dinsdag 18 juni 2019

maandag 17 juni 2019

DICHTERS EN HUN TIJD



‘Dichters verwoorden de tijd beter.’ Dit citaat vormde in NRC Handelsblad van 7 juni jl. de kop boven een vraaggesprek met Bas Kwakman als afscheid nemend directeur van Poetry International. Sindsdien loop ik met die uitspraak in mijn hoofd. ‘Is dat zo?’ vraag ik me telkens weer af. En: ‘Hoezo?’ En: ‘Beter dan wie?’ ‘Wat is dat eigenlijk, de tijd verwoorden?’ ‘En hoe kun je vaststellen dat dichters de tijd beter verwoorden? – Hun tijd, onze huidige tijd, neem ik aan.’ ‘Wordt met “de tijd” het verstrijken van minuten en jaren bedoeld of – waarschijnlijker – het tijdsgewricht?’
            Ik moest ook meteen weer aan de uitspraak denken toen ik las dat aan Radna Fabias voor haar debuutbundel Habitus de eerste Grote Poëzieprijs, die van 2019 dus, was toegekend.
            Laten we wel wezen: Radna Fabias heeft werkelijk in alles ‘de tijd’ mee. Ze is een vrouw met een ‘getinte’ huid, jong maar niet tè, ze oogt en bekt goed, wortels in het slavernijverleden, geëngageerd, mix van Caraïbenpalmen en Noordzeeduinen, debutante met trendy ‘ontregelende’, veelal associatief gevormde, geplakte of gegroeide gedichten die zich van literaire tradities weinig of niets lijken aan te trekken.
            De formuleringen in het juryrapport zijn veelzeggend. Volgens de jury, die mijns inziens qua samenstelling ook nogal representatief voor deze tijd is, wordt door Fabias ‘ identiteit” vanuit vele gezichtspunten […] onderzocht. De bundel is te lezen als een felle aanklacht, maar tegelijk is het ook telkens meer dan dat. Fabias graaft net zo lang in wat bedenkelijk is – waarbij ze ook zichzelf niet spaart – totdat de complexiteit van een probleem zich openbaart. Dit maakt dat Habitus deelneemt aan het “gesprek van de dag”, maar tegelijk – en belangrijker – dat de bundel er ook een krachtig tegengif tegen is. Niets is eenvoudig in deze bundel, niets is op te lossen met een paar slimme oneliners of standpunten. Fabias maakt het persoonlijke politiek en het politieke persoonlijk.’ [Cursieveringen en onderstrepingen van mij – hb]
            Formulingen die in een sociologisch leesverslag of politiek attest niet uit de toon zouden vallen. Mij persoonlijk zeggen ze weinig, en helemaal niets over artistieke kwaliteiten. Hoe dan ook vertegenwoordigt Radna Fabias als dichter volop een beeld van deze tijd zoals dat in bepalende culturele kringen wenselijk, dus terecht en eigenlijk correct wordt geacht. De jury’s (Fabias kreeg niet alleen de Grote Poëzieprijs maar ook al de C. Buddingh’-prijs, de Awater Poëzieprijs, de Herman de Coninckprijs – toe maar, allemaal voor die ene eerste bundel!) tonen overduidelijk wat het beeld van deze tijd hoort te zijn. Zo bezien beantwoordt Fabias vooral aan een verwachting en komt ze zeer gelegen, als door de tijd gevraagd én gepresenteerd.
            Dit klinkt mogelijk anders, want kritiserender dan dat het door me bedoeld is. Radna Fabias kan het uiteraard niet helpen dat ze momenteel bij zovelen in de smaak valt. Toen ik de bundel Habitus in de tweede week van dit jaar las, kon die op mijn sympathie en aandacht rekenen.
            Maar bij het ‘verwoorden van de tijd’ (en varianten) als kwaliteitscriterium voor de kunst van de poëzie blijf ik mijn vraagtekens houden.
            Kan men in de eigen tijd beoordelen wie en wat die tijd het beste verwoordt? Kan men in überhaupt welke tijd dan ook beoordelen wie in zijn eigen tijd die tijd het beste verwoordde?
            Verbeeldde Rembrandt zijn tijd beter of het beste? Sociologisch, historisch en politiek bezien zijn er heel wat tijdgenoten van hem die dat veel en veel beter deden. Stel je het werk van Rembrandt voor zonder dat van ook maar één andere tijdgenoot: welk beeld geeft dat dan van de eerste helft van de Gouden Eeuw? Een beeld waarmee je je amper een voorstelling van die tijd kunt maken. Toch is Rembrandt in zijn werk op en top zeventiende-eeuwer. Hij ontkomt er gewoonweg niet aan, zoals geen Hals, geen Vermeer, geen enkele van zijn tijdgenoten eraan is kunnen ontkomen. Zoals Picasso slechts juist in de twintigste eeuw Picasso heeft kunnen zijn.
            Waarom zou een kunstenaar zich als opgave stellen zijn tijd uit te drukken, te verbeelden of te verwoorden als dat onontkoombaar vanzelf gebeurt, net zoals dat met auto's, kleding, woningen gaat?
            Maar wat is dán zijn of haar opgave?
            Toen Samuel Beckett in 1977 van de redactie van een Franse boekuitgave (bij Le Soleil Noir, Parijs 1978) de Hölderlinvraag ‘Wozu Dichter in Dürftiger Zeit?’ voorgelegd kreeg (niet door Hölderlin maar door die redactie van een vraagteken voorzien!), stuurde hij als antwoord zijn visitekaartje met daarop de handgeschreven tekst: ‘Cher monsieur, Wozu? Je n’en ai pas la moindre idée. Pardonnez-moi. Cordialement à vous, Samuel Beckett.
           

zondag 12 mei 2019

AANBEVOLEN


Met Aanvulling op het leven van Barbara Loden heeft de Franse schrijfster Nathalie Léger een fascinerend klein boek geschreven. Op basis van Wanda, de enige speelfilm die de Amerikaanse actrice Barbara Loden schreef en regisseerde, en waarin ze zelf de hoofdrol speelde, wordt een speurtocht ondernomen naar het uiteindelijk nogal tragische leven van Barbara Loden en de overeenkomsten ervan met de eenzaamheid van het leven van de vrouw in de film. De vertelster duikt niet alleen in archieven, maar reist ook naar de Verenigde Staten om de filmlocaties in Pennsylvania (de mijnbouwgebieden en -stadjes) met eigen ogen te zien en er mensen te spreken (zoals de legendarische honkballer Mickey Mantle), waarbij ze gaandeweg niet alleen steeds meer te weten komt over zichzelf of meer van haar eigen bestaan beseft, maar ook met haar moeder in gesprek raakt met wie ze samen, in Nice, de film bekijkt, eveneens een vrouw die in deemoed naar liefde blijkt te hebben gesnakt en door de man van haar liefde daarom eens te meer werd gedeemoedigd.
        Aanvulling op het leven van Barbara Loden is een mix van biografie, autobiografie, feit en fictie, beschouwingen over tijd, cultuur en vooral het vrouw (moeten) zijn, een mix waarvan de ingrediënten zich sprongsgewijs aandienen, zonder dat het geheel daarmee gefragmenteerd overkomt, integendeel, het boek is een meeslepend geheel dat zich met zijn waarnemingen, gedachten en gevoelens haast organisch lijkt te ontwikkelen, waarbij de beschrijvingen van de filmscènes de verbindende streng vormen. Het is een verhaal van een vrouw (de schrijfster, vertelster) die haar eigen verhaal vertelt middels het verhaal van een vrouw (Barbara Loden) die haar eigen verhaal vertelt middels het verhaal van een vrouw (Wanda). En het knappe is dat dit als vanzelf gebeurt, alsof het niet anders kan.


Nathalie Léger, Aanvulling op het leven van Barbara Loden, vertaald uit het Frans door Vivienne Hendrikx, 104 pagina’s, Uitgeverij Koppernik.

maandag 6 mei 2019

HET IS MOOI EN MAAKT BANG



Nadat ik In opdracht, de bundel met achtenveertig kwatrijnen, van Wiel Kusters enkele malen had gelezen, schreef ik de dichter over hoe en waarom zijn mooie kleine gedichten me hadden aangegrepen, want me ook melancholisch of droevig maakten. Hoe ik het precies verwoordde weet ik inmiddels niet meer en dat was ook zo de bedoeling, want terwijl we gewoonlijk per e-mail corresponderen, liet ik hem het een en ander weten middels een ouderwetse, met mijn Waterman geschreven brief, waarvan ik uiteraard geen afschrift of fotokopie maakte.
            Natuurlijk weet ik wel nog waar de strekking van die brief zoal mee te maken had. Die betrof onder meer mijn eigen dispositie bij het lezen van deze kwatrijnen, waarbij levens- en leeservaring en daarmee ook mijn leeftijd een grote, wie weet doorslaggevende rol speelden. Zonder er hier verder op in te willen gaan, kan ik stellen dat mijn huidige gemoedstoestand van nogal onzekere, zeer sensitieve, zo niet sentimentele aard is.

Ik ben altijd al van mening geweest dat hetgeen echt telt in de kunst iets van stilistische aard moet zijn. Menig schilderij van Rembrandt of Caravaggio is zoveel beter dan een werk met eenzelfde onderwerp geschilderd door een tijdgenoot op grond van compositie, standpunt, vormen, kleurgebruik, de inzet van clair-obscur of, in het geval van de geboortige Leidenaar, het suggestieve, nooit ‘valse’, steeds wisselende gebruik van verf en kwast. Eerlijk gezegd interesseert een schilderij dat stilistische zwakheden en mankementen vertoont me meestal nauwelijks; als kijker naar schilderkunst ben ik geen (kunst)historicus, (-)socioloog of (-)psycholoog.
            Dat ik altijd de nadruk heb gelegd op dit aspect van de kunst, van de kunsten (want wat voor de beeldende kunst geldt, gaat ook op voor de literatuur), niet alleen naar buiten toe, zoals in beschouwingen en kunstonderwijs, maar ook tegenover mezelf, heeft te maken met de hoogstwaarschijnlijk onuitroeibaar gangbare benadering van kunst op grond van themakeuze en/of achterliggende, buitenartistieke bedoelingen. Vandaar dat ik me steeds heb verzet, weliswaar grotendeels onzichtbaar, onhoorbaar en zinloos, tegen zowel het ‘Ik vind dit niet zo’n mooi schilderij omdat er haringen op staan en ik niet van haring hou’, als tegen het beschouwen van kunst als uitdrukking (van iets innerlijks van de maker) of als boodschap (aan de wereld).
            Dit verzet kan gemakkelijk worden aangezien voor een verdediging van of pleidooi voor kunst omwille van de kunst. Het is echter veeleer het tegenovergestelde! Nooit word ik ontroerd door een verfstreek, een stukje donker, een partje licht, een compositie, een kleur op zich, dus door louter formeel stilistische elementen. Het zijn juist al die elementen samen die me, ongestoord door stilistische onvolkomenheden, de intensiteit van een tot stand gebrachte ‘inhoud’ laten ervaren… En die inhoud, de inhoud van ware kunst, is uiteindelijk altijd de ervaring van onze eigen menselijke kwetsbaarheid, tekortkoming want vergankelijkheid. Daar zijn allerminst per se folteringen en lijken of dramatische taferelen voor nodig, ook een bloesemende amandelboom van Bonnard en een Picassotekening van een wulps naakt komen alleen tot stand (even tot stilstand), allereerst onder de hand van de maker, daarna weer onder onze ogen, dankzij of door schuld van ons al dan niet bewuste besef van juist tijdelijkheid en eindigheid.
            Altijd heb ik gedacht of meende ik te denken dat kunst met inzet van stilistische middelen in staat was dat op zich deprimerende besef of het besef van dat eindigheidsgevoel niet zozeer te overwinnen als wel te bannen of eraan te ontstijgen, al was het slechts voor even.
            Ik ken het verschijnsel uit eigen ervaring, zowel in de schilder- als schrijfpraktijk, hoe je als maker opgetogen, blij, zelfs euforisch of trots, in elke geval tevreden kunt zijn wanneer je een voorstelling, gedicht of verhaal voor elkaar hebt gekregen waarin weliswaar het vergankelijke op de een of andere manier het thema is en blijft, maar dat qua compositie, vorm, ritme en noem maar op hecht in elkaar zit, dat dus ‘geslaagd’ is. En wat wil je nog meer als die geslaagdheid ook nog eens als zodanig wordt waargenomen en ondervonden door een beschouwer of lezer!
            Als maker heb je begrijpelijkerwijs de neiging om zo’n roes die dat oplevert te willen herhalen. Op zich is dat al veelzeggend genoeg, want blijkbaar is die ene keer niet voldoende om er het verdere leven op te kunnen teren. Al te gauw vergeet je daardoor – maar misschien is dat wel goed – dat kunst eigenlijk en uiteindelijk gemaakt wil worden vanuit het besef of de nood van menselijke ontoereikendheid, want vanuit vergankelijkheid en sterfelijkheid, en dat precies die nood paradoxaal als volmaakte vorm wil slagen…
            Met andere woorden, mijn denkbeeld van geslaagde kunst als verweer tegen de angst, tegen de chaos, het voorbijgaande en noem maar op, of op zijn minst als troost, moet op de helling als er niet in wordt verdisconteerd dat achter, in en door de schoonheidsbeleving eens te meer het door de vorm vermeend beteugelde en gebande opdoemt…
            Maar… betekent dit niet dat het geslaagde kunstwerk de vergankelijkheid en eindigheid van het leven veeleer juist als vergankelijkheid en eindigheid etaleert, dat het weliswaar een troostrijke schoonheid biedt, maar dat hetgeen mooi is tevens eens te meer bang maakt?
            Ja, verdomme, waarom anders komen me bij het zien van bepaalde schilderijen, bij het horen van bepaalde muziek, bij het lezen van bepaalde prozapassages, bij het lezen van sommige gedichten de tranen! Ja, vanwege de stilistisch volmaakte schoonheid ervan die heel even onvergankelijk lijkt te zijn! Ha, die dat ‘lijkt’ te zijn inderdaad! Want tegelijkertijd word je gegrepen door iets wat ongrijpbaar is en word je  door gevoelens van eigen ontoereikendheid, door een het je erin voelen verliezen overmand. Niet voor niets brengen die opwellende tranen dan ter vervaging en verzachting van wat zich zo aan je voordoet een waas voor je blik…

De doden weten meer dan jij niet weet,
en zij vergeten niets van wat je wist,
maar moeten blijvend gissen hoe jij heet,
verwarren je met mensen die je mist.

Een van die kwatrijnen van Wiel Kusters. Stilistische even ogenschijnlijk simpel als inhoudelijk ingewikkeld ontvouwt zich hier iets wat even mooi als onvatbaar is: je meent het te begrijpen en toch valt het niet vast te grijpen en al helemaal niet vast te houden, het grijpt je aan waardoor en vooral waarna althans ik me eens te meer ervaar als iemand die ooit zichzelf grondeloos zal moeten laten gaan.
            Waarom doen we dit dan in hemelsnaam, dat willen opgaan in kunst en het willen blijven maken ervan? Redenen van therapeutische aard zullen het niet zijn. Ik geloof niet dat een waarachtige en goede literaire schrijver gaandeweg een almaar gelukkiger mens wordt dankzij zijn schrijven, zoals ik niet geloof dat je met waarlijke literatuur iets ‘van je af’ kunt schrijven, zoals dat heet; integendeel, veeleer schrijf je iets meer en meer naar je toe en jezelf erin.
            Het is mooi en maakt bang. Daarin zal het fascinerende van kunst liggen, want is dat niet ook het fascinerende, want waarlijk menselijke van het leven?


donderdag 18 april 2019

ONZIN TOT HET TEGENDEEL BEWEZEN IS (- 1 ?)





‘Moeiteloos worden natuur en cultuur aan elkaar gekoppeld en gevierd. Deze regels zijn natuurlijk hooggestemd, maar ook prettig ironisch ("zonder pardon") en juist die combinatie demonstreert het volle denken en voelen.’
            Voor wie anders dan vroom geknielde gelovigen voor het Hoogaltaar der Poëzie schrijft een poëziebespreker (Alfred Schaffer in De Groene Amsterdammer) dat over de volgende beginregels van een gedicht (van Anneke Brassinga):

De amberboom
en de sterroetbedauwde rozelaarblaren
gun ik een stem zo donker
als van de zangeres die, op hardstenen
vijverdolfijnrug gedrapeerd,
zonder pardon een zilte mist in gaat
opwolkend uit de kelen van viriel doch
weemoedig geblazen hoorns
bij de inzet van KV 427, het Kyrie.

Niet voor mij in elk geval. Mij helpt het juist weer een eind verder bij wat ik al een tijdje aan het worden ben: een ‘debunker’ van poëzie (en poëziebesprekerij) tot het tegendeel bewezen is.
            De geciteerde regels ‘demonstreren’ kennelijk iets, middels een combinatie van hooggestemdheid en ironie, en wel ‘het volle denken en voelen’. Maar ik wil helemaal niet, ik wil nooit naar kunst kijken, kunst beschouwen of ervaren om iets abstracts of wat dan ook gedemonstreerd te krijgen. Voor zo’n (quasi) filosofische benadering of ervaring van kunst, en al helemaal voor kunst die zoiets zelf beoogt, ben ik veeleer allergisch. Nog nooit heb ik naar een Vermeer, een Rembrandt, Picasso of Hockney staan kijken om iets abstracts, zoals het ‘volle denken en voelen’ – over en van wat? Tijd, ruimte, ‘de vrouw’, het licht, et cetera? – gedemonstreerd te krijgen. Wel om erna, als vanzelfsprekend, de concrete wereld en de gebeurtenissen erin even ietsje anders waarnemend te kunnen ervaren. Wat zijn trouwens dat ‘volle’ denken en voelen? Wie of wat maakt uit wanneer iemands denken of voelen ‘vol’ is? Ik weet het van mezelf niet eens.

Dan de regels waar het commentaar betrekking op heeft zonder me er een stapje in binnen te leiden.
           
De amberboom is door de mens vanuit Amerika naar Europa gebracht en daar gecultiveerd voor aanplant in parken en tuinen. De indianen gebruikten de gom van de boom als geurstof, lees ik ergens op het internet. Is dat belangrijk om te weten? Nog geen idee. De boom wordt in regel twee samengebracht met de rozelaar. Rozelaar is de niet algemene benaming voor rozenstruik. Maar terwijl de amberboom als complete plant wordt opgevoerd, worden van de rozelaar alleen de bla(de)ren genoemd. In regel drie gunt de ik aan de boom als geheel ‘een stem’, maar bij de rozenstruik blijkbaar alleen aan de bladeren. Waarom? Geen idee.
            Die rozenstruikbladeren hebben sterroetdauw. Sterroetdauw is een schimmelziekte die donkere, paarsachtige tot zwarte vlekken op het blad van de roos veroorzaakt; de aangetaste bladeren verkleuren naar geel en vallen vervolgens af.
            Heeft de ik medelijden met die beschimmelde bladeren en ‘gunt’ die ik ze daarom iets? Maar hoe staat dat dan met de amberboom? Nog steeds geen idee. Om welke reden dan ook, de ik gunt zowel de boom als de aangetaste bladeren (stuk voor stuk?) dus een ‘stem’.
            Een stem? Een boom en bladeren die stemgeluid voortbrengen? Hebben ze daar geen mond of monden, geen keel of kelen voor nodig? Mijn verbeelding toont me een merkwaardig stuk, Disney-achtig antropomorfe botanie. En het is nogal makkelijk om planten zoiets te gunnen, denkt mijn ironie, ze kunnen dat in werkelijkheid immers nooit krijgen. Voor mijn gevoel heeft dat gunnen van een stem aan planten ook iets inwisselbaars wanneer het toch niet te concretiseren is.
            Die gegunde stem moet trouwens ‘donker’ zijn, lees ik. Willen de boom en de rozenbladeren misschien liever een donkere dan een lichte stem? Of hebben die hier niets over te willen? Mijn denken kan er niet bij en mijn voelen stribbelt behoorlijk tegen.
            Het moet ook niet zo maar een donkere stem zijn, maar een stem als van een zangeres, een zangeres die ‘een zilte mist’ in gaat. Mist aan en van zee? Gaat haar stem daar in op? Of de zangeres zelf helemaal? Maar die zangeres  is ‘gedrapeerd’, als een kledingstuk kennelijk. Op of over wat? Op (een) ‘hardstenen vijverdolfijnrug’. Dat wekt op zijn minst de suggestie dat ze zelf ook van hardsteen is, wellicht samen, als eenheid gebeeldhouwd met een dolfijn in een vijver… Maar kan een hardstenen zangeres een stem hebben? En is het de rozenbladeren en de amberboom dan gegund een stem te hebben als die van een hardstenen beeld? Kan een hardstenen beeld met iets of iemand ‘pardon’ hebben? Is dit de ironie waar de bespreker op doelt? Maar zelfs als de gedrapeerde zangeres van vlees en bloed zou zijn, waarom of hoezo gaat ze dan ‘zonder pardon’ de mist in, zonder pardon voor zichzelf?
            Het valt me almaar moeilijker om de zaakjes op een rijtje te krijgen; het is alsof ik zelf, vrij jammerlijk, meer en meer de mist in ga.
            Zou het om een zoetwatervijver gaan? Met een rivierdolfijn? Voor een hardstenen dolfijn maakt zoet water niets uit, is het zelfs beter, lijkt me. Is het dan een vijver dicht bij zee? Waarom?
            Maar die zilte mist komt niet van zee, de mist wolkt op ‘uit de kelen van […] hoorns’. Bedoeld zijn koperblaasinstrumenten. De beker van de hoorn wordt hier de keel genoemd. Uit wat anders dan uit die keel = beker ontsnapt de ingeblazen lucht? De hoorns worden ‘viriel doch weemoedig’ geblazen: veroorzaakt dat de ‘zilte mist’?
            Dit alles gebeurt bij de inzet van het Kyrie van Mozarts Mis in C klein, steevast uitgevoerd in een kerk of concertzaal. Bij de opening van dat Kyrie zijn inderdaad hoorns te horen – onder meer, zoals er ook zangeressen te horen zijn, alten, sopranen, maar ook tenoren en bassen. Wie en waar is daar die zangeres van regel vier?
            Met het Kyrie wordt de ‘Heer’ aangeroepen om zich ‘over ons’ te ontfermen. Misschien dat het schimmelzieke gebladerte er nog wat aan zou hebben om dit te kunnen zingen, hoewel de rozenstruik meer gebaat zou zijn met het advies van Tuinvlogger Loes, maar die amberboom…?

Als dit heel erg goede poëzie is, zoals de bespreker suggereert, ben ik een heel erg slechte lezer, want niet alleen op mijn vol ingezette (logische) denken maar ook op mijn volle (associatieve) voelen komt wat hier allemaal bij elkaar is gedicht over als bombast. Terwijl ik heus tegen beeldspraak en verbeelding kan, het zelfs hogelijk weet te waarderen wanneer die treffend zijn toegepast.
            ‘De sterroetbedauwde rozelaar gun ik een stem.’ Vooruit, dat kan iets met mij en daar kan ik iets mee.
            Maar wanneer die stem vervolgens ‘moeiteloos’ ‘gekoppeld’ wordt aan een bepaalde klankkleur van een bepaalde op een vijverdolfijn gedrapeerde zangeres, is het al rimram geworden voordat die zangeres… zonder pardon… de zilte mist in gaat die… opwolkend… viriel doch weemoedig… uit de hoorns… in Mozarts Kyrie…
            Mijn hemel, denk ik dan, laat die amberboom toch amberboom en die rozen toch rozen. Tot iemand me weet te bekeren door me van het tegendeel te overtuigen.