maandag 27 maart 2017

ADAGIA

Stellige uitspraken van dichters over dichtkunst, vooral op zich treffende uitspraken van goede dichters, richten vaak meer schade aan door vooroordelen en gemeenplaatsen te bevestigen dan dat ze tot beter artistiek inzicht leiden. Vaak, dat wil zeggen, voor gering of niet artistiek getalenteerden. Voor getalenteerden vormen ze hoogstens een bevestiging en zijn ze min of meer overbodig.
        Dat bedacht ik bij het lezen in de zogenaamde ‘Adagia’ van de beslist intelligente en interessante Amerikaanse dichter Wallace Stevens (1879-1955). Veel van zijn beweringen lijken een omkering ervan te legitimeren.
        ‘Poëzie moet de intelligentie bijna succesvol weerstaan.’ Hoe makkelijk kan deze uitspraak worden opgevat als aansporing om poëzie te schrijven met zo min mogelijk intelligentie, hoewel dat er beslist niet zo staat!
        Iets soortgelijks geldt voor: ‘Poëzie is zoeken naar het onverklaarbare.’ Schrijf iets wat onverklaarbaar is en het wordt poëzie? Ook dat staat er niet.
        ‘Poëzie is de vrolijkheid (blijheid) van taal.’ Laat de woorden maar dwarrelen als confetti?
        ‘Een gedicht hoeft geen bedoeling te hebben en heeft dat, zoals de meeste dingen in de natuur, vaak ook niet.’ Rechtvaardiging van ongebreideldheid? Oproep tot vaagheid?

        ‘Onwetendheid is een van de bronnen van poëzie.’ Hoe kun je dat nou weten?

zondag 19 maart 2017

AAN DE JONGE DICHTER DIE IK WAS


‘Waar ging het altijd al om?’
   vroeg mijn leraar Duits ostensief
toen ik van hem wilde weten
   welke hedendaagse poëten hij
aanbeval. ‘Geboorte, liefde, dood,’
   antwoordde hij voor mij
en gaf me, hoewel de zon scheen,
   iets van Von Goethe te leen.
   Mijn lief wachtte in minijurk voor school
met haar blauwe Peugeot
   en deed me God en Godin
van Vroman cadeau.

Al lang verschroot die brommer,
   andere liefdes, nieuwe tranen,
zoals dat gaat, de leraar en ook
   Leo dood. Leven, niets dan wanen.
Weet dit te erkennen zonder
   eraan te wennen en maak dat groot.
Maar niet door in abstracties
   te lullen, blijf concreet.
Die dag had ze krullen.




© HB [Tekening: Leo Vroman op het voorplat van zijn bundel God en Godin]

woensdag 22 februari 2017

DOOR VROMAN MEEGEDICHT

Soms nodig ik een collega-dichter uit in of aan mijn poëzie mee te dichten. Zo dichtte Leo Vroman in en aan twee van mijn bundels mee. In Iets zo eenvoudig  werden de zes gedichten naar aanleiding van een tekening van De Gheyn om en om door hem en mij geschreven, waarbij Vroman uiteraard het laatste woord kreeg. Dat laatste woord kreeg hij ook (cursief) bij het gedicht ‘Gods eclips’ in Eigenlijk heb je alles al.

KIKKER VAN DE GHEYN
– een samenspraak met Leo Vroman –


Rana temporaria


Sprong een bruine sakkerloot, rana temporaria,
voor de lol voor De Gheyn uit zijn groene sloot
of viel hij aan een kwelfanaat ten prooi? Raar –

toch? – dat zijn mond als een wond zich zo
tot ontzettens toe openspert, alsof men hem net
vertelt dat van zijn gezicht de bovenwaterhelft wel-

dra achter de ogen zal worden weggeknipt om
op te kunnen meten wat er nog even aan kikkerleven
in het ruggemergje licht. Iets dergelijks

doet men pas natuurlijk in de twintigste eeuw,
maar weet zo'n kikker veel dat hij van kort na 1600
is! Is er iets met dat de mens zich verwondert mis?

Verwondert een dier zich ooit en zo nee
of het dan iets mist? Nee, ik denk juist dát
verdwaast ons nog het meest, hoe het zich in een dier

niets anders dan samengaand samendoet tot beest,
het lichaam en de geest, zonder een zichbewust
-wordingswens waarvan het bevroedt de vervulling

in de doorwroeting van den mensch.

        *

Doorwroeting? Misschien.


Voor ons, geleerde dames en heren,
zongen kikkers niets dan van creperen
uit hun verwrongen lachebek
het trappelen van de achterpoten
tussen mijn droeve hand en schoot en
de schaar, het gillerig tot ziens
het ontblotingsritueel
het sidderen van beider dood
en dan het afstropen van de glibbergroene jeans
als voor een klein pak slaag;

zo leer ik nu nog en verbijt
graag de verstomping van mijn spijt.
Vraag mij niet dames en heren
wat ware levensfuncties zijn
of laat mij die breder definiëren

de functie van de kikkers van De Gheyn
is mij de gruweling terug te leren
dat wij zo zijn, dat kikkers ook zo zijn
nauwelijks minder klein,
en nauwelijks minder groot
komt hun lachen in de dood
nooit meer tot bedaren
uit de kikkers van De Gheyn
die nu al honderden jaren
langer springlevend zijn
dan de mijne ooit waren.

        *

Hocus-pocus


Springlevend zijn me even wel
en doen me net zo zeer de twee
handen van de geobsedeerde ob-
serverende meneer. Hij waste ze
vast een paar keer tussendoor. Je

ziet ze, hocus-pocus-pilatus-pas,
alsook de spijkers, geëerde kijkers,
weliswaar niet meer maar hoe beweeg je
anders zo'n amfibie ertoe bij leven,

met zijn hoofd geheven tot, mijn god,
een geluidloze schreeuw, op zijn rug
te blijven liggen, voor heel even,
laat staan voor een plus een plus
een plus nóg een volle eeuw.

Die geopende bek is er geen
van een uit verveling geeuwen.
Een bruine kikvors ademt door zijn huid,
althans als die niet indroogt en
uit. Zoals hij ook slechts
in het water kwaakt. Hem
dorst! Naar de riethalm
en de plons.

Of naar de dood,
als daarmee evenzeer
wordt beoogd al wat eeuwig is zo kalm
als een diep verscholen zomermiddagven
waarboven hoogstens scherend een libel
haar weerspiegeld blauwzijn raakt,
voordat de eerste bliksem
er de hemel kraakt.

        *

Dat ven, en die libel


Ach die libel, dat blauw, die mistige vennen –
geen levende kikker kan

daar een bliksem van
herkennen

behalve wellicht even de
beweging een kleine eetbaarheid

Wat wij ontevreden van de kikker erven
is het wrede medesterven:
rondom de levende voelt de nerveuze hand
het snel verval van innerlijk verband
als een iele flikkering van vergaan
en een wegkikkerende ziel

en hoe gretig stuurt ons weidse hoofd
het lijkdier naar een eigentijdse hemel
over het water onder water
een vlucht vervlogen vissen
in de zon, de dood, en later
helgroene lissen, witte vliegen,
zwarte irissen en een rode lucht
of zo iets
ach wat weten wij
zelf behalve niets
en ook dat gaat voorbij.

Wel wil ik vertrouwelijk raken
met mijn enig eigen dood
en haar haast vrouwelijke schoot
onder een loodzwaar lijkend laken
maar om dieren daarvoor dood te maken
in een van angst gesloten vuist
is wetenschappelijk onjuist,
nee dat is mij  nee een al te wrede
verwringing van een samenzijn in vrede,

die grootste aandrang om naar te verlangen
dat mijn ziel zich van mijn lijf ontlast
of omgekeerd, en iets in een gepast
levensgrote doos wordt opgevangen,
en dat ik zelf iets van mijn laatste zucht
ontsnappende zal kunnen merken
terwijl het opvliegt, opgelucht...
met kikkervlerken?

        *

Heerlijke halfslachtigheid


Ook al denk ik te weten

dat op een zomernamiddag in een ven
een kikker slechts door beweging wordt
bewogen die hem zou kunnen eten of die
er een om hapklaar door te slikken is,

het lukt me gewoonweg niet
erbij te vergeten – hoe ik ook objectiveer en
de geanalyseerde kikker in me projecteer –
dat ik meer dan eens alleen maar heb gezeten
op zo'n namiddag in de zomer aan zo'n ven
en er, allesbehalve als dromer, even opging

in het zien van wat ik zag: een vreselijke pracht
van verschrikkelijk hoeveel dat uit alle macht bijeen
aan het horen of uit elkaar aan het vallen was.

Is zo'n ervaring een halfbewijs van hoe
het tijdens het doodzijn voor altijd is? Ik
ben bang dat ik dan – al kan dat niet – toch juist

ons onvermogen missen zal bij leven al te meta-
morfoseren (als een kikkervis), eerlijk, die
heerlijke halfslachtigheid een god te willen zijn

maar met een menselijk gezicht evenals een kikker
terwijl toch nog ons ik er is! Dat soms even, aan
een ven of in een gedicht, kijken mogen als tussen
de gordijnen voor het allesomvattende duister of licht.

Ik vraag me af, zal het werkelijk zoveel meer zijn
en zoveel anders wanneer we, voor het dalen
van het dekzeil, nog iets meemerken
van een ons laatste zucht dan wat we zagen

bijvoorbeeld bij het uitbreken van ons geil of
in een rijm dat wonderbaarlijk was gelukt of aan
een ven met kikkers, lisdodde en libellevlucht, zelfs
in de pijn veroorzaakt en getekend door De Gheyn –

als het doodgaan zulks mag evenaren is het
als soms het leven een schitterend ongeluk.

        *

Perspectief


In plaats van zelf kikkerklein maar bleek

en in jouw schijnbaar stille ven
denk ik mij per slot zoals ik ben,
zie mij in Jordan Pond, of Eagle Lake

want de wind maakt rille huiverlijnen
over de stille meren bij de kust van Maine,
ze komen aan de horizon bijeen
waarheen libellen even stil verdwijnen.

Als alle wegen wijzen naar één punt
is alle leven op de dood gemunt
en daar moet ook de laatste wellust zijn
zoals je zegt  zoals de pijn
(misschien aan al het stervende gegund)
veroorzaakt en getekend door De Gheyn.

Wat weten wij van een uiteindelijk weten
of wat de dood ons doet? En bovendien,
alle pijn is zoveel dichterbij
dan de pijnigers dat wij
hun handen niet meer zien
en hun bedoelingen vergeten.

Wacht maar De Gheyn wacht maar,
de natuur lacht om haar eigen wetten;
na nogmaals drie vier honderd jaar
klapperen zelfs de dapperste skeletten
van kikker, beul en martelaar
wit lachend naar en door elkaar.

***



Gods eclips


Ons tafelzout is het traankristal
          dat achterbleef waar het spoor
de zee verliet,

ons tafelblad is van het bureau
          waaraan verduisterd werd
hoe door mooi glooiland

elk transport berekend
          ’s werelds aarsgat binnenliep,
het kapje van de schemerlamp

is een grapje van getatoeëerde huid
          en vlees gaat de oven in voor
de mensrook eruit. O ja,

ik wil in God geloven
          als in God geloven
binnen God geloven is

dat Hij zijn eigen
          verduistering is die
Alleenhijzelf doorziet.

In engelen geloof ik al,
          die hebben me aanschouwd.
Vleugels hebben ze niet,

die zijn er voor des duivels
          in en onder ons
kleinejongenshiroshimamavliegmachien.

Ik vrees de wil tot macht
          omdat die vrees ik zonder wil
tot macht niet beheersbaar is.

O ja, ik denk te begrijpen
          waarom de mens tegen zijn denken
in denkt te moeten geloven.

Want wie wil er horen
          te zijn geboren voor niets
dan te zijn geboren?

Liever snijdt men
          een ander de keel af dan
dat men zich de eigen oren wast.

O, om uit erbarmen
          niets meer dan charme
te willen laten zien en dan

te beseffen dat uit bekoring
          mededogen kiemt
en niet omgekeerd misschien.

‘God ik heb van het menselijk zitten
dat lieve billlenverkneden,
die koelte van de rug en die hitte
van onderen altijd aanbeden.

Hand die daar schade aan doet,
verwelk in Uw bloed!

O God van Hiroshima!
Hoe kan ik je schattige horde
van vrouwenruggen vereren,
daarvoor en daarna?
Het stof dat ze zijn geworden
gretig als gif inhaleren,
o ja, dat wel, o ja.’

_______________________________
‘Kikker van De Gheyn’ – uit Huub Beurskens, Iets zo eenvoudigs, Meulenhoff, Amsterdam 1995, p. 63 - 72. ‘Gods eclips’ – uit Huub Beurskens, Eigenlijk heb je alles al, Meulenhoff, Amsterdam, p. 89 - 91.