donderdag 28 februari 2008

DIALOOG INTERIEUR

Bij Caravaggio valt voortdurend alles uit elkaar terwijl het samenvalt en vice versa.
Ik stond oog in oog – een Caravaggio kijkt altijd terug – met Johannes de Doper met ram uit 1602 in de Pinacoteca Capitolina te Rome. Ik had al veel gelezen over dit schilderij, over de onmiskenbare seksuele aspecten ervan met name. Hoewel geen beschouwende auteur me daarbij ver genoeg ging en gaat. Zag en ziet niemand dan de fallus die zich voordoet als ramspoot?

“Ik denk dat je nu meer van je eigen perverse blik verraadt dan dat je echt iets ontdekt…”

Maar waarom las ik bij geen enkele auteur tot nu toe iets over de decapitatie? Jonge Johns hoofd is immers (al) van zijn romp gescheiden! Of de romp is al van het hoofd gescheiden. Zo meteen fluistert John opnieuw iets in het rechteroor van de ram, van het ramshoofd. Zijn hoofd zou althans iets intiems willen fluisteren, want het zal du moment naar beneden tuimelen, op de buik van het naar achter wegvallende lichaam en dan tussen de benen op de aarde achter de plant rollen…

“Het is geen snee in zijn hals, maar een halsplooi met schaduw…”

Het is een snee, door en door, die zich voordoet als halsplooi, nog even. Het rode doek is het al met me eens. Wacht maar! Het klievende licht zal doven. Aarde roept. Wacht maar...

"Weet je overigens hoe het Capitool aan zijn naam komt? De heuvel werd Capite Tolli genoemd, na de vondst van een schedel die afkomstig zou zijn van de mythische held Tollius."

Nu ga jij te ver!