zondag 23 april 2017

DE POËZIE VAN ARMANDO IS BAROK

Armando - Der Zaun

Laat ik beginnen met een ceterum censeo: dichters moeten slechts tijdelijk het werk van dichters recenseren.
        Met recenseren bedoel ik als vast poëzierecensent verbonden zijn aan een publiekelijk verkrijgbaar periodiek zoals een dag-, week- of maandblad. Met tijdelijk bedoel ik een periode van maximaal vijf jaar. Waarom? Omdat een zelf dichtende poëzierecensent hoe dan ook andermans dichtwerk bespreekt vanuit en met het oog op eigenbelang, zo niet voor hem als persoon, dan wel voor en vanuit zijn eigen werk. Wanneer het hem wél lukt om zijn voorkeuren, interesses en eigenaardigheden als praktiserend dichter geheel los te koppelen en weg te schuiven van zijn analyses en beoordelingen van andermans werk dat mogelijk haaks op of zelfs afwijzend staat tegenover het zijne, is hij hoogstwaarschijnlijk zelf als dichter geen knip voor de neus waard. Na zo’n vijf jaar moet hij zijn territorium voldoende hebben afgebakend. Blijft hij na die periode doorgaan met flemen en afzeiken, dan mag hij er met recht van worden verdacht een machtspositie te hebben ingenomen om zijn eigen dichtwerk tegen al te veel onwelgevalligheid te beschermen, want welke dichter is zo driest of gek om iets negatiefs op te merken over het eigen dichtwerk van iemand die in een positie verkeert jouw volgende bundel voor het oog van de natie, dat wil zeggen van het kwart promille poëzie minnend volk ervan, aan te pakken? En op een gegeven moment weet je als dichter van tevoren wat zo’n recenserende ‘collega’ van jouw werk zal vinden, zeker als je andersom ook geen hoge pet op hebt van het zijne. Dan ben je toch masochistisch als je je vrijwillig beschikbaar stelt om te worden gehoond of doodgezwegen! En stel, stel dat er geheel onverwacht toch nog iets als een positief geluid zou opklinken, wat zou je dat dan eigenlijk waard vinden? Om nog persoonlijker te worden: ik heb de uitgever van mijn laatste reguliere poëzie-uitgave nadrukkelijk gevraagd geen bespreekexemplaar ervan naar De Groene Amsterdammer te sturen, nota bene het weekblad waarvoor ik zelf vanaf maart 1980 vast poëzierecensent was om er in mei 1985 geheel uit eigen beweging mee te stoppen. Met andere woorden: wat doet Piet Gerbrandy nog steeds bij De Groene Amsterdammer? En daarnaast bespreekt hij, zie ik net, nu ook al pas verschenen poëzie voor de Reactor.

Ik heb in ieder geval – uiteraard – meestal nogal wat aan te merken op Gerbrandy’s besprekingen. In week zestien van volgens mij toch al zeker Gerbrandy’s  zeventiende poëzierecensentenjaar bij De Groene (na al een aantal jaren bij de Volkskrant – de man is een heel eind op weg naar zijn zilveren jubileum) schreef hij een stuk over de nieuwste bundel van Armando, Liever niet.
        ‘Dient kunst de onuitputtelijke rijkdom van de wereld op te roepen, of is zij gebaat bij kaalheid en concentratie? Het ligt voor de hand te veronderstellen dat de keuze voor het een of het ander een kwestie van temperament is. Barok staat tegenover arte povera (…).’ Zo begint Gerbrandy zijn bespreking, om Armando vervolgens onder te brengen in het kamp van de kaalheid en het minimalisme.
        Wat een misvatting, van zowel het begrip ‘barok’ als van Armando’s literaire werk! Alsof barok per definitie iets rubensiaans is, iets van grote, ‘hartstochtelijke’ gebaren en overvolheid. Werk als dat van Adriaen Coorte kan met goed recht als barokke kunst worden beschouwd, en dat niet alleen omdat de schilder in de 17de eeuw heeft geleefd. Misschien is onder meer de rol van de beschouwer bij, voor of in een kunstwerk wel doorslaggevender om een werk als al dan niet barok te kunnen kwalificeren dan de houding van de kunstenaar erachter of de geste waarmee het tot stand is gekomen.



Gerbrandy maakt dan een uitstapje naar Armando's beeldend werk. Het is voor de lezer van de bespreking onduidelijk of hij dat werk dan wél weer als barok aanmerkt: ondanks de kennelijke afgebakendheid, de geïsoleerdheid volgens hem van de onderwerpen en composities (‘de rest van de wereld lijkt niet te bestaan’), laat ‘de wijze waarop de verf is aangebracht hartstochtelijke betrokkenheid van de schilder zien.’     
Wie kijkt er nou naar uitgerekend een schilderij van Armando met een vergrootglas? Ik moet onwillekeurig denken aan iets wat zich tijdens mijn jaren op de kunstacademie voordeed. Bij het vak Figuurcompositie onder leiding van docent Gérard Princée had een van mij medestudenten de overheadprojector ontdekt, dat wil zeggen, hij legde zijn verfwerkstukje op de glasplaat van het apparaat en projecteerde het op een witte muur, waardoor een ‘studie’ van 20 x 30 centimeter werd opgeblazen tot een beeld van twee bij drie meter – en opeens leek het alsof hij geweldig interessante structuren en gestes had geproduceerd, wat in feite natuurlijk ook het geval was, maar dat zou dan wel met evenveel recht kunnen worden gezegd van Carel Willink met zijn hyperrealisme of van de kat die heeft moeten kotsen. Maar dit terzijde, want nogmaals, wat Armando’s schilderwerk betreft is het idioot om het over een vierkante centimeter te hebben.
        Hoe de relatie tussen Armando’s beeldende werk en diens poëzie gelegd kan worden, blijft voor de lezer van Gerbrandy’s bespreking voornamelijk gissen. Onduidelijk of onbedoeld verwarrend is ook een uitsprak als deze: ‘In zijn beste teksten is wat niet gezegd wordt belangrijker dan wat er staat. De dichter kan goed zwijgen. Bij vlagen heeft dat huiveringwekkende zinnen opgeleverd.’
        Is dat niet tegenstrijdig? Of wordt er bedoeld dat de stilte om bepaalde zinnen heen die zinnen ‘huiveringwekkend’ maakt?
        Hoe dan ook is en blijft de dichter Armando voor de bespreker een ‘geserreerde miniaturist’. En die ‘geserreerde miniaturist blijkt dan ineens een retoricus die niet terugdeinst voor grof effectbejag. Of mogen we dit gebrek aan subtiliteit als ironische toets opvatten? Ik vrees van niet.’
        Dus dan gaat deze veronderstelde miniaturist zijn miniaturismeboekje te buiten met bepaalde formuleringen, en is het ook weer niet goed! Omdat hij dan niet meer in Gerbrandy’s typologie past?
        Gerbrandy is overduidelijk iemand die onafgebroken op zoek is naar krachtige en verrassende formuleringen. Dat is in zijn eigen poëzie al een euvel, maar dat moet hij zelf weten, voor de receptie van andermans werk kan het funest zijn.
        ‘Alleen de formulering “weerbarstige rust” is krachtig en verrassend,’ merkt hij op, ‘de rest is pretentieus maar flets. Het euvel doet zich voor in veel gedichten, die het moeten hebben van één geslaagde zin.’
        Wat ik hierin lees is dat een gedicht moet bestaan uit ‘geslaagde zinnen’. Mij lijkt een zin in een gedicht alleen (al) geslaagd wanneer hij in samenspraak is en moet blijven met de andere, en daarvoor hoeft hij niet als het ware te isoleren en los betekenisvol citeerbaar te zijn. Hetzelfde geldt voor losse gedichten in een geheel, zeker bij een opzet zoals die van Armando. Derhalve is de verzuchting van Gerbrandy ‘dat er in de bundel gelukkig een paar goede gedichten staan’ andermaal kenmerkend voor zijn optiek.
        Zo’n opmerking lijkt er trouwens eerder een van een beginneling op schoolkrantenrecensieniveau dan voor die van iemand die al veel te lang met zijn bijltje hakt.

        Zelf heb ik nog nooit een boekuitgave van Armando’s poëzie gelezen en beschouwd als een verzameling of bundeling van losse gedichten. En vaak, dat wil zeggen steeds meer stel ik me dit als ideaal voor: een gedicht of een boek met poëzie waarin geen enkele regel op zich uitblinkt, maar dat als geheel fonkelt of zich anderszins onderscheidt, niet geïsoleerd, maar in samenspraak met zowel de poëtische als onpoëtische wereld eromheen. Volgens mij is dat een barok ideaal.

ANATOMIE VOOR KUNSTENAARS


Nog eens gebladerd door het leerboek van Rijkse & De Heij:
al die spieren waarvan ik ooit – zie al die aantekeningen en
strepen – de namen, werking, oorsprongen en aanhechtingen
heb gekend. Bij het examen voor me Anja, het naaktmodel
bij wie ik moest aanwijzen en benoemen wat haar beweging
zoal bewoog wanneer zij – kijk – iets plukken wou wat boven
haar aan een verzonnen boomtak hing. Met welke spieren
van haar arm kon ze erbij, wat deden die van haar dijen en
boog haar voet daarbij plantair in het enkelgewricht of niet?

Vrijwel alles vergeten, verdwenen weer in Rijkse & De Heij,
weet niet eens meer wat plantair buigen is. Maar zodra ik
een Eva omhoog zie reiken, op een Jordaens of Titiaan, zie
ik Anja, modest gekleed, weer in die zelfbediening blijven
staan de dag erna, zonder bedachte appels in haar mand, om
te informeren naar het cijfer dat ik had behaald, en verwacht
ik dat er ook zo werd gevraagd, aan een Jordaens of Titiaan,
in een toevallig voorbijgaan, op een kaai of riva, in een plat
Antwerps of Venetiaans, of het de opdrachtgever had behaagd.



            © HB

maandag 17 april 2017

VERFILMBAARHEID

Vannacht schrok ik wakker uit een angstdroom waarin me met sardonisch windgefluister rondom een afgelegen huis waarin ik me bevond, werd verteld dat mijn roman in verhalen Eindeloos eiland verfilmd zou worden. Ik voelde me doodongelukkig, want ten diepste vernederd en mislukt. Hoe had ik het zo verkeerd kunnen aanpakken! Wat had ik over het hoofd gezien?
         De kleine nachtmerrie deed zich voor in de tweede nacht nadat ik de verfilming van Witold Gombrowicz’ roman Kosmos (1965) door de Poolse regisseur Andrzej Żuławski had gezien. Cosmos ging in 2015 in première en was de laatste speelfilm van Żuławski (1940-2016).
         Ik raakte bij het zien van de film zowel hevig teleurgesteld als enorm opgetogen. Het eerste vanwege de voortdurende bizarrerie en hysterie in de film, die mede door een gebrek aan afstand en reflectie werkelijk over the top was, het tweede vanwege de kennelijke onconverteerbaarheid van ware literatuur. De mislukking van het ene was de triomf van het andere.
         Overigens achtte ik het al bij voorbaat onmogelijk dat Kosmos adequaat verfilmbaar zou kunnen zijn. Over het waarom wellicht een andere keer.
         De zo vaak zo wijze Elias Canetti noteerde al dat de verschillende kunsten kuis met elkaar zouden moeten verkeren. Intussen heb ik de indruk dat talrijke hedendaagse romanschrijvers veeleer aangeklede filmscripts dan ware literatuur afleveren.


dinsdag 28 maart 2017

KRUIWAGENS EN KIKKERS


Na wat aanvechtingen om toch maar de nieuwe bundel van Tonnus Oosterhoff, Ja Nee, aan te schaffen, geven de in enkele besprekingen eruit aangehaalde teksten me voldoende smaak van de gehele inhoud om me er praktisch van te overtuigen hetzelfde geld beter aan iets anders te kunnen besteden. Ik schreef ‘toch maar’, want in tegenstelling tot blijkbaar tout le monde in en rond de Hollandse poëziekwaakpoel ben ik geen liefhebber van Oosterhoffdichterij. Alleen al de (de)constructie van en de keuze voor het ongetwijfeld zowel geestig als treffend bedoelde woord Hersenmutor als titel voor zijn gebundelde bundels tot 2005 vind ik beroerd sullig.
            Uit de bespreking van de nieuwe bundel in De Volkskrant plukte ik de volgende teksten of tekstfragmenten.

Door verschillende benaderingen
van het begrip afstand ontstaat bij het lezen van
Ja
Nee
de indruk dat het om iets concreets gaat,
als was verwijdering een weefsel.
*
Je kunt het bijna aanraken,
toch is het er niet.
Bewakingscamera's registreren het
maar verzuimen te omschrijven.
Het is geen schaduw, ook geen lichtvlek;
een uitsparing lijkt het.
Door eraan te denken ruik je het bijna,
het ruikt als heel vroeger.
Kom, we gaan weer naar binnen.
*
Het mag wel een tikje warmer abstracter;
het mag heel wat armer, maar warmer
dus beter. Je ligt stijf in je hok,
je insecten verdwenen, je plannen verwelkt,
af je tanden.
*
Na mijn uitspraakbraak autodafe hoc est corpus pocus ordale mij is
de tong zwart geweest altijd al, rinkelen mij de tanden getaand
uit de kaak normaal ik oog als een veenlijker.
Ik heb een ontploffing omhelsd, aan te zien is het me.
O, als ik op het woord steensuis kom kan het niet ongewrokenbruikt blijven.
Zo gaat het zekering vast.
*
Wat is dat voor lichaam dat met ons leeft?
Ons leven is brandhout, ons lichaam vuur,
of: lichaam brandhout, leven vuur.
Vuur en hout vormen een weefsel.
Van wie is het weefsel?
Het publiek brandt van nieuwsgierigheid,
de politie heeft het antwoord.
Zij belegt een persconferentie:
het weefsel is van de vermisten.
*
Hoewel je ze geen gemeenplaatsen kunt noemen zijn de puberaal aandoende combi- en verdraaiplatitudes in Oosterhoffs teksten ook weer van de partij: ‘uitspraakbraak’, ‘ongewrokenbruikt’. Hoe verzin je het? Nee, dat is niet de kwestie. Hoe kun je dat publiceren?
            Het eerste tekstje is overigens niet van Oosterhoff, maar is de door mij grafisch herschikte tweede regel van de bespreking zelf, die 401 woorden telt, dat wil zeggen, zonder die van Oosterhoff hierboven slechts 210.
            Oosterhoff kun je kennelijk het beste zoveel mogelijk citeren om het minder flagrant te laten lijken dat je alleen maar om deze teksten heen kunt lullen met wazigheden als: ‘De gedichten zinderen van een levendig, tastend taalgebruik.’ Toch is de constatering in deze voorbeeldtypering zo gek nog niet, zie ik nu, er staat immers niet ‘levendige, tastende taal’, maar het gaat om taalgebruik. Maar ‘zinderen’? Op zich clichétaalgebruik, lijkt me.

Uit een bespreking van de bundel in NRC Handelsblad sprokkel ik weer andere, zij het geen andersoortige tekstcitaten, zoals:
Wie een rad voelt weet: er is meer, anders was hier geen rand
Patiënt slikte codes in, nu moeten de dokters wel zoeken
Solidair zijn kan alleen wie het lot van de ander niet kent
Stervensduur is de medicatie. Van de markt kom je niet af
UW CREATIEVE VERSPARTNERUW PARTNER IN TOEGANGSOPLOSSINGEN
Samen ondergaan we het wonder van niet eerder vertrapt worden

De bespreker presenteert hier weliswaar twee keer zoveel eigen woordinbreng, maar daarbij is het opmerkelijk dat hij geen enkele keer een poging doet om een tekst ook maar een tikkeltje inhoudelijk te duiden. Omdat zoiets onmogelijk is? Je denkt acuut met weemoed terug aan die stompzinnige middelbare schoolvraag naar wat de dichter heeft bedoeld.
            Wel wordt bij herhaling gewezen op formele zaken: ‘In dit gedicht dat tweeënhalve pagina lang is, worden de zinnen niet uitgesmeerd over diverse regels, maar begint met elke regel een nieuwe zin. Het effect daarvan is dat we niet met wankelende hinkstapsprongen door het gedicht gaan, maar aan het eind van elke regel frontaal op de volgende botsen. Dat komt doordat in elke zin een andere toon en functie zit.’
            Frappant! Deze zo wars van alle conventioneel formele dichtkunst schijnende poëzie is voor de slippen dragende gourmands blijkbaar louter te smaken op zijn formele kanten. O, wat is het toch een heerlijk ontregelend genot om te worden gedold door zinnen die almaar ‘frontaal op de volgende botsen’. Zouden Oosterhoffadepten dat echt menen? Ik ben bang dat ze voornamelijk menen dat te menen. Zelf vind ik het zoiets als applaudisseren voor een boer die laat zien hoe hij een kruiwagen vol kikkers laadt om er op zijn erf geen een meer in zijn bak te hebben, en dat keer op keer, en dat dan te beschouwen als herbevestiging van ‘de vitaliteit van zijn creatieve kracht.’ Sisyfussen zijn we allemaal, maar hoe onnozel kun je zijn? En we zijn toch niet in Fermignano?
           
Elders is te zien hoe het ook kan verkeren:

‘Ook het hieronder volledig geciteerde zestiende gedicht uit de bundel,’ zo staat het op de Reactor, ‘is een reflectie over de eindigheid, waar tot overmaat van ramp de mens ook nog zijn invloed op laat gelden. Het gedicht begint met een gedachte-experiment over het eeuwige leven, tot de twijfel toeslaat na de ‘ja’:
De dood houdt ermee op, hij of zij
kapt ermee. Het is een uitgemaakte zaak,
ik heb een uitgezaaide levensverwachting.
Nee.
Ja.
We zitten vast aan veel te korte levens,
Mickey Mouseballonnen aan een touwtje.
De peuter die loslaat zet een keel op.
Ze maakt een scène! Sla haar.
Van schreeuwen krijg je ongelijk in je keel,
dat moet ze weten; leer het haar.

‘Kijk,’ zegt de bespreker dan – maar ik zie het niet –, ‘daar heb je dan het touwtje van Jan Terlouw. De schreeuwende peuter die een scène schopt – onredelijkheid is in Oosterhoffs wereld vaak vrouwelijk, de dood in de beginregel is genderneutraal – roept in haar blèrende verongelijktheid het beeld op van de vijfenveertigste president van de Verenigde Staten. Het charisma van Donald Trump lijkt op dat van een schreeuwend kind dat zijn ouders volledig in zijn greep heeft. Ze moeten luisteren, ze moeten iets doen, ze zijn in zijn ban, en de opvoedpoli heeft zijn deuren al gesloten.’

O, moet het op die manier, die inhoudelijke benadering? Die tekst gaat dus, als ik dat wil, over Jan Terlouw en Donald Trump! Je hoeft hem alleen linksom in je politieke karretje leeg te kieperen, voor zover de lading er niet al voortijdig uitgesprongen is…
            Of moet ik als lezer fungeren als kruiwagen voor Oosterhoffs kikkers? Mon cul.
            Waarom maak ik me er dan druk over? Wellicht is Oosterhoff geen foute vent.
            Vanwege de trend die erdoor wordt gevoed. W.H. Auden schreef in zijn ‘In memoriam W.B. Yeats: ‘hij werd zijn bewonderaars.’ Voor Oosterhoff geldt in mijn optiek dat hij bij leven zijn bewonderaars is.


maandag 27 maart 2017

ADAGIA

Stellige uitspraken van dichters over dichtkunst, vooral op zich treffende uitspraken van goede dichters, richten vaak meer schade aan door vooroordelen en gemeenplaatsen te bevestigen dan dat ze tot beter artistiek inzicht leiden. Vaak, dat wil zeggen, voor gering of niet artistiek getalenteerden. Voor getalenteerden vormen ze hoogstens een bevestiging en zijn ze min of meer overbodig.
        Dat bedacht ik bij het lezen in de zogenaamde ‘Adagia’ van de beslist intelligente en interessante Amerikaanse dichter Wallace Stevens (1879-1955). Veel van zijn beweringen lijken een omkering ervan te legitimeren.
        ‘Poëzie moet de intelligentie bijna succesvol weerstaan.’ Hoe makkelijk kan deze uitspraak worden opgevat als aansporing om poëzie te schrijven met zo min mogelijk intelligentie, hoewel dat er beslist niet zo staat!
        Iets soortgelijks geldt voor: ‘Poëzie is zoeken naar het onverklaarbare.’ Schrijf iets wat onverklaarbaar is en het wordt poëzie? Ook dat staat er niet.
        ‘Poëzie is de vrolijkheid (blijheid) van taal.’ Laat de woorden maar dwarrelen als confetti?
        ‘Een gedicht hoeft geen bedoeling te hebben en heeft dat, zoals de meeste dingen in de natuur, vaak ook niet.’ Rechtvaardiging van ongebreideldheid? Oproep tot vaagheid?

        ‘Onwetendheid is een van de bronnen van poëzie.’ Hoe kun je dat nou weten?

woensdag 22 februari 2017

DOOR VROMAN MEEGEDICHT

Soms nodig ik een collega-dichter uit in of aan mijn poëzie mee te dichten. Zo dichtte Leo Vroman in en aan twee van mijn bundels mee. In Iets zo eenvoudig  werden de zes gedichten naar aanleiding van een tekening van De Gheyn om en om door hem en mij geschreven, waarbij Vroman uiteraard het laatste woord kreeg. Dat laatste woord kreeg hij ook (cursief) bij het gedicht ‘Gods eclips’ in Eigenlijk heb je alles al.

KIKKER VAN DE GHEYN
– een samenspraak met Leo Vroman –


Rana temporaria


Sprong een bruine sakkerloot, rana temporaria,
voor de lol voor De Gheyn uit zijn groene sloot
of viel hij aan een kwelfanaat ten prooi? Raar –

toch? – dat zijn mond als een wond zich zo
tot ontzettens toe openspert, alsof men hem net
vertelt dat van zijn gezicht de bovenwaterhelft wel-

dra achter de ogen zal worden weggeknipt om
op te kunnen meten wat er nog even aan kikkerleven
in het ruggemergje licht. Iets dergelijks

doet men pas natuurlijk in de twintigste eeuw,
maar weet zo'n kikker veel dat hij van kort na 1600
is! Is er iets met dat de mens zich verwondert mis?

Verwondert een dier zich ooit en zo nee
of het dan iets mist? Nee, ik denk juist dát
verdwaast ons nog het meest, hoe het zich in een dier

niets anders dan samengaand samendoet tot beest,
het lichaam en de geest, zonder een zichbewust
-wordingswens waarvan het bevroedt de vervulling

in de doorwroeting van den mensch.

        *

Doorwroeting? Misschien.


Voor ons, geleerde dames en heren,
zongen kikkers niets dan van creperen
uit hun verwrongen lachebek
het trappelen van de achterpoten
tussen mijn droeve hand en schoot en
de schaar, het gillerig tot ziens
het ontblotingsritueel
het sidderen van beider dood
en dan het afstropen van de glibbergroene jeans
als voor een klein pak slaag;

zo leer ik nu nog en verbijt
graag de verstomping van mijn spijt.
Vraag mij niet dames en heren
wat ware levensfuncties zijn
of laat mij die breder definiëren

de functie van de kikkers van De Gheyn
is mij de gruweling terug te leren
dat wij zo zijn, dat kikkers ook zo zijn
nauwelijks minder klein,
en nauwelijks minder groot
komt hun lachen in de dood
nooit meer tot bedaren
uit de kikkers van De Gheyn
die nu al honderden jaren
langer springlevend zijn
dan de mijne ooit waren.

        *

Hocus-pocus


Springlevend zijn me even wel
en doen me net zo zeer de twee
handen van de geobsedeerde ob-
serverende meneer. Hij waste ze
vast een paar keer tussendoor. Je

ziet ze, hocus-pocus-pilatus-pas,
alsook de spijkers, geëerde kijkers,
weliswaar niet meer maar hoe beweeg je
anders zo'n amfibie ertoe bij leven,

met zijn hoofd geheven tot, mijn god,
een geluidloze schreeuw, op zijn rug
te blijven liggen, voor heel even,
laat staan voor een plus een plus
een plus nóg een volle eeuw.

Die geopende bek is er geen
van een uit verveling geeuwen.
Een bruine kikvors ademt door zijn huid,
althans als die niet indroogt en
uit. Zoals hij ook slechts
in het water kwaakt. Hem
dorst! Naar de riethalm
en de plons.

Of naar de dood,
als daarmee evenzeer
wordt beoogd al wat eeuwig is zo kalm
als een diep verscholen zomermiddagven
waarboven hoogstens scherend een libel
haar weerspiegeld blauwzijn raakt,
voordat de eerste bliksem
er de hemel kraakt.

        *

Dat ven, en die libel


Ach die libel, dat blauw, die mistige vennen –
geen levende kikker kan

daar een bliksem van
herkennen

behalve wellicht even de
beweging een kleine eetbaarheid

Wat wij ontevreden van de kikker erven
is het wrede medesterven:
rondom de levende voelt de nerveuze hand
het snel verval van innerlijk verband
als een iele flikkering van vergaan
en een wegkikkerende ziel

en hoe gretig stuurt ons weidse hoofd
het lijkdier naar een eigentijdse hemel
over het water onder water
een vlucht vervlogen vissen
in de zon, de dood, en later
helgroene lissen, witte vliegen,
zwarte irissen en een rode lucht
of zo iets
ach wat weten wij
zelf behalve niets
en ook dat gaat voorbij.

Wel wil ik vertrouwelijk raken
met mijn enig eigen dood
en haar haast vrouwelijke schoot
onder een loodzwaar lijkend laken
maar om dieren daarvoor dood te maken
in een van angst gesloten vuist
is wetenschappelijk onjuist,
nee dat is mij  nee een al te wrede
verwringing van een samenzijn in vrede,

die grootste aandrang om naar te verlangen
dat mijn ziel zich van mijn lijf ontlast
of omgekeerd, en iets in een gepast
levensgrote doos wordt opgevangen,
en dat ik zelf iets van mijn laatste zucht
ontsnappende zal kunnen merken
terwijl het opvliegt, opgelucht...
met kikkervlerken?

        *

Heerlijke halfslachtigheid


Ook al denk ik te weten

dat op een zomernamiddag in een ven
een kikker slechts door beweging wordt
bewogen die hem zou kunnen eten of die
er een om hapklaar door te slikken is,

het lukt me gewoonweg niet
erbij te vergeten – hoe ik ook objectiveer en
de geanalyseerde kikker in me projecteer –
dat ik meer dan eens alleen maar heb gezeten
op zo'n namiddag in de zomer aan zo'n ven
en er, allesbehalve als dromer, even opging

in het zien van wat ik zag: een vreselijke pracht
van verschrikkelijk hoeveel dat uit alle macht bijeen
aan het horen of uit elkaar aan het vallen was.

Is zo'n ervaring een halfbewijs van hoe
het tijdens het doodzijn voor altijd is? Ik
ben bang dat ik dan – al kan dat niet – toch juist

ons onvermogen missen zal bij leven al te meta-
morfoseren (als een kikkervis), eerlijk, die
heerlijke halfslachtigheid een god te willen zijn

maar met een menselijk gezicht evenals een kikker
terwijl toch nog ons ik er is! Dat soms even, aan
een ven of in een gedicht, kijken mogen als tussen
de gordijnen voor het allesomvattende duister of licht.

Ik vraag me af, zal het werkelijk zoveel meer zijn
en zoveel anders wanneer we, voor het dalen
van het dekzeil, nog iets meemerken
van een ons laatste zucht dan wat we zagen

bijvoorbeeld bij het uitbreken van ons geil of
in een rijm dat wonderbaarlijk was gelukt of aan
een ven met kikkers, lisdodde en libellevlucht, zelfs
in de pijn veroorzaakt en getekend door De Gheyn –

als het doodgaan zulks mag evenaren is het
als soms het leven een schitterend ongeluk.

        *

Perspectief


In plaats van zelf kikkerklein maar bleek

en in jouw schijnbaar stille ven
denk ik mij per slot zoals ik ben,
zie mij in Jordan Pond, of Eagle Lake

want de wind maakt rille huiverlijnen
over de stille meren bij de kust van Maine,
ze komen aan de horizon bijeen
waarheen libellen even stil verdwijnen.

Als alle wegen wijzen naar één punt
is alle leven op de dood gemunt
en daar moet ook de laatste wellust zijn
zoals je zegt  zoals de pijn
(misschien aan al het stervende gegund)
veroorzaakt en getekend door De Gheyn.

Wat weten wij van een uiteindelijk weten
of wat de dood ons doet? En bovendien,
alle pijn is zoveel dichterbij
dan de pijnigers dat wij
hun handen niet meer zien
en hun bedoelingen vergeten.

Wacht maar De Gheyn wacht maar,
de natuur lacht om haar eigen wetten;
na nogmaals drie vier honderd jaar
klapperen zelfs de dapperste skeletten
van kikker, beul en martelaar
wit lachend naar en door elkaar.

***



Gods eclips


Ons tafelzout is het traankristal
          dat achterbleef waar het spoor
de zee verliet,

ons tafelblad is van het bureau
          waaraan verduisterd werd
hoe door mooi glooiland

elk transport berekend
          ’s werelds aarsgat binnenliep,
het kapje van de schemerlamp

is een grapje van getatoeëerde huid
          en vlees gaat de oven in voor
de mensrook eruit. O ja,

ik wil in God geloven
          als in God geloven
binnen God geloven is

dat Hij zijn eigen
          verduistering is die
Alleenhijzelf doorziet.

In engelen geloof ik al,
          die hebben me aanschouwd.
Vleugels hebben ze niet,

die zijn er voor des duivels
          in en onder ons
kleinejongenshiroshimamavliegmachien.

Ik vrees de wil tot macht
          omdat die vrees ik zonder wil
tot macht niet beheersbaar is.

O ja, ik denk te begrijpen
          waarom de mens tegen zijn denken
in denkt te moeten geloven.

Want wie wil er horen
          te zijn geboren voor niets
dan te zijn geboren?

Liever snijdt men
          een ander de keel af dan
dat men zich de eigen oren wast.

O, om uit erbarmen
          niets meer dan charme
te willen laten zien en dan

te beseffen dat uit bekoring
          mededogen kiemt
en niet omgekeerd misschien.

‘God ik heb van het menselijk zitten
dat lieve billlenverkneden,
die koelte van de rug en die hitte
van onderen altijd aanbeden.

Hand die daar schade aan doet,
verwelk in Uw bloed!

O God van Hiroshima!
Hoe kan ik je schattige horde
van vrouwenruggen vereren,
daarvoor en daarna?
Het stof dat ze zijn geworden
gretig als gif inhaleren,
o ja, dat wel, o ja.’

_______________________________
‘Kikker van De Gheyn’ – uit Huub Beurskens, Iets zo eenvoudigs, Meulenhoff, Amsterdam 1995, p. 63 - 72. ‘Gods eclips’ – uit Huub Beurskens, Eigenlijk heb je alles al, Meulenhoff, Amsterdam, p. 89 - 91.