zaterdag 2 februari 2008

URGENTIE

De urgentie van Alicia

In een krantenbespreking van een optreden in Nederland werd Alicia Keys een ‘gebrek aan soul en urgentie’ verweten
[i]: ‘Keys kan het net zo goed tegen haar moeder hebben, zo weinig urgent klinken haar woorden.’
Bij het lezen van de kritiek maakte een lichte vorm van seksistische verontwaardiging zich van me meester. Ik ben niet bij het concert aanwezig geweest. Ook heb ik geen muziek van Alicia Keys in huis. Ik had de jonge pianospelende Amerikaanse met de sensuele mond en een teint als de kleur van de romigste melkchocolade een paar keer in een televisieclip gezien. Plotseling, zo staat er tegen het einde van de bespreking, ‘sprak (…) een schrijnend verlangen. Even was Keys meer dan alleen maar mooi.’


Is, vroeg ik me af, alles wat je tegen je moeder te zeggen hebt gespeend van urgentie? Misschien was voor deze dochter een moeder erg belangrijk. En maakt alleen al het bestaan van zo’n schoonheid de eis van ‘urgentie’ niet tot een gotspe?


Met regelmaat duikt het begrip ‘urgentie’ op in de kunst- en literatuurkritiek. Ik verbaas me erover hoe de gebruikers van het begrip de definitie en inhoud ervan als vaststaand en bekend veronderstellen. Bij het beschrijven van kwesties uit de gezondheidszorg kan ik me die vanzelfsprekendheid nog voorstellen: ‘Ten gevolge van de actie van het verplegend personeel werden alleen urgente gevallen behandeld.’ Maar wat betekent het als wordt gezegd dat een kunstenaar of diens werk getuigt van urgentie of juist van gebrek eraan? De inzet van de kwalificatie ‘gebrek aan urgentie’ betekent in onze tijd en omgeving intussen niet minder dan een opzettelijk toegebrachte doodsteek voor de kunstenaar of diens werk. Tegelijk wordt meer dan eens verondersteld dat de kennelijke aanwezigheid van ‘urgentie’ bij de scheppende kunstenaar garant staat voor de ‘urgentie’ van zijn of haar schepping. Waarmee dan weer twee opties worden verhutseld: die van het verlangen van de kunstenaar om iets of ‘zich’ uit te drukken en die van verlangen van de beschouwer, luisteraar of lezer om te worden geboeid.
Zou een huisvrouw die voorgedrukte afbeeldingen overborduurt bij haar bezigheid door minder ‘urgentie’ worden gedreven dan Karel Appel tijdens het beschilderen van een stuk linnen? Ik zou geen sluitend antwoord op deze vraag durven geven. Bij beiden moet er toch zoiets aanwezig zijn als een aandrang in de hand, een bepaalde constitutie in de hersenen? Waarom drukken we iets uit, vroeg de Duitse schrijver-arts Gottfried Benn zich af in zijn gedicht ‘Satzbau’
[ii]: ‘Überwältigend unbeantwortbar! (…) es ist ein Antrieb in der Hand, ferngesteuert, eine Gehirnlage’. Evenmin durf ik antwoord te geven op de vraag of het hier dan zou kunnen gaan om in kwalitatief opzicht van elkaar te onderscheiden soorten behoefte.

De verwachting of zelfs eis van ‘urgentie’ lijkt me intussen een typisch, alom tegenwoordig en hardnekkig klittend relict van het romantisch modernisme, met name van dat uit de jaren vijftig van de twintigste eeuw, toen de avantgarde-kunst zich toespitste op zelfuitdrukking, zoals in het Abstract Expressionisme. Uit die tijd stamt het beeld van de kunstenaar als toonbeeld van het volledig van zichzelf bezeten, onafhankelijk individu. Het gebaar van het aanbrengen van verf of het doek werd toen het ultieme gebaar van bevrijding – ‘niet alleen van politieke en sociale normen, maar net zo van de voorafgaande geschiedenis van de kunst.’
[iii]
Niet lang nadat ik de bespreking van het Keysconcert had gelezen bezocht ik in het Amsterdamse Stedelijk Museum een overzichtstentoonstelling van werk van een Engelse kunstenares, ‘Tracey Emin, ten years’. Tracey Emin is een van de meest succesvolle vertegenwoordigers van de zogenaamde Art-generatie in Groot-Brittannië. Haar kunst wordt veelal getypeerd als het summum van beeldende autobiografie. Emin toont in woord en beeld van alles en nog wat dat afkomstig is uit haar privé-leven. Dagboekachtige aantekeningen, vuil bedlinnen en ondergoed, de behoefte te kakken na het neuken na een nacht doorhalen, haar krakkemikkige gebit. Ze presenteert opstellingen en installaties waarbij je een voyeuristisch kijkje in haar wereld kunt nemen. Ze maakt patchwork met sloganachtige, zogeheten openhartige teksten die veelal betrekking hebben op (haar) seks. Amateuristisch aandoende videofilmpjes met zichzelf in de hoofdrol. Enzovoort. Maar wat ze, in mijn ogen, laat zien is niet zozeer het schrijnende van haar privé-leven maar haar urgentie om zich zo schrijnend mogelijk te etaleren. (In psychologisch jargon zou zoiets ‘exhibitionisme’ heten.) En het bewijs van de urgentie van deze urgentie moet worden geleverd door het slordige, vormeloze, lelijke, krakkemikkige uiterlijk van haar presentaties. Wat mooi is, is immers niet urgent, lijkt al die rommel aan een stuk door te beweren.
Aan m’n hoela! Als het werk van Tracey Emin van íets getuigt is het van l’urgence pour l’urgence. Ik voel me door haar werk niet eens verneukt, ik neem er geen aanstoot aan omdat ik niet tegen een confrontatie met de banaliteit van het (seksuele) leven zou kunnen, maar het werk ergert me omdat ik zie – letterlijk – dat Emin me meent te kunnen doen geloven dat hier de vorm, c.q. vormeloosheid noodzaak garandeert en dat die noodzaak vice versa de exhibitie ervan legitimeert. Ach, misschien verneukt Tracey Emin zichzelf wel, is ze een pathologisch geval, iets dus wat je van een kunstenaar nooit mag zeggen, wie weet, ik ken haar immers niet en ik heb tijdens mijn wandeling door de zalen van het Stedelijk Museum ondanks de aaneenschakeling van parafernalia geen enkele keer de indruk gekregen dat ik daar iemand leerde kennen. Ik kreeg op een gegeven moment zelfs de indruk deze vrouw nooit te willen leren kennen… Mag een bezoeker van zo’n tentoonstelling eigenlijk zelf ook basaal privé reageren? Op het eind van de expositie is een videogesprek met de kunstenares te zien. Mag ik nogmaals politiek incorrect en seksistisch zijn, net als Emin zelf? Welnu, opeens, bij het zien van Tracey’s pratende hoofd op de monitor, meende ik te vatten waarom zij naar zoiets als kunst moest en moet grijpen om zich seksueel te exploiteren en om anderszins sociaal aan haar trekken te komen. Want bij het zien van Tracey’s hoofd overkwam me het tegenovergestelde van zo’n gevoel van urgentie, zo’n ‘aandrang in de hand’ (om Benns zin voor het algemeen artistieke te combineren met Emins zin voor de persoonlijke banaliteit) als bij het zien van een videoclip van Alicia Keys. Waarmee ik maar wil zeggen dat urgentie iets is om te wantrouwen.

[i] Door Hester Carvalho in NRC Handelsblad, 27 september 2002
[ii] Verschenen in de bundel Fragmente, Wiesbaden 1951.
[iii] Suzi Gablik, Has Modernism Failed?, New York 1994.