maandag 13 juni 2011

HET MOET GEZEGD - METTES 2


Niet onbegrijpelijk, lijkt me, dat ik van het boek Weerstandsbeleid allereerst (nog eens) ben gaan lezen wat Jeroen Mettes had en heeft in te brengen over en tegen iets van mezelf, en dat ik, gezien het feit dat zijn blogteksten extra status hebben verkregen doordat ze in boekvorm zijn uitgegeven, gemeend heb daar nogal wat op te kunnen en mogen afdingen. (Zie mijn blog van de dag voor Pinksteren.) Nog steeds sta ik volledig achter mijn kritiek op wat Mettes toentertijd heeft gepresteerd en publiekelijk heeft afgeleverd. Ik haalde met mijn stuk erover ook opzettelijk zelf het kunstje uit dat hij flikte: een tekst ruwweg uit de context van zijn boek rukken. Alleen heb ik het uit mijn hoofd gelaten hem na te volgen in zijn dufheid (‘mij en mijn hoofd vandaag’) bij het lezen van die tekst.
Zoals Mettes toegaf te beseffen dat lectuur van de hele bundel ‘toch op een gegeven moment zal moeten gebeuren’, vond ik dat toch lectuur van het hele boek moest plaatsvinden en wel zo spoedig mogelijk. Begrijpelijk lijkt het me vervolgens ook dat ik die verdere lectuur van zijn teksten zou aanvangen met het risico van een waas voor ogen of op zijn minst vanuit de vooronderstelling dat Mettes er elders eveneens met de pet naar zou gooien.
Ik ben begonnen met de systematische lectuur van Weerstandsbeleid, dus vanaf zijn eerste notitie van vrijdag 29 juli 2005, met de bedoeling keurig pagina voor pagina verder te lezen, allereerst tot de laatste notitie, die van 16 september 2006, tenzij ik er, spoedig of ergens middenin, echt tabak van zou krijgen. Dat waas was er, evenals die vooronderstelling. Ik las over de aanleiding van Mettes om Nederlandse poëzie te gaan lezen (haat veeleer dan liefde) en zijn concrete aanpak ervan. Inderdaad met een bundel ‘in het restaurant van de Hema onder het genot van een grote beker Coca-Cola Light.’ Of hij dat daadwerkelijk en consequent zo heeft uitgevoerd, weet ik niet en dat doet er ook niet toe. Ik ben inmiddels met mijn lectuur gevorderd tot de bewuste donderdag van 11 augustus 2005. Met Pinksteren zal het niet te maken hebben, maar waas en vooronderstelling zijn verdwenen als sneeuw voor de zon.

Het boek telt inmiddels zo’n veertig bladzijden vol instemmende strepen van mijn HB potlood. ‘Poëzie is simpelweg dat wat in een gedicht niet te reduceren is tot tekst, vorm of inhoud.’ ‘Het mooie van de haikuvorm is zijn geschiktheid om een gebeurtenis te verbeelden in plaats van een verhaal te vertellen.’ ‘Poëtisch betekent hier een ritmische compositie van rijmende elementen die een gebeurtenis uitdrukken door zelf een gebeurtenis te zijn.’ ‘Wat is een gedicht anders dan een weigering mee te draaien, voor heel even, in de carrousel die grote mensen de wereld noemen?’ ‘(…) en ik ben principieel tegen troost. Daar ben ik werkelijk hard in. Ik ben daarentegen niet onbereid ontroering te beschouwen als een belangrijke eigenschap, zo niet de core business van poëzie.’ Et cetera.
          Het is boeiend om te lezen wat Mettes over ‘ontroering’ schrijft. ‘Ont-roering,’ zo besluit hij zijn excursie, ‘betekent steeds opnieuw beginnen met roeren, de beweging nooit volledig voltrekken tot in het zwarte gat van de absolute subjectiviteit (…).’ Terecht komt hij in het verweer tegen de opvatting dat dichters niet intelligent, belezen en ook theoretisch onderleg mogen zijn: ‘Geen enkele serieuze dichter is er op uit een theorie te illustreren, maar wie principieel elke reflectie over het eigen vak afwijst, loopt het gevaar voortdurend dezelfde onbewuste theorie te illustreren.’ Hij zet zich af tegen het vergelijken van de dichtersblik met de kinderblik, volgens hem de basis van ‘de dominante poëtica van de meest gerespecteerde Nederlandse poëzie (…): Michel, Duinker…' Dat maakt me alvast zeer nieuwsgierig naar een van de essays in het laatste part van het boek, waarin hij zich, zo te zien, bezighoudt met poëzie van Duinker. Mettes laat zien dat hij kan zien en horen wat rijm en ritme kunnen betekenen en veroorzaken. Hij toont op even ironische als vrij simpele wijze op grond van welke regels je een herkenbaar en troostrijk gedicht kunt maken, dat wil zeggen, poëzie die het goed doet. Hij bestrijdt de vermenging van en vervaging tussen het concrete en het abstracte, het letterlijke en het figuurlijke (à la Pound met diens ‘Don’t use such an expression as “dim lands of peace”. It dulls the image. It mixes an abstraction with the concrete.’ – al in 1913 trouwens; het schiet niet op). Hij zet zijn ontleedscalpel precies daar in waar het nodig is, zoals naar aanleiding van de formulering ‘de taal die braak ligt op de bodem van mijn brein’: ‘Op de eerste plaats kan niets braak liggen op de bodem van wat ook; wat braak ligt is altijd de bodem zelf; braak liggen betekent nu precies dat er niets op of in de bodem te vinden is.’
          Kortom, uiterst boeiend, behartenswaardig en meestal to the point allemaal. Met gedrevenheid, overtuiging en flair neergezet. In dat licht voelt het zelfs bijna als een eer juist door iemand met zulke vermogens verkeerd, dat wil zeggen slecht en miskleunend te zijn gelezen... (Waarbij het me – dit om een misverstand te voorkomen – er niet om gaat dat Mettes dat ene gedicht van me zou hebben moeten bejubelen – ik weet zelf niet eens of ik het goed moet vinden –, maar om de nalatigheid waarmee een en ander door hem is behandeld.)

Wat is er gebeurd tussen de notitie van woensdag 10 augustus 2005 en de notitie van de dag erna, die in scherp contrast tot al het eraan voorafgaande bijna gebukt gaat onder excuses, letterlijk uitgesproken excuses, zowel bij voorbaat als achteraf? Twijfels ook (‘Dat ligt misschien minder aan….’,  ‘Als ik hierboven onrechtmatig gegeneraliseerd heb…’) Voornemens om het naderhand, onder betere omstandigheden, beter, want uitgebreider, met de hele bundel en zelfs het hele oeuvre in de hand te bekijken. Wat was er aan de hand met Mettes’ conditie die dag (‘en waarschijnlijk morgen’)?


Ik lees nogmaals, maar nu met andere ogen, de laatste zin van Mettes' woensdagblog, en voel dan de adrenaline vrijkomen en de bloeddruk acuut stijgen: ‘Benjamin maakte er in 1940 een einde aan.’

Wordt vervolgd.