maandag 13 december 2010

EEN VROUW MET DRIE ARMEN

Op De Reactor bespreek ik Robert Hass, Een verhaal over het lichaam, gedichten, gekozen en vertaald door H.C. ten Berge.

dinsdag 7 december 2010

LEOPOLD REVISITED (BLOEM 2 & 3)

Rein Bloem heeft het klaargespeeld. Zelfs van beste vrienden kreeg ik de wind van voren naar aanleiding van een posting waarin ik blijk gaf van mijn teleurstelling bij de lectuur van gedichten van J.H. Leopold. Maar ik liet me niet overhalen.
Enkele dagen geleden maakte ik hier melding van een uitgave van een keuze uit het beschouwend werk van Rein Bloem. In dat boek las ik nu ‘Het voorbeeldige gedicht’, een beschouwing die Bloem in 1989 in Raster publiceerde. (Het moet een herlezen zijn geweest, hoewel ik me van de eerste keer niets herinner.) Bloem laat hier zien waarom een bepaald gedicht uit Leopolds Verzen 1897 ‘zo mooi (is) als iets maar kan wezen’. Hij gebruikt een versie in hedendaags Nederlands, hier die uit het einde van de 19de eeuw:

Schepen liggen er; waarom zoo…
het lieve water leed het zoo.

Vele zeilen zijn uitgehangen
breede, sleepende. Huizengangen

stonden; zacht getreden nu
schromelijk, want het was alles luw

vervuld; in de heldere streken
van den witten hemel geleken

wenschen te wezen, mijn zinnen dreven
er in, in een zachten trek opgeheven.

Droomen bleef over: was het voor dezen
al zoo, was dit het eerste wezen?

Ik moet toegeven, dit gedicht is intrigerend, te beginnen met de schijnvraag en het schijnantwoord van de eerste twee regels en voorts met die ‘uitgehangen breede, sleepende’ zeilen, dat beweeglijke tegenover (mogelijk figuurlijk en letterlijk) de typische, staande ‘huizengangen’ (zijn het gangen tussen huizen?), tot en met het eindvraagteken dat ons voor zijn antwoord terug het gedicht in stuurt, want daar ergens bevindt zich inderdaad iets van ‘het eerste wezen’. Aan spijkers op laag water zoeken heb ik hier geen behoefte. Dat ‘huizengangen stonden’ en niet hingen of lagen is weliswaar evident, maar mede door het enjambement van de ene strofe naar de andere wordt de werkwoordsvorm bijna iets concreets, als het ware de andere zijwand van zo’n huizengang. Bovendien hoor ik de tijd in ‘stonden’.
Dit alles terwijl ik nog steeds weinig gecharmeerd kan zijn van geestelijke ijltes als wensen waar zinnen in drijven. Maar wat zei Ludwig Wittgenstein toen hij financiële steun gaf aan Georg Trakl over diens gedichten? ‘Ich verstehe sie nicht; aber ihr Ton beglückt mich.’ Hij deed zich daarbij natuurlijk dommer voor dan hij kon zijn.
Het is niet alleen de toon van dit Leopoldgedicht die me bevalt. Wat me boeit is dat iets uit postparadijselijke, homo fabertijden (schepen, huizen) de indruk van een ‘eerste wezen’ kan wekken en dat iemand dat heeft gezien en is willen blijven zien.
          Met postume dank aan Rein Bloem. En vanzelfsprekend dat ik dan met andere zinnen naar wat omliggende Leopoldgedichten probeer te kijken. Hier lees ik bijvoorbeeld over ‘een wenschen, dat ver weg wou’ en dat kan er bij mij dan weer niet in, want hoe kan een wens zelf iets wensen…? En dit: ‘Zij waren den dag zich moe gegaan / met zwoegen en met gezucht, / in den laten avond kwamen zij aan / in Bethlehem het gehucht.’ Vooral aan die laatste toevoeging kleeft, onderweg in het adventseinde, nog speculaas van het Heerlijk Avondje.
Rein Bloem maar weer lezen. Want wat me aan Bloem ook bevalt is dat hij er niet voor terugdeinst aan andermans versjes te zitten, ook niet aan die van door hem als meesters beschouwde dichters. Een ervan is Simon Vestdijk, wiens acht lezingen over poëzie (De glanzende kiemcel) volgens Rein Bloem ‘jaarlijks minstens eenmaal herlezen moeten worden.’
          In De Groene Amsterdammer van 12 oktober 1988 zit hij allerminst zuinig te kappen en te snoeien in een bekend Vestdijkgedicht. Vestdijk laat zich in de laatste van zijn lezingen expliciterend op de vingers kijken bij het schrijven van een sonnet. Het levert uiteindelijk, naast een afgekeurde versie, twee varianten op. De acceptabel geachte gedichten beginnen, net als het afgekeurde, met ‘De herfst bouwt veel kerktorens bij; zij rijzen’.
          ‘Ik kan er niet afblijven,’ zegt Bloem, ‘en schrap, te beginnen met zij rijzen. Dan kerk, want andere torens zullen er daar in Brabant niet zijn. Vervolgens veel dat er in poëzie meestal weinig toe doet. Ten slotte om het algemeen geldig te maken misschien de. Vijf woorden schrappen. Kijken of het overhoudt: Herfst bouwt torens bij. Vier heffingen. Kan dat: een sonnet beginnen met een regel van vijf in plaats van tien of elf lettergrepen? Waarom niet?’
          Met het schrappen van de kerk ben ik het niet eens. Brabant vind ik geen argument en zelfs daar heb of had je ook nog andere torens, zoals die voor de watervoorziening, tegenwoordig kun je minaretten ook niet meer over het hoofd zien.

De herfst bouwt veel kerktorens bij; zij rijzen
Ver achter elke ontbladerde laan;
En zelfs achter het bos komen zij staan
Om wandelaars de windstreken te wijzen.

Aldus Simon Vestdijks eerste strofe van variant 1. Ik kan er niet afblijven en verander het ontbladerde, want ik wil de torens geleidelijk zien (ont)staan, tenslotte is het nog geen winter. Verder vind ik het een beetje armoedig dat zulke torens er alleen maar komen te staan omwille van hun windvaan, hoe kriepend die in de winter ook zal gaan draaien. In variant 2 ‘Zien wij hun spitsen naar de hemel wijzen.’ Wat anders trouwens dan hun spitsen? Sowieso komen staan: dat is te veel gesjok voor een bouwsel dat verticaal ontstaat. Net als Rein Bloem mag van mij dat zij rijzen als redundant eruit. Probleem (waaraan Bloem zich niet heeft gewaagd, want hij houdt het na die ene versregel voor gezien): het rijm gaat verloren. Alternerend in plaats van omarmend, kan dat? Waarom niet?

Herfst bouwt kerktorens bij.
Achter elke ontbladerende laan,
Achter bossen zelfs rijzen zij
En wijzen ons de hemel aan.

zaterdag 4 december 2010

DE ZEE IN EEN FLES


De zee in een fles
Documentaire
Productiejaar 1990, lengte 70 minuten.
Regisseur Rein Bloem, producent Frans van de Staak
Scenario Rein Bloem.
Camera Bernd Wouthuysen, Geluid op de set Piotr van Dijk, Mixage Piotr van Dijk, Editor Jan Dop, Muziek Studio Laren
Cast: Claire de Roever, Anne Duden, Huub Beurskens, Stefan Hertmans
***
De zee in een fles was, zonder dat Rein Bloem er ooit weet van heeft gehad, bijna niet doorgegaan, vanwege een hooglopende vriendenruzie tussen Stefan Hertmans en mij. We wilden elkaar nooit meer ontmoeten. Onze aan Rein Bloem gedane toezeggingen voor medewerking aan De zee in een fles hebben er echter voor gezorgd dat het conflict werd uitgepraat en de ruzie werd bijgelegd, op de beste plek daarvoor, de verlaten nachtelijke Doganapunt.
Die dag hadden we al samen gereisd. Reins partner Marijke en de hoofdrolspeelster Claire waren eveneens van de partij. Bij onze Alitalia-overstap in Milaan werd Stefan door een speurhond, een Duitse herder, subtiel betrapt op het bij zich hebben van drugs die hij niet bleek te bezitten. Van het Venetiaanse vliegveld Marco Polo werden we vervolgens, als filmsterren zonder publiek, door Rein persoonlijk afgehaald per snelle watertaxi. Anne Duden zou later vanuit Londen arriveren en in een ander hotel logeren.
***
Van hoe Rein Bloem ons, drie schrijvers, in verband met Carpaccio op het spoor is gekomen, laat de boekpublicatie Zulke scheuten, zulke tronkTweeënvijftig sprongen in poëzie uit 1989, iets zien. De bundel bevat poëziekolommen die Rein Bloem wekelijks in De Groene Amsterdammer publiceerde. De titel zegt al genoeg over de eigengereide aard van die stukken. Hij was Vittore Carpaccio, een van zijn eigen lievelingsschilders, tegengekomen in zowel mijn lange gedicht Charme (waarin de verteller zich op de Giudecca bevindt, wachtend op zijn geliefde en de oversteek) als in Stefan Hertmans’ bundel Bezoekingen. En in 1987 was mijn vertaling verschenen van Anne Dudens prozaboek Das Judasschaf (Berlijn, 1985), waarin Carpaccio’s werk een cruciale rol speelt.



***
Terwijl de filmcrew, moe van een dag hard werken en met weer zo’n dag voor de boeg, al het bed had opgezocht, werden de drie gastschrijvers samen dronken in een bar. Naderhand werd ik zelfs nog door carabinieri van de waterstad berispt vanwege urineren in het openbaar.
            De volgende ochtend figureerden we voor een van de filmscènes op een pleintje dat weinig toeristen kennen. Terwijl ik wat zat te tekenen (een gebeeldhouwde mensenschedel boven een deur, een bruggetje), was ik er getuige van hoe Stefan verderop zomaar en plein air een gedicht zat te schrijven – iets wat mij nooit was gelukt en zou lukken. Als ik het goed heb, is dit het gedicht, zoals het in 1991 werd opgenomen in zijn bundel Verwensingen:

VERWENSING VAN RUIMTE (VENETIË)

Je loopt die ene uit
en ziet piazza’s grijnzen;
boten vervoeren schimmen
die in extase staan tot aan
een visdoorstonken halte.
Rituelen elke dag.

Inktvis ademt je voeten zwart,
we moeten door passages.

Zattere, hou me aan de mast.
Want zee kruipt groen
op trappen en mijn matroos
bond me niet vast.

Ik hoor je zingen tussen dode
mannen, zeer ver noordwaarts,
ik hoor het klotsen van de ruimte
in de nacht.

Pleinen verzwelgen ons,
vooral in duister,
sottoportego,

een geheime holte
waarin Carpaccio’s hagedis
op ons wacht.

Mijn reactie op dit gedicht liet de nodige jaren op zich wachten. Het gedicht ‘Ruimte voor verwensing’ publiceerde ik in mijn bundel Eigenlijk heb je alles al (2008):

Ruimte voor verwensing

‘Aan passies valt niet te ontkomen,’
zei je op een avond een kwarteeuw geleden
op een van visgeur doortrokken kade waar

we als in extase tussen twee haltes wachtende
schimmen waren voor wie ons vanuit langsvarende
boten zagen. ‘Net zomin als de hagedis aan de leeuwin,’

antwoordde ik, ‘zo gauw die onder haar klauw is
weten te geraken.’ ‘Ik kan nu sterven,’ zei je.

Doorgangen zijn we die door passages moeten
en telkens weer nog een keer in ons voorbijzijn
willen blijven staan onder een zuchtende poort

tussen pleinen die inwisselbaar grijnzen naar je komen
en je gaan begoocheld door azuur in pestvuil water
en marmer gegroeid uit voorgoed gesnoeide bomen.

‘Ik kan sterven,’ zeg je een kwarteeuw later, ‘nu ik
dit heb gekend.’ We zitten in de zon, net boven het water
dat kabbelend spiegelt tegen de kademuur, met nieuwe

staarten, maar zonder wervel of spier, stomper dan
de oude waren. Ik spied naar ontsnappingsgaten,
jij kruipt in de schaduw van een zich likkend dier.

***
In Rein Bloems semi-documentaire film verbindt een meisje de Venetiaanse Carpaccio’s met elkaar.
            ‘Dat hedendaagse meisje,’ aldus de regisseur zelf (in Bzzlletin 249, oktober 1997), ‘duikt in een kleurig Carpacciokostuum overal op, een soort fee die verschijnt en verdwijnt waar je bijstaat. Zo zit zij op een stoepje aan een stille gracht, Fondamento Furlani, uitkomend op hét Carpacciomuseum Scuola di San Giorgio degli Schiavoni, waar eeuwenlang Sint Joris, Sint Hieronymus, Sint Augustinus et alii aan de wand zijn blijven hangen, je weet niet wat je ziet.
            De een na de ander ziet het meisje aan de overkant drie liefhebbers de deur ingaan, Duden, Beurskens, Hertmans. In één shot maak je dat met de bewegende camera mee – ten slotte blijkt de muze op de stoep verdwenen of ze er nooit had gezeten. Zij laat het werk over aan de drie gasten.’
***
Dat ‘werk’ bestond overigens ook uit activiteiten die van echte filmsterren als Jack Nicholson nooit zal worden gevraagd. Bij gebrek aan voldoende personeel moesten wij, acteurs, bij de opname van bepaalde scènes de kade vrijhouden van toevallige passanten. Enkele Venetianen lieten zich door mij even tegenhouden, maar prompt trok iemand zich natuurlijk terecht niets aan van zo’n verzoek van een of andere sullige straniero. Zo heb ik heb ik Rein ‘Cut!’ horen roepen en meteen daarna hard horen vloeken.
            Sowieso waren professionaliteit en geld met de dag verder te zoeken. Zo kregen Stefan en ik al gauw het vriendelijke maar dringende verzoek elk onze hotelkamer in te ruilen voor een goedkopere en te delen kamer in een dependance van het hotel.
            In die dependance werden we wakker van het mechanische getik van een ouderwetse draagbare schrijfmachine. De wild bebaarde Rein Bloem had, achter zijn typemachine, qua uiterlijk iets weg van Stanley Kubrick die bezig was het script voor The Shining voor een opnamedag aan te passen. Daarmee hield de vergelijking ook weer op.
            Ik herinner me ook nog de onverkwikkelijkheid van een verwijtende woordenwisseling tussen Anne Duden en Rein in een restaurant (waar we vanzelfsprekend onder meer carpaccio aten).
            En ik meen dat Rein met ons mee terugvloog naar Amsterdam. Ik zag de film voor het eerst in Rialto – Waar anders? – aan de Amsterdamse Ceintuurbaan. En natuurlijk werd ook daar na afloop van de vertoning carpaccio geserveerd.
***
‘In de uitnodiging hadden de makers carte blanche gekregen: ze moesten zelf één van de doeken kiezen, ze konden hun eigen gang gaan, proza, essay, gedicht – alles mocht; de enige begrenzing lag in de tijd: twintig minuten tezamen. Ook de cameravoering lag in hun handen, bij wijze van spreken. (…) Beurskens stond voor De dood van Hiëronymus en had er een tragikomedie van gemaakt. Met een droge stem las hij ter plekke een monoloog van de leeuw voor, springerig verwijzend naar allerlei details, ook van andere niet aanwezige schilderijen.’ – Rein Bloem in Bzzlletin.
***
De films van Rein Bloem in de collectie van het Filmmuseum zijn niet zo lang geleden vrijwel alle gerestaureerd. En nu is er een selectie uit Bloems beschouwend werk verschenen: Lees dat en herlees dat, uitgeverij Perdu, Amsterdam 2010). Aanleiding voor het ophalen van dit soort anecdotische herinneringen en het oppoetsen van mijn eigen beeldverhaalbijdrage aan De zee in een fles.
            Cave Leonem is HIER te lezen en te bekijken. Zie ook de vervolgposting over Bloem.