zondag 29 juni 2008

GEMEENSCHAPPELIJK BEZIT

"Dat is," zeg je, "een uitspraak van Epicurus. Wat heb je te maken met een vreemde?"
Wat waar is, is van mij. Ik zal doorgaan met je Epicurus te voederen om te bereiken dat die mensen die zweren bij woorden en er niet op letten wat er gezegd wordt, maar door wie, gaan inzien dat wat het beste is gemeenschappelijk bezit is.

Zo besluit Seneca een van zijn brieven aan Lucilius. Waarom zou ik schrijven en publiceren wanneer ik het niet verheugend zou vinden op een goede dag te mogen merken dat een lezer zich enkele van mijn woorden of zinswendingen heeft eigen gemaakt?

zaterdag 14 juni 2008

TWEE MOGELIJKHEDEN

Wanneer een minbekend auteur wordt belaagd door een prominent criticus zijn er twee mogelijkheden:
de criticus maakt zich belachelijk door met een kanon op een mug te schieten of de mug is de criticus zelf.

dinsdag 10 juni 2008

VERKWIST EN GEMIST

Van een geïnteresseerde lezer in wiens eigen werk ik op mijn beurt geïnteresseerd ben, ontving ik het volgende bericht:

"Ik las net je nawoord bij Benn. Ik weet niet of je het volgende fragment van Nietzsche kent:

(...) want de mensheid heeft over het geheel genomen geen doelen, en dus kan de mens die de hele gang van zaken overziet daar geen troost en steun in vinden, maar alleen vertwijfeling. Neemt hij bij alles wat hij doet de ultieme doelloossheid van de mensen in aanmerking, dan krijgt ook zijn eigen activiteit het karakter van een verkwisting. Zich echter als mensheid (en niet alleen als individu) net zo verkwist te voelen als de eenzaame bloem die we door de natuur verkwist zien worden, is een gevoel dat alle gevoelens te boven gaat. - Maar wie is daartoe in staat? Natuurlijk alleen een dichter: en dichters weten zich altijd te troosten."

Het is aannemelijk dat ik het fragment (Menschliches Allzumenschliches, nr 33) ooit heb gelezen. Maar ik had het in elk geval niet paraat bij het schrijven van dat nawoord, waarin ik wijs op het belang van Nietzsche voor de dichter Benn.
Gemiste kans! Want deze woorden vormen zowel de basis van als de uitdaging voor Benns dichterschap.

Ach wat, gemiste kans! Zulke lezers zijn onmisbaar.

zaterdag 7 juni 2008

DE ANTIANTHOLOGIST VIII

of
HOOI VOOR EEN OLIFANT MET GEHEUGENVERLIES

“Beurskens is vergeetachtig,” schrijft Komrij op 30 mei op zijn weblog. Volgens hem ben ik pas op het idee gekomen te klagen over mijn detentie in zijn bloemlezing nadat hij in 2006 een stuk over mijn “laatste” roman Hoe heette die ook alweer in VN had gepubliceerd. “Meteen na publicatie begon hij te klagen bij mijn uitgever,”schrijft hij. “Schuimbekken mag je het gerust noemen, terwijl ’t toch een heel mild artikel was.”

Allereerst dit: ik heb nooit met wat dan ook in die bloemlezing willen staan. Toen het zover was, was dat een voldongen feit waartegen het, aldus mijn toenmalige uitgever, een wijze man, zinloos was te ageren: zelfs Kouwenaar en nog een paar andere bekende dichters was het niet gelukt er iets tegen te doen.

Dan dat artikel in VN. Het idee dat Komrij ooit iets positiefs over iets van mij te melden zou kunnen hebben is nooit bij me opgekomen. En ik zou ten gronde aan mezelf twijfelen als zoiets ooit zou gebeuren. Wat niet wegneemt dat het me verbaast dat Komrij aandacht aan me besteedt en, niet voor de eerste keer, tegen mij en mijn werk in het geweer meent te moeten komen.

Niet mijn vrienden, mijn vijanden moeten invloedrijk zijn. Een opvatting en instelling die Komrij kennelijk vreemd is. Dat Komrij op cultureel terrein publieke macht heeft is evident. In zijn kringen zal hij mij niet gauw treffen. Machthebbers kunnen hun macht op allerlei manieren bevestigen. Een van de methodes is het om iemand eerst publiekelijk een dreun te verkopen en hem dan even later min of meer privé over de bol te aaien om aan het slachtoffer een even nederige als dankbare glimlach te ontlokken.

Vrij gauw na publicatie van dat artikel in VN vroeg Komrij via uitgeverij De Bezige Bij me om toestemming voor opname van een paar van mijn gedichten in zijn poepenpiesboek. Ik zou toch een echte Nolles zijn geweest als ik toen braaf en blij die toestemming zou hebben gegeven! Het enige wat ik heb gedaan is De Bezige Bij laten weten dat ik op geen enkele wijze ook maar een cent zou willen bijdragen aan het inkomen van meneer Komrij. Dat was alles en het was afdoende. Ik ben dus allesbehalve meteen na publicatie van het VN-artikel bij Komrij’s uitgever begonnen met klagen. Het telefoonnummer van de Bezige Bij is 020.3059810.

Amnesie is natuurlijk een van de grootste schrikbeelden voor een bloemlezer. Een bloemlezer moet een geheugen als een olifant hebben. Amnesie kan, zo heb ik gelezen, onder meer het gevolg zijn van psychische of mentale stress, zoiets als verdringing is het dan, denk ik.

Waarom is die Komrij toch zo gebeten op iemand die in de kringen van en rond zijn ogen toch niet veel zou moeten voorstellen, heb ik me herhaaldelijk afgevraagd. Hij heeft me nu eindelijk zelf een mogelijke verklaring voor zijn gedrag aan de hand gedaan door te veronderstellen dat mijn verzet voortkomt uit frustratie vanwege een door hem geschreven negatieve bespreking.

Komrij is vergeetachtig. Onder de titel “Literaire kitsch en een bal gehakt” schreef ik een artikel in De Groene Amsterdammer van 12 mei 1982. Een stapelrecensie van drie poëziebundels (van respectievelijk Komrij, Büch en Winkler), maar met een tekstomvang (een hele Groenepagina) waar vijf huidige krantenbesprekingen van een poëziebundel in zouden passen. Meteen na publicatie ervan is het gelazer begonnen, terwijl het toch een heel mild artikel was.

Het stuk is nooit gebundeld, dus voor het gemak van vooral Komrij’s shrink laat ik het eerste deel ervan hieronder (De Antianthologist VII) even volgen. Kopij moest toen nog getypt worden ingeleverd om dan weer te worden overgetikt: een paar kleine maar evidente tik- of zetfouten heb ik verbeterd. Van de toentertijd modieuze k in woorden als ‘aspekten’ heb ik een c gemaakt. Er staan formuleringen in de tekst die voor verbetering vatbaar zijn, maar het gaat nu om de strekking, de historiciteit én het effect ervan, meer dan een kwart eeuw later.

DE ANTIANTHOLOGIST VII

De Groene Amsterdammer, 12 mei 1982:

“Dichters, we lezen ze met droge ogen./Waar zijn de tijden van het hartebloed?/Waar de gezangen van het mededogen?/De litanieën, waar? Voorbij. Voorgoed.”
Dit is een stofe uit de bundel Gesloten circuit van G. Komrij. Het zijn vier versregels die een kijk geven op nogal wat aspecten van een bepaald denkbeeld over poëzie (want hoe pasticherend deze regels misschien aandoen, nergens blijkt uit de context van de hele bundel dat ze spottend moeten worden opgevat; de toon die hier wordt aangeslagen is de ondertoon van het boekje.) Zo kun je allereerst concluderen dat er wordt gevonden dat men geen gedichten, maar op de eerste plaats dichters leest. Dat vindt G. Komrij dus en G. Komrij vindt verder dat poëzie de lezer moet doen huilen en bovendien vindt G. Komrij dat de dichter de lezer aan het huilen moet brengen door over het huilen te schrijven.
Iets verderop in hetzelfde gedicht staat “Het bloed werd gruis. De tranen werden glas. Het leed werd leed van bordkarton.” en daarmee maakt G. Komrij duidelijk poëzie “van het hartebloed”, die dus vochtige ogen veroorzaakt, als de poëzie van het echte leed, van het echte gevoel te beschouwen. Bijgevolg is de mate waarin een gedicht kan “ontroeren” maatstaf voor de kwaliteit van het gedicht. Dat betekent toch een sterk geloof in een hoge mate van gevoelsovereenkomsten tussen zeer veel mensen. Maar dat betekent ook een sterk geloof in het genoegen dat mensen scheppen in het huilen. Huilen staat in deze poëzieopvatting immers gelijk aan goed of mooi vinden.
Dat is toch merkwaardig. Want wie is er nu zo graag triest of terneergeslagen, wie heeft er graag pijn? Ik in ieder geval niet. Toch, dat moet ik bekennen, heb ik wel eens gehuild terwijl ik me daarbij tegelijkertijd erg mooi en goed vond, bijvoorbeeld als ik voor iemand iets prachtigs had gedaan en die iemand blijkbaar niet zag hoe prachtig ik dat iets voor hem had gedaan. Misschien is dat soort huilen wel het algemene huilen dat G. Komrij bedoelt.

Waar ik heen wil is het volgende: kitsch. Het kitschgenot lijkt veel op een esthetisch genieten, maar met dit verschil dat bij het kitschgenot het bewustzijn primair als bewustzijn van het genieten van de aandacht op de eigen gevoelshoedanigheden werkt. Kitschgenot is eigengenot. Zo wordt van een droevige gebeurtenis niet alleen de droefheid van het gebeuren, maar de diepte en mate van de eigen droefheid ervaren.
Hetzelfde geldt voor een kitscherige benadering van gevoelens van liefde. Dezelfde G. Komrij laat een mix van zowel treur- als liefdeskitsch zien in zijn serie “Peper en zout”. Daarin komt G. Komrij met een onsje kalfsgehakt van de slager: “Ik schrok. Was het wel schrik? ’t Was wanhoop en/Aanbidding tegelijk”. Komrij ziet in een flits een schoonheid tussen de mensen de straat oversteken, maar kan op het juiste ogenblik niet tot actie komen, zodat de schoonheid is verdwenen, iets wat prompt gedichtenlang zelfmedelijden opwekt: “Nu weende ik bijzonder hete tranen” of “Ik, arme slaaf, brandde zo pover, pover” en “Ik sudder eenzaam voort. Ik gloei vertwijfeld./Ik ben de martelaar van etenswaren”, met andere woorden, een bal gehakt.
Die jammerklachten worden doorspekt met opmerkingen die in eerste instantie een sterk relativerend en objectiverend karakter tegenover de gevoelsexplosies lijken te hebben en ze cirkelen vooral om het thema van het gekochte onsje kalfsgehakt: “Als ik het ons terstond had neergedonderd”. Maar de schoonheid die plots verdween blijkt van vers tot vers meer te zijn dan een mooie jongen: de suggestie wordt gewekt dat het hier gaat om een ongeluk (ook weer via zo’n objectiverende opmerking: “een auto – ’t was, geloof ik, een Renault –”), om iemands plotselinge dood op straat en uiteindelijk zelfs om de eigen dood en die dood als geliefde.
G. Komrij stond dus kortstondig oog in oog met de mogelijkheid van de eigen dood in “wanhoop en aanbidding tegelijk”! In het laatste gedicht vraagt hij zich dan ook af: “Zal ik zijn zeis nog eenmaal langs zien zweven?/O God, roep ik, ik wou maar dat het kon.” Dat is de perversiteit van het kitschgenot. En het kenmerkende is dat de wil om zich koste wat kost te laten ontroeren in concreto ertoe leidt roerende aspecten ook daar te vinden waar ze zelfs helemaal niet zijn: in het onsje kalfsgehakt. Want het is maar een kleine stap om een (mogelijk doodgereden) lichaam hier te vergelijken met gehakt (van een onschuldig kalfje), zeker als dat lichaam nog als volgt wordt gekruid: “Zijn hals was hoog, zijn lippen ietwat bleek/zijn ogen – peper en zout! Peper en zout!”
Tegelijkertijd kun je hier duidelijk zien dat het maken van kitsch zeker niet gelijk staat aan het ontbreken van zoiets als “vakmanschap”: zoals een maker van kitschbeeldjes uitstekend met klein en glazuur overweg kan, kan G. Komrij vakkundig met woorden schuiven, laat hij zijn lijden aan het lijden van een gehaktbal samenvallen met zijn lijden aan het lijden van een kalfje en bijvoorbeeld zijn verdriet over de eigen dood of kan hij met woorden spelen zoals in “mijn ons gehakt” waarin “ons” niet alleen voor een gewicht hoeft te staan, maar ook bezittelijk voornaamwoord kan zijn.

Het geraffineerde van G. Komrij’s kitsch is dat het in eerste instantie steeds lijkt alsof hij behalve die hoogdravende en diepgravende gevoelens elementen ten tonele voert die alles weer kunnen relativeren. Maar bij nadere lezing blijken ook deze elementen zo geladen te zijn dat ze juist extra meehelpen aan de versluiering van alle tegengestelde zaken. Alleen al hieruit wordt duidelijk dat het voornaamste doel van de kitsch het uitbannen van elk demonisch karakter van het leven is en wel juist daar waar blijkbaar alles het tegenovergestelde beoogt: dood, seks, oorlog, schuld, geboorte, god, enzovoort. Het zijn de elementen die ook in de bundel Dood kind van B. Büch aan de orde zijn. In de door B. Büch “doodsliederen” genoemde gedichten wemelt het weer van regels als (…).”

vrijdag 6 juni 2008

DE ANTIANTHOLOGIST VI

Onderweg: 'Hooi voor een olifant met geheugenverlies'

DE ANTIANTHOLOGIST V

Wantrouw elke dichter die zich voordoet als cultuurdrager in de gedaante van een op kwaliteit selecterende en hiërarchisch ordenende poëziebloemlezer.
Wantrouw elke cultuurdrager in de gedaante van een op kwaliteit selecterende en hiërarchisch ordenende poëziebloemlezer die ook zichzelf dichter noemt.

DE ANTIANTHOLOGIST IV

"The anthology meets with two different kinds of reactions in living poets. They will write either toward the anthology or away from it. Anti-anthology poets often overreach themselves, inflicting self-protective distortions on their work - as parents in old Central Europe often deliberately maimed their sons to save them from compulsory military service. But the problem of remaining outside the anthology system should be to the poet no other than the problem of writing as it is best for him to write."

Laura Riding & Robert Graves, 1928

DE ANTIANTHOLOGIST III

"The financial history of these 'Best Poems of...' anthologies - which as a matter of fact are only commercially successful in the sense that they pay the publisher better than volumes by individual authors - is interesting: though no contributors are invited to pay their fee for inclusion, to become 'co-publishers' at six dollars a page, not many are given any fee other than their presentation-copy. There are, however, a few 'names' which must be secured in order to give the collection an air of respectability. Each 'name' is paid for according to the owner's awareness of its exact market-value."

Laura Riding & Robert Graves, 1928

DE ANTIANTHOLOGIST II

"The reader whose first approach to poetry is through anthologies usually acquires the anthology habit for life; he cannot distinguish poets from each other by what may be called the handwriting quality in their poems. It hardly occurs to him that there is such a quality, or that it is worth discovering by reading poetry in its original setting."

- Laura Riding & Robert Graves, 1928

donderdag 5 juni 2008

DE ANTIANTHOLOGIST I

"The intelligent but unread reader who wishes to find out what poets he would like to know better gets no help from the popular anthology: in an anthology everything reads democratically much the same. We would not go so far as to say that every poem in The Golden Treasury is uncharacteristic of the author, but we do say that even positive poems lose character by being anthologized. Poems by Shakespeare, Donne, Shelley, Keats, become affected by the same negative poison, to a point where they are almost unrecognizable; so faces in the underground or overhead railways are made negative, as faces, by the spell of the cheap ticket which is the only link between them. In place of their original quality the good poems acquire the same meaningless competitive vulgarity as the bad. (...) It is doubtful whether even the 'masterpieces' can weather the effects of being anthologized."

- Laura Riding & Robert Graves, 1928