vrijdag 29 april 2011

VERGAT HET MEISJE HAAR BADTAS MAAR

Leonardo Cremonini (detail)

Te lezen op Raster online: 'Vierde kwartet', destijds opgenomen in Raster 11, 1979, nadien in de bundel Vergat het meisje haar badtas maar, 1980.

zondag 24 april 2011

ACH, WEAKLY

‘Het moet toch beetje lullig zijn om in deze bloemlezing te staan. Ten eerste krijgen de dichters de reputatie slecht opgepikt te worden door de kritiek.’
Dat schrijft iemand op 8Weekly over de bloemlezing De tegenstrijdige generatie, samengesteld door Yves T’Sjoen.
Ten eerste een fraaie omkering: een reputatie krijgen doordat je niet voldoende reputatie hebt. Ten tweede (maar eigenlijk nog eerder dan ten eerste): wat is er mis met het besef dat je werk minder gezien wordt dan dat van anderen? En wat is er voorts mis mee dat iemand opmerkt zulks niet terecht te vinden? Voor wie en wat is dat lullig? Toch alleen maar voor lieden die voornamelijk geïnteresseerd zijn in de vigerende culturele pikorde? Soms zit bij die lui toevallig een interessante dichter, maar veel meer soms niet.
Wie enig historisch cultuurbesef in zijn donder heeft, weet dat het altijd zo was en nooit anders zal zijn. Naderhand blijkt meestal dat ‘de kritiek’ en daarmee ‘de reputatie’ nog de meest aan mode en dus vergankelijkheid onderhevige componenten in het culturele getijdenspel zijn.
Afgezien daarvan heeft de scribent, uit moedwil of misverstand, de crux van het bestaan van deze bloemlezing volledig over het hoofd gelezen. ‘Still going strong’ – dat is het eigenlijke motto, tegen de hijgerige verjongingsbehoefte van de huidige cultuur in. Maar als je dat eenmaal inziet en accepteert, moet je je ook bezighouden met de overige 290 pagina’s van de bloemlezing in plaats van je slechts te storen aan 11 presenteerblaadjes, luilak.

EIGENTIJDSE ANACHRONIEK

De leeswolf,  2011,  nr. 3 / april
Eigentijds anachroniek
Huub Beurskens: Maar waar is het drama? / door Sven Vitse

"Huub Beurskens houdt er al jarenlang een bewonderenswaardig publicatieritme op na — gezegend zij de recensent die het allemaal bijhoudt. Na de roman Oorlogskind (onder het pseudoniem Loni Wolf) en het in eigen beheer uitgegeven prozaboek Dieman zijn van Beurskens eind 2010 gelijktijdig twee nieuwe titels verschenen: de essaybundel Maar waar is het drama? en het lange gedicht Mathieu. Het is al vaker gezegd: Beurskens beheerst verschillende genres en weet in elk van deze genres de ervaringswereld van de lezer — als die hem wil volgen — een paar graden ruimer te maken. Als geen ander slaagt Beurskens erin abstracte concepten als paradox en metamorfose in een verhaalstructuur, in klank en ritmiek, of in een helder suggestieve uiteenzetting vorm te geven. Dat is mijns inziens een kunst en geen kunstje, zoals ook wel eens wordt beweerd.
Ik heb in mijn inleiding bewust niet geschreven dat Beurskens in elk genre ‘een eigen stem’ vindt en bovendien ‘de lezer op het verkeerde been’ zet. In Maar waar is het drama? geeft de auteur herhaaldelijk aan met deze kwalificatie van zijn werk — al is zij doorgaans als compliment bedoeld — niet onverdeeld gelukkig te zijn. ‘Zowel ik als mijn gedichten hebben nooit ofte nimmer de intentie gehad een lezer op het verkeerde been te zetten’, luidt het. Met een dergelijke uitspraak lijkt Beurskens vooral zijn verhouding tot het modernisme (en de avant-garde) te willen bepalen. [...]"

U kunt de volledige tekst lezen in de leeswolf,  2011,  nr. 3 / april.

vrijdag 22 april 2011

BLIJVEN ZOALS HET NOOIT GEWEEST IS

Lees mijn beschouwing van Benno Barnard, Krijg nou de lyriek! op De Reactor.

woensdag 20 april 2011

PERITEKSTEN


Zojuist verschenen van Yves T'Sjoen: Dingenzoeken in Taka-Tukaland. Periteksten in de moderne Nederlandstalige poëzie.
Academia Press:

"De Franse literatuurwetenschapper Gérard Genette bestudeert in Seuils (1987) het fenomeen van de peritekst. Periteksten zijn alle tekstuele elementen die buiten de literaire tekst staan en die de aanwezigheid van een auteur laten vermoeden. Minder auteursintentioneel uitgedrukt zijn periteksten te beschouwen als semantische indicatoren die de lezing van een tekst (kunnen) sturen. Voorwoorden, fotografisch materiaal en andere visuele reproducties, aantekeningen, motto’s en opdrachten, kaftontwerpen, typografie en lay-out, regelnummering en titelkeuze in literaire boekpublicaties worden tot de peritekst gerekend.

Dingenzoeken in Taka-Tukaland bundelt essays waarin de relatie tussen tekst en peritekst centraal staat. Aan de hand van een reeks casussen in de moderne Nederlandstalige poëzie (Gaston Burssens, Christine D’haen, Hugues C. Pernath, Willy Roggeman, K. Schippers) wordt de veelzijdige werking van de peritekst onderzocht. Niet zozeer de interpretatie van de gedichten staat daarbij voorop, wel de wijze waarop de lezer in zijn lectuur en dus in het proces van betekenisgeving wordt gestuurd door periteksten. De schrijvers Benno Barnard, Huub Beurskens, Eva Gerlach, Peter Holvoet-Hanssen, Saskia de Jong, Roland Jooris, Jan Lauwereyns en Roger de Neef dienen de lezer van hun (peri)teksten van repliek en lichten aspecten van de auteursintentie of een eigen zienswijze toe. In de essays over poëzie van Albert Bontridder, Richard Minne en Paul Snoek wordt de tekstinterpretatie vanuit of met aandacht voor de peritekst (een aantekening, de titel van een gedicht en een omslagtekening) ondernomen."

Academia Press, ISBN 9789038216683, 267 pagina's, € 24,-

woensdag 13 april 2011

POËZIE EN ADEMNOOD


Het lezen van poëzie kan levensgevaarlijk zijn. Gelukkig heeft Nederland een dappere keurmeester. ‘Dit is geen taalspel.’ Wanneer hij dat keurmerk op een bundel heeft gestempeld en je begint desondanks aan de lectuur, dan moet je, mocht je het onverwacht overleven, naderhand niet zeuren bij zorginstellingen en verzekeringsmaatschappijen. Revalidatie op eigen kosten zal onontkoombaar zijn.

In de nieuwste bundel die hij met gevaar voor eigen leven voor volk en vaderland heeft gekeurd, komt hij al meteen terecht in ‘het ruige bergmassief van twee ongenaakbare borsten’. Een zo gewaarschuwd man telt voor twee, zou je denken, maar nee, hij trekt heldhaftig juist dit bergmassief binnen, hoewel er ‘geen spoor van een hoofd’ is. ‘De bundel opent zich als een lichaam’, en voor ‘de lezer die wil weten wat erin staat, zal (hij) dit vreemde en intieme terrein moeten betreden.’

De man verdient op dit punt aangekomen al een koninklijke onderscheiding.

Als een koene solitaire ridder aanschouwt hij weldra ‘een erotisch slagveld waar je van schrikt.’ Hij had natuurlijk al zo’n vermoeden. ‘De titel roept een sfeer van eenzaamheid en onherbergzaamheid op,’ zegt hij, ‘en de gedichten bevestigen de verwachting.’

Wat hem dan overkomt, wens je niemand toe: ‘Ik hap naar adem als ik de gedichten lees.’ En meteen daarna dit: ‘Het boek valt uiteen in drie afdelingen.’ Geen wonder dat hij even verderop als ‘lezer struikelt’.
‘Pregnant en overrompelend’ is het allemaal, ‘hardcore’, met ‘wurgende ontontkoombaarheid’ van bepaalde banden, onthutsend, een ‘verlaten arctisch landschap van geilheid en pijn’.

De keurmeester kan dan ook nog net, godzijdank voor ons, zijn samenvattende slotzin uitstoten: ‘Deze poëzie snijdt mij de adem af.’

Stel je eens voor dat ik nietsvermoedend die bundel had aangeschaft, dat ik hem in de rookstoel onder de schemerlamp gezellig wilde gaan zitten lezen en dat mijn vrouw binnen vijf minuten in paniek was komen aansnellen, ‘Wat is er? Wat is er met je? Stop dan ook met roken!’, hoewel ik mijn hele leven niet had gerookt.

dinsdag 12 april 2011

VOORDELEN VAN RELATIEVE ONBEKENDHEID

Een van de niet uit te vlakken voordelen van relatieve onbekendheid als schrijver is, dat je nog steeds heus verrast kunt worden, zoals hierdoor: een enthousiaste bespreking van de roman Noordzeepalmen die ik schreef toen de bespreker nog niet eens geboren was.
Ik heb dat boek nooit meer teruggelezen en ik weet, denk ik, ook waarom: niet omdat het schatplichtig is aan een door mij tot op de dag van vandaag bewonderde schrijver, maar omdat ik vrees dat ik met die roman bij die schrijver zelfs niet in de schaduw zal mogen staan, hem misschien zelfs verkeerd heb getaxeerd en daarmee heb vervormd.
Ik vermoed ook dat de bespreker gelijk heeft wanneer hij suggereert dat ik in dat boek beter niet zo direct naar Nabokov en diens roemruchte roman had kunnen verwijzen, dat suggestie voldoende en dus beter zou zijn geweest. Ik herinner me dat ik het niet aandurfde om het risico te lopen ervan te worden beticht dat ik deed alsof mijn neus bloedde. Wist ik veel dat er dertig jaar overheen zouden moeten gaan voordat iemand de spoedig zoek geraakte roman als een 'verborgen parel' zou opvissen.
Een ander voordeel van relatieve onbekendheid: dat je je bij het schrijven steeds minder aantrekt van dat soort omzichtigheden en angsten met het oog op vermeende recepties.

zondag 3 april 2011

UIT DE MODE

Allereerst dit: het werk van Jeroen Brouwers ken ik nauwelijks, zijn nieuwste roman heb ik niet gelezen.
Dan dit: in een eerder bericht besteedde ik aandacht aan een groot artikel van Jeroen Vullings in Vrij Nederland, aanleiding om benieuwd te zijn naar de consequenties en concrete gevolgen van Vullings’ woorden voor zijn (kritische) omgang met literatuur.

Inmiddels heb ik weer net zoveel interesse in des letterenchefs opinie als in die van een redactrice van Teen Vogue:
‘Horlogemakersproza. Zo werden Jeroen Brouwers’ romans ooit betiteld. Daarmee wordt bedoeld: gelaagd proza, waarin de schrijver met noeste vlijt symbolen, betekenislagen, verwijzingen heeft aangebracht. Alle radertjes hebben een fijnmazige functie in de waterdichte structuur, volgens het brouwersiaanse principe: niets bestaat dat niet iets anders aanraakt. Proza van schrijvers die als almachtige goden greep op en controle over hun verhaaluniversum willen houden. Chaos dient uitgeband.
De hoogtijdagen voor zulk door de schrijver zwaar en ernstig beademd proza waren de jaren tachtig van de vorige eeuw. Uiteraard wordt er nog steeds proza geschreven met verscheidene betekenislagen, maar daarin mag de aanlegkabel meer gevierd worden ten gunste van het verhaal, en de schrijver speelt meer met die allusies en lagen – zoals Roberto Bolaño. Het bloedserieuze gelaagde schrijven is passé.’ - Vrij Nederland 31 maart 2011

Ach, Rembrandt was ook passé toen hij De samenzwering van Claudius Civilis schilderde en zijn werk voor het nieuwe Amsterdamse stadhuis werd geweigerd.

(Lees ook Marc Kregting: ‘De door mij beoogde literatuur zal nadruk op haar taalgebruik leggen, maar niet ter “ontregeling”. Ze wil de ideologische premissen van het bestaande oprakelen en dus ook redenaties die leiden tot etiketten als “gedateerd”.’)