zaterdag 30 december 2023

STERRENSTOF

 

Hoorde en zag de uitvoering door het Ruysdael Kwartet van een minikwartet, getiteld "Stardust", recent gecomponeerd door Jacob ter Veldhuis en moest weer denken aan het gesprek dat ik in 1999 met Ter Veldhuis bij hem thuis in Doorn had en waarvan ik het verslag in De Gids publiceerde:

https://www.dbnl.org/tekst/_gid001199901_01/_gid001199901_01_0034.php

woensdag 27 december 2023

zondag 24 december 2023

WIGMANS BENN

  

(BRON)

Waar is Menno Wigmans Benn gebleven? Een vraag die ik me van tijd tot tijd nog stel. Zo ook weer na via via te hebben mogen vernemen hoe Wigman mij ‘steevast’ noemde. Zie bijvoorbeeld HIER. De boekuitgave waarin daar kennelijk over wordt bericht ken ik niet, ik kan dus vooralsnog niet beoordelen of er een of andere intrinsieke noodzaak voor zo’n melding was of is. En ‘steevast’, staat dat zo in dat boek? En is dat dan vaak of altijd en nooit anders?

         De eerste keer dat ik contact had met Menno Wigman was op zaterdag 24 januari 2015. Ik had om 10.45 uur een e-mail gestuurd aan de ‘Geachte Menno Wigman’. Al om 14.08 uur ontving ik er een allerminst summier antwoord op. In dat antwoord werd ik niet aangesproken als ‘Werkbeurskens’, maar met ‘Waarde Huub Beurskens’, aan wie hij onder meer liet weten dat hij met het werk van Benn ‘kennismaakte door jouw Bruggen slaan’. En het schrijven werd besloten met: ‘[…] zie ik ernaar uit om met een groot Benn-kenner samen te werken. Alle goeds […].’

         Ik vermeld dit beslist niet om dik te doen, maar om me erbij af te vragen of Menno Wigman die zaterdagavond in café De Pels tegen deze of gene zal hebben gezegd dat hij persoonlijk benaderd was door Werkbeurskens. Als een soort poëzieredacteur van uitgeverij Koppernik had Huub Beurskens hem namelijk gevraagd of hij ervoor voelde om voor die uitgeverij de bundel Morgue, en misschien nog wat andere poëzie erbij, van Gottfried Benn te vertalen. ‘[…] wie weet kan ik je over een maand of twee mijn vertaling voorleggen,’ had hij geantwoord.

         ‘Lang geleden,’ aldus Wigman in een vraaggesprek voor Trouw (juni 2009), ‘maakte ik een vertaling van Morgue en stuurde die samen met zo’n vijftien latere gedichten op naar zeven uitgeverijen. Met de precisie van een boemerang kwam alles weer terug. Mokkend en wrokkend dacht ik dat deze poëzie te agressief voor ze was, dat ze dit bijna handenklappende nihilisme gewoon niet aandurfden. Onzin, denk ik nu. Gevaarlijke poëzie, werkelijk ontregelende poëzie bestaat niet.’

         Zo’n zeven jaar daarna zegt hij in Meander: ‘Dit najaar [2016 - HB] verschijnt die vertaling eindelijk, eindelijk, bij uitgeverij Koppernik.’

         Na ons eerste mailcontact volgden enkele pogingen om tot een lijfelijke ontmoeting te komen tussen hem, Kopperniks Bart Kraamer en mij. Helaas volgde er ziekenhuisopname van hem. Maar eind maart 2015 spraken we elkaar in de Jordaan, ten huize van Bart Kraamer.

         Ook in de volgende maanden vormden fysieke problemen een rem op het project. Zo maakte hij in juli melding van ‘een behoorlijk slechte doktersuitslag’ waardoor hij zich ‘nogal uit het veld geslagen’ voelde, maar: ‘ik beloof je dat […].’

         Kort daarop las ik ergens een fraai nieuw gedicht van hem. Ik had wel een kleine suggestie, iets over de schikking van enkele woorden op het eind. En ik meende hem die suggestie te mogen voorleggen, uiteraard geheel vrijblijvend. Zelf heb ik suggesties van welgezinden altijd op prijs gesteld. Ik schrok enigszins van zijn reactie. Hij liet me weten het niet gewend te zijn ‘dat iemand zo concreet een wijziging voorstelt, schrok er zelfs even van’ – ‘maar ja,’ voegde hij eraan toe, hij had ‘nog nooit een dichtende redacteur gehad’. Mogelijk paste mijn voorstel ook niet in de portee van zijn gedicht. Enfin.

         Intussen leek het Morgue-project te kunnen vorderen. Tot half september. Toen kreeg ik een vrij uitvoerige mail over persoonlijke omstandigheden en noodzakelijke prioriteiten, maar met daarin onder meer ‘vanaf januari ga ik aan de slag’ en ‘de afspraak staat’.

         Vervolgens, een week later, een mail over de financiële noodzaak om voor de vertaling een werkbeurs aan te vragen – ‘Huub, hier Menno’ – en de vraag of ik ‘ook een blik op [zijn] aanvraag [wil] werpen.’ ( Haha, zou dáár soms ‘Werkbeurskens’ vandaan zijn gekomen…?)

         Half februari 2016 polste ik weer eens voorzichtig, al moet ik toegeven dat ik wat ongeduldig begon te worden, want over hoeveel gedichten ging nu het helemaal? Nog geen tien. Ook vanuit Koppernik werd er bij Menno geïnformeerd.

         Inmiddels had ik Menno’s bundel Slordig met geluk voor De Reactor besproken.

         Begin maart 2016 leek de Morgue-vertaling in een versnelling te komen. Menno stuurde me al zijn vertalingen.

         Nadat ik een aantal vragen had gesteld, suggesties had gedaan en ook enkele vertaalfouten had gemarkeerd, klonk hij in een e-mail ietwat aangeslagen, maar beloofde hij over een tijdje weer van zich te laten horen.

         Dat kwam er echter niet van en het bleek er ook niet meer van te komen.

         Had ik hem volstrekt ongewild afgeschrikt met mijn vragen en suggesties? Ik kon, kan en wil me dat niet voorstellen, omdat ik het me andersom ook niet zou kunnen voorstellen. En hij was sociaal toch geen watje? Waren het zijn fysieke problemen en alles wat daarmee samenhing, die de zaak (en niet alleen die) blokkeerden? Vast, denk ik, al kende ik hem nauwelijks.

         Hoe dan ook blijf ik het oprecht spijtig vinden dat Menno Wigmans Bennvertaling er niet is gekomen.

         Koppernik had intussen de vertaalrechten voor een beperkte periode verworven. Sowieso zou het jammer zijn de Nederlandse uitgave van Morgue te laten lopen. Dus besloten we, niet zonder dat Bart Kraamer er met Menno mondeling contact over had gehad, dat ik maar de vertaling en toelichting erbij op me zou nemen. Geen strafwerk, maar toch…

         En of het niet spijtiger kon: kort na het verschijnen van Morgue en andere gedichten overleed Menno Wigman. Hoe graag had ik het allemaal anders gezien, want hoe ook alweer had ik mijn eerste, hoopvolle mail aan hem afgesloten?

         ‘Ik zou het geweldig vinden.’

        

woensdag 20 december 2023

OP DE VINGERS GETIKT

 Arjan Peters tikte me terecht op de vingers middels een digitaal knipsel.

         Hier schreef ik dat ik nooit een werkbeurs had aangevraagd. Dat klopt dus niet, want ik blijk het in 1984 voor een essaybundel wel te hebben gedaan. Was ik, bijna veertig jaar later, finaal vergeten.* Anders had ik dat juist wel vermeld. Want daar is het dan ook bij gebleven, waardoor ik het merkwaardig blijf vinden dat Menno Wigman, die destijds een jaar of achttien was, me blijkbaar, dat wil zeggen, volgens Rob Schouten, als ‘Werkbeurskens’ betitelde, 'steevast'nog wel. Wigmans eigen werk werd vanaf 2001 met werkbeurzen ondersteund.    


* De betreffende uitgave verscheen maar liefst meer dan tien jaar na de beursaanvrage. - Inmiddels zag ik ergens dat de naarstige naspeurder mijn vergeten als liegen etiketteert, wat helemaal in mijn beeld van hem past.
______________________________

PS 28.XII.2023 Geheugen, waer bestu bleven!? Inmiddels meldt iemand zonder achternaam - fijn dat we zulke vlijtige rapporterende navlooiers onder ons hebben, nietwaar - dat ik zelfs nog meer beurzen van het Fonds van de Letteren ontving, in 2001 en 2002... Is het psychische verdringing waardoor ik ook daar niets meer van weet? Of is het Alzheimer? En maakt het begrijpelijker hoe Wigman mij 'steevast' noemde? Maar vanaf 2001 ontving Wigman zelf dus ook geld van dat Fonds! Misschien speelt bij die betiteling ook nog een rol dat ik van ergens in 2002 tot ergens in 2005 lid was van de adviesraad van het Fonds voor de Letteren? Maar als hij ook in die periode subsidie heeft gekregen, heb ik dus direct met het advies daartoe te maken gehad... Ik weet het niet meer - ook dit niet.
'According to Canadian researchers […] the ability to forget is as important as the ability to remember,' las ik ergens. 'Forgetfulness is a part of intelligence.'
Hm. Laat ik er mezelf niet mee voor gek houden, want is het intelligent te zijn vergeten dat ik me na publicatie van deze tekst, zesentwintig jaar geleden, vast had voorgenomen nooit meer op iets krenkends of provocerends van de persoon in kwestie te reageren? 

PS2 Inmiddels blijkt het 22 jaar geleden helemaal niet om werkbeurzen of iets soortgelijks te zijn gegaan, maar om zogenaamde aanvullende honoraria. Dat wil zeggen dat de betreffende poëziebundel en roman al geschreven en uitgegeven waren, en er pas achteraf, want op grond daarvan, geld voor werd toegekend, in aanvulling op wat de uitgever aan royalties uitkeerde (zeer weinig dus).


Lees verder onder WIGMANS BENN.


dinsdag 19 december 2023

NOG WAT GIFTIG GETIKTE MARGINALIA

 


‘Hij heeft een goed hart, het moest alleen gekookt op zijn rug hangen,’ sprak iemand over een ander. Ik was die uitdrukking niet eerder tegengekomen. Schijnt van wijlen dichter Jules Deelder afkomstig te zijn: ‘Amsterdammers zijn aardige mensen. Ze hebben een goed hart – het moest alleen gekookt op hun rug hangen. En dan liefst zo laag dat de honden erbij kunnen.’ Mogelijk dat die Rotterdammer het weer van iemand anders had. Hoe dan ook: wat een gruwelijke uitspraak, want wat een naar, lijfschennend beeld! O, het is vast metaforisch bedoeld. Maar met die wetenschap lost in mijn verbeelding het beeld in al zijn akelige visuele concreetheid niet op, integendeel. Iemand die zo’n uitspraak over een ander doet kan zelf geen goed hart hebben, ook al klopt het waar het hoort te blijven kloppen.

 

*

 

Steeds weer terugkerende aanname: dat men van literatuur lezen een beter mens  wordt, want inlevingsvermogen in en daarmee begrip en tolerantie voor andersdoenden en andersdenkenden verwerft, enzovoort. Ik ken er die veel literatuur lezen en medemensen nog veel beter weten te sarren.

 

*

 

Het proces van Kafka of Nabokovs Uitnodiging voor een onthoofding kan men lezen om met groeiend mededogen aan te moeten zien hoe een individu kapotgemaakt wordt en dat verschrikkelijk abject te vinden, maar men kan het ook lezen om te leren hoe je iemand het langst kunt slopen.

 

*

Ik weet niet meer zo gauw waar ik er ooit bij hem over las, maar de beelden van de gebeurtenis staan in mijn geheugen alsof ik er zelf getuige van was. Franz Kafka die op een parkbank zit wanneer er schoolmeisjes langslopen. Een innemende jonge schoonheid zegt in het voorbijgaan iets tegen hem en hij glimlacht gevleid voordat hij, een tel later, hoort wat ze eigenlijk zei: ‘Jude.’

 

*

 

Wat ik weleens wil vergeten: dat ik voor sommigen net zo’n grote sukkel ben als de grootste sukkel dat voor mij is.

 

*

 

Dit viel aan P te prijzen, vond B: hij verachtte B al vele jaren publiekelijk, maar je wist tenminste wat je aan hem had, in tegenstelling tot aan nogal wat anderen.

 

*

maandag 18 december 2023

STUK VERDRIET

 

Fritz Ascher, 'Der Intrigant', 1913

In mijn vorige bericht suggereerde ik dat Arjan Peters er indirect voor heeft gezorgd dat de uitgave van mijn verzamelde gedichten er begin dit jaar niet kwam. En ik moet bekennen dat zijn emoticon-reactie op de Facebookpagina van de uitgeverij de voorpret bepaald niet verhoogde. Ook ken ik de aanvechting om er het bijltje bij neer te gooien wanneer ik weer eens ongewild op een dergelijke beroerling uit het literaire wereldje stuit. Maar stel dat de hatelijke reactie van Peters me daadwerkelijk van publicatie had doen afzien, dan zou ik dat mispunt toch nooit en te nimmer het plezier hebben gegund dat publiekelijk van me aan de weet te komen!

         Veel, ja, zo goed als alles wat ik in mijn vorige bericht schreef blijft intussen oprecht gemeend. Maar de eigenlijke en dus doorslaggevende oorzaak van het uitgesteld zijn en voorlopig uitgesteld blijven van de uitgave van Alle gedichten was en is gelegen in mijn fysiek; een particuliere aangelegenheid die weinigen verder aangaat en waarmee ik niet zielig wil doen.

         Wat ik wél (en andermaal) wilde laten zien is het nare van de persoon van wie Leon de Winter, die ik verder meen te kunnen waarderen, blijkbaar een hoge pet op heeft.

         Want wat is dat voor een literatuurbespreker, jurylid, auteursinterviewer en nog zo het een ander literatuurderigs, die bij de aankondiging van een uitgave waarvan hij op zijn minst flinke delen van de inhoud absoluut niet kent, een verdriet-emoticon meent te moeten plaatsen? Wat is dat, gezien zijn positionering in de Hollandse literaire wereld, anders dan een poging tot intimidatie? En wat is dat tegelijkertijd anders dan een blijk van hatelijke vooringenomenheid waarmee hij zichzelf als serieus te nemen literatuurbeschouwer uitsluit?

         En nu begint uiteraard het terug meppen, opdat niemand verder het zal wagen hem in diskrediet te brengen, want kijk eens wat er dan met zo iemand gebeurt…

         ‘Kennelijk verricht ik ook in stilte veel heilzaam werk,’ schrijft hij onder het artikel op Tzum waarin naar mijn blog wordt verwezen.  Veelzeggend minachting bevestigend, niet?

         En zes uur later: ‘Eén traan van mij deed Huub Werkbeurskens (aldus Menno Wigman) de das om? Dan is hij een nog grotere droefsnoet dan ik al wist.’ En even later nog een variant daarvan met de woorden 'steevast' en 'aldus criticus Rob Schouten'.

         Niets zo droefsnoeterigs dan badinerend bedoelde woordgrappen met persoonsnamen. Hoezo ‘Werkbeurskens’ trouwens? Ik heb mijn geld altijd eerlijk en met plezier verdiend met een echte baan en heb, al is dat kennelijk in bepaalde kringen onvoorstelbaar, nooit* een werkbeurs aangevraagd! En hoezo ‘aldus Menno Wigman’? En 'aldus criticus Rob Schouten'? Werd er dan over mij gesproken in dat kutwereldje, ik bedoel, in hun cenakeltje? En wat intussen te denken van het schermen met en achter woorden van een dode? Tsjonge!

         Nu dus op naar Alle gedichten, zo gauw ik dat kan, want de diskwalificatie van een van de mogelijke beoordelaars lijkt me een voldongen feit voor iedereen met een greintje gevoel en fatsoen in zijn donder.

 ****

* Zie correctie hier: https://huubbeurskens.blogspot.com/2023/12/op-de-vingers-getikt.html


zondag 17 december 2023

DE VERDRIETIGE CRITICUS

 



Schrijver Leon de Winter maakt zich op Twitter/X kwaad over een paar krantenbesprekingen van Stad van de honden, zijn nieuwste roman.

Menigeen is van mening dat een schrijver zoiets niet hoort te doen, dat men moet ‘stilzitten wanneer men geschoren wordt’ of dat het niet ‘chic’ is. Maar lang niet alle barbiers knippen en scheren gekund en chic. Ik vind dat een schrijver het best voor zijn eigen werk mag opnemen. Hij of zij is ook maar een mens en beslist geen godheid die vanuit de hoogte of teruggetrokken toeziet wat zich met en rond zijn schepping al dan niet afspeelt. Bovendien biedt zulk verweer de lezer van diens werk de mogelijkheid de auteur en daarmee misschien ook het werk beter te leren kennen.

         Dat laatste lijkt me pure winst: de lezer kan na het lezen van het negatief besproken en vervolgens door de auteur verdedigde boek zelf beoordelen wie er waarin meer of minder gelijk heeft.

         Helaas gaat de auteur van Stad van de honden in zijn boosheid niet veel verder dan negatieve besprekingen ‘kutrecensies’ te noemen. Wel laat hij zien hoe perfide het er achter de schermen van de literatuurbespeekpagina’s aan toe kan gaan. Daartoe voert hij recensent Arjan Peters op, die hem vertelde dat hij een van de vorige boeken van De Winter van vijf sterren wilde voorzien. Peters moest zich daarvoor verantwoorden bij de hoofdredactie van De Volkskrant, De Winter was immers iemand van het andere, foute kamp. “Maar Arjan hield voet bij stuk, en in de krant straalden bij zijn recensie 5 sterren.” Bofkont met zo’n recensent uit één stuk. En nu vraagt De Winter zich dus wantrouwig af hoe de verhoudingen liggen tussen de afkrakende recensent van zijn Stad van de honden en de hoofdredactie van diezelfde krant [hier wel of geen komma?] die Arjan Peters intussen vaarwel heeft gezegd. Wat een kutwereld, die literaire wereld, niet?

         Intussen stel ik me voor dat recensenten ook mensen zijn, mensen met wensen. Dat ze niets liever willen dan lezers enthousiasmeren, dat ze derhalve  opgetogen zijn wanneer ze een boek gunstig kunnen bespreken en verdrietig wanneer ze het moeten neersabelen.

         En over honden gesproken, ik bedoel recensenten… Maar nu word ik cynisch, merk ik, en dat wil ik liefst niet. Ook ik – alhoewel van heel wat mindere statuur dan Leon de Winter – heb meer dan eens werk van mij in handen zien vallen van in mijn ogen ondeskundigen, ik heb stukken erover moeten lezen die niet eens het begin van een analyse bevatten, waarin een vergelijking met eerder werk ontbrak, waarin het oordeel werd geveld vóórdat de criticus een poging had gedaan het doel van de auteur te formuleren, enzovoort. En ik moet bekennen dat ik daardoor meer dan eens de brui heb willen geven aan dat publiceren.

         Waarom zou je jezelf, de enige persoon in je leven die je zelf kunt en moet zijn, via boeken steeds weer aan publieke beoordelaars uitleveren? Ja, als die staan te juichen en te klappen is dat weldadig voor je ego. Waarbij gezegd moet worden dat een positieve bespreking die de plank finaal misslaat qua impact dicht in de buurt komt van een Verriss, zoals dat in het Duits heet.

         Maar stel je voor dat je vantevoren zou weten wat je met een boekpublicatie te wachten staat, namelijk verscheurd of genegeerd worden, dan zou je toch van lotje getikt of een onverbeterbare masochist zijn als je die uitgave alsnog zou laten verschijnen? Jammer dus dat je niet in de toekomst kunt kijken. Zouden er recensenten zijn die dat kunnen, die a priori weten of ze blij of verdrietig van je publicatie worden?

         Ja, zulke visionaire literatuurbesprekers bestaan, heb ik mogen ontdekken, om er voor mijn persoonlijke welzijn subiet van te profiteren.

         Een tijdje geleden stelde mijn uitgever voor al mijn gedichten in één uitgave samen te brengen. In een turf van bijna negenhonderd pagina’s, waarin ook van alles zou worden opgenomen wat niet in reguliere bundels was verschenen, vaak in zeer gelimiteerde oplagen, bibliofiel of in eigen beheer, waaronder drie qua omvang complete bundels, poëzie dus die door nog pas weinigen en zeker niet door recensenten was gelezen. Ik moest even over het gulle aanbod nadenken, maar eind november vorig jaar stond de uitgave als gepland voor februari 2023 in het prospectus van de uitgeverij. En op 1 december 2022 deed de uitgeverij er ook op Facebook kond van.

  

Nog diezelfde dag was me duidelijk wat me te doen, of beter, te laten stond.


zaterdag 16 december 2023

DE STEM VAN REVE

 


Wat zou Gerard Reve onlangs gestemd hebben, stel dat hij dat nog had gekund?

         Eergisteren, donderdagmiddag 14 december, maakte ik een van mijn vaste stadswandelingen: eerst naar de Amstel, dan de Berlagebrug over, vervolgens via de Diamantbuurt de Pijp in, waarbij ik steevast de woning passeer waar het gezin Van het Reve had gewoond. Op het adres Jozef Israëlskade 116 – tegenwoordig nummer 415 – ‘woonden,’ zo lees ik nu op de site van Joods Amsterdam, ‘journalist Gerardus Johannus Marinus van het Reve (Enschede, 11 april 1892), zijn vrouw Jannetta Jacoba Doornbusch (Almelo, 15 april 1892 - Amsterdam, 11 april 1959) en hun zoons Karel Wladimir, Karel en Gerard Kornelis (Amsterdam, 14 december 1923 - Zulte, Oost-Vlaanderen, 8 april 2006). Kee (Kaatje) Hartlooper-Zomerplaag (Amsterdam, 27 juli 1871 - Amsterdam, 26 februari 1963) was hier in de onderduik. Toen de nazi’s een razzia in de Rivierenbuurt hielden op 20 juni 1943, werd Kee in een kast van Gerard verborgen.’ Die woning schijnt, met als fictief adres Schilderskade 66, het decor te hebben geleverd voor De avonden.

 

Het was precies honderd jaar geleden dat Gerard Reve in de Amsterdamse Van Hallstraat werd geboren. Dat wist ik eergisteren doordat dit feit op menige internetplek werd gememoreerd.

         Weer thuis en voor het televisiescherm gezeten, zag en hoorde ik de daarnet tot voorzitter van de Tweede Kamer gekozen PVV’er Martin Bosma een gedicht van Gerard Reve voorlezen.

         Mooi toch, zo’n blijk van cultureel interesse precies op de honderdste geboortedag van de als weergaloze stilist gekwalificeerde schrijver?

         Op wie of wat zou Gerard Reve gestemd hebben als hij dat nog had gekund?

         In het boek Revelaties, Gerard Reve over zijn Werk & Leven (2002) van Tom Rooduijn staat het volgende. “Reve bracht het gesprek op de islam, die hij kenmerkte als ‘een heel griezelige uitvinding’. Schopenhauer zag van elke religie bepaalde tekortkomingen, maar toch ook de kwailteiten,’ verklaarde Reve. ‘Hij betreurde het dat er in het joodse geloof geen verlosser was. Hij waardeerde het christendom om de eisen van vergiffenis en medemenselijkheid. Maar over de koran zei Schopenhauer: ik heb alle vertalingen gelezen waarop ik kon vertrouwen, maar in dat hele boek niets van enige waarde gevonden. Hij zag toen al het zinloze van die hele zaak in. Ook het fatalisme, dat alles geschiedt door Gods wil. Als er geen menselijke verantwoordelijkheid meer is, mag je gewoon maar een heel volk afslachten. Dan kan je vrouwen en kinderen in stukken hakken, zoals in Algerije gebeurt. ‘t Is helemaal geen religie. ‘t Is eigenlijk voornamelijk massamoord. En ‘t kent ook geen kunst. Geen beeldende kunst, niets. En dan te bedenken dat die waanzin pas 500, 600 jaar na Christus opeens begonnen is’.”

         En de VPRO zond in 1975 beelden uit waarop te zien en te horen is hoe Reve zich in verre van ironische bewoording tegenstander toont van de komst van Surinamers na de onafhankelijkheid van het Zuid-Amerikaanse land, en hoe hij niets wil weten van persoonlijke rekenschap voor de slavernij in de negentiende eeuw en vroeger.


      Op wie of wat Reve gestemd zou hebben? Ik heb een donkerbruin vermoeden.

vrijdag 15 december 2023

DE KEVERREDDER

  


Een soort kevertjes – ik weet niet hoe ze heten – ploegden zich in deze woestijn een weg naar onbekende doelen. En een van hen, nog binnen handbereik, lag op zijn rug, de pootjes naar boven. De wind had hem omvergeworpen. De zon brandde op zijn buik, wat zeker uiterst onaangenaam was als je bedenkt dat die buik gewend was steeds in de schaduw te blijven. Hij lag met zijn pootjes in de lucht te krabbelen en het was duidelijk dat hem niets anders restte dan dit eentonige en wanhopige gekrabbel – hij werd al krachteloos, na wie weet hoeveel uren, hij lag al op sterven.

         Ik, een reus, door mijn reusachtigheid buiten zijn wereld gesloten, zag dit gespartel aan... ik strekte mijn hand uit en verloste hem van zijn marteling. Hij begon te lopen, in één seconde aan het leven teruggegeven.

         Nauwelijks had ik dit gedaan, of ik zag iets verderop een zelfde kevertje, in een zelfde situatie. Hij spartelde met zijn pootjes. Ik had geen zin me te verroeren... Maar – waarom heb je die ene gered en deze niet? Waarom die wel... terwijl deze?... De ene heb je gelukkig gemaakt, de andere moet lijden? Ik pakte een stokje, strekte mijn arm uit – redde hem.

         Nauwelijks had ik dit gedaan, of ik zag iets verderop een zelfde kevertje, in een zelfde situatie. Hij spartelde met zijn pootjes. En de zon brandde op zijn buik.

         Moest ik mijn siësta veranderen in een ziekendienst voor stervende kevers? Maar ik voelde me reeds te zeer betrokken bij hun wonderlijk onmachtig gespartel... en u zult wel begrijpen: nu ik eenmaal met hun redding was begonnen, had ik niet het recht er op een willekeurig moment mee op te houden. Het zou tegenover deze derde kever ál te erg zijn geweest om juist op de drempel van zijn nederlaag op te houden... al te wreed en op de een of andere manier onmogelijk... Ja! als er tussen deze en degene die ik gered had een grens bestond, iets dat me het recht gaf op te houden – maar nee, niets dan de volgende tien centimeter zand, steeds hetzelfde stukje, wel ‘iets verder’, maar steeds maar ‘iets’. En hij spartelde precies zo met zijn pootjes! Toen ik echter om me heen keek, zag ik ‘iets’ verderop nog vier kevers spartelen, brandend in de zon – er was niets aan te doen, ik stond op in al mijn reusachtigheid en redde ze allemaal. Ze liepen weg.

         Toen viel mijn oog op de zinderende, gloeiende, zanderige helling van het duin ernaast, waarop vijf of zes spartelende puntjes: kevers. Ik snelde te hulp. Ik redde ze. En ik had me al zo met hun lijden geïdentificeerd, ik was er zo bij betrokken geraakt dat, toen ik even verderop nieuwe kevers op vlakten, hellingen en in ravijnen opmerkte – uitslag van gekwelde puntjes –, ik als een gek op het zand begon rond te schuiven om te hulp te snellen, te hulp, te hulp! Maar ik wist dat dit niet eeuwig kon duren – want niet alleen dit strand, de hele kust, zover het oog reikt, was met kevers bezaaid, dus moest het moment komen waarop ik zou zeggen ‘genoeg’, die eerste niet geredde kever moest komen. Welke? Welke? Welke? Elk moment zei ik bij mezelf ‘deze’ – en redde hem, omdat ik me niet tot die verschrikkelijke, bijna laaghartige willekeur kon opwerken – want waarom deze? waarom hij? Tot er ten slotte iets in mij knapte – plotseling, zonder moeite, riep ik mijn meegevoel een halt toe, bleef staan, dacht onverschillig ‘kom, naar huis’, en ging. En de kever, die kever waarbij ik ophield, bleef met zijn pootjes spartelen (wat me eigenlijk al onverschillig was, alsof ik genoeg had van dit spel – maar ik wist dat deze onverschilligheid me door de omstandigheden was opgedrongen en droeg haar in me als een vreemd ding).

 


uit Witold Gombrowicz, Dagboek – vertaling Paul Beers – ook opgenomen in Witold Gombrowicz, Met mijn smoel in mijn handen - uit het Dagboek gekozen door Huub Beurskens, uitgeverij Koppernik, met een omslagtekening van HB.

woensdag 13 december 2023

TABOEBLOOT

 


Enkele dagen geleden werd een docente op een school in een gemeente ten westen van Parijs bedreigd door leerlingen en ouders, omdat ze in haar les het meer dan vierhonderd jaar oude schilderij ‘Diana en Actaeon’ van Giuseppe Cesari had laten zien. Leerlingen hadden hun ogen afgewend, voelden zich beledigd en geschokt. Door het bloot op dat schilderij uiteraard.

         Zelf heb ik parttime lesgegeven in de vakken Kunst en Klassieke Culturele Vorming op een middelbare school in Amsterdam. Dat is me over het algemeen vrij goed afgegaan, als ik het zelf mag zeggen. Maar ik vraag me af hoe wat ik deed, liet doen en toonde nu, met een onmiskenbaar veranderde leerlingenpopulatie, zou verlopen. Ik bedoel, het aantal leerlingen met een islamitische ‘achtergrond’ was in mijn tijd op die school nog vrij gering.

         Enkele voorvallen van toen, inmiddels zo’n twintig jaar geleden, zijn me wel bijgebleven.

         Zo moet ik denken aan een voorval tijdens een van mijn lessen aan een gymnasiumgroep in een voorexamenjaar. Ik projecteerde de afbeelding van ‘Herder en nimf’, een schilderij dat Titiaan op zijn 88ste maakte. De nimf is naakt en ligt met haar achterste naar de beschouwer. Terwijl ik er het een en ander over stond te vertellen zag ik dat een van mijn leerlingen voorover gebogen zat, met haar hoofd naar beneden, haar zwarte haren over haar onderarmen. Ik schrok, vroeg of ze zich niet goed voelde. Ze reageerde niet. Ik vroeg het nogmaals en richtte me daarbij ook half tot de klasgenote naast haar. Die gaf toen het antwoord: ‘Ze mag daar niet naar kijken vanwege haar geloof.’ Ik klikte door naar de volgende afbeelding, een schijnbaar ‘onschuldig’ mythisch tafereel, en vroeg aan de leerlinge in kwestie: ‘Mag je daar niet naar kijken, Amira?’ Ze schudde met haar hoofd zonder op te kijken. ‘Maar je kijkt er nog steeds naar…’ Ze schudde opnieuw met haar hoofd. ‘Jawel, wij zien al lang iets anders, maar jij ziet nog steeds die blote kont…’ Toen keek ze op. Ik had twee kansen: of een vernietigende blik of een zich stralend openende glimlach. Het werd gelukkig dat laatste, en ik mocht zelfs de geile hoogbejaarde Titiaan weer terughalen om mijn verhaal erover af te maken.

 

Achoucha was een van mijn betere leerlingen in 6 vwo. Haar haren waren hoogstwaarschijnlijk zwart, maar of ze kort, krullend of sluik waren wist ik niet. Ze was oplettend in de les, ze maakte haar toetsen kunstbeschouwing en -geschiedenis prima voorbereid en met veel inzicht. Ze vervaardigde met kennelijk plezier mooie werkstukken en ze was trots wanneer ik die inlijstte om ze in de gang te exposeren of ze fotografeerde om ze op de schoolsite te tonen. Toen ik Achoucha vroeg of ze haar werk ook thuis in haar kamer of wie weet in de woonkamer hing, antwoordde ze dat ze dat aan haar vader mocht laten zien voordat het in een lade moest worden opgeborgen. Of ze dat niet vervelend of jammer vond? Nee, dat hoorde zo.

 

De hoofddoekloze, in Kalverstraatwinkeltrend geklede Fouzia stak haar mening niet gauw onder stoelen of banken. Felle mimiek wanneer ze het ergens niet mee eens was. Daar stond dan weer een innemende glimlach tegenover. Ze had een reproductie van Vermeers Gezicht op Delft als uitgangspunt genomen voor haar verbeelding van een toekomstige stad. De zonbeschenen toren van de Nieuwe Kerk deed me opeens denken aan de Giraldatoren in Sevilla. Tussen de rode pannendaken verschenen koepels en minaretten. ‘Als het zover is, mag je dat niet meer schilderen,’ merkte ik op. ‘Dat is dan ook niet meer nodig,’ antwoordde Fouzia gedecideerd.

         Haar naam werd overigens door iedereen op school steevast uitgesproken met de klemtoon op de eerste lettergreep, met de ‘ou’ als een au-klank: Fauzia. Toen ik ontdekte dat die klemtoon eigenlijk op de i moest liggen en de ou-klank als een ‘oe’ diende te worden uitgesproken en ik haar dus met Foezía aansprak, luidde haar prompte reactie dat uitsluitend familie en vrienden haar zo mochten noemen. En haar blik liet er geen misverstand over bestaan. Ik wist dus ogenblikkelijk waar en wat mijn plaats was. Enkele jaren later stapte een strak gesluierde jonge vrouw in een abaya op me af met de vraag of ik nog wist wie ze was. Mijn antwoord aarzelde geen moment: ‘Foezía!’ En ze schonk me haar nog steeds innemende glimlach.

 

woensdag 6 december 2023

"MIJN JODEN"

  


Nooit heb ik er zó ongerust bij stilgestaan welke van de kunstenaars van wie ik teksten vertaalde of met wie ik correspondeerde of samenwerkte Joods waren, zijn en blijven, als nu, hier in mijn Amsterdamse straat en buurt, waar in 1945 praktisch niemand meer leefde van de meerdere honderden Joden die er vijf jaar eerder nog woonden. Enkele tientallen ‘struikelsteentjes’ in de straat geven aan waar mensen uit hun woningen werden gehaald om gepijnigd en vermoord te worden.

        Ik had al een achttal portretfoto’s verzameld waarmee ik ‘mijn Joden’ hier wilde tonen om op die manier zoiets als ‘Blijf van hen af!’ te roepen.

        Maar wat was het toch dat me er al wekenlang van weerhield?

        Zou ik de indruk wekken mezelf middels hun persoonlijkheden en werk te willen verheffen?

        Hm. Ik vermoed dat ik het weet.

        Ik zou, hoewel met volstrekt andere bedoeling, hetzelfde doen als wat hun ergste vijanden met hen deden of wilden en nog steeds zouden willen doen: hen aanwijzen en tot Jood-zijn reduceren.