woensdag 7 januari 2026

TER BALKTBIOGRAFISCH

 

Lammers overhandigt H. H. ter Balkt (Habakuk II de Balker) de Herman Gorterprijs. 4 april 1974

H.H. ter Balkt (Habakuk II de Balker) ontvangt de Herman Gorterprijs, 4 april 1974


Er komt een biografie van de dichter H.H. ter Balkt, weet ik sinds vandaag doordat de biograaf, Rémon van Gemeren, contact met me heeft opgenomen.

         Boerengedichten, de debuutbundel van Habakuk II de Balker, de naam onder welke (Harry) Ter Balkt aanvankelijk publiceerde, vond ik als negentienjarige meteen geweldig, evenals de vervolgbundel Uier van het oosten op mijn twintigste.

         Een jaar later had ik voor het eerst schriftelijk contact met de dichter: ‘Hier de Balker.’

         Met vrij grote frequentie volgden bijna tien jaar lang brieven en kaarten over en weer, waarbij Ter Balkt zijn pen en zijn typemachine allesbehalve zuinig inzette.

         Achteraf gezien is het misschien vreemd dat hij me bleef schrijven, gezien het feit dat de waardering van elkaars werk zeker niet wederzijds was.

         Als kunstacademiestudent ontdekte ik voor mezelf naast werk van Habakuk II de Balker dat van onder meer H.C. ten Berge en Willy Roggeman, en van daaruit dat van bijvoorbeeld Ezra Pound en Gottfried Benn, literatuur die wellicht meer paste bij mijn aard of karakter.

         Twee dagen na mijn tweeëntwintigste verjaardag schrijft Harry in een uitvoerige brief dat hetgeen ik denk en vind ‘riekt naar Raster [het tijdschrift van Ten Berge]. Ik vind Raster […] noch kwaliteitlievend noch bonafide, sterker: ik vind het een blad van lettermakerij, niet van literatuur. Dat wat moeizaam voortploegende ratio, bovendien niet vrij van kapsones, klaarstoomt, stelt het tegenover de vonk, de dood in de pot tegenover het leven […]. Wij zijn blijkbaar niet uit hetzelfde hout gesneden.’ En dan volgt een nietsontziende onttakeling van enkele gedichten die ik hem kennelijk had gestuurd.

         Het zou toen nog zo’n vijf jaar duren voordat ik zelf met een poëziebundel bij een handelsuitgeverij mocht debuteren.

         Na nog talrijke uitvoerige brieven en nadat er inmiddels enkele poëziebundels en twee prozaboeken van mij verschenen, schrijft hij me in juli 1980: ‘Wat jouw werk betreft, […] ik stel nog altijd intuïtie en gevoel voorop – met wellicht instinct als derde, en `t verstand als toekijkend jurylid. Het is redelijk dat ik jouw werk als verstandelijk en afstandelijk ervaar, zoals je ook wel weet. Dat sluit niet uit dat een oordeel van jou mij interesseert.’ En dan verwijt hij me dat ik verzuimd heb hem iets over zijn nieuwste bundel te berichten…

         Ik ben hem en zijn werk altijd blijven waarderen, ik heb een paar keer in bladen over zijn poëzie geschreven, heb hem als redacteur van Het Moment en van De Gids meer dan eens met succes om een literaire bijdrage gevraagd.

         En wie weet, zo heb ik vaker gedacht en denk ik nu weer, moet je als dichter inderdaad een bepaalde geaardheid hebben, een natuur of gevoelsinstelling die klaarblijkelijk niet de mijne is, Harry, en had ik er verstandig aan gedaan mijn tijd en energie in iets zinvollers te steken.

 

maandag 5 januari 2026

vrijdag 2 januari 2026

HET VLIEGJE IN DE VLA

 


Ben ik een muggenzifter wanneer ik moeite heb met een vliegje in de vla? Ik bedoel, met het volgende gedichtje erover:

 

er vloog een vliegje in de vla

het is meteen gezonken.

het spartelde nog even na,

maar zwemmen valt niet mee in vla.

het vliegje is verdronken.

de moeder van het vliegje hield zich groot.

ze zoemde zacht: het was een zoete dood.

 

Ik kwam het tegen in een bespreking van een dichtbundel voor kinderen, Er vloog een vliegje in de vla, van Bette Westera (teksten) en Sylvia Weve (tekeningen). Over de dichteres zegt de bespreekster: ‘Met de nodige (klank)humor en speelsheid maakt ze iets verdrietigs en confronterend toch luchtig.’

         Ik heb er geen probleem mee dat een pratende wolf zowel Roodkapjes oma als Roodkapje zelf compleet naar binnen slokt en dat een jager het dier opensnijdt om het tweetal er ongedeerd uit te halen. Elk kind van een jaar of tien beseft dat zoiets alleen in een sprookje kan gebeuren. Maar wanneer ik vader of grootvader van zo’n kind zou zijn, zou ik me als opvoeder tekortgeschoten achten als het geen bezwaar zou maken tegen dat gedicht over het vliegje in de vla. Niet alleen omdat het zou moeten weten of aanvoelen dat een vliegje dat in de vla belandt bepaald niet ‘meteen’ zinkt maar, indien het niet subiet wordt gered, veeleer in een hopeloze kliederpartij omkomt. Het zou vooral protest moeten aantekenen tegen de suggestie dat kleine vliegen, vliegjes dus, jonge vliegen zijn en dat die ook nog een zorgelijke grote, want zoemende ‘moeder’ hebben.

 

zaterdag 27 december 2025

DE WAARHEID VAN NARE MENSEN

 

Ik was zo dwaas nog eens enkele teksten terug te lezen waarin mijn werk en mijn persoon als schrijver volledig werden afgekraakt. Uiteraard vond ik de auteurs van die teksten destijds buitengewoon nare mensen. Het aparte is dat ik inmiddels meer dan geneigd ben hun volstrekt gelijk te geven – waarom ook ben ik niet iets heel anders gaan doen, bijvoorbeeld boer geworden? –, maar wat waren en zijn dat nog steeds nare mensen!


woensdag 2 juli 2025

UITZICHT KALM TE GENIETEN - IN MEMORIAM FRANS SARIS

 


In de jaren dat ik deel uitmaakte van de redactie van De Gids was de natuurkundige Frans Saris (*20 april 1942) een van mijn mederedacteuren. Bij het bericht van zijn overlijden op 29 juni 2025 las ik het aan hem opgedragen gedicht terug dat voor het eerst verscheen in januari 1999 in Dietsche Warande & Belfort. Het is het derde gedicht uit een reeks met de titel ‘Uitzicht kalm te genieten’. Onze gesprekken moeten destijds tot deze tekst hebben geleid.

         Met dank derhalve nogmaals voor Frans Saris:

 

Van bloem tot bloem vliegt een houtbij. Doch haar gezoem

gaat op in dat van de motor van een speedboot

 

die niet zichtbaar is voor het insect doch stilvalt

exact wanneer de houtbij in het bloemhart landt

 

en opstart weer precies als de bij weer opvliegt.

Dat is toeval. En al het andere dan? Niet?

 

Op de kadestenen, zag men, rond twaalf uur, sloeg

een visser een octopus murw. Pas afgepast

 

na elke slag vernam men, eten en drinken

wegslikkend voor het havenrestaurant, elke

 

klank waaraan het gepaard gegaan was, dat gemep.

Zichtbaar is het niet maar meetbaar zeer waarschijnlijk

 

dat de schaduw van de meeuw over het water

later is dan de meeuw. Echter stel nu eens dat

 

opeens het omgekeerde zich wenst voor te doen, 

zich voordoet dus, voor het blote oog evenzeer

 

onwaarneembaar. Waarschijnlijk heel vanzelfsprekend

zou men horen zijn potloodpunt zich aanspitsend

 

bij het wegschrijven van een gedicht als dit, met

uitzicht over zee en een soort wee vermoeden

 

van dat men straks wellicht, bord en glas vullend, hoort

en ziet hoe men octopus van de kade rukt.

 

En dan? Uitzicht? Op de onvoorstelbaarheid van

na de onvermijdelijke moederschoot iets

 

of niets. De dood wordt iemand soms zo lief dat hij

hem vast dankt voor een speedboot die een bij nadeed.