vragen.
Waarom hebben de nazi’s in München als jaartal 1929 onder dit werk van ‘Mondrian’ gezet wanneer er kennelijk PM 23 op heeft gestaan? Slordigheid? Je kunt die bruinhemden van veel betichten, maar…  Of slordigheid van de schilder bij het penselen van die 3? Je kunt Mondriaan van veel…

Is de ontaard verklaarde Münchner Mondriaan wel dezelfde Mondriaan als de ‘oorspronkelijke’ uit Hannover en van de foto in Mondriaans atelier uit 1923?

Stel je voor dat iemand de nazi’s een loer heeft gedraaid…!


Maar afgezien daarvan: is de nu afgewezen versie van deze compositie, dus die met zijn wat rankere zwarte (horizontale) lijnwerk niet een gracielere en daarmee betere Mondriaan dan die dus nog altijd spoorloze uit München? Ik ben geen Mondriaanfan, maar ik heb het sterke vermoeden dat Piet het met me eens zou zijn geweest.
Nu heb ik het echter over het vermaak van het kijken en daar gaat het hier wellicht helemaal niet om.

dinsdag 1 augustus 2017

DE TILBURGSE TIJGERS

Gisteren werd ik geïnterviewd voor het Brabants Dagblad over mijn studentenjaren aan de kunstacademie in Tilburg. Daarbij kwamen ook de twee tijgers ter sprake die ik op een ochtend aantrof. In de fragmenten uit Suikerpruimen (1979) hieronder, figureren ze.
__________________

In de ochtendnevel met mijn tas en tekenmap over de verende grond tussen de vochtige stammen van de dennen door.
            Krijg ik bijna een hartverzakking: een beest, een kanjer van een beest, een tijger, los, in het bos! Ik had een heuse tijger rustig in het mistige bos zien liggen, nee, geen twijfel mogelijk. Op zo’n acht meter bij me vandaan.
            Onmiddellijk stap ik achter een boomstam. Of dat nog zin heeft? Mijn tekenmap steekt uit. Maar dat is een levenloos iets. Het kan niet anders of de tijger heeft me al lang in de gaten. Hij heeft me al lang horen aankomen en heeft gewoonweg op me liggen wachten. Zul je net zien; dat de Amerikaanse eekhoorns vorig jaar hebben weten te ontsnappen was al een veeg teken.
            Ik houd mijn adem in om beter te kunnen luisteren, maar ik hoor alleen het bonzen van mijn hart. Blijven stilstaan, zo onbeweeglijk mogelijk, commandeer ik mezelf, want ik weet maar al te goed wat er staat te gebeuren wanneer een tijger tot de aanval overgaat. Of iets in me niet alsnog in paniek op de vlucht slaat als hij inderdaad nadert? Ik vrees van wel. Ik ben net zo bang voor mezelf als voor de gestreepte kat.
            Allereerst drukt zo’n tijger zich laag op de grond, waarbij hij de blik op zijn doel gericht houdt. Om de afstand tot en de positie van zijn bewegende prooi nog beter te kunnen inschatten, beweegt hij zijn kop naar achter en voor. Dan komt hij langzaam overeind om, in een fractie van een seconde, de aanval in te zetten.
            De aanval zelf is een spurt op volle snelheid. Bek open. Staart omhoog. Dan slaat hij de ene klauw van achter op de schouder van het vluchtende slachtoffer, de andere in het gezicht. En hij bijt zich vast, zeker als het om kleiner wild gaat, achter in de nek zo dicht mogelijk bij de schedel. Op die manier ontzet en breekt hij de meest kwetsbare schakel, die van de draaier en de atlas. De dood treedt dan ook in door samendrukking van het ruggemerg. Dat kan allemaal heel snel gebeuren en het is, technisch gezien, vergelijkbaar met de dood van een mens door ophanging.
            Hij trekt het prooidier naar de grond, voor zover dat nog nodig is. Er wordt wel eens beweerd dat de tijger de prooi dan met zijn kaken blijft vasthouden om het bloed ervan op te zuigen. Maar dat is flauwekul. Een tijgermuil is niet bepaald geschikt om wat dan ook op te zuigen. Bovendien begint er pas bloed te vloeien als hij loslaat.
            Als hij zijn kaken opent valt ook het hoofd van het levenloze lichaam in het stof. Met een lichte plof. Vervolgens blijft de tijger een paar minuten stilstaan om heel alert om zich heen te kijken. Daarna pakt hij de buit, meestal bij de achterpoten, en sleurt die een stuk mee.
            Het verslinden begint er steevast mee dat hij met zijn snijtanden haren begint los te trekken. Of kleren. Als er dan een kale plek is ontstaan die groot genoeg is, gaat hij met zijn tong, als met een rasp, over de huid, om het vel open te halen. Daarna hapt hij in het vlees om het murw te maken, draait zijn kop met een kant naar beneden en snijdt een lap vlees open met zijn kiezen. Je kunt hem dan klokkende geluiden horen maken. Maar hij is nog niet echt aan het eten. Hij gaat er eerst nog toe over om met zijn hoektanden vanuit het gat dat hij gemaakt heeft stukken huid weg te trekken, met rukken omhoog, terwijl hij het lijk met de klauwen van zijn voorpoten vasthoudt. Die klauwen gebruikt hij dus voor dat trekwerk zelf niet.
            Die voorbereidingen duren soms wel een halfuur. Maar dan kan de maaltijd beginnen. Allereerst moet hij de vetweefsels van de buik, de darmen en organen als nieren, hart, lever en longen hebben. De maag wordt zorgvuldig losgehaald en uit het karkas verwijderd: de tijger houdt er kennelijk absoluut niet van als de maaginhoud het vlees bezoedelt.
            Hij eet niet alles in één keer op. Als hij zo’n vijf tot tien kilo vlees heeft verorberd, stopt hij er voor een tijdje mee. Misschien gaat hij even drinken. Meestal wordt hij soezig en dan slaapt hij vlak bij, soms zelfs boven op het gehavende lijk, om te voorkomen dat het geroofd wordt. Tijgers houden niet van delen, zeker niet met soortgenoten. Per dag heeft een koningstijger tien tot twaalf kilo vlees nodig. Die hoeveelheid krijgen volwassen tijgers in dierentuinen ook. Behoren ze althans te krijgen.

Toen de tijd bleef verstrijken zonder dat ik buiten mijn hartkloppingen een gerucht vernam, waagde ik het voorzichtig om de boomstam heen te kijken. De tijger lag er nog steeds. Maar nu besefte ik dat hij daar helemaal niet in een houding lag die op alertheid wees. Het dier lag op een zij en gestrekt. Het kon toch onmogelijk dat hij sliep? Ik keek of ik het op- en neergaan van de borstkorf kon waarnemen. Ik zag geen enkele beweging. Maar misschien was dat toe te schrijven aan de mist? Vervolgens bemerkte ik dat er zich, telkens als ik was gedwongen om uit te ademen, wolkjes vormden in de lucht. Bij de neus of de bek van de tijger vormde zich echter niets, helemaal niets…
            Ik zette de map tegen de boom en liet mijn tas van mijn schouder glijden.
            Op mijn tenen naderde ik de tijger. Het dier was dood, onmiskenbaar. En het lag hier al een hele tijd zo, want zijn vacht was door en door nat ten gevolge van de luchtvochtigheid.
            Zie ik, op het moment dat ik bij de kop van de levenloze grote kat op mijn hurken ga zitten, een tweede tijger, dé tweede tijger, de tijgerin, in dezelfde houding en staat, enkele meters verderop!
            Zijn ze vergiftigd, zoals in het begin van het jaar de bruine beer?
            Ik strijk met een hand over en door de vochtige pels. Druk op de pens. Sta op om de tijgerin van dichtbij te gaan bekijken. Haar bek is open. De tong ligt scheef weggezakt. Ik ontdek bloed, zowel aan een van haar voorklauwen als in haar kinharen. Haar ogen staren dof de nevel in.
            Ik bekijk en betast de dikke, uitstaande witte snorharen. Een zacht oor. De achterzijde is zwart met een witte vlek in het midden. De sikkelvormige nagels. Een warm gevoel van ongekende sensatie doorstroomt me daarbij. Mijn wangen beginnen te gloeien. Dan kan ik de verleiding niet weerstaan om met mijn hand in haar bek te gaan, eerst de tanden te betasten. Haar gebit is buitengewoon gaaf. De ruwe tong, mondbodem, verhemelte en tandvlees voelen kil aan. Ik laat mijn wijsvinger over een hoektand naar boven, onder haar nog elastische zwarte bovenlip verdwijnen en tast dan onder de lip zo diep en ver mogelijk de bovenkaak naar achter af. Ik stuit daarbij op iets dat zacht is en meegeeft. Ik haal het met mijn vinger naar buiten. Het blijkt een klein stukje rauw spiervlees te zijn, een restant van wat haar allerlaatste maaltijd is geweest. Of iemand dat vlees vergiftigd heeft? Ik kan zo gauw geen verwondingen aan het dier ontdekken.
            Ik sla het stukje vlees van mijn vinger af, kom overeind en veeg mijn handen met mijn zakdoek af.
            Dan loop ik terug, stap over het mannetje heen, wat me een korte, lichte tinteling tussen mijn benen bezorgt, neem mijn tas en tekenmap en begeef me gehaast in de richting van het restaurant. Om daar te gaan vertellen wat ik heb gevonden? Om te gaan informeren naar wat er met de tijgers is gebeurd? Om mijn spullen neer te zetten? Om de anderen op te wachten met mijn verhaal? Fanny?
            Ik weet het niet en ik wist het niet.
            Het restaurant bleek gesloten. Er was niemand binnen. Op de jukebox met de gelige verlichting na was alles in schemer gehuld.
            Dan maar naar het tijgerterras om te zien of daar iets of iemand was. Via het pad nu, dat ging toch vlugger als je, zoals ik, gejaagd en geëmotioneerd was. Sloeg ik in ieder geval niet met mijn map tegen stammen en bleef niet ergens achter hangen met mijn tas.
            Ook bij het verlaten tijgerterras was niemand te bekennen. Het enige wat me opviel was dat er een van de stelling voor de voormalige eekhoornkooi afkomstige plank in de gracht gekieperd was en dat, als ik het goed zag tenminste, de twee valluiken voor de binnenverblijven opgetrokken waren.
            Ik hoorde het geluid van een wegrijdende auto.
            Ik liep om het verblijf heen. De deur naar de binnenhokken was afgesloten.
            De tijgers moesten vlakbij tussen de dennen liggen. Maar ik vond ze niet terug. Ik rook de geur van uitlaatgassen in de windstille, grijzige lucht.
            Daarna wist ik niets anders meer te doen dan me naar de uitgang te begeven. Nog steeds zat er niemand achter het kassaruitje. Maar er was nu een ketting dwars over het toegangspad gehangen met daaraan in het midden bevestigd een bordje.
            […]
‘Kom je soms terug van de dierentuin…?’
            ‘Hoezo? Nee… Ik kom net…’ bracht ik uit nog voor ik er erg in had.
            ‘Of van je academie?’
            ‘Nee. Waarom?’
            ‘Dan weet je hier zeker nog niets van…’
            Hij schoof me een stuk van de regionale ochtendkrant toe en wees op een bericht. Onder de kiese kop DIERENTUIN TOT WEEKEINDE DICHT werd verslag gedaan van de dood van het koningstijgerkoppel. Toen de verzorger voor zonsondergang de dieren in hun nachthokken wilde sluizen, had hij de schrik van zijn leven gekregen: terwijl de ene tijger op afstand nerveus stond toe te kijken, lag de andere, het wijfje, blazend en grommend boven op wat de verzorger meteen, ondanks de positie en de gehavende toestand van het slachtoffer, herkende als het lichaam van een mens. Het was hem niet gelukt de dieren bij het levenloze lichaam vandaan te krijgen. Na spoedoverleg met de dierentuindirectie en de gealarmeerde politie werd besloten beide tijgers te doden door ze een gifinjectie in de huid te schieten. Op de vraag waarom men niet tot slechts verdoving van de dieren had besloten, antwoordde de directeur dat het voor hem ethisch ontoelaatbaar was tijgers te houden en te laten zien die een mens hadden vermoord en aangevreten, ‘zelfs al ben ik me ervan bewust dat je er veel publiek mee zou kunnen binnenhalen of misschien wel juist daarom.’ Het slachtoffer was een jonge vrouw, waarvan men de identiteit weliswaar had weten vast te stellen maar uit piëteit niet bekend wilde maken. Aangenomen werd dat de vrouw zich, ‘vermoedelijk in een vlaag van verstandsverbijstering’, toegang tot het domein van de roofkatten had verschaft met behulp van een plank waarmee ze de diepe gracht tussen borstwering en terras had overbrugd.
            ‘Onvoorstelbaar,’ zei ik, terwijl ik de krant terugschoof. ‘Ze heeft zich omgebracht omdat ze zich heeft omgebracht,’ had ik er nog als een haar of mezelf verontschuldigende verklaring op willen laten volgen. ‘Ze heeft zich omgebracht om zichzelf te kunnen hebben omgebracht…’

___________________________

uit: Suikerpruimen gevolgd door Het lam – twee romans, Meulenhoff Amsterdam 1997, p. 59-65

vrijdag 28 juli 2017

UIT HET PRETERRORISMETIJDPERK

Uit het preterorismetijdperk: vergelijk de slotalinea van De stroman (1982) met dit bericht:

_____________


Man valt mensen aan met mes in Hamburg, zeker één dode 

In de Duitse stad Hamburg is vrijdag een persoon om het leven gekomen nadat een man in een supermarkt willekeurig mensen aanviel met een mes. Ook zijn er meerdere mensen gewond geraakt, waaronder één ernstig. 
De Duitse politie heeft een verdachte aangehouden en sluit uit dat er meer daders zijn.
Mensen worden wel gewaarschuwd weg te blijven van de plek waar het incident plaats heeft gevonden. Zwaarbewapende agenten hebben de locatie afgezet.
De politie weet nog niet wat het motief van de man was. 
____________