donderdag 20 september 2012

PROZA VOOR PERMEKE


PROZA VOOR CONSTANT PERMEKE - NOCTURNE

Pierre Bergounioux, Huub Beurskens, Hans Otto Jørgensen & Marie-Hélène Lafon

BOZAR LITERATURE nodigde buitenlandse schrijvers uit om zich te laten inspireren door een schilderij van Constant Permeke, bij wijze van literaire interventie in de retrospectieve in het Paleis. Kijk naar Permeke met de blik van schrijvers uit Frankrijk, Nederland en Denemarken. Rode draad vormt het boerenleven in al zijn facetten. Het resultaat is te lezen in de bezoekersgids en te beluisteren via de audiogids.

De auteurs zullen ook uit eigen werk voordragen tijdens een literaire nocturne op20 november in de tentoonstelling. Het publiek wandelt doorheen de tentoonstelling en houdt beurtelings halt bij de schrijver en ‘zijn’ Permeke schilderij. Voor dit aparte en intieme gebeuren blijven de deuren van de tentoonstelling uitzonderlijk open. Na de voorstelling heeft het publiek nog de tijd om de rest van de expo te bezichtigen.

Met Pierre Bergounioux, Huub Beurskens, Hans Otto Jørgensen, Marie-Hélène Lafon & H.H. Ter Balkt

woensdag 19 september 2012

PAINTING BY PHOTOS


‘Heeft de koningin geposeerd?’ vraagt de verslaggever van NRC Handelsblad (19.09.2012).
Stedelijk Museumconservator Rutten: „Daar durf ik niks over te zeggen, ik weet het niet. De levendigheid ervan is zo treffend dat het Tuymans alleen maar tot een grotere meester zou maken als hij het enkel van een foto heeft geschilderd.”

Pardon?
‘Levendigheid’?
‘Treffend’?
‘Grotere meester’?
Want ‘enkel van een foto?’
Pardon?

‘Heeft de schilder de koningin er persoonlijk voor mogen fotograferen?’ zou hier de enige zinnige vraag zijn geweest.
Als Tuymans’ Painting by Photos qua meesterschap voor iets niet onderdoet is het hoogstens voor Painting by Numbers.

maandag 17 september 2012

DOA TUUT 'T


Doa tuut ’t op de koel: dat is praktisch onvertaalbaar Kerkraads dialect om te zeggen dat je de mijnsirene hoort.
als de mijnsirene ging
kon het zijn dat mijn vader nu bijna thuiskwam van de daagsjiech
of dat hij voor de middagsjiech naar beneden ging
de koeltuut wees op een tijd die voor iedereen gold
net als de klokken van de kerk
behalve als er voor één iemand werd geluid
zomaar midden op de dag

Het is enigszins wrang om te stellen dat een jeugd als mijnwerkerszoon een onuitputtelijke Fundgrube voor een dichter kan betekenen, maar voor Wiel Kusters gaat dit alleszins op. Wrang omdat zowel Wiel Kusters’ grootvader als vader door verstikking om het leven zijn gekomen ten gevolge van silicose of stoflong, onherstelbaar opgedaan bij hun werk in de kolenmijn.
          Schachtsignalen noemt Wiel Kusters zijn ‘vertelgedicht’ over vooral zijn kindertijd die gekleurd werd door de nabijheid van de kolenmijn en het werk van zijn vader erin. Wat dus niet betekent dat zijn uit tien delen bestaande lyrische tekst zwart en donker is. Integendeel.
          Ik ken Wiel Kusters al lang, als dichter en als kompel, maar opeens, midden in het lezen van deze Schachtsignalen begreep, nee, voelde ik eigenlijk voor het eerst écht het waarom van zijn toon, de lichtheid ervan, de lucht erin, het opene van zijn vormen ook, het vaak speels terloops lijkende. Mogelijk heb ik me te lang laten weerhouden en laten verblinden en verdoven door mijn argwaan jegens gepsychologiseer dat zich al duidend van de literatuur, zoals van het hele leven meester denkt te mogen en te kunnen maken. Maar opeens dus dit: natuurlijk! Ademen moet het, licht zijn, feestelijk, kleurrijk, open, ja, vooral open, en met muziek, liefst blaasmuziek s.v.p.! Want tegen dat verdomde stofzwarte, tegen dat verstikkende, tegen dat piepende en hoestende, tegen de doodsangst in. Alleen: zonder de dreiging en de tragiek ermee te ontkennen… En maakt dat die tragiek nu licht of het lichte tragisch? Geen van beide, want allebei tegelijk. Ik ken geen levende dichter die dit op deze wijze kan:
waar vader later een sterfbed had
in het ziekenhuis
had mijn opa een tafeltje
thuis

die tafel was een oppervlak
daaronder stonden zijn benen

als hij op zijn tafel zou kloppen
vlak voor hij stikte
zou hij zich horen

maar er lag een kussen op

Ha, en nu ik van mezelf toch ook een beetje mag psychologiseren – want wat interesseert mij de zelfverklaarde onaantastbare heiligheid van die psychologie! – hoor ik het ook heerlijk freudiaans ‘tuutte’ wanneer ik Wiel Kusters in deel 9 van zijn vertelgedicht zie en hoor speculeren over hoe zijn vader en moeder elkaar de liefde verklaarden, misschien in of middels een kermisschommel, ‘zo’n schommel geeft een vreemd gevoel/in je buik/en in je liezen’, waarin zijn vader ‘rechtop’ staat en ‘de schommel in beweging’ houdt, bewegingen waarvan zijn moeder een kleurtje krijgt en ‘niet te hoog roept!’, maar ‘het gaat vanzelf/als je eenmaal begint/te schommelen’:
hij schommelt intussen voor twee
of voor drie

want na een tijdje
hoor ik erbij

een klokje
van vlees

Prachtig en heerlijk! En dat niet alleen voor Herr Freud(e).

Het vertelgedicht van Wiel Kusters werd, samen met de integrale vertaling ervan in Kerkraads dialect, uitgegeven onder de titel Schachtsignalen door Literair Limburg, een productie van uitgeverij B for Books en de coöperatie BV Limburg. ISBN 9789085162520.

maandag 10 september 2012

KLASSE! OVER KID

Fabian Stolk op zijn weblog Klasse! over Kid.

VIRGINAL CHILDLOSS

Virginal Childloss (Iconic (Romanesque))
olieverf op doek, 10.09.2012

zaterdag 8 september 2012

ONTBLOTE DICHTERS


‘Kleed je nu eens uit, dichter, en begin met niets.’ Met die dubbele imperatief besluit Piet Gebrandy zijn bespreking van een dichbundel in De Groene Amsterdammer van deze week.
          Bij de gedachte aan dichters die zich ontkleden of hebben ontkleed, denk ik vaak terug aan de tijd rond mijn debuut als poëziebespreker. Ik was negentien toen het Dagblad voor Noord Limburg mijn eerste recensie publiceerde: van Riekus Waskowsky’s bundel Slechts de namen der grote drinkers leven voort. (Spoedig gevolgd door een bespreking van Habakuk II de Balker, Boerengedichten. Nu ik het knipsel daarvan terugzie, schrik ik allereerst van de eronder vermelde winkelprijs van de bundel: f 3,50!) Vanzelfsprekend zegt menige opmerking in die besprekingen vooral iets over de jonge bespreker en diens tienerpedanterie. Duidelijk is dat ik gecharmeerd was van Waskowsky’s intertekstuele exercities. Ik vermoed dat ik toen een stuk minder dan nu in de gaten had dat Waskowsky ook de draak stak met uit praktisch niets anders dan citaten gebouwde poëzie à la Pound en Eliot. ‘Ook’, want nu ik na heel veel jaren opnieuw door de drie bundels blader die ik van Waskowsky in huis heb, blijf ik er eveneens van overtuigd dat deze Groningse dichter met Pools voorgeslacht, wel degelijk serieus in de weer is geweest met bijvoorbeeld Chinese dichtkunst en het filosofische werk van Ludwig Wittgenstein. Hoe dan ook: alles wat door Waskowsky in zijn tweede bundel werd genoemd en aangehaald, werd gretig door mij opgezocht en uitgeplozen – en dat in een tijd zonder internet...: de naam Hekuba, de Four Quartets van T.S. Eliot, de al genoemde Wittgenstein, W.F. Hermans over Wittgenstein, Herakleitos, Grimm, Pablo Neruda, Rainer Maria Rilke, Dante, Ezra Pound, Li T’ai-Po, enzovoort. Wie weet deels tegen de opzet van Waskowsky in, dook een jeugdige lezer enthousiast de wereldliteratuur in, met het vermoeden van een fascinerende intertekstuele samenhang, niet alleen binnen de literatuur, maar eveneens tussen literatuur en leven. Ik wilde niet van gisteren zijn.
          Drie weken vóór het verschijnen van mijn Waskowskybespreking in de Limburgse krant, had De Groene Amsterdammer op zijn pagina ‘Mensen van morgen’ al mijn poundiaans tribuut aan de Gronings-Poolse dichter gepubliceerd:

KLEINE CANTO
voor R. Waskowsky

In diesen heiligen Mauern
Wo Mensch den Menschen liebt,
Kann kein Verräter lauern.
          (Die Zauberflöte, 2de bedr., 3de sc.)
Spoedig echter moet Johann Emanuel
Schikaneder de schrik om het hart
zijn geslagen.

In nachten met namen van kristal
woelde hij doodsbenauwd zwetend als
een bartholomeus op lange messen in bed.

En al zijn hoopvol denken ‘am freudigen
Schiller’ mocht niet baten
toen op bijv. 25 augustus 1944
(26 haar na de Lovely War)
o.a. rabb M. tussen 4 muren stikte.

Nu, bekeerd,
zie ik hem iedere avond
een Hegeliaans Gebedje bidden:
‘Erbarm u heer
geef ons uw geest,
voortschrijdend
door de historie.’

Huub Beurskens, 19 jaar

Poepoe, wat een proefje pedant epigonisme! Maar op oude en andermans fietsen moet je het leren.
          In mijn positieve bespreking had ik, zoals dat hoort, ook een kritische noot opgenomen: ‘Er zijn echter in deze bundel jammergenoeg ook gedichten die zeer weinig kwaliteit bezitten en het lijkt er verdacht veel op dat de dichter deze, vaak zeer korte gedichten als een soort bladvulling gebruikt heeft.’ Ja, ik stoorde me duidelijk aan flauwiteiten van soms maar één enkele zin op een pagina, zoals ‘Als je niet kijkt zie je het/niet’ en ‘Als je high bent twijfel je er soms aan.’
          Was Waskowsky desondanks in 1968 en 1969 een held, de afknapper kwam in 1970 in de vorm van de bundel Wie het eerst z’n stenen kwijt is. Een uitgave, van eveneens De Bezige Bij, die er welhaast gestencild uitziet, zo typografisch armoedig. Opgenomen in het boekje zijn zwart-wit foto’s, het merendeel van de blote Waskowsky in dagelijkse bezigheden met zijn eveneens blote lief. En op die foto’s is Wittgenstein alom aanwezig, dat wil zeggen in boekvorm: werken van en over, naast het bed waarop wordt gevrijd, tussen het eten op de tafel waaraan wordt gegeten, als af te wassen gerei op het aanrecht. Die fotoserie heeft als titel ‘De filosofie van Ludwig Wittgenstein en ons dagelijks leven – een cyclus concrete lyrische poëzie’.

De rest van de uitgave is al even zouteloos. Tekstjes als ‘op de rotterdamse brug/liggen de meiden/op terrug/daar ken je fietsen…’, ‘Een bloedgeil wijf te Putten/stopte d’r kut vol met grutten/en zei toen, Jan/lik uit die pan/of zit me niet op te jutten’, ‘Ik heb wat kleine borsten, ze ze/toen ze haar beha uittrok./Na enig zoeken/heb ik ze toch nog gevonden!/Onder de stoel…’ en deze ‘Haikoe’: ‘Laatjekutzienkut/zienkutzienkutzienkutzien/ tis karrenaval!’
          Ontkleed en niets… Voor mij had Riekus Waskowsky voor eens en altijd als dichter  afgedaan. Terwijl hij zich toch juist uitermate bloot had gegeven! Serieus: ik geloof dat een dichter die zich ontkleedt en zich écht bloot geeft niet veel anders te bieden zal hebben dan wat Waskowsky bood: banaliteit met, als hij een heteroseksuele man is, praktisch geen andere beelden en woorden in zijn kop dan ‘tieten’, ‘kut’ en ‘neuken’. En daar hebbie inderdaad niks geen powesie meer bij nodig.

donderdag 6 september 2012

NIEUWE UITGAVE NIEUWE DOELEN


In De stok van Schopenhauer trekt een stoet van boeiende en excentrieke figuren voorbij. Twee van hen spelen een hoofdrol: enerzijds de onweerstaanbare gravin Franziska zu Reventlow die al jong een levende legende in het Wilhelminische Duitsland werd, anderzijds de omstreden filosoof Theodor Lessing. Tussen dit tweetal doemt voortdurend de intrigerende gestalte van Ludwig Klages op, die de jeugdvriend van Lessing en de geliefde van Franziska was. De door haar familie onterfde gravin vertoonde nymfomane trekken, schreef romans en satiren, en choqueerde door haar vrijgevochten gedrag de Duitse burgerwereld. Als jong meisje was ze bevriend met de gymnasiast Sweder van Anholt, de zoon van een Achterhoekse baron. Sweder raakte na haar vroege dood weer gefascineerd door het stormachtige leven dat ze geleid had en besloot een persoonlijke kroniek van haar leven te schrijven. Daarin treden ook de schrijvers op die in haar omgeving verkeerden: Stefan George, Rainer Maria Rilke, Thomas Mann, Albert Verwey, Karl Wolfskehl, Oskar Panizza en anderen.
Het eerste deel van het boek is grotendeels gesitueerd in het München van het fin-de-siècle, waar Franziska als ‘heidense Madonna’ schitterde in het kunstenaarsmilieu. De stad Hannover vormt het decor voor het tweede deel, waarin de kritische filosoof en publicist Theodor Lessing onrecht en politiek verval bestreed, en zo zijn ondergang tegemoet ging in een antisemitische hetze.
De stok van Schopenhauer speelt zich af tussen 1890 en 1933, en schetst de beklemmende culturele en politieke woelingen van die tijd. Deze hadden niet alleen hun weerslag op Reventlow en Lessing, maar ook op de vele andere personages die in deze kroniek opduiken en weer verdwijnen. Het boek is een op historische figuren en documenten gebaseerde vertelling over een onheilspellende tijd. Het is geïllustreerd met archieffoto’s van de optredende personen.

Het werk van H.C. ten Berge werd bekroond met de Multatuliprijs (1986), de Constantijn Huygensprijs (1996) en de P.C. Hooftprijs (2006). In 2003 werd hem de A.Roland Holst-penning toegekend. Twee romans kregen een Ako- en Libris-literatuurprijsnominatie.

ISBN 978-90-77414-40-8 / NUR 301
Hard cover, 450 pagina’s, prijs: € 25,- (excl. verzendkosten)
Verkrijgbaar via de boekhandel of rechtstreeks via email: tenbe494@kpnmail.nl

Het boek wordt gespresenteerd en ingeleid door Elsbeth Etty op dinsdag 2 oktober 2012 om 17.00 uur in Spui 25. Reservering vereist.

zaterdag 1 september 2012

BADERS, COWBOYS EN ENGELEN


Had R.B. Kitaj oog voor de ‘onderliggende’ erotiek of de worsteling ermee in Cézanne’s schilderijen van baders en baadsters? (Zie mijn notitie van 23 augustus j.l..)
In een van zijn eigen commentaren – een van de redenen waarom menige kunstcriticus hem niet te pruimen vond en vindt: een kunstenaar hoort over eigen werk te zwijgen – merkt Kitaj op dat zijn favoriete schilderij Cézanne’s ‘zeer late, absurde’ “Baders” in de Londense National Gallery is: ‘Toen ik er op een dag naar zat te kijken, leken de rare figuren gegroepeerd rond een kampvuur en toen kreeg ik mijn idee voor mijn eerste western.’

Hij lijkt vooral geboeid door Cézanne’s compositorische aanpak en de ‘absurde’ vormgeving van zijn mensfiguren. In zijn First Diasporist Manifesto (1989) schrijft Kitaj: ‘Matisse wilde een plaats van rust (van beheersing?) bereiken. Maar Cézanne? Ik hoop van niet… er zijn genoeg aanwijzingen voor dat hij zijn schilderijen niet ongestraft wilde afronden, aanwijzingen voor wat Maurice Blanchot (geboren in 1907) ‘de eindeloze migratie van de dwaling’ noemde. En Blanchot legt mij en mijn schilderkunst aan mezelf uit: ‘Dwaling betekent ronddolen, het onvermogen om te vertoeven en te blijven… Het land van de dolende is geen waarheid, maar ballingschap; hij leeft uitgesloten.’
          Met andere woorden, Kitaj ziet de late Cézannes als voortdurende pogingen om aan afsluiting, voltooiing en gaafheid te ontkomen, dus als een ethisch artistiek probleem en geenszins als een persoonlijk, freudiaans gevecht tegen de erotische verleiding van gave of fraaie menselijke vormen, als een Antoniusstrijd. Aangezien de mens, en niet alleen de joodse mens, aldus Kitaj, in de grond een diasporistisch wezen is of zou moeten zijn, moet ook de kunst van wie dit door het lot bepaalde gegeven inziet, onophoudelijk proberen te ontkomen aan de illusie van voltooiing.

Deze gedachtengang verklaart Kitajs ommezwaai, in het begin van de jaren tachtig, van een schilder en tekenaar die als weinig anderen in de modernistische epoche ‘nog’ een fabuleuze blik en hand heeft voor de erotische schoonheid van anatomische fraaie, gave vormen, naar een kunstenaar die welhaast onbeholpenheid cultiveert.

In 1997 was er in Londen een grote retrospectieve tentoonstelling van Kitajs werk in Londen te zien, een gebeurtenis die de kunstenaar is gaan benoemen als zijn ‘Tate War’. Niet alleen werd zijn werk door een groot deel van de Britse pers neergesabeld (vooral vanwege dat het te ‘literair’ en ‘cerebraal’ zou zijn), maar zijn vrouw Sandra (46) overleed onverwacht. Van haar dood heeft hij die kritiek altijd mede de schuld gegeven. Kitaj verliet Engeland voorgoed. (‘I almost moved to Amsterdam!’) In Los Angeles ontstonden toen zijn ‘engelschilderijen’, dat wil zeggen, schilderijen waarin zijn overleden geliefde als engel terugkeert. Werkt het freudiaanse als het écht werkt niet precies zo: onbewust? Zie daar, opeens transformeerden de ‘absurde’ baadsters tot wat Cézanne misschien middels anatomische deformaties had willen bedwingen: tot opblaaspopachtige verschijningen in troosteloze verlangens naar seks en sentiment.

Tien jaar na zijn Tate War maakte Kitaj een einde aan zijn leven. Ik ben altijd veel respect voor de man en zijn werk blijven houden, ik heb zijn gedachten altijd boeiend gevonden, een aantal werken, zoals ‘Where the Railroad Leaves the Sea’ (1964), ‘The Ohio Gang’ (1964) en ‘If Not, Not’ (1976) behoort voor eens en altijd onuitputtelijk tot mijn artistieke en geestelijke leeftocht. Maar zoals ik met Cézanne’s baders moeite blijf houden, heb ik dat ook met Kitajs cézannesken, en zeker met de opvatting die aan deze werken ten grondslag ligt. De opvatting is me te bedacht en daarmee te naïef. Ze doet me denken aan iemand die vindt dat de wereld maar een rommeltje is en dat een kunstenaar derhalve niet anders mag dan er een rommeltje van maken. Het is, in de beeldende kunst, een poging om een idee te visualiseren in plaats van voor het ding, de voorstelling, het concreet waarneembare zelf te kiezen. (In dat opzicht lijken zijn Tatecritici het bij het juiste eind te hebben, maar zij vielen op een andere manier over iets anders.)
          De principiële onafheid die Kitaj vanuit zijn diasporisme voorstaat, is de onafheid van het maakproces: ze moet de beschouwer vooral een en ander suggereren over het onvermogen van de maker. Ik zou daar de rembrandteske afheid tegenover willen stellen: bij Rembrandt suggereert ‘onafheid’ altijd meer dan er feitelijk te zien is, ze genereert, telkens opnieuw, geen voltooiing maar een voltooiingsproces, de onafheid is er juist een vermogen, het vermogen om de onophoudelijkheid van het rusteloze leven in zijn almaar veranderende volkomenheid waar te nemen en er inlevend deel van uit te maken.