donderdag 22 januari 2009

W.H. AUDEN - MUSÉE DES BEAUX ARTS

In wat lijden is hebben ze zich nooit vergist,
De Oude Meesters: die hadden pas verstand
Van zijn menselijk belang; hoe het plaatsgrijpt
Terwijl iemand eet, een raam openzet of in de struiken pist.
Hoe, als de ouderen zich toegewijd, koortsig voorbereiden
Op de wonderbaarlijke geboorte, het alleen doorgaat als er allemaal
Kinderen zijn die het een zorg is wat moet komen, die schaatsenrijden
Op een vijver aan de bosrand:
Nooit hebben ze eraan voorbijgestaard
Dat zelfs het ergste martelaarschap zich moet voltrekken
In een uithoek, op een van die sjofele plekken
Waar de honden hun hondenleven blijven leiden en het beulspaard
Zijn onnozele kont schurkt langs een paal.

In Bruegels Icarus bijvoorbeeld: hoe alles zich zonder ijver
Afwendt van de rampspoed; het kan dat de ploegdrijver
De plons heeft gehoord, de verloren kreet,
Maar dat bracht hem niet uit zijn doen; de zon scheen
Zoals ze moest op de bleke benen die verdwenen in het watergroen;
En het sierlijk rijke schip dat iets moet hebben waargenomen toen
Wat verbazingwekkend was, een jongen die uit de hemel gleed,
Moest naar ergens toe en zeilde rustig heen.





© Nederlandse vertaling H.B. & J.M. Meulenhoff