Wat was ik tien jaar geleden venijnig! En hoe terecht!
https://www.dereactor.org/teksten/signalement-restanten-jan-fabre
Wat was ik tien jaar geleden venijnig! En hoe terecht!
https://www.dereactor.org/teksten/signalement-restanten-jan-fabre
de ouwe lamenteert
Nu het zeikt van de regen op de kaduke schuur
schuil ik er onder het lekkende golfplatendak,
maar wat zat ik vlakbij het vuur
met praatjes voor tien in van die eindeloze gesprekken
over politiek en krijgs- of liefdesavontuur,
eer de tijd me zo te grazen nam.
Terwijl jong tuig met aluminiumfolie, zwavelzuur
en petfles net voor knal en vlam per scooter
vlucht,
roeptoeterend volk tegen een dictatuur
ver weg hier door de straten trekt,
zit ik alleen te tobben, uur na uur,
over hoe de tijd me zo te grazen nam.
Naar, laat staan in zo’n kaduke schuur
kijkt natuurlijk geen enkele vrouw,
enkel herinneringen zijn van lange duur,
aan de schatjes die ik geil hebben wou of had;
de tijd die me zo te grazen nam zou ik uit puur
afgrijzen willen bekwatten doch ik kwijl maar wat.
___________________________
Het bovenstaande is allerminst een vertaling of inhoudelijke
persiflage, maar een even omstandig als pretentieloos nevenproduct van mijn persoonlijke omgang
met het ranke gedicht ‘The lamentation of the old pensioner’ van Willam Butler Yeats
uit 1893.
THE LAMENTATION OF THE
OLD PENSIONER
Although I shelter from
the rain
Under a broken tree,
My chair was nearest to
the fire
In every company
That talked of love or
politics,
Ere Time transfigured
me.
Though lads are making
pikes again
For some conspiracy,
And crazy rascals rage
their fill
At human tyranny,
My contemplations are of
Time
That has transfigured
me.
There’s not a woman
turns her face
Upon a broken tree,
And yet the beauties
that I loved
Are in my memory ;
I spit into the face of
Time
That has transfigured me.
GEWOON
Nooit zwemmen geleerd, doch
niet verdronken,
geen crash met wagen of
vliegmasjien, geschopt,
geschoten noch gestoken, geen
val in een ravijn,
niet ten prooi aan vlammen of
een roedel wolven,
evenmin onder instortende gewelfbouw bedolven,
maar gewoon aan zichzelf
gestorven of door
zichzelf of van of in of uit
__________________________
Nieuwe aanvulling van Christian Hendrikx op Het Moment.
Zie HIER.
VOORGANG
Een ‘Gaat u maar eerst’ en een
hoffelijk handgebaar
van twee gedistingeerd gekleden
op het trottoir
met een verrijdbare baar, een nog lege, gespiegeld
in het zwart van hun wagen, die dicht is en geblindeerd.
Dan, na een aarzeling, met een
hoofdknik een ik die
het diepdonker van de open woningingang
passeert.
__________________________
Nieuwe aanvulling van Christian Hendrikx op Het Moment.
Zie HIER.
Dat inzet en focus van een
literair werk of oeuvre niet of foutief worden gezien wanneer dat werk wordt
afgekeurd, betekent nog niet dat zo’n werk als geslaagd mag worden beschouwd
wanneer de intentie ervan wél wordt onderkend. Anderzijds betekent een gunstig
bedoelde of lovende bespreking niet noodzakelijk dat inzet en focus wél zijn
herkend. Maar bij negatieve kritiek is het vaak eerder zichtbaar waar het
wringt.
– Wees concreet, man!
– Oké. Een paar voorbeelden uit de eigen praktijk.
Nadat een recensent de auteur van een roman van mij had
geprezen vanwege diens ‘kunstige spel met maskers’, werd hij prompt knorrig omdat
uiteindelijk nooit een of de ‘ware gedaante’ achter die maskerade onthuld werd;
de maskers leken uiteindelijk ‘niets te verbergen’ te hebben, wat in zijn
optiek de roman tot een vrijblijvend literair spel maakte.
Over een ander prozaboek merkte een andere criticaster op
dat het was ‘bedoeld als een constructie met één kiertje om ons doorheen te
laten kijken. Maar er valt niets te zien. De kier laat je onberoerd.’
Dat de crux juist in het door hen gebruikte woord ‘niets’ schuilt,
zagen de beoordelaars niet.
– Je bedoelt dat er door die kieren of achter die maskers
juist wél iets zichtbaar werd, namelijk het niets?
– Niets, inderdaad, liefst zonder lidwoord.
– En dat zo’n niets laat zien dat alles wezenlijk oppervlakte is en dus tragisch oppervlakte blijven moet? Terwijl die besprekers kennelijk zicht wilden hebben op zoiets als het diepe ware, het werkelijk echte of de ziel.
– Nichts, aber darüber
Glasur.
___________
Beelden: Wieslaw Wałkuski
De gehavende Salman Rushdie,
achtenenzeventig inmiddels, zag ik gisteravond weer eens in een kort
vraaggesprek op de Duitse televisie.
Eerder op de dag had ik onderstaande reactie geplaatst op de
site van Neerlandistiek, waar een soortement fundamentele discussie leek te ontstaan* naar
aanleiding van een artikel dat Gerrit Komrij in 1989 schreef over anti-Rushdiebetogingen
in Rotterdam en Den Haag. Het begon met een stuk van Komrijbiograaf Arie Pos (met daarin een link naar die tekst van
Komrij). Dat werd vervolgens geattaqueerd met een stuk van publicist Lotfi El Hamidi. Onder dat tweede stuk plaatste ik mijn
reactie.
Inmiddels vrees ik dat ik die reactie net zo goed niet had
kunnen plaatsen, want dat ze aan dovemansoren gericht was of dat aan mijn stem in
deze kwestie simpelweg geen enkel gewicht werd toegekend. Tot nu toe bleef elk
antwoord uit op de vraag die ik erin stel. Of zou dat juist tekenend en dus op
zich al een of zelfs het antwoord zijn?
___________________
Van dat openbare anti-Rushdieprotest in 1989 zijn nog steeds beelden beschikbaar, zoals die van het NOS-journaal waarin spandoeken met ‘Dood aan Rushdie’ te zien zijn, waarin te horen is hoe iemand door een megafoon roept ‘Vandaag zijn wij hier gekomen om Rushdie, die satan, te vermoorden’, waarin het portret van de fatwa-afkondiger wordt meegedragen, waarin het boek van Salman Rushdie wordt verbrand, en dat alles manifest in samenhang met geloofsbelijdenis.
https://www.youtube.com/watch?v=qVZZx1xfAyI
Bij het zien van deze beelden en het horen van die oproepen
bekruipen me telkens weer gevoelens van verontwaardiging, grondige afkeer en angst.
Niet vanwege het boek en de persoon van Rushdie welteverstaan.
Inderdaad gooit Gerrit Komrij in NRC Handelsblad van 8 maart
1989 alles en allen op een hoop; hij heeft het verwijtend over ‘de
moslimgemeenschap […] en masse’, over
‘de mohammedanen’, over ‘ze’, ‘ze’ en nogmaals ‘ze’.
Wat ik me oprecht afvraag: hoe verwoord je je
verontwaardiging, afkeer en angst bij het zien van zo’n groep islamitische
protesteerders zónder daarmee meteen alle andere moslims in een kwaad daglicht
te stellen? Ik probeer me daarbij te verplaatsen in een van de legio islamitisch
gelovigen die helemaal niet deelnamen en ook niet wilden deelnemen aan die
anti-Rushdie-acties, die net als ik walgden en blijven walgen van wrede fatwa’s,
van oproepen tot vervolging en moord, van censuur en boekverbranding. Met
andere woorden, hoe zou die moslim zijn afkeuring verwoorden? Want zo zou het dan
wél moeten, toch?
_____________________________
* Inmiddels lijkt men vooral bezig met het uit de wind proberen te houden van Komrij.
Wanneer ik het waardeer dat een
auteur het voor zijn of haar boek opneemt tegen een gisper ervan, betekent dat
natuurlijk nog niet dat de criticus het bijgevolg steevast bij het verkeerde
eind heeft.
Nu ik na het verweer van Bert Natter deel een en deel twee van de beschouwing van
Fabian Stolk over Aan het einde van de
oorlog nogmaals lees, merk ik hoe ik juist mee kan gaan in Stolks verslag
van zijn lectuur, ja, meen ik niet minder te kunnen volgen waarom Stolk,
afgezien van zijn fysieke ongemak, dat boek niet ten einde gelezen heeft…
Argumenten en voorbeelden worden op bonafide wijze
aangedragen, Stolk laat niet alleen zijn worsteling met diverse aspecten van
het boek zien maar zeker ook die met zichzelf als liefst welwillende lezer, hij
is allerminst uit op afkraken maar kan niet anders dan afhaken.
Een slag in de lucht is alleen Stolks verzuchting: ‘Ik wou
dat de roman anders in elkaar was gezet en met ongeveer de helft was ingekort’ en wat erop volgt. En precies daar sloeg Natter op aan.
Zie hier mijn voorafgaande
berichten:
https://huubbeurskens.blogspot.com/2026/03/en-nog-een-pissig-poepie.html
https://huubbeurskens.blogspot.com/2026/03/poepie-laten-ruiken.html
______________________
Naschrift - 31.03.2026
Bert Natter reageerde andermaal. En hij heeft deels weer een punt, Huub. Verder dus met de lectuur van zijn boek.
Amper had ik van mijn bijval voor A.H.J. Dautzenberg melding gemaakt op Nonnolles, of ik stuitte op
nóg een serieus te nemen pissige schrijver die een bespreker van zijn werk aanpakt
op diens wijze van lezen en beoordelen i.c. veroordelen.
Bert
Natter neemt het voor zijn boek Aan het
einde van de oorlog op tegen Fabian Stolk, o.a. voormalig
universitair docent Moderne Nederlandse Letterkunde. En ook deze tegenaanval
heeft mijn sympathie, zeker omdat Natter er niet voor terugdeinst dingen
simpelweg dus concreet in zijn boek aan te wijzen – schrijvers zijn, als het
goed is, ook vaklui die weten wat ze waar, wanneer en waarom doen en hebben gedaan,
hè, en met wie je daar ook gewoon over kunt praten. Goedzo dus.
Intussen ben ik benieuwd naar Stolks reactie, die niet mag
uitblijven, vind ik. Voor zover ik Fabian Stolk ‘ken’ is hij niet iemand die stijfhoofdig en met de hakken in het zand aan zijn opinies blijft vasthouden
wanneer iemand met verstand van zaken hem een andere, op zijn minst passelijke optiek voorhoudt.
Schrijvers die recensenten van
hun werk op hun falie geven: het geldt als ongepast, maar ik mag dat wel. ‘Het
is niet gebruikelijk dat een schrijver reageert op het eenzijdige duel dat een
recensent aangaat met zijn boek,’ schrijft
A.H.J. Dautzenberg in de aanloop van zijn weerwerk op de behandelling van
zijn boek EN GARDE! op de site van Vrij Nederland. Maar je laat je als
schrijver toch niet als nolles gebruiken, zoals ze dat in mijn Tegels dialect
zeggen!
Applaudisserend lees ik Dautzenbergs open brief aan Carel
Peters. En ik ben het ook helemaal met Dautzenberg eens wanneer hij vindt dat
er in de kunsten meer geplast en gepoept zou moeten worden.
Van schrijfster Lize Spit kwam
ik op de Facebookpagina van een Nederlandse vertaler dit citaat tegen:
‘Er
zijn geen nauwkeurigere lezers dan vertalers. Ik durf zelfs te stellen dat
boeken beter eerst in vertaling zouden verschijnen. En pas daarna, scherp
geslepen aan de vele nota’s van de vertalers, in de moedertaal.’
Een citaat uit een column in De
Morgen. Lize Spit wil duidelijk dat er zoveel mogelijk fouten en andere
ongerechtigheden in haar proza worden opgeruimd vooraleer het wordt
gepubliceerd. Ik kan daar helemaal in meegaan.
Op de Facebookpagina van de vertaler volgden spoedig
reacties. Een ervan bevatte een verwijzing naar een beschouwing van schrijver
Tonnus Oosterhoff over De donkere kamer
van Damokles van W.F. Hermans: ‘een boek vol fouten, ongerijmdheden,
inconsequenties enz. dat juist daardoor getuigt van urgentie.’
Het zal toeval genoemd kunnen worden dat ik kort tevoren een column las
waarin de schrijver L.H. Wiener (andermaal) wijst op allerhande verbijsterende
fouten en slordigheden in het proza van W.F. Hermans, te weten in Het behouden huis en Nooit meer slapen.
Zelf strompelde ik als lezer bijna tien jaar geleden in de weldadige schaduw van Griekse olijfbomen door De donkere kamer van Damokles. ‘Na iets
meer dan honderd pagina’s was ik het zat. Ik sloeg het boek nog op willekeurige
plaatsen open, maar telkens stuitte ik binnen de kortste keren op iets
storends.’
Hoewel de beschouwing van Oosterhoff in
2005 werd gepubliceerd in het tijdschrift De Revisor, kende ik de tekst toen
nog niet. Die las ik nu pas.
Het is een even interessante als curieuze exercitie van
Oosterhoff. Maar eerst nog iets over ongerechtigheden in speelfilms. Bijna geen
film lijkt te ontkomen aan zogenaamde goofs, en het is amusant ernaar te
speuren.
Enkele voorbeelden: Waco Kid drinkt whisky maar zijn fles
blijft vol (Mell Brooks, Blazing Saddles),
in na-oorlogs Wenen zie je van verre een Londense dubbeldeksbus (Carol Reed, The Third Man), Amerikaanse vlaggen in
1917 wapperen met vijftig sterren (Francis Ford Coppola, The Godfather), Antoninus draagt een Rolex (Stanley Kubrick, Spartacus).
Meestal maken goofs van een goede film ook niet meteen een
slechte of mindere film. Bovenstaande voorbeelden vind ik hun films zelfs iets innemends
geven. Evenmin betekent een uitglijder in een roman het literaire echec van het
boek. Echter op mankementen in Hermansproza lijkt bijna geen maat te staan.
Wat ook Oosterhoff opdist aan diverse soorten
onzorgvuldigheid op luttele pagina’s van De
donkere kamer van Damokles is werkelijk onthutsend.
‘Desondanks werkt het boek,’ aldus Oosterhoff. Dat is
volgens hem vanwege het ‘razende schrijven’ van W.F. Hermans, en hij stelt ‘dat
uit de tekst zélf een enorme haast en urgentie spreekt.’ De auteur heeft ‘de
moed gehad spontaniteit toe te laten.’
En dan komt hij tot deze conclusie: ‘De critici en Hermans
zelf interpreteerden het boek volgens dit denkschema: de hoofdpersoon is in de
war, de lezer ook, maar de schrijver niet. Dat is onhoudbaar; het moet zijn:
hoofdpersoon in de war, lezer in de war, schrijver in de war. Wel zo eerlijk,
eigenlijk. En dit nieuwe schema maakt De
donkere kamer van Damokles waarachtig niet ongenietbaar. Hermans schrijft
maar raak, maar hij doet dat met zijn hele ziel en zaligheid, zoals Janis
Joplin zingt. Daarom is ‘maar raak’ bij hem zo dikwijls raak!’
Oosterhoff noemt deze roman een ‘ijlroman’. Wat is dat?
Aan jaargang 2002 van het tijdschrift Raster leverde Tonnus Oosterhoff een bijdrage met de titel ‘IJlroman/Oubaan’. Daarbij gaat het om ‘[…]
doorschrijven vlug doorschrijven tot stop. Nadenken mocht niet, bij wederopneming
terugkijken had hij zich verboden.’ En dan volgt er een lap louter vrij
associatief voortdenderend proza.
Zo’n ijlroman is dus een roman waarin in hoog tempo wordt
verteld, voortijlend dus, en waarin wordt geijld zoals in ijldromen, raaskallend,
malend.
Dus De donkere kamer
van Damokles is (deels) de neerslag van een in meerdere opzichten ijlende
auteur. Moet ik dit boek, net als andere boeken van Hermans, met andere ogen
lezen? En moet ik al die missers en dwalingen dan juist als authentiek en
zinnig ervaren, en ze literair appreciëren?
Het ijlproza van Oosterhoff zelf, zoals ik dat in Raster voorgeschoteld
krijg, is toch van een heel andere inzet, ja, evident ijlend en tegelijkertijd netjes
in zijn eigen stijl en taal. Dat kun je van het Hermansproza niet zeggen. Het
is sympathiek van Oosterhoff dat hij het middels zijn eigen insteek voor
Hermans opneemt. Ik blijf me afvragen wat Hermans zou hebben gedaan wanneer hij
vóór publicatie van zijn roman(s) van Lize Spit zo’n scherpslijpende vertaler op
zijn dak vol kwakkelmussen gestuurd had gekregen. Tonnus Oosterhoff merkt zelf
op dat Hermans in een volgende druk het asfalt van een weggetje verwijderde
nadat hij erop geattendeerd werd dat dit weggetje in de periode waarin het
verhaal speelt nog onverhard was.
Toch is het vooral iets anders wat er bij mij niet in wil.
Dat is de indruk die wordt gewekt dat literatuur, dat kunst die voortkomt uit ‘urgentie’
de ware en betere kunst is. Alsof het ijlproza van Oosterhoff géén bedenksel,
niet iets kunstmatigs is, zeker zo gauw het publiekelijk wordt geëxposeerd...
In zijn beschouwing komt Oosterhoff ter vergelijking
aanzetten met Kiri Te Kanawa en Janis Joplin. Hij laat beiden de song ‘Summertime’
tegen elkaar op zingen en laat de ‘als een motorzaag’ krijsende Joplin het qua ‘soul’
en ‘overtuiging’ dik winnen van de gepolijste, ‘muf’ klinkende Te Kanawa. Laat de
motorzaag dan verdomme ook eens de Vier
letzte Lieder zingen! Nee, doe maar niet, want tranen, maar dan van het
lachen, arme Janis.
Ik haat sowieso het gebruik van
het woord ‘urgentie’ zo gauw dat niet tot acuut medisch ingrijpen noopt. En
anderzijds: waarom zou de wil tot gaafheid minder of zelfs niet uit een gedrevenheid
voortkomen en ervan getuigen? Wie was gedrevener, Rembrandt of Vermeer? Ik zou
het niet durven zeggen. Alleen weet want zie ik dat ze allebei op hun eigen
wijze buitengewoon gaaf werk hebben afgeleverd, zo feilloos mogelijk.
Gisteren stonden er op het
Amsterdamse Eikenplein, bij ons hier om de hoek, weer eens wagens met
filmsetapparatuur en van een filmcateringbedrijf. Het voormalige pand van de
Elisabeth Otter-Knoll Stichting is nogal geliefd bij regisseurs. Zo vond en
vindt er in De Heineken Ontvoering
(2011) voor het gebouw de kidnapping plaats van Freddy Heineken (gespeeld door
Rutger Hauer) en diens chauffeur. Ook voor de televisieserie De Joodse Raad is de locatie als decor
gebruikt: Virrie Cohen (gespeeld door Claire Bender) is er werkzaam in een
ziekenhuis.
Ik kijk De Joodse Raad
voor een tweede keer. En ik vind het andermaal curieus hoe erin gebruikte
locaties deel uitmaken van mijn eigen leven. Het Otter-Knollpand dus. Maar ook
het grachtenhuis waar de Joodse Raad zetelde en waar ik meerdere keren per week
langsloop. Of, eveneens op een van mijn wandelroutes, de Peperbrug op Rapenburg
waar in de serie een razzia plaatsvindt.
Echt opmerkelijk nochtans zijn, zeker in combinatie met mijn
huidige Amsterdamse settings, de locaties uit mijn jeugd: die bij mijn vroegere
middelbare school in Venlo en die in de Parkstraat in Steyl, waar mijn grootouders
op de hoek woonden.
Ik schreef er twee jaar geleden over, toen ik alleen nog een
trailer van de dramaserie had gezien: https://huubbeurskens.blogspot.com/2024/03/steyler-gevang-en-villa-marijke.html
In mijn verwachting van toen werd ik allesbehalve
teleurgesteld. Ook bij de tweede keer kijken is de serie pakkend en word ik
andermaal geconfronteerd met de perversiteit van machtuitoefenaars die door hen
verachte mensen dwingen zich te laten mangelen door een geweten dat ze zelf niet
hebben. Onthutsend, telkens weer, hoewel het van alle vervlogen tijden was, ook
nu weer is en van alle nog toekomende tijden zal zijn, ja, juist daarom zo onthutsend.
[fragment]
![]() |
| Pierre Bokma als Cohen in Steyl |
‘U
hoeft me uiteraard niet te geloven, maar wat mij betreft hoeft niets u te
weerhouden om u persoonlijk van de toestand te komen vergewissen. Wie weet ben
ik zelfs in de gelegenheid en stemming om u te gidsen. Afgaande op het aantal
mensen dat met personenauto's en touringcars mijn woonplaats even aandoet is
het voor de vakantieganger hier hoe dan ook vrijwel het gehele jaar door zeker
een paar uurtjes prettig toeven. Men slentert door de smalle, hier en daar
steile straatjes, fotografeert wit gekalkte gevels en bloembakken, loopt
meestal nog naar de bron met de picknickplaats even buiten het dorp om daar
iets te nuttigen of maakt dra rechtsomkeert om op een terrasje bij de kerk iets
te drinken of een taartje te kopen bij de bakker.
Ik weet
natuurlijk niet van welke kant u komt, maar u bereikt uw doel het gemakkelijkst
en snelst door de EN 264 ter
hoogte van São Bartolomeu de Messines te verlaten en vervolgens de EN 124 in oostelijke richting te volgen;
na ongeveer twaalf kilometer komt links de afslag naar Alte en zo gauw u die
heeft genomen bent u er eigenlijk al. U stapt uit uw huurauto of uit de bus,
loopt naar de apsis van de kleine kerk en volgt vandaar de bordjes met het
opschrift Fonte. Na een kwartiertje bereikt u de picknickplaats en de
uitspanning bij de bron. U blijft over deze weg lopen, ook als die niet langer
verhard is, parallel aan de met oleanderstruiken begroeide oevers van het
smalle en in de zomer praktisch opgedroogde riviertje. Johannesbroodbomen
bieden wat schaduw. Bij een splitsing verlaat u het rivierdal door het
stofweggetje links omhoog te nemen. Laat u niet de stuipen op het lijf jagen
door kwaadaardig geblaf en kettinggerammel vanaf het rommelige erf van een
armoedige hoeve. Te beweren dat ik het niet meer hoor zou een te boude
uitspraak zijn, maar mijn tanden laat ik er beslist niet meer zien. Een paar
minuten later gaat u opnieuw linksaf, een oud, half begroeid landweggetje op,
met aan weerszijden muurtjes van gestapelde brokken grijze natuursteen. Tussen
gaarden met olijfbomen en wederom johannesbroodbomen wandelt u verder. Spoedig
nadat het weggetje is overgegaan in een voetpad komt u bij een kruising.
Wanneer u daar rechtsaf gaat ziet u al gauw de restanten van een oude kalkoven.
En hier en overal verder, voor zover het oog daar reikt, groeien manshoge
steeneiken. Ik weet vanzelfsprekend precies welke ik moet hebben, maar laat de
keuze geheel aan u, zelfs als ik u mocht vergezellen, want u denkt toch niet
dat ik dán een van mijn achterpoten voor de boom in kwestie optil?!
“De Engelsman,” zo noem ik hem. De Engelsman stond op een wolkenloze zondagmiddag in december boven me. Aan mijn voeten. Ik lag tegen het gemetselde muurtje van het kerkplein te dutten in de weldadige zon. Ik droomde. Ik weet niet meer over wie of wat. Herinner me alleen een gevoel van blijdschap. Wie weet lag ik daar dus met mijn ogen te rollen, regressief puppy-achtig te piepen, met mijn lippen te trekken, met mijn vier voeten in het grind te scharren. En dat alles onder de blik van de Engelsman. En ik heb er geen idee van door wat ik ontwaakte. Door de verandering van licht doordat hij een deel van de directe zonnestralen tegenhield met zijn gestalte? Door het knerpen van voetzolen? De geurmelange van schoenleer, aluin, mensenzweet en etherische oliën? Wat deed het ertoe? Wat doet het ertoe? Ik opende mijn ogen en keek omhoog in een glimlachend gezicht dat mij zo vanzelfsprekend sympathiek en evenzo sympathiek vertrouwd voorkwam als was ik er altijd al door bezield geweest, echter zonder het te weten. Dit is het, dacht ik, nu gebeurt het, nu komt het. Ik stond al op alle vieren. Schudde wat steentjes en een enkel takje van me af. Mijn staart zwaaide. Ik bood hem met mijn blik mijn hoofd aan terwijl zijn hand al daalde en liet me even aaien. Kom, zei iets, zowel in mij, in hem als tussen ons in, ja vooral iets tussen ons in, iets van ons beiden, kom, we gaan, we laten het gaan komen gaan gebeuren! Verwachting en vervulling tegelijk was dit.
Bij Rembrandts ets ‘De zeug’
uit 1643 moet ik onwillekeurig allereerst denken aan hoe zo’n 317 jaar later
nog iets mogelijk was wat me inmiddels praktisch onbestaanbaar lijkt. Denken
dus aan het Tegelen van mijn kinderjaren.
Met twee ietsje oudere en driestere buurjongetjes was ik
naar de Posthuisstraat getogen om er bij een slagerij achterom te gaan, de
slachterij in en er een varkensblaas te vragen, er prompt ook een te krijgen en
die opgeblazen mee te nemen, opgetogen als het jongetje bij Rembrandt.
Wat we met die varkensblaas deden, herinner ik me niet.
Ertegen trappen? ‘Fepen?’ Rembrandts jongetje lijkt een rietje in zijn hand te
hebben. Waar die vandaan komt en nog naar omkijkt, moeten, nee, mogen we ons intussen
voorstellen. De meester stelt ons daartoe meer dan een kwart van het beeldvlak
ter beschikking. En wat we daar aan vreselijk vleselijks laten gebeuren, heeft
onmiddellijk uitwerking op hoe we de juist zeer gedetailleerd weergegeven arme,
want zo met vastgebonden poten, en toch tevreden ogende zeug bekijken. Ook zij
heeft zo’n blaas. Nog.
Geen slagerij overigens daar in die ongetekende ruimte. De
slachter kwam aan huis of op de hoeve. En daarmee ben ik nog wat jonger en nu
over de Maas, in Grubbenvorst met mijn vader, op de boerderij van zijn tante
Mina, bij een nog lauwwarm opengesneden en opengeklapt varkenslijf tegen een
ladder.
Zelf etsen leerde ik dan weer later, in Brabant. Maar wat
kon die Van Rijn dat goed, hè! Die vlotheid en dat treffende, alsof je het
allemaal onder je ogen hebt zien ontstaan. Hij moet direct naar de aanschouwing
hebben zitten tekenen, in de geur van de zeug, met een etsnaald in de was dus, naderhand
nog wat met droge naald in een koperplaatje van slechts 18,3 bij 14,4
centimeter, maar wat een wereld de afdruk ervan, o, om dat te mogen meemaken,
om in 1643 daar te mogen zijn!
– ‘Geheugen! Naar aanleiding van zijn lectuur van het korte
verhaal ‘Maankrijt’,
dat ik hiervoor op Nonnolles plaatste, stuurde een attente speurder mij
bovenstaand knipsel uit een krant van 15 december 1958.
Dat ongeluk gebeurde dus op een zaterdag niet in een zomer
maar in de winter, Geheugen! Niet tegen de schemer maar in de middag, het was redelijk
zonnig en vrij koud, de maan was die zaterdagavond allerminst vol maar pas voor zeven procent zichtbaar. De auteur deelde als achtjarige toen zijn kamer
met zijn zes jaar jongere broertje, Geheugen… Spreek!’
– ‘Nou en? Ben ik des schrijvers hoeder?’
Goed dat ik toen in staat was –
zo jong nog, maar hoeveel beter dan nu – om bij de juiste gelegenheden als uit
twee te bestaan: uit een ik dat anderen de gewenste indruk gaf dat ze me met
onwaarheden gerust konden stellen en uit een ik dat de stilzwijgende waarheid
zag.
Nadat ik met mijn vader, achter op zijn fiets, uit de
geurige valavondlijke luwte van het hoog gelegen zomerse grensbos richting
zinkende zon was afgezakt en we veilig het spoor waren overgestoken, moest er
meteen bij de scherpe bocht worden afgestapt omdat er op straat iets met een
wollen deken erover lag.
Van het gewei van het hert voor de slee waarmee in besneeuwd
poolgebied dekens als deze werden rondgebracht, kende ik elk end aan beide
stangen, net als de aan de einder opgezette tent waarin ik warm kon wachten met
mijn verlangen – naar wat?
En ook iets kleiners lag er op de weg, onder een
dubbelgevouwen sprei.
Alsof ze met meer dan een paar waren stonden twee mannen
verwoed te zwaaien.
Sowieso konden we er niet langs, want achter de gebolde
deken en sprei stond in zijn volste breedte de huishoge achterzijde van een
zwarte huifoplegger waarvan de rode lichten als grote eierkolen gloeiden – je
hoorde ook zacht het naloeien van de motor vanuit het al nachtelijke duister
achter het zeil dat er ietsje opengeslagen bijhing.
En op de stoep aan weerszijden hielden vrouwen met een hand
een uitroep vast of tegen, of ze hielden hun hand als was die juist aangezogen
door een heel diepe ademteug.
Bovendien leunde tegen een lantaarnpaal een damesrijwiel,
bekommerd kromgebogen over zijn ontzette kinderzitje.
Mijn ene ik wachtte op wat mijn vader voor hem zou
verzinnen.
Het werd een transport dat door te hard rijden, terwijl het
huifzeil niet goed met de touwen door de ringen dichtgesnoerd was geweest, in
de scherpte van de bocht het een en ander van zijn lading had verloren, linnen
lakens, wollen dekens, spreien alvast voor de komende maankoude winternachten
met ijsbloemen op de ramen.
Daardoor was een vrouw erachter met haar fiets ten val
gekomen. Gelukkig hadden er meerdere voordeuren opengestaan. Om te worden
geholpen en getroost was ze ergens binnen gebracht.
Terwijl politiemannen verschenen wees mijn ene ik mijn vader
op wat hij al lang, net als mijn andere ik, geheel en al onbedekt op straat had
zien liggen.
Nou? Wat was de vaderlijke uitleg hiervan dan?
Dat de gewonde vrouw – misschien had ze haar knieën
geschaafd of een pols verzwikt – vantevoren boodschappen had gedaan bij de
slager en er door de schrik iets van de inkopen uit haar tas gevallen was.
Een slager op de hei? Die nog open was om halfacht? En iets
zo natrood vleselijks niet eerst in slagerspapier gewikkeld en dan in een zak verpakt?
Kookte en braadde die vrouw niet voor het middagmaal maar voor middernacht?
Als ik mijn vader was geweest, dacht mijn andere ik, had ik
iets beters bedacht.
Maar mijn ene ik knikte instemmend toen mijn vader ‘Kom, we
gaan,’ zei nadat een bleke ambulance was verschenen, het volk op de stoep aan
de linkerkant stil opzij dringend.
Rechts liep een grindpad, evenwijdig aan het spoor, naar de
Acaciastraat, waarover we met een omweg naar huis zouden kunnen.
‘Dat de ambulance niet met zijn sirene is gekomen, zegt
alles,’ zei ik tegen mijn vader voordat ik weer achter hem op de fiets klom.
‘Dat het niet zo heel erg is, bedoel je,’ vroeg hij, ‘toch?’
Ik knikte nogmaals, zonder dat hij me kon zien. Daarom wilde
ik hem vanachter zijn rug iets vragen waardoor hij echt helemaal opgelucht kon
ademhalen, want alsof zijn zoontje al lang weer aan heel iets anders dacht.
Of hij wist dat de bomen waar de Acaciastraat naar was
genoemd de meest voorkomende in de Sinaï waren, waar God Mozes opdroeg een
tabernakel van acaciahout te laten maken.
Maar hoe kon hij daarop antwoorden? Want hoe zou ik, zonder
al vlot te kunnen lezen, die vraag toen al hebben kunnen stellen? En zou het
hout dat Abraham kloofde voor het brandoffer van zijn bloedeigen enige zoon
niet eveneens van de acacia zijn geweest?
Ik moest er niet aan denken! Straks bracht ik hem nog op
ideeën… Dus vroeg ik gauw of hij dokter Rahier ook net had gezien.
Nee, ook dat vroeg ik niet, want juist de stelpende
aanwezigheid van Alphonse Rahier, onze huisarts die in de Eerste Wereldoorlog
zijn bloederig Waals Gewest was ontvlucht, zou verraderlijk zinledig zijn
geweest.
In plaats ervan vroeg ik hoe dokter Rahier een vrachtwagen
zou hebben genoemd.
‘Een camion,’ riep mijn vader.
Triomfantelijk, omdat hij een machinebankwerker was die het
wist!
‘Een camion!’ riep ik bijna
juichend tegen mijn moeder die in de opening van de keukendeur stond, ongerust
over ons schemerige uitblijven. Dat mijn zusje al sliep, zei ze, als verweet ze
ons iets.
Ik ging naar boven, naar mijn eigen kamer, om mijn vader met
haar te laten praten en haar vrijelijk haar hand voor haar mond te kunnen laten
slaan.
Verder wens ik me van die avond niets meer te herinneren.
Niets!
Zelfs geen boterham met roze kokosbrood als die me om de een
of andere reden niet gesmaakt mocht hebben. Hooguit dat mijn vader nadien nog
een keer omhoog kwam, stilletjes, om me fluisterend te willen doen geloven dat
ik misschien een broertje krijgen zou.
Maar ik had hem horen komen, zodat ik me, wist hij, diep
slapende kon houden onder mijn strakgetrokken laken. De opgevouwen sprei en de
poolherten in de kast luisterden mee tot hij de trap af was.
Toen lag ik weer op mijn buik en lieten mijn wijs- en
middelvinger tussen de overgordijnen opnieuw een spleet ontstaan waarin ik zag
hangen wat de camion in de waarheid van zijn duisternis had vervoerd: die
vlekkerige volle maan.
De mensheid wilde ernaartoe. Omdat daar nog nooit iemand of
iets was doodgereden?
De volgende ochtend keek mijn moeder me eerst raar aan en
toen nog vreemder ver weg, terwijl ze over haar buik streek.
Ik heb van die dag nog altijd het stompje politiekrijt dat
ik in de straatgoot vond.
Alle markeringen waren weggeschrobd, alleen om een donkere,
als een vlek ingetrokken mare was een maanwitte cirkel op het wegdek blijven
staan.
© HB 1990
Bestaande uit negentien strofen in haikuvorm, voor het eerst gepubliceerd in het jaar 2000 in De Gids, over een nog elk jaar weerkerende sensatie in mijn stad en de ontmoeting daarbij met een speciaal ervoor overgekomen dichterlijke verzekeringsman.
_______________________________
O mahonia,
al voor het
wintereinde
bloei je in de stad!
Mereloogringgeel,
trossen vol
navelklokjes,
miniklokrokjes
boven zwartgroen blad.
Kijk, de
verzekeringsman
wordt ineens tevens
een andere man
die het
kantoorpand verlaat
alleen maar even
om aan je geuren
zijn gelaat op
te klaren.
‘O mahonia,’
zucht hij, ‘drie heuvels
en een wolk.
Moet u ruiken,
meneer, lelietjes
van dalen maar dan
met
kruidigheden en een...’
... zweem van rijpend fruit.
O mahonia,
over je heen
gebogen twee
volwassen kerels,
beiden met in zich
drie, vier
heuvels en een wolk –
wat een dwaas gezicht!
Midden in een stad
die een
sneeuwjacht verwacht,
zo jaagt het verkeer.
Ik wou mijn leven
laten
verzekeren maar...
‘Ik wou net lunchen.
Komt u toch eerst mee!
De naam mahonia
komt van McMahon,
een gaardenier uit
Amerika. Wist u
dat?
Negentiende eeuw.’
Ik zeg ja en nee.
We slaan onze
jaskraag op,
kijken nog eens om.
‘De blauwberijpte
zwarte bessen
straks zijn gif
voor ons, maar moet u
turdus merula
dan zien...’ O
mahonia!
In zondagspak fluit
de man. De zon schijnt
op zijn
matelot. Hij zwaait
met zijn wandelstok.
Vogelorgelzang.
Drie, vier
heuvels en een wolk.
Geen een traan. Wel wang.
‘Ik bedoel, ieder
en alles zal
vergaan, maar
juist daar leef ik van.’