zaterdag 14 februari 2009

TWEEDE HELFT TWEEDE EEUW










De tweede eeuw heet geen tweede eeuw.
Ik heb wacht bij de tegularia in nachtelijk
Nedergermania en geeuw bij het bakken
van dakpannen waarin ik Lvcilla schreef.

De keizer is een wijze man die schrijft dat
om tevredenheid te ervaren men het beste
weinig daden verricht. Maar mijn makker
staat met jicht aan een muur in Britannia

en in plaats van woudbarbaren af te maken
als in een film van Ridley Scott, gooiden wij
vandaag om het verst met een zwaar bruin
schedeldak dat Aulus in de klei gevonden had

en verveelden ons verder rot. O, ik weet dat
het gevaar het grootst is wanneer je het niet
verwacht. En dat het niet beter is in Cyrene,
waar we bezig zijn de plant silphium uit te

roeien, of in Pannonia waar, naar men zegt,
de keizerlijke maag in zichzelf is gaan groeien.
Nu al vrezen velen de ene zoon, gek op Spelen,
maar als ik levend in Rome terug kan komen

en in de arena staat zijn troon, zal ik me geen
dag meer hoeven vervelen: elke middag slacht-
taferelen en ’s nachts het bed met Luci delen.
Hoe in vredesnaam kunnen gesprekken helen?

Een posttraumatisch wat? Onvoorstelbaar dat
Germanen, zelfs over vele eeuwen, uitgestreden,
op een sofa liggen wenen! Ben soldaat, geen fat.
Sta bij de tegularia. Stil! Wat hoor ik? Leeuwen?