zaterdag 28 februari 2026

VARKENSBLAZEN

Bij Rembrandts ets ‘De zeug’ uit 1643 moet ik onwillekeurig allereerst denken aan hoe zo’n 317 jaar later nog iets mogelijk was wat me inmiddels praktisch onbestaanbaar lijkt. Denken dus aan het Tegelen van mijn kinderjaren.

         Met twee ietsje oudere en driestere buurjongetjes was ik naar de Posthuisstraat getogen om er bij een slagerij achterom te gaan, de slachterij in en er een varkensblaas te vragen, er prompt ook een te krijgen en die opgeblazen mee te nemen, opgetogen als het jongetje bij Rembrandt.

         Wat we met die varkensblaas deden, herinner ik me niet. Ertegen trappen? ‘Fepen?’ Rembrandts jongetje lijkt een rietje in zijn hand te hebben. Waar die vandaan komt en nog naar omkijkt, moeten, nee, mogen we ons intussen voorstellen. De meester stelt ons daartoe meer dan een kwart van het beeldvlak ter beschikking. En wat we daar aan vreselijk vleselijks laten gebeuren, heeft onmiddellijk uitwerking op hoe we de juist zeer gedetailleerd weergegeven arme, want zo met vastgebonden poten, en toch tevreden ogende zeug bekijken. Ook zij heeft zo’n blaas. Nog.

         Geen slagerij overigens daar in die ongetekende ruimte. De slachter kwam aan huis of op de hoeve. En daarmee ben ik nog wat jonger en nu over de Maas, in Grubbenvorst met mijn vader, op de boerderij van zijn tante Mina, bij een nog lauwwarm opengesneden en opengeklapt varkenslijf tegen een ladder.

         Zelf etsen leerde ik dan weer later, in Brabant. Maar wat kon die Van Rijn dat goed, hè! Die vlotheid en dat treffende, alsof je het allemaal onder je ogen hebt zien ontstaan. Hij moet direct naar de aanschouwing hebben zitten tekenen, in de geur van de zeug, met een etsnaald in de was dus, naderhand nog wat met droge naald in een koperplaatje van slechts 18,3 bij 14,4 centimeter, maar wat een wereld de afdruk ervan, o, om dat te mogen meemaken, om in 1643 daar te mogen zijn!