dinsdag 4 juni 2013

DE SCHRIJVER UITHANGEN

Het is natuurlijk van eeuwen: beweren dat wat in de cultuur kennelijk na je aan het opkomen is beschouwen als en beschuldigen van verval. Het apocalyptische zevenkoppige beest uit zee en dat met de hoorns uit de aarde, waren er altijd al, aldus Gottfried Benn, die Berlijn meemaakte in de cabareteske jaren twintig en dertig, tijdens de oorlog, volkomen aan puin erna en tijdens de wederopbouw onder Adenauer. Toen Bertus Aafjes alarm sloeg omdat volgens hem met Lucebert en consorten de SS de Nederlandse poƫzie was binnengemarcheerd, had hij het, zeker met zijn woordkeuze, bij het verkeerde eind. Toch gaan alle culturen ten einde, toch zijn er duidelijk fasen van beschavingsneergang aan te wijzen, en ooit heeft iemand dus wel degelijk gelijk wanneer hij een neergang meent te signaleren.
         Of het om een algemene neergang gaat, weet en hoop ik niet, maar van uitermate bedenkelijk allooi is in elk geval de situatie van de Nederlandse literaire cultuur zoals die wordt opgehemeld door bijvoorbeeld ene Henk van Straten in De Volkskrant van zaterdag 1 juni jongstleden. Dat iemand met een groene huid en paarse ogen wordt geboren, kan de persoon in kwestie te nimmer worden aangerekend, en daar mogen bijgevolg ook nooit conclusies uit worden getrokken met betrekking tot iemands integriteit. Henk van Straten echter heeft zelf zijn lijf, zoals internet foto’s tonen, laten smukken met Barcardigothic, kamikazetijdperknamaakjapannerieĆ«n en pubermeisjesartisticiteit. Dat mag hem dus worden aangerekend; eventuele excuses met betrekking tot opvoedingstrauma’s worden beschouwd als uitvluchten en dus niet aanvaard.



Dat iemand met zo’n, slechts met langdurige en kostbare laserbehandelingen uit te wissen subcutaan kitschbehang ruimte krijgt in een grote landelijke krant om daarnaast nog meer cultureels uit te dragen, zegt wellicht al heel wat over de stand van de cultuur. Deze Van Straten bericht in De Volkskrant, als een bange, maar voorbeeldvalken en -haviken naar de ogen ziend zichzelf bekladdend uilskuiken ('En dan met name Tommy Wieringa. Als die man mij straks een keer aankijkt, met die zelfverzekerde haviksogen van hem, dan kruip ik meteen onder een tafel.'), over een of andere literaire manifestatie die werd gehouden in Amsterdam. (Ik woon zelf al heel lang in die stad: de stad wist en weet er praktisch niets van. De grachtengordelcultuur is een provinciale mythe die binnen de grachtengordel kan dobberen als een ingebeeld drijfsijsje dat zich een slagschip in het bruine water waant, zonder dat een Amsterdammer zich erom bekommert, laat staan wil weten hoe die vogel echt heet; niet voor niets trekt de grachtengordelcultuur voornamelijk provincialen.) In zijn artikel heeft Van Straten het met geen woord over literatuur. Waar hij het wel over heeft, van begin tot eind, is het de schrijver uithangen van schrijvers, zichzelf incluis. En ik moet bekennen dat ik hem daarvoor dankbaar ben, want hij heeft me, waarschijnlijk zonder dat zijn Barcardibicepsvleermuis, zijn armkarper en zijn halspubermeisje er samen met hun drager erg in hadden, een nieuw, uitermate treffend, onvergetelijk beeld aangereikt van hoe het eruit ziet wanneer iemand de schrijver uithangt: ‘Dautzenberg fluistert naar zijn collega-auteurs: “Ik haal m’n pik uit m’n broek. Doe mee, dat is lachen.” De andere drie zien dat echter niet zo zitten. Dautzenberg trekt zich daar weinig van aan: hij laat zijn penis uit z’n geopende gulp hangen en praat vervolgens rustig verder tot de dames het in de gaten krijgen en vol van afschuw de lift in rennen.’