donderdag 5 februari 2026

WIE WAS ZIJ?

 


Wie was Helma Wolf-Catz? Dat vraag ik me bijna in paniek af wanneer ik een krantenknipsel terugvind van een kort artikel dat Helma Wolf-Catz schreef voor de Amersfoortse Courant van 19 juli 1975. Het is een bespreking, de enige van een beetje omvang, van mijn enkele maanden tevoren bij een Zeeuws privé-uitgeverijtje verschenen debuutbundel Blindkap.

         Ze moet me dat knipsel persoonlijk hebben toegestuurd, want in de marge heeft ze bij een gedicht ‘excuses voor wonderlijke zetting v.d. zetter’ geschreven en iets eronder heeft ze in handschrift twee zinsdelen toegevoegd die kennelijk uit de tekst zijn weggevallen, bovendien heeft ze in de tekst zelf nog met pen een zetfoutje gecorrigeerd.

         Al gauw vind ik van alles en nog wat over haar op https://www.helmawolfcatz.nl/ – een al wat oudere website, want ‘Dertig jaar na haar dood is Helma Wolf-Catz echter geheel vergeten,’ lees ik op de homepage; ze overleed op 22 januari 1979, na ettelijke jaren veelal bedlegerig te zijn geweest. Bewogen leven, met onderduikjaren, verzet en chronische ziekte.

         Ze was vijftig jaar ouder dan de door haar besproken dichter aan wie ze het krantenknipsel stuurde. Hier de tekst ervan, inclusief aanvulling en correctie, maar ook met nogal wat andere foutjes (interpunctie, kapitalen, ‘wenkbrOuwen’…) in de aangehaalde gedichten:

_____

Huub Beurskens is op en top een modern dichter in zijn bundel “Blindkap” vooral in zijn openingsgedicht, geïnspireerd op de grote filmregisseur “Hitchcock”, ofschoon ik om de poëzie op zichzelf “Chinoiserie” zou kiezen als een specimen van zijn talent:

Kantelende vlucht van de ijseend.

terras in loodrecht riet en regen.

mist en als wenkbrouwen de takken van de treurwilg

tomeloos naar die verte

om daar te verstillen in

kantelende vlucht van de ijseend

terras in loodrecht riet en regen.

mist: als wenkbrouwen de takken van de treurwilg.

Een sterk gedicht is ook het “Paard”, geïnspireerd op een paard van geglazuurd aardewerk uit de T’angdynastie, waarvan ik de eerste twee coupletten overneem:

WEIDE: met een vleug van koemis

de vlucht van bijen af en aan, beide,

dit strekt zo onmetelijk sterk de steppe”

door vorsten ompaald maar nooit

bezeten.

 

: zo staat hij ingetogen in zijn toom

spant traktie als een zwart metaal

geboend met ijs

dat wit rond de hoeven rijpt als

spaarde het krachten voor dadelijk

een daverende galop.

Veel meer treffende beelden zijn er ook verwoord in “Landschapstudies” VII, zoals:

zilveren krab stijgt de morgen uit zee

schikt landschap zijn gindse heuvels

als de groene pauw zijn satijnen harp.

 

Interessant is de inspiratie van Huub Beurskens, die aan die van Willem Brandt doet denken, die over [Livingstone dichtte. De eerste koos echter een ontdekkingsreiziger van] de Zuidpool, Oates, aan wiens trieste lot hij vier gedichten wijdde.

Tot slot geeft Huub Beurskens vier vertelalingen van de Oostenrijker Georg Trakl, die op 27-jarige leeftijd in 1914 stierf, vermoedelijk verslaafd aan de narcotica. Hij studeerde farmacie en was een visionair die sterk de invloed onderging van Baudelaire, Rimbaud en Verlaine. Trakls gedicht “De zon” imponeert in de vertaling van Beurskens, wat een compliment voor de vertaler inhoudt: [volgt het vertaalde gedicht].

_____

Hoe was deze Helma Wolf-Catz aan het adres van de vijfentwintigjarige dichter gekomen? Via de uitgever in Kortgene, een Zeeuwse connectie dus, die haar ook de bundel had bezorgd? En antwoordde de jonge dichter op de post uit – hoogstwaarschijnlijk – Bussum? Menend hem te kennen: ongetwijfeld. En wat wist hij of wat kwam hij toen te weten omtrent de schrijfster?

         Het liefst zou ik nu meteen naar Tilburg afzakken om hem te bezoeken in dat hoekhuis aan de Theresiastraat dat hij gedurende de laatste maanden van zijn studie aan de kunstacademie deelde met enkele studenten van heel andere opleidingen. Wie weet komt dan net ook zijn vriendin binnen met wie hij spoedig naar Amsterdam zal vertrekken. Ik zou hem ook willen vragen hoe hij het beleeft dat er vijftig jaar na verschijnen opnieuw over Blindkap wordt geschreven. En hij is er vast benieuwd naar wat ik nu van zijn debuutbundeltje vind. Ik wil proberen zo oprecht en tegelijk zo invoelend mogelijk te zijn.

 


Maar dat huis wordt denkelijk al lang niet meer aan studenten verhuurd. Grondig verbouwd is het bovendien. En überhaupt, wie of wat of waar is hij zelf eigenlijk nog?