maandag 26 december 2011

TEGEN DE ONTREGELAARS



Houd dicht je innerlijk gesticht, kerm niet, dichter. Hoor.
Ook van achter een engelenkoor en uit reten tussen rijmen
dringen kreten door. De poorten hebben booggewelven
van stenen die je juist niet bedelven daar ze alle almaar

tegelijk vallen willen, subiet. Schoonheid is er niet voor
om te verhullen wat na het villen rest,  noch om te lijmen
wat breekt en scheurt. Wanneer je met la beauté zelve
het bed mag delen en ze vraagt: ‘Hou je van mijn haar?

Van mijn oren? Mijn neus? Mijn mond? Mijn ogen? Mijn
knieën, tenen, ellebogen? Je houdt dus van mij totaal?’ –
zeg dan: ‘Ja, totaal, teder en tragisch.’ Het is, tegen de keer,
de opgave onze gave van het streven naar het magisch gave

niet op te geven. Ontregel het  verkeer van auto en trein,
probeer of je bakker en slager het lekken van zin uit wartaal
ontdekken. Maar storm geen beelden, vorm ze, telkens weer.
Elk mens weet toch zijn hele  leven zich al ten vuur of grave?

Na het laatste uur wacht je zelfs geen leegte meer die lacht.
IJdelheid der ijdelheden om de medemens struikelen te laten,
om als prediker hem het onder zich gebukt gaan aan te leren!
Wat heb jij niet dat Kalf en Heda  in hun stillevens deden

om, ondanks het onherroepelijke rotten, fruit zo sappig zacht
te tonen,  om, ondanks het been in de ham, in de vis de graten,
vlees zo smakelijk weer te geven, oesters voor het dineren
vers geopend af te beelden, ziltig slurpbaar tot op heden,

om ondanks zijn akelige hiaten een kale schedel in zíjn glorie
te belichten, de vinger geheven tegen het penseel gezet? Niets
en niemand meer om te prijzen vanwege kostelijke spijzigingen,
Saturnusringen  in de sterrenkijker, de luis onder de microscoop?

Waarlijk geloven was nooit loven omwille van een Apriori,
zoals waarlijk loven nooit voortkomt uit een angst voor Iets.
Als je nou nog als een lichtdrager luister  in het duister zingen
wou en kon! Ik deel jeweerstand tegen rijmdwang en syncoop,

echter rijmen, lettergrepen tellen, scanderen op zich laten
nog niet braafjes de ss de poëzie binnenmarcheren. Net zomin
als wanneer  je om de vijf woorden de zinsopbouw frustreert,
je principeel elke betekenis ontwricht, dat zal verhinderen

dat de ruiten sneuvelen wanneer er tanks je straat aan gaten
rijden, dat je als een espenblaadje staat te trillen of geen vin
meer verroert wanneer een echt soldaatje zijn echte geweertje
als een klaar taaltje op je richt, en je hakkelt: ‘Onze kinderen!’

al heb je er zelf geen, en niemand verstaat je. Maar eerlijk is
eerlijk, maatje: weet je dat ik ook niet weet wat er meer te
bereiken is met een gaaf gedicht vol schoonheidsbegeerte ,
behalve dat het passender bij mijn lijkkist uit te spreken is?

© Huub Beurskens, december 2011

Aantekening
cf. Heinrich von Kleist in zijn brief van 16.11.1800 aan Wilhelmine von Zenge: ‘Da ging ich, in mich gekehrt, durch das gewölbte Tor, sinnend zurück in die Stadt. Warum, dachte ich, sinkt wohl das Gewölbe nicht ein, da es doch keine Stütze hat? Es steht, antwortete ich, weil alle Steine auf einmal einstürzen wollen – und ich zog aus diesem Gedanken einen unbeschreiblich erquickenden Trost, der mir bis zu dem entscheidenden Augenblicke immer mit der Hoffnung zur Seite stand, daß auch ich mich halten würde, wenn alles mich
sinken läßt.’ Alsook Camille Laval (Brigitte Bardot) in Jean-Luc Godard, Le mépris (1963).

donderdag 22 december 2011

FOPTOCHPRIJS?


'Voor een gedicht moet je eigenlijk met zijn vijven zijn.
(Anders snap je het niet? Bedoel je dat?)'
    - Tonnus Oosterhoff in 'Hersenmutor'.

En met zijn vijven waren ze!

'Vernieuwend', 'wartaal', 'betekenis lekkend'. Is onderstaande aanzet vernieuwend, wartaal en betekenis lekkend zat? En krijg ik, wanneer ik zo doorga, ook zo'n Foptochprijs? Wanneer hebben we jullie weer bij elkaar, alle vijf op een rijtje?


Hometurners

Hoe wonder is Jehova het zeggen van de taak?
Inbeltij. Eb tintel mij, schud geallieerden echter.

(Eb dankend:)
O was de ezel hees, had schaar in de zijde?
En emir onthaarde behaald katje.
(Hometurners leppen naakt lamsvlees.)

                    [enz.] 

Of vinden jullie dit, van een dichtende vriend van me, nog beter?


HEUR TORMENS

Hoe onder Kaat te leggen tot je in mag bellen?
Ijle tingel. Uche met de lenige rij van lied.

(Bedankt en:)
schreit het dazende lijden dat het iel was?
Een; je dekte haar ondankbaar.
Heur tormens spalkt slap slapende memmen.

         [enz.]

Of kunnen we beiden beter meteen naar de écriture-automatiek?


zaterdag 17 december 2011

NABOKOVS HEKEL AAN MANNEN


In een vraaggesprek (in NRC Handelsblad van 16 december jl.) laat Elsbeth Etty de Britse schrijfster Jeanette Winterson het volgende roepen: ‘Oxford was fantastisch’, roept ze. ‘Daar heb ik kennis gemaakt met feministische auteurs als Doris Lessing, Toni Morrison, Kate Millett en Adrienne Rich, wier werken voor mij als een nieuwe Bijbel waren.’ Maar het zaad van haar feminisme werd al op de middelbare school geplant, en wel door Lolita. Toen haar leraar Nabokov ‘een heel groot schrijver’ noemde, antwoordde Winterson, ‘Hij heeft een hekel aan vrouwen’. Nu denkt ze dat dit besef het onbewuste begin van haar feminisme was. ‘Ik vond Lolita verbijsterend. Dit was de eerste keer dat literatuur als verraad voelde.’
          Het lijkt me inderdaad geroep. Zou Winterson de kwestie, zeker inmiddels of langzamerhand, niet eens moeten omkeren, dat wil zeggen, op zichzelf moeten betrekken in plaats van op Vladimir Nabokov, en dus met terugwerkende kracht ‘Ik heb een hekel aan mannen!’ tegen die leraar hebben moeten uitroepen?
          Hoe dan ook is het onterecht om Vladimir Nabokov ervan te beschuldigen dat hij, zowel in als buiten zijn boeken, een hekel heeft en had aan vrouwen. Veeleer had hij juist een hekel aan mannen (en aan het man-zijn). Het verschil met Winterson is dat dit bij hem natuurlijk allerminst als indicatie voor lesbische geaardheid kan worden gezien…
          Humbert Humbert, Timofey Pnin, Albinus en zelfs Van Veen: stuk voor stuk voorbeelden van het zowel irritante als sukkelige en dus betreurenswaardige type Orpheus-tegen-beter-weten-in. Geen van het stelletje intelligente onnozelaars heeft een echte vriend, dat wil zeggen een mannelijke kameraad, bij wie hij te rade zou kunnen gaan, die hem mogelijk uit de ellende, dat wil zeggen, uit de verblinding zou kunnen helpen en op wie hij zou kunnen terugvallen. Alleen al in dat opzicht lijken ze sprekend op hun schepper, want wie was de boezemvriend van Vladimir Nabokov? Ik zou geen naam van een man weten te noemen. Wel de naam van een vrouw. Die van zijn eigen vrouw: Véra Nabokova, geboren Slonim, met wie hij vanaf 1925 was getrouwd en met wie hij getrouwd bleef tot de dood hen in 1977 scheidde, en aan wie hij, op een korte affaire in de jaren dertig na, hondstrouw is gebleven.

Alle redenen om, op grond van deze gegevens, opnieuw furieus aan het touw van de feministische alarmbel te trekken. Want wat was dat voor een kerel die gedurende meer dan een halve eeuw huwelijk veelal boeken schreef waarin volwassen mannen in de ban raken van jonge jongedames, en die deze mannenfantasieën ook nog allemaal aan zijn echtgenote dicteerde opdat zij het op de typemachine tot bruikbaar manuscript mocht verwerken?

Het beste antwoord op deze vraag – en daarmee de beste parade tegen deze impliciete, schijnbaar onvermijdelijke touché – biedt nog steeds Klaus Theweleit in een van de drie delen van zijn onvolprezen publicatie Buch der Könige. In de drie volumineuze banden draait het voortdurend om de man als Orpheus en zijn wil tot of omgang met macht en machtsposities, en daarbij worden de mannen met de spelletjes die ze spelen allerminst gespaard. In het derde deel, genummerd 2y en met als ondertitel Recording angels’ mysteries, vraagt Theweleit zich af (nadat hij een vrouw* heeft geparafraseerd die allerminst gecharmeerd is van een ‘geseksualiseerde hyper-idealiteit’ in de romans van Nabokov, daar die het streven van vrouwen naar ‘Alteriteit’ tegenwerken), hoe dat nu zat met Véra Slonim, Nabokovs echte vrouw.
          In zijn grafrede voor Véra in 1991, somde Nabokovbiograaf Bryan Boyd op wat zij allemaal voor haar man was geweest: literair agente, archivaris, bibliografe, zaakwaarneemster, chauffeur, kok, redactrice, advocate, muse, onderzoeksassistente, secretaresse, sharebroker, onderwijsassistente, vertaalster en typiste. Vijftien rollen, plus één: vrouw. Waarbij haar rol als tegenspeelster bij het schaken en Russisch scrabble niet eens werd meegeteld. Meer dan genoeg ‘bewijzen’ voor haar ondergeschiktheid. Maar, aldus Theweleit, ‘Nabokov’ was ook haar project… ‘De liefde die Vladimir met de vrouwen van zijn boeken bedreef, zou immers onverdraaglijk zijn geweest voor een simpelweg “tikkende” echtgenote, tenzij deze liefde trekken had van de liefde voor haarzelf. “Eurydice”, die dit steeds weer had moeten overschrijven als liefdesfantasieën van haar man met andere vrouwen, zusters, twaalfjarige Eurydices, zou zijn gestorven of zou er op zijn minst jicht van in de vingers hebben gekregen. Maar dat overkwam Véra niet. Het paar als zelf liefhebbend in een voortdurende (voorbije Russische) incest – moet zijn meegeschreven in Nabokovs teksten, waardoor Véra Nabokov er zo mee kon leven en haar man zo kon overleven, zonder aanwijzing voor moord, naar het lijkt. In de vraaggesprekken met haar na Nabokovs dood blijft dat zo: alles draait om het expliceren van de contouren van zowel persoon als werk, zonder de geringste ondertoon in de trant van “nu zal ik eens uit de doeken doen wat ik allemaal niet mocht vertellen toen hij nog leefde”. Dit alles doet vermoeden dat zij niet slechts deel van de vlinderpatronen was, maar de coproducente ervan, de medeschepster van Vladimir Slonim.’
          Spoedig daarna komt Theweleit met deze gevolgtrekking: ‘Als man/vrouw elkaar alle “perversies” en afwijkingen, alle eurydiceïsche hier-en-nu-“incesten” zelf toestaan, de verboden liefdes liefhebben, de verboden gedachten denken in een duurzame transitie (…), heb je geen wereldlijke staten meer nodig als ‘helpers’ of hendel voor het claimen van je toekomende ‘rechten’ en hun manier om ‘orde’ op te leggen (met werkdwang, oorlog en wetten, seksuele en artistieke normen).’

Moet worden vervolgd.

* Christina von Braun, Nada, Dada, Ada oder die Liebe nach dem Jüngsten Gericht, 1992.

dinsdag 13 december 2011

DE KANARIES OP OOTEOOTE

Zojuist gepubliceerd op de literatuursite Ooteoote: de tekst van de lezing over Willy Roggeman die ik vrijdag 9 december hield in Het Pand te Gent.

zaterdag 10 december 2011

KUNST IS NIET DEMOCRATISCH


Op de nieuwe literatuursite Ooteoote, werd er afgelopen week op gewezen dat het zinnig zou zijn om eens te bekijken of je vandaag de dag op dezelfde gronden als dertig jaar geleden kritiek zou kunnen en moeten hebben op het cultuurbeleid van de overheid. Hoewel ik me ook even ter plekke heb geroerd, keer ik voor een vervolgopmerking terug naar mijn eigen stek. Niet alleen omdat er binnen de kortste keren weer andere items overheen rollen die bepaalde kwesties binnen de kortste keren onder zich lijken te bedelven – ook voor zo’n site is de finishloze race om de actualiteits-‘waarde’ een niet weg te denken factor. Eveneens niet alleen omdat deze kwestie daar en vooral elders inmiddels leidt tot weeral gesteggel met schele ogen over subsidiegelden die de een de ander niet gunt. Maar vooral omdat ik helemaal niet geloof in de zin en waarde van discussies over kunst en literatuur. Althans niet tussen mensen die zelf kunst maken, zoals beeldende kunstenaars, filmers, schrijvers. Althans in de publieke ruimte, op een al dan niet digitaal podium, met tien of duizend toehoorders in de al dan niet virtuele zaal.
          Een kunstenaar, ook wanneer hij stemt op een democratische partij en wanneer hij zijn leven probeert in te richten en te leiden volgens de normen en waarden die een democratie eigen zouden moeten zijn, is als kunstenaar geen democraat. Net zomin als dat hij een wetenschapper is.
          Het is van elk praktijkbesef gespeend te menen dat kunstenaars van divers pluimage, zowel wat afkomst als opvatting betreft, bij elkaar kunnen gaan zitten discussiëren om zodoende tot zoiets als de best mogelijke (werk)aanpak van of voor hun of zelfs dé kunst te komen. Over de kubistische visie en aanpak van Picasso en Braque is, honderd jaar geleden, gelukkig nooit gestemd. Wel hebben die twee natuurlijk onderling gediscussieerd over wat ze aan het doen waren en waar ze ermee naartoe wilden. Maar, geloof me, dit vooral middels verf en kwast, en dus met en vooral ín de dingen die ze aan het maken waren! Ik kan een paar vingers van een hand missen om mijn artistiek ware schrijfdiscussiemakkers te mogen tellen: dat zijn degenen die in mijn teksten mogen krassen, gummen, veranderen, en in wier teksten ik dat van mijn kant mag doen – en dat vindt nooit anders plaats dan strikt onder vier ogen.
          Aan wetenschappelijk onderzoek of experimenteel werk doet de kunstenaar evenmin. Hij bouwt niet weldoordachtig en systematisch voort op wat voorgangers en tijdgenoten als vaststaand hebben ontdekt of publiekelijk verantwoord hebben aangetoond en bewezen. Sowieso ontbreekt het hem, zeker in onze tijd met haar miljarden aardbewoners, aan de tijd en mogelijkheid om al die publicaties van zijn vakgenoten bij te houden. Praktiserend interesseert hij zich nauwelijks of niet voor wat kunst- en literatuurwetenschappers als evolutionair-culturele ontwikkelingslijnen menen te zien. Veeleer plaatst hij daar forse vraagtekens bij. Want wat zou Cézanne van Picasso hebben gevonden? En zou Monet zich niet in zijn waterleliegraf omdraaien bij het zien van de vlekken van Sam Francis?
          Kunstenaars gunnen de meesten van hun tijdvakgenoten, heimelijk of kennelijk, geen fijn plekje onder de zon. Ze willen licht en ruimte voor hun eigen werk. Vandaar dat er, zo niet expliciet dan wel impliciet, een voortdurende machtsstrijd tussen hen plaatsvindt. In tegenstelling tot het dier heeft de mens echter een historisch bewustzijn – anders zou hij überhaupt geen kunst maken ­–, en zo kan het gebeuren dat na een eeuw of wat, de kaarten anders worden geschud, dat een in zijn periode gevierd schilder als Cabanel als producent van poeha wordt gezien of dat een toentertijd miskendeling als Hölderlin nu, ondanks dat we in dürftiger Zeit leven, opnieuw in (een helaas nog steeds zeer gebrekkige) Nederlandse vertaling wordt uitgegeven. Maar het blijft een feit: levende kunstenaars discussiëren liever tegen dan met levende kunstenaars. Het lijkt een bestaansvoorwaarde van hun métier.


zondag 4 december 2011

TAALBOEBOEKHOUDER


Hugo Brandt Corstius zou ik niet durven en willen kwalificeren in bewoordingen zoals hij die wel eens heeft ingezet om een door hemzelf als te vernietigen opponent gekozen persoon het werk en leven met succes zuur te maken, zoals ‘kale, impotente carrièrewetenschapper’ en ‘verblinde vakidioot’, hoewel het ‘kale’ en het ‘verblinde’ in combinatie met ‘vakidioot’ Brandt Corstius toch al aardig typeren. Bovendien zal het mij uiteraard absoluut niet lukken hem zodanig te frustreren en de buitenwacht zo tegen hem op te zetten, dat hij het noodgedwongen voor gezien zal moeten houden met zijn charlatanerieën.
          Deze boekhouder van de taal en vooral van het taalspel, heeft weer eens een boekje gepubliceerd. In Rijmlijm heeft hij eindrijmen verzameld uit zijn privézoldercollectie gedichtenbundels, met de bedoeling er de achterhaaldheid en onnozelheid van te laten zien. De onnozelheid van eindrijmen, wel te verstaan. Ik zie er namelijk vooral de zelfingenomen onnozelheid (of onnozele zelfingenomenheid – wat op hetzelfde neerkomt) van Hugo Brandt Corstius in. Luister maar eens naar dit radiogesprek met hem erover. En luister daarbij vooral goed.
          Je hoeft alleen maar W.H. Auden of Joseph Brodsky te hebben gelezen (van beiden zowel beschouwingen over poëzie als poëzie zelf) om onmiddellijk te beseffen dat Hugo Brandt Corstius’ weerzin tegen eindrijm niets te maken heeft met enig inzicht in of affectie met poëzie als literaire vorm. De man is gewoon monomaan dol op boekstaven.

Hebt u inmiddels geluisterd? En hebt u het gehoord, dat ‘ververschijnsel’, dat ‘kreegkreeg’, dat ‘achachterin’, onder meer? En die afrem- en bijstuurtrucjes om net uit het gehakkel te blijven? Het kan nauwelijks anders of het moet Brandt Corstius’ stotteronderdrukkingsnood zijn die hem zo gebeten heeft gemaakt op het verschijnsel eindrijm. Van nature of nurture stotteraar, is hij als de dood voor herhaling. Herhaling als mogelijk dwangmatig ogende vorm, wel te verstaan. Want met artistieke inhoud en zin heeft dit, nogmaals, niets van doen. Hugo Brandt Corstius verdoezelt, verpakt en verkoopt op deze manier simpelweg - prima woord hier - zijn eigen psychisch mankement.
Meestal heb ik geen enkel probleem met stotteraars. Wanneer Vladimir Nabokov in een vraaggesprek over Lolita stottert, vind ik hem zelfs innemend. Van deze boekstavende, kale stotteraar echter vind ik dat hij zijn grote mond over anderen zou moeten houden.

zondag 27 november 2011

DE KAARTEN VAN JOHN SHADE


Eigenlijk had Vladimir Nabokov de dichter John Shade eerst diens lange gedicht Pale Fire onafhankelijk moeten laten publiceren, om het pas nadien, van een voorwoord en noten voorzien door meneer Kinbote, als integraal onderdeel van de ‘roman’ met de gelijknamige titel te presenteren.
Als we Brian Boyd mogen geloven – en waarom zouden we dat niet: hij is wellicht de grootste Nabokovkenner – werkte Nabokov namens Shade aan het gedicht van eind november 1960 tot begin december 1961, om het als Shade’s werk in de roman te antedateren tot drie weken in juli 1959. De roman Pale Fire verscheen in 1962. Misschien had de auteur, die inmiddels al een aantal jaren geafficheerd werd als de schrijver van Lolita, dus een jaartje moeten wachten en zijn dichter John Shade eerst onafhankelijk van hem de wereld in moeten sturen.
Meteen denk ik echter ook aan allerlei ‘maars’. Boyd kan gestaafd beweren dat Nabokov die bepaalde tijd aan dat gedicht heeft zitten werken, maar het kan niet anders of hij heeft tegelijkertijd aan Kinbote’s voorwoord en noten gewerkt. Ja, het is zelfs onwaarschijnlijk dat Kinbote’s commentaar geen invloed op het gedicht heeft gehad. Ik stel me zoiets voor als wanneer je eerst een recensie over of analyse van een tekst (gedicht, verhaal, doet er niet toe) schrijft, om daarna pas die tekst te gaan schrijven. Ongetwijfeld zal het een wisselwerking zijn geweest, maar ik bedoel, het omgekeerde had dus ook gekund.
En wat wanneer er ‘echte’ besprekingen of analyses van het onafhankelijke gedicht zouden zijn verschenen? Dan had Nabokovs Kinbote daar nauwelijks of niet met zijn eigen commentaar omheen gekund…

Maar nu is het dan alsnog gebeurd. John Shade, Pale Fire is als losse uitgave verkrijgbaar. Ik meen tevreden gegrinnik te vernemen van onder een grafplaat bij Montreux. Uiteraard kan niemand achteraf nog doen alsof zijn, laat staan Vladimir Nabokovs neus bloedt. Maar het spel is er niet heerlijker om, te meer daar het door Gingko Press aangeboden wordt in een heuse, prachtig vormgegeven spelletjesdoos.
          Deze doos bevat behalve het vier canto’s lange gedicht, een stapel systeemkaartjes van de soort dat in de roman wordt beschreven (en dat Nabokov zelf, zoals bekend, ook altijd gebruikte), geheel gereconstrueerd aan de hand van de aanwijzingen in de roman, plus nog een uitgave, getiteld Pale Fire – Reflections, met een essay van Brian Boyd (‘Pale Fire: Poem and Pattern’) en een essay van R.S. Gwynn (‘“And if my private universe scans right”: Pale Fire and Its Creative Context’).

Dit is een heel wat zinnigere, amusantere en interessantere uitgave dan die van The Original of Laura, de op wereldwijd commercieel succes weddende uitgave van Nabokovs flarden van en aantekeningen voor een (laatste) roman. (Nu verneem ik met mij instemmend, want ontevreden gebrom vanuit Montreux.) Niet alleen vielen de teksten op zich tegen, stelde het geheel literair gezien bar weinig voor, ook de vormgeving was nep fake, dus slecht gespeeld. De systeemkaartjes bijvoorbeeld zijn in die uitgave (net iets te klein en grijs van tint) op de pagina gedrukt en aan de randen geperforeerd, zodat de lezer ze van de pagina los zou kunnen maken – maar wie doet zoiets nu echt? De achterkant van die kaartjes zijn daarbij bovendien helemaal blanco, d.w.z. niet eens voorzien van de lijntjes die zo kenmerkend zijn voor dit soort systeemkaartjes. Op het perforatie-ideetje wordt in andere delen van de uitgave voortgeborduurd of -gestikt, zodat het geheel de indruk maakt van zo’n kledingstuk met overbodige stiksels. Enzovoort.
Bij de Gingko-uitgave gebeuren twee dingen tegelijkertijd. Enerzijds wordt het spel dat door Nabokov is opgezet verder gespeeld en dat helemaal volgens de Nabokoviaanse regels, met diens en Shade’s kaarten. Anderzijds is het opeens stukken makkelijker om dat gedicht nu eens onafhankelijk van die academische frust Charles Kinbote te lezen. En dan valt meteen weer en dus des te meer die prachtige opening op, met de vogel die zich tegen zijn fictie dood vloog en met die geweldige, schitterend waargenomen reflecties van binnen en buiten, heen en weer:

I was the shadow of the waxwing slain
By the false azure in the windowpane;
I was the smudge of ashen fluff – and I
Lived on, flew on, in the reflected sky.
And from the inside, too, I’d duplicate
Myself, my lamp, an apple on a plate:
Uncurtaining the night, I’d let dark glass
Hang all the furniture above the grass,
And how delightful when a fall of snow
Covered my glimpse of lawn and reached up so
As to make chair and bed exactly stand
Upon that snow, out in that crystal land!

Vladimir Nabokov, Pale Fire, A Poem in Four Cantos by John Shade, Gingko Press, Berkeley, USA, isbn 978-1-58423-431-9

zondag 13 november 2011

THOMÉSE & ATOMESE



Vanmiddag keek en luisterde ik naar enig gebabbel over de al dan niet fnuikende rol van reclame of marketing voor het literaire boek. In het programma Buitenhof zat gespreksleider Peter van Ingen aan tafel met aan zijn rechterhand auteur P.F. Thomése, en aan zijn andere hand Podiumuitgever Joost Nijsen en een schrijver met opvallend veel inkt in zijn hals.

(http://beta.uitzendinggemist.nl/afleveringen/1115918; het item begint op ca. 33 minuten.)


Thomése herhaalde enkele bewerende zinnen uit de tekst van de Albert Verweylezing die hij op 27 oktober j.l. in Leiden hield. En hij merkte op dat reclametaal altijd leugens vertelt. Ik was het met Thomése eens, zoals ik het ook eens was met wat hij in Leiden vertelde en zoals ik het wel vaker met hem eens was wanneer hij acte de présence gaf in een praatprogramma op televisie. Maar net als bij die andere gelegenheden, had ik de indruk dat hij uiteindelijk vermeed te zeggen wat uiteindelijk gezegd zou moeten worden. Ik vermoed dat het met schaamte te maken heeft. En als dat zo is, is dat op zich al iets prijzenswaardigs in dürftiger Zeit. Schaamte over het feit dat hij daar dan toch weer is komen opdraven en braaf probeert geen oneliners te debiteren terwijl hij, gezien de immer beknopte zendtijd, daar nauwelijks of niet aan kan ontkomen. Schaamte omdat hij deelneemt aan culturele fenomenen als talkshows, waarvan ik vermoed dat zijn boeken zich er expliciet of impliciet juist sterk, wie weet zelfs radicaal tegen afzetten. (Nogmaals een vermoeden dus, want ik moet, al dan niet tot mijn schande, bekennen geen kenner van Thoméses romans te zijn.) Met andere woorden: op het moment dat hij zelf deelneemt aan wat in zijn ogen niets anders dan banale reductie is, verraadt hij niet zozeer zichzelf - in dat opzicht vallen er nog wel allerlei vermakelijke morele spagaatjes te maken -, maar zijn werk. En dáár zit Thomése volgens mij mee. Het is hem aan te zien, die schaamte tegenover zijn eigen werk, wanneer hij daar weer eens zit om in de periferie van zijn waarneming een televisieregisseur guillotinegebaren vanwege tijdsoverschrijding te moeten zien maken. Een schrijver mag misschien gezin en vaderland verraden, maar niet (de intenties van) zijn eigen werk – die gedachte doorklieft voortdurend, erger nog dan de cut-gebaren van de vloerregisseur, Thoméses brein en hart, veronderstel ik, hopelijk juist.

zaterdag 12 november 2011

DIT NOG, OOK DIT

Essays over poëzie en proza:
Athenaeum-Polak & Van Gennep
Verschijnt maart 2012.
Omslag: Monique Gelissen
216 blz.

Essays over Edgar Allan Poe, Willem Elsschot Louis Paul Boon, J.C. Bloem, Vasalis, Jan Hanlo, W.H. Auden, Gerrit Kouwenaar, Willem Frederik Hermans, Huub Beurskens.

vrijdag 11 november 2011

HANS DE WIT IN DIEPENHEIM

Bij de expositie van tekeningen van Hans de Wit in Drawing Centre Diepenheim (t/m 7 december):
Zesde Tekeningencahier, geheel gewijd aan Hans de Wit,
met teksten van Huub Beurskens (poëzie), curator Arno Kramer, Londense galeriehouder John Marchant.

woensdag 2 november 2011

ESSAY OP TERRAS

mijn hybride essay 'The Planet Rocks'.

zaterdag 29 oktober 2011

NEDERLANT LEESD

Op Brieven uit Mosanje, weblog van Wiel Kusters, las ik een voor alle betrokkenen pijnlijk stukje over de 'lofrede' die Ronald Giphart afleverde voor de CPNB-uitgave van Het leven is vurrukkulluk. 'Een ongeïnspireerd woordje vooraf, dat bij Camperts roman,' aldus Kusters, 'zelfs als nawoord had misstaan.'
Welnu, in de scholiereneditie vormt dat tekstje van Giphart precies het nawoord.
Uitstekend lesmateriaal: amper vier pagina's vol stilistische fouten en onhandigheden. Daar kunnen scholieren lekker mee aan de gang, dunkt me.

Wiel Kusters wijst al op enkele in het oog springende stupiditeiten. Ik vermoed dat hij Gipharts stilistisch onvermogen daarmee voldoende aangetoond acht. Terecht. Toch is het schier onmogelijk de verbijstering te verzwijgen over al die andere krommiteiten en vooral over degenen die gemeend hebben deze in miljoenvoud te moeten vermenigvuldigen.
Derhalve nog wat staaltjes - zonder uitputtend te zijn:

- 'raakte ik begeesterd door literatuur': begeesterd voor wat? Ik neem aan voor literatuur.
- 'onderscheidden we ernstige schrijvers (...) en humoristische schrijvers': en? Suggesties: onderscheidden we tussen of maakten we onderscheid tussen (...) en (...).
- 'En toen kwam er een avond die - zonder al te pathetisch te willen klinken - levensbepalend was': curieus en als zodanig ongetwijfeld levensbepalend: een avond die niet al te pathetisch wil klinken...
- 'Campert bedwelmde (...) toehoorders met zijn poëzie': alle reden om 112 te bellen.
- 'zou', 'zouden', 'zou', 'zouden', 'zou', 'zou', 'zouden': binnen zes opeenvolgende zinnen.
- 'gebeurde er iets dat ik heb gekerfd in de holster van mijn Campert-hoogtepunten': ervan afgezien dat 'dat' beter 'wat' had kunnen zijn: wie deze beeldspraak meent te begrijpen mag direct door naar de psychiater.
- 'Op de Belgische schrijvers na sliepen we allemaal in hetzelfde hotel in Antwerpen': Giphart moet zelf hoognodig op consult, bij een oogarts of een shrink of bij beiden, want vier regels eerder noteert hij slechts 'een Belg' in dat gezelschap. Sowieso, 'allemaal': welgeteld gaat het om zes schrijvers, 'een kleurrijk gezelschap', want behalve uit Campert en Giphart bestaande uit 1 Amerikaanse, 1 Brit, 1 Française (en dus die ene Belg). '(...) sommige buitenlandse collega's (moesten) de volgende ochtend vroeg vertrekken': twee dus, want 1 kan geen meervoud zijn en alle drie samen kunnen ze niet sommigen zijn. En dat allemaal in een hotellift, waarschijnlijk zo eentje met spiegels spiegelende spiegels, dus met een eindeloze menigte Gipharts die elk op hun beurt vol zaten 'met drank en nog meer drank'. Tja, dan krijg je dit soort dronkemansproza.

Kortom, niet alleen geschikt voor docenten Nederlands maar zeker ook voor docenten Maatschappijleer, deze 'lofrede'. Een pluim voor 's lands professionele leesbevorderaars.

PS Over literatuur en drankmisbruik gesproken: is Philip Freriks al eens voorzitter van een poëzieprijsjury geweest? Zo niet, dan dient hij bij de eerstvolgende gelegenheid als zodanig te worden benoemd, want na zijn beeldspraak in de inleidende alinea die hij schreef als 'ambassadeur van Nederland Leest', kan niemand met het lyrische hart op de juiste plek nog om hem heen:
'Het leven is vurrukkulluk is een roman als een welkomstdrankje. Met taal die tintelt in het glas en humor die bruist op de tong.'

PS II Over bezopen gesproken:
bezopen is het toch ook dat mensen niet alleen in groepsverband maar ook nog eens bloot buiten moeten zitten lezen, en dat om deze tijd van het jaar? Zoals hier om de ene hoek, direct voor het raam van een van de klaslokalen van de 'zwarte' katholieke basisschool Sint Barbara, terwijl om de andere hoek de Candyclub (bij mijn weten een onschuldige naaktleesclub met privécabines) op last van de gemeente is gesloten...

maandag 24 oktober 2011

BEURSKENSBYRDSBACH

Vijftien was ik, toen ik met Sinterklaas een pick-up kreeg (aan te sluiten op de radio) en daarbij om te beginnen drie singles had mogen uitkiezen. Dat waren: The Who, A-kant - My Generation, B-kant - Shout and Shimmy, The Rolling Stones, A - Get Off of My Cloud, B - I'm Free en The Byrds, A - Turn! Turn! Turn!, B - She Don't Care About Time. Dat laatste was geschreven door Gene Clark en het bevatte een gitaarsolo van Roger McGuinn, gebaseerd op een koraal van Johann Sebastiaan Bach. Dat herkende ik toen meteen (bedenk ik nu tot mijn verbazing; maar ik had Bach gezongen als sopraan in het knapenkoor van het Augustijner Sint Thomascollege) en ik vond het fascinerend en prachtig. Bach als popmuziek en pop als Bach. Zo cultuurbarbaars was my g-g-generation niet!!

Veel later kwam een en ander samen in een gedicht, zowel de tekst van Gene Clark in het Byrdsnummer als de tekst van Salomo Franck in Bachs Herz und Mund und Tat und Leben: 'Hart en mond en daad en leven', opgenomen in de bundel Eigenlijk heb je alles al, 2008.

Hieronder op een rijtje:





Hart en mond en daad en leven

Om geen tijd geeft mijn vriendin zolang ik
haar ken, heel mijn leven, met me onderweg,
door onderdoorgangen, over trappen op en af,
naar de ultiem witte kamer van mijn zwakke hart.

Niets verlangt ze van me, zelfs niet dat ik naar
haar verlang. Ik kan dus wil ik niet anders. Nu
eens is haar haar donker los en lang, dan weer
met krullen blond. Almaar verandert ze van naam

en mond. Soms valt haar beeld met dat van iemand
samen die ook u zou kunnen kennen. Zo blijft ze me
vervullen en blijf ik verhullen hoe ik me voorstel dat
ze aldoor als door zomerwarm mul bospadzand naast

me gaat of in een ondergrondse bij me staat. Ze kent
tijd noch goed of kwaad, terwijl het gevlinder in mijn
maag al gevorderd is tot borstgeknaag. Verstokking
kan de machtigste verblinden, maar deze vriendin,

dat is zeker, zal me laven als ik ziek en droevig ben,
zij heeft de gebenedijde gave om mij, voldragen en
volbracht, in zich mee terug te dragen naar de dag
dat haar ultiem witte kamer geen daad verwacht.

zondag 23 oktober 2011

BEYONCÉ DANST ROSAS

Met instemming gelezen over Beyoncé en De Keersmaeker: Johan Sanctorum op Alphaville.

PETITIE TROPENMUSEUM

Qua Nederlands is de tekst ervan helaas abominabel, desondanks kan het geen kwaad alles in het werk te stellen en dus ook dit staaltje stilistisch onvermogen te ondertekenen om staatssecretaris Ben Knapen te laten struikelen en het Tropenmuseum overeind te houden:
http://petities.nl/petitie/hou-het-tropenmuseum-open

Zie ook de site van het Tropenmuseum en mijn eerdere bericht over de kwestie.

vrijdag 21 oktober 2011

donderdag 13 oktober 2011

SCHRIKBEELDEN TEGEN BEN KNAPEN

Het wordt hoog tijd dat alle schrikbeelden, amuletten, bocio's, bezweringssculpturen in de collectie van het Tropenmuseum gezamenlijk in actie komen tegen Ben Knapen. De huidige staatsecretaris van ontwikkelingssamenwerking heeft aangekondigd dat de subsidiëring van het Koninklijk Instituut voor de Tropen met ingang van 2013 helemaal wordt afgeschaft. Dat betekent acuut levensgevaar voor het Tropenmuseum, inclusief de bibliotheek en het theater - en vergeet dat monumentale, historisch veelbetekenende gebouw niet!
Volgens Knapen is de bezuiniging op het gebied van ontwikkelingssamenwerking (leve het eufemisme!) de belangrijkste reden voor stopzetting van de geldstroom; het Tropenmuseum wordt voor het grootste deel betaald uit het budget voor ontwikkelingssamenwerking.
Terwijl ik denk dat door de bezuiniging op ontwikkelingssamenwerking de (financiële) steun voor het belang van het Tropenmuseum juist alleen zou moeten toenemen, want als je ergens iets kunt leren en begrijpen van andere culturen, van hun tradities en hun positie in de wereld van nu, is het wel daar (of hier) in Amsterdam-Oost!
Maar die gedachtegang zal wel Hottentots zijn voor deze hotemetoot die al ruimschoots bewezen heeft fantastisch te kunnen samenwerken waar het de ontwikkeling van cultuur betreft: was hij immers niet het PCM-genius achter de val van uitgeverij Meulenhoff en vertrok hij na gedane arbeid niet met een premie van 1,5 miljoen?

Het Tropenmuseum is en blijft van ons, van Amsterdammers en van Nederlanders, én van al die mensen uit al die andere culturen, en niet, nooit van Ben Knapen en zijn cultuurbarbaarse consorten.
Ik geloof niet in geesten. Toch loop ik zo meteen door het Oosterpark naar het Tropenmuseum om daar te proberen de nodige invloed uit te oefenen op zowel bezwerings- als wraakgoden, -godinnen en -demonen. Want ik geloof nog minder in het algemeen nut en altruïsme van de belangen van meneer Knapen.

zondag 9 oktober 2011

AN OTHER WAY OF LOOKING AT STEVENS


In zijn verzameling The Poetry of Birds (Viking 2009, Penguin Books 2011) heeft Simon Armitage uiteraard ook ‘Thirteen Ways of Looking at a Blackbird’ opgenomen, en wel onder het specieskopje ‘Red-winged Blackbird’. Bij de vaststelling hiervan ging een kleine schok door me heen, samengesteld uit zowel verbazing, gêne als opwinding. Tot dan had ik bij het lezen van en in de herinnering aan Stevens’ dertiendelige gedicht altijd onze, mijn eigen merel voor ogen gehad, Turdus merula, in het bijzonder het zwarte mannetje met, zeker in de winter, die gele snavel en de gele oogringen. Daar zat hij met precies zo’n oog, meteen in nummer I:
Among twenty snowy mountains
The only moving thing
Was the eye of the blackbird.

Prachtig gezicht toch, met dat ultieme kleurkwantiteitscontrast?

Maar Armitage drukte me met de neus op de feiten: in het hele Amerikaanse gebied, van Vuurland tot in Canada komt Turdus merula helemaal niet voor… En Wallace Stevens woonde in Connecticut: daar kan hij dus nooit en te nimmer mijn, onze Euro-Aziatische merel hebben waargenomen. Wat dan wel? De roodvleugelige blackbird, Agelaius phoeniceus, die helemaal geen familie is van die zanger bij ons… Het mannetje heeft ook geen gele oogringen, zijn ogen zijn… zwart. Wat hij daarentegen wél heeft: felrode vleugelepauletten met eronder een lichtgele vleugelstreep. Dat rood is vooral goed te zien in zijn vlucht en als hij, de polygamist, zich voor vrouwtjes zit uit te sloven. Bovendien is onze Europese merel nogal solitair, terwijl die Amerikaan veeleer op spreeuwachtige wijze van zwermvorming houdt. (Agelaios = troep, kudde, zwerm vormend.)

Weg of op zijn minst in de war, mijn lectuur van jaren en jaren! Dus opnieuw en nogmaals en nogmaals de ‘Thirteen Ways of Looking’ doorgenomen. Het lukt me nog maar steeds niet om het geel weg te krijgen uit nummer I. Wel zie ik, met wat goede wil, nu een troep vliegen in X:
At the sight of blackbirds
Flying in a green light
Even the bwads of euphony
Would cry out sharply.
Eveneens in XI:
He rode over Connecticut
In a glass Coach.
Once, a fear pierced him,
In that he mistook
The shadow of his equipage
For blackbirds.

Dat karakteristieke rood van de Amerikaanse vleugels echter zie ik, merkwaardig genoeg, nergens terug. Of het moet zijn in X, want wat is de complementaire kleur van groen? Maar dat is wellicht al te ver gezocht en te zeer bedacht. (Hoewel ik merk dat ik, nu ik het eenmaal zo heb gezien, moeilijk nog anders kan…)
          Inmiddels kijk ik, Stevens her- en herlezend, al op veel en veel meer dan dertien wijzen naar, ja, naar wat? Naar een merel?
          In zijn Systema naturae, zo vind ik ergens, classificeerde Linnaeus de Amerikaanse vogel met de rode epauletten als Oriolus phoeniceus. En opeens zie ik nog of weer iets anders! Wanneer die vogel nog steeds zo, dus oriool of iets dergelijks had geheten, zou Stevens nooit ‘Thirteen Ways of Looking at an Oriolus’ hebben geschreven.
Dít was zijn ontbrandingswoord:

Blackbird.


vrijdag 7 oktober 2011

KOMRIJ EN DE WINTERVAZALLINE

'Voor je het weet is het winter,' moet Gerrit Komrij gedacht hebben, 'laat ik alvast likjes vazalline smeren op de serviele literatuursmoeltjes van degenen die me buigend toeknikken, en de weinig buiglustige schraalhanzen die me hun rug toekeren en passant een trap in die rug geven.'
Dit, en niets anders, is het verhaal dat hij zelf ophangt achter zijn geschamper over "'verhaal' als het nieuwe modewoord", dat de schijn moet wekken snedige kritiek te zijn.
Ja, hij blijft bij de tijd, deze Fakebookman, dat moet gezegd.

zondag 2 oktober 2011

zaterdag 1 oktober 2011

ROGGEMAN REVISITED


Lezing te houden op 9 december a.s. tijdens een studiedag over het werk van Willy Roggeman; Studiecentrum voor Experimentele Literatuur, Universiteit Gent.


Kennismaking met het werk van Willy Roggeman rond mijn twintigste betekende kennismaking met een literatuurbenadering die geheel, en wel op intrigerende wijze afweek van de in de Nederlandse literatuurbeschouwing gangbare opvatting, alsmede kennismaking met auteurs over wier bestaan me op de middelbare school praktisch niets was verteld: Georg Trakl, Gottfried Benn, Carl Einstein, Else Lasker-Schüler, Robert Musil, Franz Kafka, Rainer Maria Rilke, René Gysen, Paul Valéry… Hoe clichématig het ook klinkt, er gingen werelden voor me open. Gretig las ik Roggeman en diens auteurs. Het lukte me zelfs, nog als student aan de kunstacademie, met Roggeman in contact te komen, met als gevolg een jarenlange correspondentie met een frequentie van vrijwel wekelijks een (allesbehalve korte) brief van zowel hem als mij. Eveneens clichématig maar net zo evident is het feit dat daar op een gegeven moment een vrij abrupt einde aan moest komen en ook gekomen is: noem het de noodzakelijke vader- of leraarmoord. Kennelijk moest ik me van Roggemans dictaat bevrijden.
Sindsdien (een paar decennia) las ik nauwelijks of niets meer van hem. Zijn boeken verdwenen in een van de rijen achter de voorste in mijn boekenkast. Inmiddels haal ik ze daar weer vandaan, een voor een, te beginnen met de boeken van toen die ‘het deden’, zoals Het zomers nihil en, naderhand, De goddelijke hagedisjes en – ik schreef er bij verschijnen in 1980 nog een paginagroot stuk over in De Volkskrant – Lithopedia. Benieuwd naar een Willy Roggeman revisited.

BALPENWAPEN


Op een van zijn weblogs gaat Fabian Stolk, docent Moderne Nederlandse Letterkunde aan de Universiteit Utrecht, in op een NRC-bespreking door Guus Middag van gedichten van Ellen Deckwitz, dat wil zeggen, op wat naar aanleiding van de regels 'Hij knikt, gelooft niet/dat er in mijn ballpoint/ook een kogel zit' door Middag wordt gezegd: 'Het is een geweldige vondst voor een schrijver om bij dat balletje aan een kogel te denken.'
Fabian Stolk bedenkt, origineler, dat de balpen in het Duits 'Kugelschreiber' heet en dat ook in Nederland een tijdlang het woord 'kogelpen' werd gebruikt. Kugelschreiber of kogelpen: dat zijn natuurlijk al geen vondsten meer, maar cadeautjes op zich voor wie wil zeggen en laten zien dat ook schrijven verwonden of zelfs doden kan. (In het Duitse taalgebied hoogstwaarschijnlijk al lang een resoluut te weigeren clichécadeautje.)
Ik geniet van dit soort gevlooi en kommaneukerij, en doe er graag aan mee. Maar het is daarbij ook oppassen. We zoeken al gauw te ver, d.w.z. te veel in talige en filosofische regionen, zonder te zien dat down to earth iets anders voor de hand en het oprapen ligt. Zie bijvoorbeeld het volgende bericht: 'Zwaargewond na schot balpenwapen'.
Overigens vind ik de geciteerde gedichtregels, die nog het meest weghebben van een regeltje proza dat in drie stukjes is geknipt, niet bijster schotvaardig. Maar ik ken hun context niet.

vrijdag 16 september 2011

BOEKENBONNENHONORARIUM


Wat te denken van het volgende? Van de uitgeverij van de Poëziekalender 2012 kreeg ik niet alleen een bewijsexemplaar toegestuurd (vanwege vier erin opgenomen door mij vertaalde gedichten), maar in hetzelfde pakketje zaten ook 4 boekenbonnen van elk 20 euro, met daarop het hoofd van Adriaan van Dis (ooit kind aan huis, nu auteur van een concurrerende uitgeverij, een aantal Herengrachthuisnummers verderop). Het is de eerste keer dat mijn honorarium niet op mijn bankrekening wordt bijgeschreven, zodat ik het, zoals het hoort, aan de belastingdienst kan opgeven. Het is eveneens de eerste keer dat ik van zo’n honorarium niet bijvoorbeeld ergens kan gaan eten, maar gedwongen wordt bedrukt papier ervoor te consumeren.
Ik denk er het uwe van.
(Zie ook: een vorig ‘wat te denken van het volgende’)

donderdag 8 september 2011

STIJFKOPPIG LEZEN


De meeste schrijvers van wie ik boeken lees ken ik niet en van hun privéleven ben ik nauwelijks of niet op de hoogte. Dat is ook niet nodig om hun boeken te lezen. Als lezer ben ik in grote mate autonoom.
          De meeste lezers van mijn eigen boeken ken ik ook al niet. Dat geldt eveneens voor de meeste besprekers van mijn boeken. Ik oefen persoonlijk geen invloed op hen uit. Een lezer of een lezende bespreker heeft het recht mijn boeken te interpreteren zoals hem of haar dat goeddunkt.
Maar helemaal waar is dat geloof ik toch niet, want heeft zo’n lezer niet tegelijkertijd de plicht (hoewel op verwaarlozing ervan geen sanctie staat) het boek in kwestie ook recht te doen?
          Soms komt het voor dat ik een lezer of een lezende bespreker wél persoonlijk ken, de ene natuurlijk wat beter dan de andere. Wat let me dan om privé op diens analyse en interpretatie te reageren, me zelfs in te laten met een discussie erover, zeker wanneer ik veronderstel dat hij of zij welwillend is en de allerbeste bedoelingen met mijn boeken heeft? Natuurlijk is een schrijver zelf ook ‘maar’ een lezer van zijn eigen werk. Als het, in mijn optiek, goed is, is hij echter wel een gespitste lezer, hij is immers degene die het boek voor alle andere lezers tevoorschijn heeft gelezen…

In februari 2009 verscheen in het tijdschrift Dietsche Warande & Belfort een stuk van Hugo Bousset waarin hij analyserend inging op mijn in 2008 verschenen roman Kid. Uiteraard voelde ik me vereerd dat Bousset mijn werk de moeite waard achtte om het in positieve zin te bespreken. Maar in meerdere opzichten deden zijn analyse en interpretatie het boek geen recht. Integendeel. Bousset miste namelijk finaal de clou.
Ik besloot hem hierover een brief te schrijven. Op 4 maart 2009 schreef ik hem onder meer: ‘Jammer vind ik het bovendien dat je duidelijk bent blindgevaren op wat die schijnbaar alwetende verteller(s) je heeft (hebben) voorgeschoteld, waardoor je ervan uitgaat dat de oude man die in het eilandhospitaal sterft, de werkelijke, d.w.z. genetische vader van Kid is. En zoals je in Kid ook klakkeloos de moordenaar van Axel ziet. Je veroordeelt die man zonder gedegen onderzoek en een eerlijke rechtzaak!’
Bousset zag slechts keurige parallellen tussen het verhaal van Abraham en Isaäk uit de Bijbel en gebeurtenissen tussen vader(s) en zoon(s) in onze tijden, wellicht ernstig misleid door zijn eigen voornemen die onder de noemer ‘In de naam van de vader’ te vinden in een boek van mij en een boek van W.G. Sebald. (Al jaren schrijft Bousset duobesprekingen onder volgens hem gemeenschappelijke predicaten.)
Het is hier niet de plaats om de relatiekwestie in het boek in detail uit de doeken te doen, maar wat Bousset door zijn fixatie op die parallellen niet in de gaten kreeg (want zulke zaken zitten vrijwel altijd in de periferie, daar moet je geen stijve nek, maar een beweeglijk hoofd voor hebben) is dat Kid niet de genetische zoon is van de vader die hem opvoedt en uiteindelijk verstoot. We weten uit het boek Genesis dat Abraham het met Hagar deed om in godsnaam, als ik het zo mag zeggen, een zoon te krijgen, aangezien zijn vrouw Sara voor eens en altijd onvruchtbaar leek. In mijn boek heeft echter de vrouw het (heimelijk) met een andere vent gedaan om zo haar onvruchtbare wettige echtgenoot alsnog een zoon te bezorgen… Dát en niets anders zou de conclusie van een alerte lezer moeten zijn. De sporen ervoor zijn te vinden binnen de roman. Vervolgens zal die lezer ook spoedig een vermoeden krijgen over de identiteit van de ware, dus genetische vader. Met andere woorden: in plaats van dat Kid parallel loopt met het bijbelse Abrahamverhaal, zet het dit juist op zijn kop, ontwikkelt het zich er dwars tegenin!
Bovendien levert het boek er niet alleen geen enkel bewijs van dat Kid uiteindelijk zijn eigen zoon Axel doodt, zoals gezegd, er kan en mag zelfs niet worden geconcludeerd, zoals Bousset doet, dat deze Axel om het leven is gekomen!
Hoe had anders nadien ook het verhaal ‘De middagwandelaar’ (opgenomen in Dieman) als uitloper van de roman Kid geschreven kunnen worden…? Maar dit terzijde.
In de antwoordbrief die ik van Hugo Bousset kreeg beroept hij zich vriendelijk maar halsstarrig op zijn autonomie als lezer: hij had de roman nu eenmaal op die manier gelezen, hij had er precies dit en niet iets anders in gelezen, en daar moest het bijgevolg bij blijven.

Het zou ook bij een privécorrespondentie over de kwestie zijn gebleven, ware het niet dat zojuist een essaybundel van Hugo Bousset is verschenen, Vurige tongen, waarin het stuk van tweeëneenhalf jaar geleden is opgenomen en wel inhoudelijk ongewijzigd. Dat maakt het even pijnlijk als noodzakelijk voor mij het stuk nu publiekelijk als ondeugdelijk te etiketteren. Zonder dat ik dit uitvoerig argumenterend en bewijzend wil doen; dat lijkt me veeleer een dankbare zaak en taak voor een literatuurwetenschapper die nog om enig aardig werk verlegen zit. Ik wil hier met één voorbeeld van Hugo Boussets stijfkoppige en dus navrant nalatige lectuur volstaan.
Het betreft niet eens de lectuur van Kid, maar die van het Oude Testament. De analyse van de roman moet dan nog beginnen!

Vurige tongen, pagina 100: ‘Beurskens (…) gebruikt als leidmotief “Hier ben ik” (Genesis 22), de woorden die God spreekt tegen Abraham, die zijn zoon Isaäk moet offeren.
          Genesis 22,1-2: ‘Hierna gebeurde het dat God Abraham op de proef stelde. Hij zeide tot hem: Abraham, en deze zeide: Hier ben ik.

dinsdag 30 augustus 2011

HOOIWAGENS EN EEN IK - over Bonita Avenue

Peter Buwalda leerde ik kennen in mijn tijd als redacteur van De Gids. Als ik me goed herinner was een essay over Bruno Schulz zijn eerste bijdrage aan het tijdschrift: een fraai, gedegen en vooral stilistisch prima stuk. Een aardige jongen ook, Peter Buwalda. Nadien leverde hij De Gids beschouwingen over het werk van onder meer Philip Roth, Norman Mailer en Antonio Tabucchi. Na mijn redacteurschap het persoonlijke contact kwijtgeraakt. Toen ik vorig jaar vernam dat er een dikke roman van Buwalda’s hand was verschenen, twijfelde ik er geen tel aan: dat boek zou op zijn minst taaltechnisch prima geschreven zijn. Het heeft een tijdje geduurd voordat ik de gelegenheid vond om Bonita Avenue te lezen. Dat ik me tijdens mijn lectuur niet blijk te hebben vergist, wekt bijgevolg geen verbazing. Gave, heldere zinnen, sterke beelden, scherpe observaties met de taal daarbij als gereedschap, waar nodig gedegen gedocumenteerdheid (of de schijn/fictie ervan). De auteur is er al ruimschoots en terecht om geprezen. Dat hoef ik dus niet nog eens over te doen. Derhalve kan ik beter en wil ik liever even mierenneuken.
Het zijn altijd weer die verdomde insecten waar schrijvers mee zitten klooien, zelfs als ze (Bonita Avenue pagina 44) de heer Nabokov zelf binnenboord menen te moeten halen. BN pagina 200: ‘Het krassen van krekels’, midden op een warme dag in Los Angeles. Cicaden moeten dat zijn geweest, geen krekels! BN pagina 323: ‘Het raam boven zijn bureau stond dwars op het kozijn, er struikelde een hooiwagen naar binnen. Aaron draaide zijn bureaustoel mee met het insect’: had die hooiwagen misschien twee poten verloren? Hooiwagens (Opiliones) hebben acht poten, zijn geen insecten, maar geleedpotigen, behorend tot de spinachtigen. Op pagina 327 ‘klapwieken’ muggen… Een pagina eerder (en nog ergens) zouden er kokospalmen in Los Angeles moeten staan: palmen zat daar, maar een kokospalm zou er alleen maar verpieteren. Op pagina 253 lees ik: ‘Enschede is [na de vuurwerkramp – HB] een salamander die zijn staart heeft verloren.’ Ook hier loopt een en ander door elkaar, vermoed ik: de salamander als symbooldier dat het vuur kan weerstaan en de verwisseling van salamanders (amfibieën) met hagedissen (reptielen) die hun staart kunnen loslaten als ze eraan worden beetgepakt. Ook op andere gebieden zijn er her en der inconsistenties aan te treffen. Zo is er een envelop bezorgd die een dildo bevat. De vrouw des huizes merkt op dat die envelop niet door de post maar door de afzender zelf moet zijn bezorgd, aangezien hij niet is gefrankeerd. Naderhand is het dan blijkbaar toch nog een ‘gefrankeerde dildo’ (pagina 460).
          Foutjes die bij een volgende druk (achtste, negende?) simpel zouden kunnen worden hersteld. Of zijn het geen foutjes? Wel. Ze zijn te onopzichtig en te zeer bijzaak binnen het verhaal en de plot om opzettelijk aangebracht te zijn (zoals vlinderkenner Nabokov dat wel eens deed: Humbert Humbert pijlstaarten ‘kolibries’ laten noemen, bijvoorbeeld). En Joni, die aan het woord is over die krekels op Bonita Avenue, zou simpelweg ook beter hebben moeten weten, zoals elke Provençaal weet wat een cicade is en hoe en wanneer die te horen is in tegenstelling tot krekels, ze heeft namelijk ettelijke jaren van haar kindertijd ter plekke doorgebracht.

Dat die vraag over opzet toch in me opkomt, heeft te maken met iets waarover ik tot dusver in geen enkele beschouwing van het boek iets heb gelezen, al moet ik erbij vermelden dat mijn recensielectuur niet uitputtend is geweest. Vrijwel elke bespreker die ik las heeft het over drie hoofdfiguren, te weten Sigerius, de stiefvader van Joni, die Joni zelf en Aaron, Joni’s vriendje. Vervolgens heeft men het over drie standpunten van waaruit de verhalen convergerend tot één groot verhaal personaal worden verteld. Personaal wordt er inderdaad verteld in de hoofdstukken die de optiek van Sigerius en die van Aaron tonen (respectievelijk 8 en 7 hoofdstukken), maar niet in de Jonihoofdstukken: die zijn namelijk alle vijf gesteld in de ik-vorm! En dat kan, gezien het kaliber van Buwalda, beslist geen ‘foutje’ zijn, over het hoofd gezien door zowel de auteur als zijn redacteur…
          Waarom ziet of signaleert, voor zover ik het heb kunnen nagaan, niemand dit? Voor mij maakt juist dit gegeven, en niet zozeer het plot of de schets van de hedendaagse zeden, het boek pas echt intrigerend… Wanneer alleen Joni het over zichzelf in de ik-vorm heeft, is zij daarmee dan niet de (zich inlevende of juist vertekenende, fictionaliserende) bedenkster van de optiek van de andere figuren? Is zij dan niet ook de vertelster van de andere 15 hoofdstukken? Is er dan in feite slechts één hoofdfiguur of figuur met een hoofd waarin zich alles (in opdracht van de schrijver uiteraard) afspeelt?
Dat is op zijn minst het overdenken en teruglezend checken waard: Bonita Avenue zou er als het ware van binnenuit door kunnen kantelen. Wie weet quasi compleet terug naar zijn auteur...

zondag 24 juli 2011

KUNSTENAAR OF TERRORIST

Bij druilregen en een lage buitentemperatuur in de oogstmaand blader ik hapsnap lezend door een boek dat ik op mijn eenentwintigste voor het eerst las en dat toen indruk op me maakte zowel vanwege de uitspraken en formuleringen over het artistieke als met de erin genoemde namen van auteurs wier werk diende te worden geëxploreerd: Het zomers nihil van Willy Roggeman, dat besluit met de datering ‘Zomer 1965’.
Ik blijf hangen bij een van de eens door mij onderstreepte passages:

Het engagement van de kunstenaar is al even contradictorisch als de artisticiteit van de terrorist. Zodra de kunstenaar in het type geboren wordt, sterft de man van actie. Omgekeerd kan de daad niet uitgevoerd worden op artistieke basis. Zowel de terrorist als de kunstenaar kunnen zich van het menselijk tekort iets scherper dan de anderen bewust zijn, maar zij verdedigen zich op een tegenovergestelde wijze. Zij dagen uit door op een andere manier te vluchten. De ene forceert de daad om de bezinning te ontgaan, de andere zoekt de creativiteit van de bezinning om de daad te vervangen. En hun eigen gebaar zullen beiden overdrijven, provoceren; dat is de methode waarop zij het ene tekort door het andere opruimen.

Ik lees dit terwijl alom lucht wordt gegeven aan de verbijstering over wat ene Anders Behring Breivik in Oslo en op een klein Noors eilandje heeft aangericht: de bomaanslag in het Noorse regeringsdistrict en het bloedbad in een jeugdkamp van de sociaaldemocratische regeringspartij. Intussen wordt duidelijk dat Breivik zijn actie zorgvuldig heeft voorbereid. Na de, we kunnen niet anders zeggen dan ‘geslaagde’ uitvoering ervan, heeft hij zich blijkbaar zonder verzet of poging om een einde aan zijn eigen leven te maken, aan de politie overgegeven. Breiviks advocaat heeft inmiddels verklaard dat zijn cliënt zijn daden ‘verschrikkelijk maar noodzakelijk’ acht. Uit het feit dat Breivik een manifest van 1500 pagina’s op het internet plaatste, met een laatste bijdrage gedateerd 22 juli 12.51 uur, luttele uren voor de autobomexplosie in Oslo, mag worden geconcludeerd dat hier allerminst een man in ‘een vlaag’ van verstandsverbijstering zijn vinger aan de afstandsontsteker en de trekker van zijn Glock en zijn machinegeweer heeft gehad.
          Wat als dit alles niet werkelijk zou zijn gebeurd, maar wanneer het een speelfilm of een roman met dezelfde structuur, hetzelfde scenario, dezelfde ingrediënten zou zijn geweest (en dus nog zou zijn)? Een jaloersmakend concept voor een regisseur of romanschrijver. Ongetwijfeld zal er over niet al te lange tijd een speelfilm worden gemaakt of een roman worden geschreven die gebaseerd is op de gebeurtenissen van vrijdag 22 juli 2011 in Noorwegen, maar op auteursrechten van idee en script zal door niemand anders aanspraak kunnen worden gemaakt dan door Anders Behring Breivik.
Je zou ook kunnen beweren dat het optreden van Fjordman (sinds april 2007 een lemma op Wikipedia…) een performance of Aktion was. In artistieke zin? Hoe bloederig de Aktionen van iemand als Hermann Nitsch ook waren, menselijke slachtoffers zijn er nooit bij gevallen: ‘Er zijn geen grenzen in mijn kunst. Ik vind dat alles kunst kan zijn. Maar op een zeker moment zou je wel rekening moeten houden met de strafwet en je eigen geweten. Soms denk ik wel: “Dit kan ik niet verantwoorden, dat zou te veel ellende veroorzaken.”’ En ik geloof de man op zijn woord wanneer hij zegt: ‘Ik vind nog steeds dat mensen geen kwaad aangedaan moet worden.’
Een geblinddoekte man wordt gestenigd voor een doorgesneden stier terwijl diverse naakte mannen hem steken met gigantische speren en er bloed uit zijn mond spuit tijdens aktion 122 in het Burgtheater in Wenen in 2005.


Dus moeten we kunst daar afgrenzen, zó verstaan, dat ze ophoudt kunst te zijn zo gauw ze werkelijk echt wordt in plaats van kunst-matig te blijven en dat tevens impliciet van zichzelf te erkennen? (In die zin kan kunst ook nooit religie worden en vice versa.)
Dat komt dicht in de buurt van of zelfs overeen met wat Willy Roggeman in Het zomers nihil omtrent engagement en terrorisme heeft genoteerd. Ik blijf alleen nog haken achter Roggemans tweede zin: ‘Zodra de kunstenaar in het type geboren wordt, sterft de man van de actie.’ Wanneer hij daarmee bedoelt dat een mens, wanneer die eenmaal bezig is met het vervaardigen van kunst en dus in een artistiek maakproces zit, niet tot daden erbuiten zal overgaan, kan ik daarmee leven. In dat geval zal de kunstenaar bij elk nieuw kunstwerk opnieuw ‘geboren’ moeten worden. De vraag is wat Roggeman hier met ‘het type’ bedoelt. Meestal is hij daar uitgesproken in door onderscheid te maken tussen genotype en fenotype, waarbij het in het eerste geval grofweg gaat om het geheel van de erfelijk bepaalde en bij vererving doorgegeven eigenschappen, je zou ook kunnen zeggen, de mens als zodanig, en in het tweede geval om de individuele kenmerken en eigenschappen. In de mogelijkheid van het menselijk genotype als kunstenaar geloof ik niet, simpelweg al omdat dit het lijfelijke voortbestaan van de mens middels andere dan artistieke arbeid onmogelijk zou maken. Maar evenmin geloof ik in het menselijke individu als iemand in een voortdurende staat van artisticiteit. Met andere woorden: iemand kan zich kunstenaar noemen en zelfs briljante kunstwerken scheppen, het hoeft hem er niet van te weerhouden daar tussendoor of erna zijn medemensen de meest vreselijke dingen aan te doen, in een vlaag of maandenlang voorbereidend, afwegend en construerend als een romanschrijver of een scenarist.

Overigens loopt de mens altijd gevaar slachtoffer te worden van de mens. Ik moet opeens denken aan de slotalinea van mijn eerste roman, met de ambivalente titel De stroman (1982):

De zevenentwintigjarige verkoper Felix X liep naar de roltrappen op de tweede verdieping van het warenhuis waar hij werkzaam was, wachtte tot de eerste de beste persoon met de roltrap bij hem boven aankwam en stak de persoon meerdere malen met een groot knipmes in de buik en in de hartstreek. Het slachtoffer viel achterover en werd dodelijk gewond door de roltrap weer naar boven getransporteerd. Felix X ging daarna naar een van de toiletten en wachtte vervolgens kalm op de bewakingsdienst waaraan hij zich zonder enig verzet overgaf.

Volgende vraag: is het erger om het leven te worden gebracht door ene Anders Behring Breivik op Utøya dan door Felix X in V&D? En: is het erger je geliefde te verliezen bij een treinaanslag bij het Madrileense station Atocha dan bij een spoorwegongeluk bij het Belgische Buizingen?
Vragen vijftien prozaboeken en dubbel zoveel jaren later voor en in de roman De hemelse kamer:


De taxichauffeur klapte de zonneklep boven de voorruit naar beneden.
          Nu keek een meisje met een rond toetje, kuiltjes in haar wangen, en met ravenzwart, in een pagekapsel geknipt haar, me stralend aan, alsof ze verheugd was me zomaar weer te zien, alsof ze me al van kleins af aan heel goed had gekend, van toen ze met poppen en een rotan wandelwagentje speelde in een achtertuin met manshoge, bloeiende dahlia’s en ligusterhagen.
          ‘Mi Pablo,’ stond er in onmiskenbaar meisjeshandschrift met rode marker (of was het lippenstift?) op de foto.
          ‘Nuria. Mi amor. Een schatje, niet? De liefde van mijn leven. Het allermooiste, intelligentste, meest goedlachse, liefste schepsel ter wereld.
          Ik heb haar niet eens meer mogen zien, meneer. Hoewel ik elk deeltje van haar herkend zou hebben, alles, haar vingers meer nog dan mijn eigen vingers, haar voeten, haar neusje, zelfs haar engelachtige longen, maag en hart, bij wijze van spreken, haar pas gekochte korte zwarte laarsjes met teddyvachtomslag, het bessenrode katoenen jurkje met driekwartsmouwen, de, mmm…, geur van haar haren, het moedervlekje links in haar hals. En dat uitgerekend nadat we eindelijk…
Ach, dat is een verhaal, meneer, waarvoor een taxirit naar La Coruña of Cádiz nog veel te kort is. Bovendien roept de centrale me op, zoals u hoort. Er moeten centen worden verdiend om de wereld draaiende te houden, hè. Vergeet uw spullen niet.
          Adíos y buena suerte.’

Ik verwachtte de taxi achter mijn rug te horen optrekken en wegrijden nadat ik het portier had dichtgeslagen. Toen dit niet gebeurde, keek ik onwillekeurig om.
          ‘Maar maakt het voor de zwaarte van je verlies eigenlijk iets uit hoe je de liefde van je leven kwijt bent geraakt?’ hoorde ik Pablo met kalme stem vragen, zonder dat ik zijn gezicht kon zien. ‘Maakt het iets uit of de oorzaak andermans nalatigheid, een ongewilde fatale wisselfout of kwade opzet was? Wordt iemands leegte er minder of meer leeg door…?’
          Alsof de vragen aan alles en iedereen waren gericht behalve aan mij, trok de auto toen op, met alle ramen dicht als voorheen, zodat het een raadsel was hoe ik Pablo’s stem had kunnen vernemen.


[Lees het voorafgaande en het erop volgende in januari.]