dinsdag 23 juni 2009

GEEN ONTKOMEN AAN

Dirk van Bastelaere is beslist geen naïeve idioot. In een vraaggesprek, gepubliceerd in de nieuwe aflevering van Poëziekrant, maakt hij tussen het aanbieden en zelf verorberen van cent wafers door, zinnige opmerkingen. Hij toont het boek World Poetry en roept ‘Kijk, welke twee Nederlandstalige dichters staan in dit boek? Kopland en Van Vliet. Ik wil niet weten wat een Egyptenaar over onze poëzie denkt!’ Van Bastelaere ageert tegen de beperktheid van dit soort beeldvorming. ‘Elke dichter opereert in een gigantische algemene, dat wil zeggen niet strikt literaire intertekst,’ zegt hij. ‘Je wordt beïnvloed van alle kanten.’

Ik wil dat onderstrepen. En ik wil er aan toevoegen dat elke dichter bijgevolg ook door gigantisch veel meer niet beïnvloed wordt. En bij dat gigantisch vele waardoor hij niet beïnvloed wordt, simpelweg omdat hij in onze tijd inderdaad door van alles en nog wat wordt beïnvloed, zou juist wel eens zoiets als ‘de Vlaamse poëzie’ of ‘de Nederlandse poëzie’ kunnen behoren, hoewel hij zelf in het Vlaams of Nederlands schrijft. Hij heeft wellicht heel wat meer en beters te doen dan zoiets als de Nederlandstalige poëzie bestuderen en bijhouden.

Misschien, mogelijk, waarschijnlijk reageer ik als allergisch op ‘studies’ over de stand van zaken in ‘de Nederlandse literatuur’ zoals die van Vaessens, evenals op bloemlezingen van Nederlandse poëzie of op een bloemlezing die nadrukkelijk Vlaamse van Nederlandse poëzie van elkaar wil afschotten en op veel meer van en binnen ‘de Nederlandse literatuur’, omdat ik er niet bij hoor! Ik bedoel niet dat ik erbij zou willen horen en me onderschat en gepasseerd voel en vanuit frustratie wrevelig reageer. Ach, uiteraard ben ik, als elk normaal mens, gevoelig voor positieve aandacht en complimenten en nog meer voor het tegenovergestelde ervan. Maar of ik nu met drie of tien gedichten van me in ‘De Komrij’ word gegijzeld, ik word net zo ingerekend door en gerekend tot de Nederlandse dichtkunst. Zelfs met niet meer dan een titelvermelding of een voetnoot in een universitaire studie over of in een overzicht van Nederlandstalig proza, behoort mijn werk tot De Nederlandse Literatuur. Hoewel de enige overeenkomst tussen mijn boeken en boeken uit de Nederlandse literatuur is dat ze geschreven zijn in de Nederlandse taal.

Het is zoiets als wanneer je een olieverfschilderij tot de Nederlandse kunst zou rekenen op grond van het feit dat het niet met verf van Windsor & Newton of Lefranc & Bourgeois is geschilderd, maar met Oud Holland of Talens.

Een vergelijking waarmee ik de boekenplank missla natuurlijk, maar niet zonder hem te schampen.

Als dialect sprekend Limburgs jongetje werd het Nederlands me opgedrongen, werd ik ertoe gedwongen het me ‘eigen’ te maken. Dat kostte me veel moeite en zelfoverwinning. Ik woon al vele jaren samen met een vrouw die het perfecte ABN met de paplepel ingegoten heeft gekregen door haar Haarlemse ouders, beiden met ouderwets degelijk kweekschooldiploma. Ik geef nog veel meer jaren les in Amsterdam, zonder dat een leerling iets opvalt aan mijn Nederlands, zelfs niet qua intonatie, ik kan er in lachen en huilen. Ik vraag bij de slager allang niet meer om ‘droogworst’. Maar wel vind ik het nog altijd een beter woord of soort snijworst dan ‘cervelaat’, dat me steevast aan hersenvlees doet denken. Zoals ‘sjink’ lekkerder is dan ham en zoals ‘balkenbrij’ te belachelijk is om uit te spreken. Stel dat je gaat dementeren, zo peins ik over mezelf, dat je zit te raaskallen terwijl je wordt voortgeduwd in een rolstoel van Sint Jacob aan de Plantage Middenlaan, zal dat dan in het Tegelse dialect gebeuren? Sjei oêt, ik moet er niet aan denken, maar ik acht de kans niet uitgesloten…

Wil ik dan dat mijn gedichten en proza tot de Limburgse literatuur worden gerekend? Nog minder dan tot de Nederlandse!

Van de Nederlandse literatuur heb ik tenminste nog het een en ander gelezen dat de moeite waard is. Maar zoiets als De Nederlandse Literatuur bestaat voor mij simpelweg niet. Ik weet er veel minder van dan een doorsnee leraar Nederlands. Van de meeste schrijvers die ertoe worden gerekend heb ik nooit iets gelezen, tenzij op de middelbare school, daarna, zoals dat met bijna alle leerlingen gaat, gewoon weer vergeten wat het was en waar het over ging. Ik sla het schoolboek Onze literatuur van Piet Calis open en geef inhoudelijk niet thuis (tenzij ik zou willen bluffen met wat etiketten en kreten als ‘sociaal realisme’, Kniertje en Eline Vere) bij namen als Coornhert, Langendijk, Rhijnvis Feith, Staring, Conscience, Couperus, Van Deyssel, Heijermans, Van Bruggen, Blaman, Haasse. Wolkers behoort voor mij al tientallen jaren tot het leesverleden. Nooit iets gehad met Reve. Van A.F.Th. van der Heijden het meeste helemaal niet gelezen. Kader Abdolah ken ik alleen als fors besnorde talking head. Enzovoort. Totaal geen sluitend overzicht dus, zelfs geen gapend. Hapsnaplectuur, gebaseerd op intuïtie en vooroordelen. Wat niet betekent dat ik niet heb gelezen en niet blijf lezen. Herlezen ook. Wat werk van al dan niet dode buitenlandse schrijvers betreft voor zover mogelijk in hun originele taal, anders in Nederlandse, Duitse of Engelse vertaling. Of iets wel of niet tot ‘onze literatuur’ behoort of daarvoor van belang is, heeft me tijdens mijn eigen lees- en schrijfwerk nooit werkelijk geïnteresseerd. Met als gevolg dat ‘invloeden’ die ik en mijn werk mogelijk hebben ondergaan en de literaire artisticiteit waar ik me heb willen ‘inschrijven’ voor het grootste en beslist belangrijkste deel van niet-Nederlandse origine zijn. Al dan niet opzichtige intertextualiteit in mijn proza en poëzie heeft zelden te maken met Nederlandstalige literatuur. Je zou toch ook gek zijn, zeker in Holland, als je alleen maar bij je landgenoten de kunst zou willen afkijken? Bovendien zijn de invloeden, dat weet ik zeker, van de beeldende kunst (qua ‘taal’ in se al internationaal) en de film (idem), niet van minder belang, of van muziek, zoals van zoveel meer. Wanneer ik dingen van mezelf in vertaling lees, herken ik daarin helemaal niets van zoiets als Nederlandsheid: ook als typische Nederlands exportproduct is mijn werk dus ongeschikt.

Met andere woorden, ik voel me bij mijn nekvel gegrepen en verfomfaaid of anderszins vervormd in een hok gesmeten, doet er niet toe of iemand mijn boeken daar op de hoogste regalen zet, ze links of rechts laat liggen of ze in de papierversnipperaar van het departement van De Nederlandse Literatuur deponeert.

Ach, er is natuurlijk geen ontkomen aan, ik weet het. ‘Hier jij!’ Zelfs het protest tegen internering kan zelf weer tot ‘onze literatuur’ worden gerekend, zodat ik me niet eens iets kan voorstellen bij externering… Tegenstribbelen helpt dus niet, maar het geeft tenminste nog de illusie van beweging, wilskracht en dus eigenheid.