maandag 7 juli 2008

LEEUWERIK

Nog net niet aangerand werden Daphne
laurier en Syrinx ritselriet, hamerde Picus
zijn boomklopperslied – veranderen in plant
of dier wanneer het exces van de lust het

al te onwenselijke, de mens zien liet,
het was intuïtief een gedachte die ook
iets goddelijks verried. Was de mythe maar
praktijk: in plaats van om ons te kwijnen

bloeiden dieren- en plantenrijken om ons
heen, Birkenau-eikenwouden, kuddes
Hararegeiten, zoetwilde Fritzldruiven,

bosmieren van Fourniret – hemels hoog
steeg ik om jubelend over heel de aarde uit
te kijken! Maar storten zou ik, als een steen.

zondag 6 juli 2008

PENIBEL BESTAAN

De taal is van het misverstand, soms
heel charmant, zoals je woord ‘penibel’
fout beklemtoond door een sensibel meisje
jou wel mooi voor oude bok deed staan,

vaak echter werkt moedwil echte ellende
in de hand. Stel merels sloegen ter verjaging
van medemerels katvrij alarm of muizen lokten
‘Kaas’ piepend medemuizen in de val, zoals

in de comics van onze cartoonisten. Ook dieren,
zelfs planten, menen wij, gebruiken listen. Maar
goed dat zij niet eens weten dat ze niets missen

door daar zelf niets van te weten. Ook ons verstand
is dier, van taal, zoals een garnaal van een garnaal
die nietsvermoedend leeft hoewel er pellers bestaan.

zaterdag 5 juli 2008

EVOLUTIE VAN HET ONGEDULD

Zouden de dieren langzamerhand
niet iets moeten gaan begrijpen van
onze gereedschappen in plaats van
eraan te ruiken of erop neer te strijken?

Al was het maar dat ze menen dat wij
met speren mieren jagen en olifanten
met een pincet. Wanneer begint bij
filevorming de paddentrek, imiteren

apen ons eindelijk zonder haar? E-
volutie is een zaak van lange duur,
zo bepaalden wij die menen zelf al

de eerste stap naar Godzijn in Gods
Al te hebben gezet. Wanneer gaan we
ons eindelijk niet meer boven de pet?

woensdag 2 juli 2008

HET TROCADÉROMOMENT

Een ex-leerlinge schrijft me een brief over een bijzondere ervaring. Ze was voor het eerst in Parijs, was met de metro naar Trocadéro gereisd. Op haar stadsplattegrond had ze een gebouw met de naam Palais de Chaillot aangegeven gezien. Ze had de vormen, de symmetrie van het gebouw en de omgeving op de kaart bekeken.
‘En plotseling stond ik daar! Bernardo Bertolucci – Il conformista – Marcello Clerici en zijn kersverse vrouw Giulia met op de achtergrond de Eiffeltoren, een zwart met rode taxi en Giulia’s domme blik wanneer Marcello haar in haar eentje weg laat rijden. Ik heb me nooit gerealiseerd dat dit plein echt bestaat, laat staan dat ik er ooit zelf zou staan, wat de hele gebeurtenis des te overweldigender maakte. Kijk, daar stopte de taxi. Denk even al die mensen weg. En Marcello, Giulia, zo moeten ze hebben gestaan. Loop terug, met het zicht op de Eiffeltoren, rug naar de weg. Het heerlijke gevoel bekroop me even door de ogen van Bertolucci te mogen kijken en even deel uit te maken van die meesterlijke film.’Die inderdaad meesterlijke film had ik zo’n anderhalf jaar eerder met haar studiegroepje bekeken en analyserend besproken. En naderhand is Il conformista nog menigmaal in onze gesprekken over kunst ter sprake gekomen. Nu komt ze uit de ondergrondse boven en staat volkomen onverwacht midden in die film! En midden in de wereld! Dat is zo’n moment van genade, van ‘duur’ dat telt, waar het om gaat, waar alles op zijn plaats lijkt te vallen en fictie de werkelijkheid die ze altijd al is geweest ook daadwerkelijk blijkt te zijn, waar kunst bovengronds komt.