maandag 27 juli 2015

GEDURIG NADER

















Had niet Aelbert Cuyp maar ik in het midden

van de 17de eeuw het Bergachtig landschap met

ruiter en veedrijvers geschilderd (nu in Londen

te zien), was ook ik me gaan wijden aan bidden



de rest van mijn leven, dankend dat me gegeven

werd al dit zo te kunnen voorstellen als net

echt, dus ergens op deze aarde, als bestonden

daar die eiken, de wolken die stilaan aandreven



voor de nacht terwijl ze, zoals heel het tafereel

met de stad boven kalm water, de bergen erachter,

de koeien rustend op het pad, de ruiter die de weg

vraagt aan de jongen die ze hoedt, saffraangeel



van onderaf werden beschenen (‘door des Heren

Licht,’ naar iconologen beweren), met een zachte,

laatste gloed, geloofd en geprezen had ik en echt

niet omdat het moest. Kunstgeleerden suggereren



dat zo gauw de bijbelzwarte Cornelia Bosman

met Cuyp getrouwd was, zij hem verbood ooit nog

iets af te beelden, en dat hij van de Nederlandsch

Hervormde Gemeente diaken werd, weshalve van



na zijn veertigste geen enkel werk bekend is.

Had niet Aelbert Cuyp maar ik ergens in de, och,

loop der voorbije eeuwen het Bergachtig land-

schap met ruiter en veedrijvers geschilderd, gewis



had ik het geweten: onverbeterbaar dit. Tot het knalt,

er nog wat fladdert misschien en valt. Niet die ene

watervogel alleen, waar de verscholen jager geruisloos

op heeft gemikt, maar het water waarover het schalt,



de weerspiegelde torens, al wat opschrikt, het pad,

de schaapskudde die op de ruiter wacht, de benen

onder het paard, herkauwend vee dat zich verslikt,

de bomen, onderhout, oevergras, het groot hoefblad,



de bergen zelfs en heel de hemel in en buiten beeld

(ooit sneed men al 17 cm van de lucht), ja, ook de jager

zelf verdwijnt praktisch op slag in dag noch nacht.

Maar tot alles gat is is het mooi wat nooit verveelt:



de ruiter die de weg vroeg, de kudde schapen gehoed

om op zijn komst te wachten, de blik van de vrager

al op de overzijde gericht, de jongen echter die achter

hem wijst, dat hij dus niet verder kan, maar om moet



keren (‘De Here!’ – de iconologen weer). PsalmodiĆ«ren

zou ik als Aelbert Cuyp in zijn galmende Dordtse kerk,

ongeĆÆnteresseerd in mijn einde, de maat mijner dagen,

want gedurig nader, niet slechts vanwege dat geweer en



de vinger aan de trekker (‘Gods’): heel het verschiet,

ieder en alles, inclusief het nazomers valavondzwerk.

Wie dit Berglandschap met ruiters en veedrijvers zagen

bekeken het in het licht dat het me mee scheppen liet.


© Huub Beurskens