Bij Rembrandts ets ‘De zeug’
uit 1643 moet ik onwillekeurig allereerst denken aan hoe zo’n 317 jaar later
nog iets mogelijk was wat me inmiddels praktisch onbestaanbaar lijkt. Denken
dus aan het Tegelen van mijn kinderjaren.
Met twee ietsje oudere en driestere buurjongetjes was ik
naar de Posthuisstraat getogen om er bij een slagerij achterom te gaan, de
slachterij in en er een varkensblaas te vragen, er prompt ook een te krijgen en
die opgeblazen mee te nemen, opgetogen als het jongetje bij Rembrandt.
Wat we met die varkensblaas deden, herinner ik me niet.
Ertegen trappen? ‘Fepen?’ Rembrandts jongetje lijkt een rietje in zijn hand te
hebben. Waar die vandaan komt en nog naar omkijkt, moeten, nee, mogen we ons intussen
voorstellen. De meester stelt ons daartoe meer dan een kwart van het beeldvlak
ter beschikking. En wat we daar aan vreselijk vleselijks laten gebeuren, heeft
onmiddellijk uitwerking op hoe we de juist zeer gedetailleerd weergegeven arme,
want zo met vastgebonden poten, en toch tevreden ogende zeug bekijken. Ook zij
heeft zo’n blaas. Nog.
Geen slagerij overigens daar in die ongetekende ruimte. De
slachter kwam aan huis of op de hoeve. En daarmee ben ik nog wat jonger en nu
over de Maas, in Grubbenvorst met mijn vader, op de boerderij van zijn tante
Mina, bij een nog lauwwarm opengesneden en opengeklapt varkenslijf tegen een
ladder.
Zelf etsen leerde ik dan weer later, in Brabant. Maar wat
kon die Van Rijn dat goed, hè! Die vlotheid en dat treffende, alsof je het
allemaal onder je ogen hebt zien ontstaan. Hij moet direct naar de aanschouwing
hebben zitten tekenen, in de geur van de zeug, met een etsnaald in de was dus, naderhand
nog wat met droge naald in een koperplaatje van slechts 18,3 bij 14,4
centimeter, maar wat een wereld de afdruk ervan, o, om dat te mogen meemaken,
om in 1643 daar te mogen zijn!
