vrijdag 23 januari 2026

SCHRIK

 Schrik! Al vijftig jaar oud dit...

Olieverf op doek

POST PER POST

  


‘Hier de Balker.’ Dat waren de beginwoorden van een antwoordbrief die het begin vormde van een jaren durende, herhaaldelijk vrij intensieve en intense correspondentie tussen de dichter H.H. ter Balkt (Habakuk II de Balker) en mij, twaalf jaar jonger en bij aanvang van de briefwisseling kunstacademiestudent van vooraan in de twintig.

         Ik berichtte er eerder over naar aanleiding van het gegeven dat Rémon van Gemeren werkt aan een biografie van Ter Balkt.

         Uiteraard bleek de biograaf geïnteresseerd in de brieven en geschreven kaarten die ik van Ter Balkt, van Harry, had mogen ontvangen. Hij had al brieven van mij aan Harry in het archief van het Literatuurmuseum in Den Haag ingezien. Dus deed ik voor hem alle van Ter Balkt ontvangen post in een flinke envelop om die ter verzending af te leveren bij een postagentschap vlakbij het Amsterdamse Oosterpark. De bestemming was hemelsbreed nog geen acht kilometer verderop. Na enkele dagen bleek de zending nog niet gearriveerd bij de geadresseerde. En na een week beschouwde ik, PostNL vervloekend, het Ter Balktdeel van de correspondentie al bijna als voorgoed verloren. Foto’s of scans had ik niet gemaakt. Of dat verlies heel erg zou zijn? In elk geval nogal jammer. Maar na twaalf dagen kwam dan toch nog het bericht dat voor opluchting zorgde.

         Op een paar vroege brieven en de laatste na heb ik niets herlezen, maar het beeld dat ik van het geheel heb is dat van een graag verbolgen, uitvoerig fulminerende scribent, uitvarend tegen van alles en bijna iedereen in de toen vigerende Nederlandstalige poëziecultuur, en mij daarbij in mijn aspiraties en eigen literaire pogingen veeleer de les lezend en op mijn nummer zettend dan stimulerend. In dat licht is het zo gek niet dat de correspondentie op een gegeven moment eindigde.

         Na inzage met het oog op de te schrijven biografie zal Rémon van Gemeren het materiaal bij het Literatuurmuseum in Den Haag bezorgen.

         Dat museum heeft nog een andere correspondentie van mij met een dichter in zijn archieven, anders in menig opzicht.

         Open, aimabel, enthousiast en begeesterend – dat was Leo Vroman.

         Op de site van van het Literatuurmuseum wordt deze correspondentie gedetailleerd getoond en van commentaar voorzien:

https://literatuurmuseum.nl/nl/ontdek-online/literatuurlab/artikelen/och-die-lieve-kikkers-ik-wil-daar-best-over-schrijven-jij-begint-de-kikkergedichten-van-beurskens-en-vroman

 


 

maandag 19 januari 2026

VISSEN

 Rode poon & Sprotjes - olieverf op canvasboard



woensdag 7 januari 2026

TER BALKTBIOGRAFISCH

 

Lammers overhandigt H. H. ter Balkt (Habakuk II de Balker) de Herman Gorterprijs. 4 april 1974

H.H. ter Balkt (Habakuk II de Balker) ontvangt de Herman Gorterprijs, 4 april 1974


Er komt een biografie van de dichter H.H. ter Balkt, weet ik sinds vandaag doordat de biograaf, Rémon van Gemeren, contact met me heeft opgenomen.

         Boerengedichten, de debuutbundel van Habakuk II de Balker, de naam onder welke (Harry) Ter Balkt aanvankelijk publiceerde, vond ik als negentienjarige meteen geweldig, evenals de vervolgbundel Uier van het oosten op mijn twintigste.

         Een jaar later had ik voor het eerst schriftelijk contact met de dichter: ‘Hier de Balker.’

         Met vrij grote frequentie volgden bijna tien jaar lang brieven en kaarten over en weer, waarbij Ter Balkt zijn pen en zijn typemachine allesbehalve zuinig inzette.

         Achteraf gezien is het misschien vreemd dat hij me bleef schrijven, gezien het feit dat de waardering van elkaars werk zeker niet wederzijds was.

         Als kunstacademiestudent ontdekte ik voor mezelf naast werk van Habakuk II de Balker dat van onder meer H.C. ten Berge en Willy Roggeman, en van daaruit dat van bijvoorbeeld Ezra Pound en Gottfried Benn, literatuur die wellicht meer paste bij mijn aard of karakter.

         Twee dagen na mijn tweeëntwintigste verjaardag schrijft Harry in een uitvoerige brief dat hetgeen ik denk en vind ‘riekt naar Raster [het tijdschrift van Ten Berge]. Ik vind Raster […] noch kwaliteitlievend noch bonafide, sterker: ik vind het een blad van lettermakerij, niet van literatuur. Dat wat moeizaam voortploegende ratio, bovendien niet vrij van kapsones, klaarstoomt, stelt het tegenover de vonk, de dood in de pot tegenover het leven […]. Wij zijn blijkbaar niet uit hetzelfde hout gesneden.’ En dan volgt een nietsontziende onttakeling van enkele gedichten die ik hem kennelijk had gestuurd.

         Het zou toen nog zo’n vijf jaar duren voordat ik zelf met een poëziebundel bij een handelsuitgeverij mocht debuteren.

         Na nog talrijke uitvoerige brieven en nadat er inmiddels enkele poëziebundels en twee prozaboeken van mij verschenen, schrijft hij me in juli 1980: ‘Wat jouw werk betreft, […] ik stel nog altijd intuïtie en gevoel voorop – met wellicht instinct als derde, en `t verstand als toekijkend jurylid. Het is redelijk dat ik jouw werk als verstandelijk en afstandelijk ervaar, zoals je ook wel weet. Dat sluit niet uit dat een oordeel van jou mij interesseert.’ En dan verwijt hij me dat ik verzuimd heb hem iets over zijn nieuwste bundel te berichten…

         Ik ben hem en zijn werk altijd blijven waarderen, ik heb een paar keer in bladen over zijn poëzie geschreven, heb hem als redacteur van Het Moment en van De Gids meer dan eens met succes om een literaire bijdrage gevraagd.

         En wie weet, zo heb ik vaker gedacht en denk ik nu weer, moet je als dichter inderdaad een bepaalde geaardheid hebben, een natuur of gevoelsinstelling die klaarblijkelijk niet de mijne is, Harry, en had ik er verstandig aan gedaan mijn tijd en energie in iets zinvollers te steken.

 

maandag 5 januari 2026