woensdag 22 april 2026

VENIJN

Wat was ik tien jaar geleden venijnig! En hoe terecht!

https://www.dereactor.org/teksten/signalement-restanten-jan-fabre

maandag 13 april 2026

DE OUWE LAMENTEERT


de ouwe lamenteert

 

Nu het zeikt van de regen op de kaduke schuur

schuil ik er onder het lekkende golfplatendak,

maar wat zat ik vlakbij het vuur

met praatjes voor tien in van die eindeloze gesprekken

over politiek en krijgs- of liefdesavontuur,

eer de tijd me zo te grazen nam.


Terwijl jong tuig met aluminiumfolie, zwavelzuur

en petfles net voor knal en vlam per scooter vlucht,

roeptoeterend volk tegen een dictatuur

ver weg hier door de straten trekt,

zit ik alleen te tobben, uur na uur,

over hoe de tijd me zo te grazen nam.


Naar, laat staan in zo’n kaduke schuur

kijkt natuurlijk geen enkele vrouw,

enkel herinneringen zijn van lange duur,

aan de schatjes die ik geil hebben wou of had;

de tijd die me zo te grazen nam zou ik uit puur

afgrijzen willen bekwatten doch ik kwijl maar wat.

 

___________________________

Het bovenstaande is allerminst een vertaling of inhoudelijke persiflage, maar een even omstandig als pretentieloos nevenproduct van mijn persoonlijke omgang met het ranke gedicht ‘The lamentation of the old pensioner’ van Willam Butler Yeats uit 1893.

 

THE LAMENTATION OF THE OLD PENSIONER

 

Although I shelter from the rain

Under a broken tree,

My chair was nearest to the fire

In every company

That talked of love or politics,

Ere Time transfigured me.


Though lads are making pikes again

For some conspiracy,

And crazy rascals rage their fill

At human tyranny,

My contemplations are of Time

That has transfigured me.


There’s not a woman turns her face

Upon a broken tree,

And yet the beauties that I loved

Are in my memory ;

I spit into the face of Time

That has transfigured me.

 

dinsdag 7 april 2026

GEWOON VAN CHRISTIAN HENDRIKX

GEWOON

 

Nooit zwemmen geleerd, doch niet verdronken,

geen crash met wagen of vliegmasjien, geschopt,

geschoten noch gestoken, geen val in een ravijn,

niet ten prooi aan vlammen of een roedel wolven,

evenmin onder instortende gewelfbouw bedolven,

maar gewoon aan zichzelf gestorven of door

zichzelf of van of in of uit


__________________________

Nieuwe aanvulling van Christian Hendrikx op Het Moment.

Zie HIER.


zondag 5 april 2026

VOORGANG VAN CHRISTIAN HENDRIKX

VOORGANG

 

Een ‘Gaat u maar eerst’ en een hoffelijk handgebaar

van twee gedistingeerd gekleden op het trottoir

met een verrijdbare baar, een nog lege, gespiegeld

in het zwart van hun wagen, die dicht is en geblindeerd.

Dan, na een aarzeling, met een hoofdknik een ik die

het diepdonker van de open woningingang passeert.



__________________________

Nieuwe aanvulling van Christian Hendrikx op Het Moment.

Zie HIER.


vrijdag 3 april 2026

NIETS MASKERENDE MASKERADE

Dat inzet en focus van een literair werk of oeuvre niet of foutief worden gezien wanneer dat werk wordt afgekeurd, betekent nog niet dat zo’n werk als geslaagd mag worden beschouwd wanneer de intentie ervan wél wordt onderkend. Anderzijds betekent een gunstig bedoelde of lovende bespreking niet noodzakelijk dat inzet en focus wél zijn herkend. Maar bij negatieve kritiek is het vaak eerder zichtbaar waar het wringt.

         – Wees concreet, man!

         – Oké. Een paar voorbeelden uit de eigen praktijk.

         Nadat een recensent de auteur van een roman van mij had geprezen vanwege diens ‘kunstige spel met maskers’, werd hij prompt knorrig omdat uiteindelijk nooit een of de ‘ware gedaante’ achter die maskerade onthuld werd; de maskers leken uiteindelijk ‘niets te verbergen’ te hebben, wat in zijn optiek de roman tot een vrijblijvend literair spel maakte. 

         Over een ander prozaboek merkte een andere criticaster op dat het was ‘bedoeld als een constructie met één kiertje om ons doorheen te laten kijken. Maar er valt niets te zien. De kier laat je onberoerd.’

         Dat de crux juist in het door hen gebruikte woord ‘niets’ schuilt, zagen de beoordelaars niet.

         – Je bedoelt dat er door die kieren of achter die maskers juist wél iets zichtbaar werd, namelijk het niets?

         – Niets, inderdaad, liefst zonder lidwoord.

         – En dat zo’n niets laat zien dat alles wezenlijk oppervlakte is en dus tragisch oppervlakte blijven moet? Terwijl die besprekers kennelijk zicht wilden hebben op zoiets als het diepe ware, het werkelijk echte of de ziel.

         Nichts, aber darüber Glasur.

 

___________

Beelden: Wieslaw Wałkuski

maandag 30 maart 2026

DOVEMANSOREN, GEEN STEM OF GEEN VAN BEIDE

De gehavende Salman Rushdie, achtenenzeventig inmiddels, zag ik gisteravond weer eens in een kort vraaggesprek op de Duitse televisie.

         Eerder op de dag had ik onderstaande reactie geplaatst op de site van Neerlandistiek, waar een soortement fundamentele discussie leek te ontstaan* naar aanleiding van een artikel dat Gerrit Komrij in 1989 schreef over anti-Rushdiebetogingen in Rotterdam en Den Haag. Het begon met een stuk van Komrijbiograaf Arie Pos (met daarin een link naar die tekst van Komrij). Dat werd vervolgens geattaqueerd met een stuk van publicist Lotfi El Hamidi. Onder dat tweede stuk plaatste ik mijn reactie.

         Inmiddels vrees ik dat ik die reactie net zo goed niet had kunnen plaatsen, want dat ze aan dovemansoren gericht was of dat aan mijn stem in deze kwestie simpelweg geen enkel gewicht werd toegekend. Tot nu toe bleef elk antwoord uit op de vraag die ik erin stel. Of zou dat juist tekenend en dus op zich al een of zelfs het antwoord zijn?

___________________

 

Van dat openbare anti-Rushdieprotest in 1989 zijn nog steeds beelden beschikbaar, zoals die van het NOS-journaal waarin spandoeken met ‘Dood aan Rushdie’ te zien zijn, waarin te horen is hoe iemand door een megafoon roept ‘Vandaag zijn wij hier gekomen om Rushdie, die satan, te vermoorden’, waarin het portret van de fatwa-afkondiger wordt meegedragen, waarin het boek van Salman Rushdie wordt verbrand, en dat alles manifest in samenhang met geloofsbelijdenis.

https://www.youtube.com/watch?v=qVZZx1xfAyI

         Bij het zien van deze beelden en het horen van die oproepen bekruipen me telkens weer gevoelens van verontwaardiging, grondige afkeer en angst. Niet vanwege het boek en de persoon van Rushdie welteverstaan.

         Inderdaad gooit Gerrit Komrij in NRC Handelsblad van 8 maart 1989 alles en allen op een hoop; hij heeft het verwijtend over ‘de moslimgemeenschap […] en masse’, over ‘de mohammedanen’, over ‘ze’, ‘ze’ en nogmaals ‘ze’.

         Wat ik me oprecht afvraag: hoe verwoord je je verontwaardiging, afkeer en angst bij het zien van zo’n groep islamitische protesteerders zónder daarmee meteen alle andere moslims in een kwaad daglicht te stellen? Ik probeer me daarbij te verplaatsen in een van de legio islamitisch gelovigen die helemaal niet deelnamen en ook niet wilden deelnemen aan die anti-Rushdie-acties, die net als ik walgden en blijven walgen van wrede fatwa’s, van oproepen tot vervolging en moord, van censuur en boekverbranding. Met andere woorden, hoe zou die moslim zijn afkeuring verwoorden? Want zo zou het dan wél moeten, toch?


_____________________________

* Inmiddels lijkt men vooral bezig met het uit de wind proberen te houden van Komrij.

 

zaterdag 28 maart 2026

EN NOG EEN ONTLASTING


Wanneer ik het waardeer dat een auteur het voor zijn of haar boek opneemt tegen een gisper ervan, betekent dat natuurlijk nog niet dat de criticus het bijgevolg steevast bij het verkeerde eind heeft.

         Nu ik na het verweer van Bert Natter deel een en deel twee van de beschouwing van Fabian Stolk over Aan het einde van de oorlog nogmaals lees, merk ik hoe ik juist mee kan gaan in Stolks verslag van zijn lectuur, ja, meen ik niet minder te kunnen volgen waarom Stolk, afgezien van zijn fysieke ongemak, dat boek niet ten einde gelezen heeft…

         Argumenten en voorbeelden worden op bonafide wijze aangedragen, Stolk laat niet alleen zijn worsteling met diverse aspecten van het boek zien maar zeker ook die met zichzelf als liefst welwillende lezer, hij is allerminst uit op afkraken maar kan niet anders dan afhaken.

         Een slag in de lucht is alleen Stolks verzuchting: ‘Ik wou dat de roman anders in elkaar was gezet en met ongeveer de helft was ingekort’ en wat erop volgt. En precies daar sloeg Natter op aan.

 

Zie hier mijn voorafgaande berichten:

https://huubbeurskens.blogspot.com/2026/03/en-nog-een-pissig-poepie.html

https://huubbeurskens.blogspot.com/2026/03/poepie-laten-ruiken.html

______________________

Naschrift - 31.03.2026

Bert Natter reageerde andermaal. En hij heeft deels weer een punt, Huub. Verder dus met de lectuur van zijn boek.

vrijdag 27 maart 2026

EN NOG EEN PISSIG POEPIE

Amper had ik van mijn bijval voor A.H.J. Dautzenberg melding gemaakt op Nonnolles, of ik stuitte op nóg een serieus te nemen pissige schrijver die een bespreker van zijn werk aanpakt op diens wijze van lezen en beoordelen i.c. veroordelen.

         Bert Natter neemt het voor zijn boek Aan het einde van de oorlog op tegen Fabian Stolk, o.a. voormalig universitair docent Moderne Nederlandse Letterkunde. En ook deze tegenaanval heeft mijn sympathie, zeker omdat Natter er niet voor terugdeinst dingen simpelweg dus concreet in zijn boek aan te wijzen – schrijvers zijn, als het goed is, ook vaklui die weten wat ze waar, wanneer en waarom doen en hebben gedaan, hè, en met wie je daar ook gewoon over kunt praten. Goedzo dus.

         Intussen ben ik benieuwd naar Stolks reactie, die niet mag uitblijven, vind ik. Voor zover ik Fabian Stolk ‘ken’ is hij niet iemand die stijfhoofdig en met de hakken in het zand aan zijn opinies blijft vasthouden wanneer iemand met verstand van zaken hem een andere, op zijn minst passelijke optiek voorhoudt.

POEPIE LATEN RUIKEN

Schrijvers die recensenten van hun werk op hun falie geven: het geldt als ongepast, maar ik mag dat wel. ‘Het is niet gebruikelijk dat een schrijver reageert op het eenzijdige duel dat een recensent aangaat met zijn boek,’ schrijft A.H.J. Dautzenberg in de aanloop van zijn weerwerk op de behandelling van zijn boek EN GARDE! op de site van Vrij Nederland. Maar je laat je als schrijver toch niet als nolles gebruiken, zoals ze dat in mijn Tegels dialect zeggen!

         Applaudisserend lees ik Dautzenbergs open brief aan Carel Peters. En ik ben het ook helemaal met Dautzenberg eens wanneer hij vindt dat er in de kunsten meer geplast en gepoept zou moeten worden.

 

dinsdag 10 maart 2026

KUNSTMATIGE URGENTIE EN URGENTE KUNSTMATIGHEID

Van schrijfster Lize Spit kwam ik op de Facebookpagina van een Nederlandse vertaler dit citaat tegen:

‘Er zijn geen nauwkeurigere lezers dan vertalers. Ik durf zelfs te stellen dat boeken beter eerst in vertaling zouden verschijnen. En pas daarna, scherp geslepen aan de vele nota’s van de vertalers, in de moedertaal.’

Een citaat uit een column in De Morgen. Lize Spit wil duidelijk dat er zoveel mogelijk fouten en andere ongerechtigheden in haar proza worden opgeruimd vooraleer het wordt gepubliceerd. Ik kan daar helemaal in meegaan.

         Op de Facebookpagina van de vertaler volgden spoedig reacties. Een ervan bevatte een verwijzing naar een beschouwing van schrijver Tonnus Oosterhoff over De donkere kamer van Damokles van W.F. Hermans: ‘een boek vol fouten, ongerijmdheden, inconsequenties enz. dat juist daardoor getuigt van urgentie.’

         Het zal toeval genoemd kunnen worden dat ik kort tevoren een column las waarin de schrijver L.H. Wiener (andermaal) wijst op allerhande verbijsterende fouten en slordigheden in het proza van W.F. Hermans, te weten in Het behouden huis en Nooit meer slapen.

         Zelf strompelde ik als lezer bijna tien jaar geleden in de weldadige schaduw van Griekse olijfbomen door De donkere kamer van Damokles. ‘Na iets meer dan honderd pagina’s was ik het zat. Ik sloeg het boek nog op willekeurige plaatsen open, maar telkens stuitte ik binnen de kortste keren op iets storends.’

         Hoewel de beschouwing van Oosterhoff in 2005 werd gepubliceerd in het tijdschrift De Revisor, kende ik de tekst toen nog niet. Die las ik nu pas.

         Het is een even interessante als curieuze exercitie van Oosterhoff. Maar eerst nog iets over ongerechtigheden in speelfilms. Bijna geen film lijkt te ontkomen aan zogenaamde goofs, en het is amusant ernaar te speuren.

         Enkele voorbeelden: Waco Kid drinkt whisky maar zijn fles blijft vol (Mell Brooks, Blazing Saddles), in na-oorlogs Wenen zie je van verre een Londense dubbeldeksbus (Carol Reed, The Third Man), Amerikaanse vlaggen in 1917 wapperen met vijftig sterren (Francis Ford Coppola, The Godfather), Antoninus draagt een Rolex (Stanley Kubrick, Spartacus).

         Meestal maken goofs van een goede film ook niet meteen een slechte of mindere film. Bovenstaande voorbeelden vind ik hun films zelfs iets innemends geven. Evenmin betekent een uitglijder in een roman het literaire echec van het boek. Echter op mankementen in Hermansproza lijkt bijna geen maat te staan.

         Wat ook Oosterhoff opdist aan diverse soorten onzorgvuldigheid op luttele pagina’s van De donkere kamer van Damokles is werkelijk onthutsend.

         ‘Desondanks werkt het boek,’ aldus Oosterhoff. Dat is volgens hem vanwege het ‘razende schrijven’ van W.F. Hermans, en hij stelt ‘dat uit de tekst zélf een enorme haast en urgentie spreekt.’ De auteur heeft ‘de moed gehad spontaniteit toe te laten.’

         En dan komt hij tot deze conclusie: ‘De critici en Hermans zelf interpreteerden het boek volgens dit denkschema: de hoofdpersoon is in de war, de lezer ook, maar de schrijver niet. Dat is onhoudbaar; het moet zijn: hoofdpersoon in de war, lezer in de war, schrijver in de war. Wel zo eerlijk, eigenlijk. En dit nieuwe schema maakt De donkere kamer van Damokles waarachtig niet ongenietbaar. Hermans schrijft maar raak, maar hij doet dat met zijn hele ziel en zaligheid, zoals Janis Joplin zingt. Daarom is ‘maar raak’ bij hem zo dikwijls raak!’

         Oosterhoff noemt deze roman een ‘ijlroman’. Wat is dat?

         Aan jaargang 2002 van het tijdschrift Raster leverde Tonnus Oosterhoff een bijdrage met de titel ‘IJlroman/Oubaan’. Daarbij gaat het om ‘[…] doorschrijven vlug doorschrijven tot stop. Nadenken mocht niet, bij wederopneming terugkijken had hij zich verboden.’ En dan volgt er een lap louter vrij associatief voortdenderend proza.

         Zo’n ijlroman is dus een roman waarin in hoog tempo wordt verteld, voortijlend dus, en waarin wordt geijld zoals in ijldromen, raaskallend, malend.

         Dus De donkere kamer van Damokles is (deels) de neerslag van een in meerdere opzichten ijlende auteur. Moet ik dit boek, net als andere boeken van Hermans, met andere ogen lezen? En moet ik al die missers en dwalingen dan juist als authentiek en zinnig ervaren, en ze literair appreciëren?

         Het ijlproza van Oosterhoff zelf, zoals ik dat in Raster voorgeschoteld krijg, is toch van een heel andere inzet, ja, evident ijlend en tegelijkertijd netjes in zijn eigen stijl en taal. Dat kun je van het Hermansproza niet zeggen. Het is sympathiek van Oosterhoff dat hij het middels zijn eigen insteek voor Hermans opneemt. Ik blijf me afvragen wat Hermans zou hebben gedaan wanneer hij vóór publicatie van zijn roman(s) van Lize Spit zo’n scherpslijpende vertaler op zijn dak vol kwakkelmussen gestuurd had gekregen. Tonnus Oosterhoff merkt zelf op dat Hermans in een volgende druk het asfalt van een weggetje verwijderde nadat hij erop geattendeerd werd dat dit weggetje in de periode waarin het verhaal speelt nog onverhard was.

         Toch is het vooral iets anders wat er bij mij niet in wil. Dat is de indruk die wordt gewekt dat literatuur, dat kunst die voortkomt uit ‘urgentie’ de ware en betere kunst is. Alsof het ijlproza van Oosterhoff géén bedenksel, niet iets kunstmatigs is, zeker zo gauw het publiekelijk wordt geëxposeerd...

         In zijn beschouwing komt Oosterhoff ter vergelijking aanzetten met Kiri Te Kanawa en Janis Joplin. Hij laat beiden de song ‘Summertime’ tegen elkaar op zingen en laat de ‘als een motorzaag’ krijsende Joplin het qua ‘soul’ en ‘overtuiging’ dik winnen van de gepolijste, ‘muf’ klinkende Te Kanawa. Laat de motorzaag dan verdomme ook eens de Vier letzte Lieder zingen! Nee, doe maar niet, want tranen, maar dan van het lachen, arme Janis.


Ik haat sowieso het gebruik van het woord ‘urgentie’ zo gauw dat niet tot acuut medisch ingrijpen noopt. En anderzijds: waarom zou de wil tot gaafheid minder of zelfs niet uit een gedrevenheid voortkomen en ervan getuigen? Wie was gedrevener, Rembrandt of Vermeer? Ik zou het niet durven zeggen. Alleen weet want zie ik dat ze allebei op hun eigen wijze buitengewoon gaaf werk hebben afgeleverd, zo feilloos mogelijk.

 

vrijdag 6 maart 2026

ANDERMAAL DE JOODSE RAAD

Gisteren stonden er op het Amsterdamse Eikenplein, bij ons hier om de hoek, weer eens wagens met filmsetapparatuur en van een filmcateringbedrijf. Het voormalige pand van de Elisabeth Otter-Knoll Stichting is nogal geliefd bij regisseurs. Zo vond en vindt er in De Heineken Ontvoering (2011) voor het gebouw de kidnapping plaats van Freddy Heineken (gespeeld door Rutger Hauer) en diens chauffeur. Ook voor de televisieserie De Joodse Raad is de locatie als decor gebruikt: Virrie Cohen (gespeeld door Claire Bender) is er werkzaam in een ziekenhuis.

         Ik kijk De Joodse Raad voor een tweede keer. En ik vind het andermaal curieus hoe erin gebruikte locaties deel uitmaken van mijn eigen leven. Het Otter-Knollpand dus. Maar ook het grachtenhuis waar de Joodse Raad zetelde en waar ik meerdere keren per week langsloop. Of, eveneens op een van mijn wandelroutes, de Peperbrug op Rapenburg waar in de serie een razzia plaatsvindt.

         Echt opmerkelijk nochtans zijn, zeker in combinatie met mijn huidige Amsterdamse settings, de locaties uit mijn jeugd: die bij mijn vroegere middelbare school in Venlo en die in de Parkstraat in Steyl, waar mijn grootouders op de hoek woonden.

         Ik schreef er twee jaar geleden over, toen ik alleen nog een trailer van de dramaserie had gezien: https://huubbeurskens.blogspot.com/2024/03/steyler-gevang-en-villa-marijke.html

         In mijn verwachting van toen werd ik allesbehalve teleurgesteld. Ook bij de tweede keer kijken is de serie pakkend en word ik andermaal geconfronteerd met de perversiteit van machtuitoefenaars die door hen verachte mensen dwingen zich te laten mangelen door een geweten dat ze zelf niet hebben. Onthutsend, telkens weer, hoewel het van alle vervlogen tijden was, ook nu weer is en van alle nog toekomende tijden zal zijn, ja, juist daarom zo onthutsend.

         [fragment] 

Pierre Bokma als Cohen in Steyl

 

maandag 2 maart 2026

DE HOND VAN ALTE

‘U hoeft me uiteraard niet te geloven, maar wat mij betreft hoeft niets u te weerhouden om u persoonlijk van de toestand te komen vergewissen. Wie weet ben ik zelfs in de gelegenheid en stemming om u te gidsen. Afgaande op het aantal mensen dat met personenauto's en touringcars mijn woonplaats even aandoet is het voor de vakantieganger hier hoe dan ook vrijwel het gehele jaar door zeker een paar uurtjes prettig toeven. Men slentert door de smalle, hier en daar steile straatjes, fotografeert wit gekalkte gevels en bloembakken, loopt meestal nog naar de bron met de picknickplaats even buiten het dorp om daar iets te nuttigen of maakt dra rechtsomkeert om op een terrasje bij de kerk iets te drinken of een taartje te kopen bij de bakker.

Ik weet natuurlijk niet van welke kant u komt, maar u bereikt uw doel het gemakkelijkst en snelst door de EN 264 ter hoogte van São Bartolomeu de Messines te verlaten en vervolgens de EN 124 in oostelijke richting te volgen; na ongeveer twaalf kilometer komt links de afslag naar Alte en zo gauw u die heeft genomen bent u er eigenlijk al. U stapt uit uw huurauto of uit de bus, loopt naar de apsis van de kleine kerk en volgt vandaar de bordjes met het opschrift Fonte. Na een kwartiertje bereikt u de picknickplaats en de uitspanning bij de bron. U blijft over deze weg lopen, ook als die niet langer verhard is, parallel aan de met oleanderstruiken begroeide oevers van het smalle en in de zomer praktisch opgedroogde riviertje. Johannesbroodbo­men bieden wat schaduw. Bij een splitsing verlaat u het rivierdal door het stofweggetje links omhoog te nemen. Laat u niet de stuipen op het lijf jagen door kwaadaardig geblaf en kettinggerammel vanaf het rommelige erf van een armoedige hoeve. Te beweren dat ik het niet meer hoor zou een te boude uitspraak zijn, maar mijn tanden laat ik er beslist niet meer zien. Een paar minuten later gaat u opnieuw linksaf, een oud, half begroeid landwegge­tje op, met aan weerszijden muurtjes van gestapelde brokken grijze natuur­steen. Tussen gaarden met olijfbomen en wederom johannesbroodbomen wandelt u verder. Spoedig nadat het weggetje is overgegaan in een voetpad komt u bij een kruising. Wanneer u daar rechtsaf gaat ziet u al gauw de restanten van een oude kalkoven. En hier en overal verder, voor zover het oog daar reikt, groeien manshoge steeneiken. Ik weet vanzelfsprekend precies welke ik moet hebben, maar laat de keuze geheel aan u, zelfs als ik u mocht vergezellen, want u denkt toch niet dat ik dán een van mijn achterpo­ten voor de boom in kwestie optil?!

 

“De Engelsman,” zo noem ik hem. De Engelsman stond op een wolkenloze zondagmiddag in december boven me. Aan mijn voeten. Ik lag tegen het gemetselde muurtje van het kerkplein te dutten in de weldadige zon. Ik droomde. Ik weet niet meer over wie of wat. Herinner me alleen een gevoel van blijdschap. Wie weet lag ik daar dus met mijn ogen te rollen, regressief puppy-achtig te piepen, met mijn lippen te trekken, met mijn vier voeten in het grind te scharren. En dat alles onder de blik van de Engelsman. En ik heb er geen idee van door wat ik ontwaakte. Door de verandering van licht doordat hij een deel van de directe zonnestralen tegenhield met zijn gestal­te? Door het knerpen van voetzolen? De geurmelange van schoenleer, aluin, mensenzweet en etherische oliën? Wat deed het ertoe? Wat doet het ertoe? Ik opende mijn ogen en keek omhoog in een glimlachend gezicht dat mij zo vanzelfsprekend sympathiek en evenzo sympathiek vertrouwd voorkwam als was ik er altijd al door bezield geweest, echter zonder het te weten. Dit is het, dacht ik, nu gebeurt het, nu komt het. Ik stond al op alle vieren. Schud­de wat steentjes en een enkel takje van me af. Mijn staart zwaaide. Ik bood hem met mijn blik mijn hoofd aan terwijl zijn hand al daalde en liet me even aaien. Kom, zei iets, zowel in mij, in hem als tussen ons in, ja vooral iets tussen ons in, iets van ons beiden, kom, we gaan, we laten het gaan komen gaan gebeuren! Verwachting en vervulling tegelijk was dit.

zaterdag 28 februari 2026

VARKENSBLAZEN

Bij Rembrandts ets ‘De zeug’ uit 1643 moet ik onwillekeurig allereerst denken aan hoe zo’n 317 jaar later nog iets mogelijk was wat me inmiddels praktisch onbestaanbaar lijkt. Denken dus aan het Tegelen van mijn kinderjaren.

         Met twee ietsje oudere en driestere buurjongetjes was ik naar de Posthuisstraat getogen om er bij een slagerij achterom te gaan, de slachterij in en er een varkensblaas te vragen, er prompt ook een te krijgen en die opgeblazen mee te nemen, opgetogen als het jongetje bij Rembrandt.

         Wat we met die varkensblaas deden, herinner ik me niet. Ertegen trappen? ‘Fepen?’ Rembrandts jongetje lijkt een rietje in zijn hand te hebben. Waar die vandaan komt en nog naar omkijkt, moeten, nee, mogen we ons intussen voorstellen. De meester stelt ons daartoe meer dan een kwart van het beeldvlak ter beschikking. En wat we daar aan vreselijk vleselijks laten gebeuren, heeft onmiddellijk uitwerking op hoe we de juist zeer gedetailleerd weergegeven arme, want zo met vastgebonden poten, en toch tevreden ogende zeug bekijken. Ook zij heeft zo’n blaas. Nog.

         Geen slagerij overigens daar in die ongetekende ruimte. De slachter kwam aan huis of op de hoeve. En daarmee ben ik nog wat jonger en nu over de Maas, in Grubbenvorst met mijn vader, op de boerderij van zijn tante Mina, bij een nog lauwwarm opengesneden en opengeklapt varkenslijf tegen een ladder.

         Zelf etsen leerde ik dan weer later, in Brabant. Maar wat kon die Van Rijn dat goed, hè! Die vlotheid en dat treffende, alsof je het allemaal onder je ogen hebt zien ontstaan. Hij moet direct naar de aanschouwing hebben zitten tekenen, in de geur van de zeug, met een etsnaald in de was dus, naderhand nog wat met droge naald in een koperplaatje van slechts 18,3 bij 14,4 centimeter, maar wat een wereld de afdruk ervan, o, om dat te mogen meemaken, om in 1643 daar te mogen zijn!

 

dinsdag 24 februari 2026

DOOD OP DE WEG

 

– ‘Geheugen! Naar aanleiding van zijn lectuur van het korte verhaal ‘Maankrijt’, dat ik hiervoor op Nonnolles plaatste, stuurde een attente speurder mij bovenstaand knipsel uit een krant van 15 december 1958.

         Dat ongeluk gebeurde dus op een zaterdag niet in een zomer maar in de winter, Geheugen! Niet tegen de schemer maar in de middag, het was redelijk zonnig en vrij koud, de maan was die zaterdagavond allerminst vol maar pas voor zeven procent zichtbaar. De auteur deelde als achtjarige toen zijn kamer met zijn zes jaar jongere broertje, Geheugen… Spreek!’

         – ‘Nou en? Ben ik des schrijvers hoeder?’


maandag 23 februari 2026

MAANKRIJT


Goed dat ik toen in staat was – zo jong nog, maar hoeveel beter dan nu – om bij de juiste gelegenheden als uit twee te bestaan: uit een ik dat anderen de gewenste indruk gaf dat ze me met onwaarheden gerust konden stellen en uit een ik dat de stilzwijgende waarheid zag.

         Nadat ik met mijn vader, achter op zijn fiets, uit de geurige valavondlijke luwte van het hoog gelegen zomerse grensbos richting zinkende zon was afgezakt en we veilig het spoor waren overgestoken, moest er meteen bij de scherpe bocht worden afgestapt omdat er op straat iets met een wollen deken erover lag.

         Van het gewei van het hert voor de slee waarmee in besneeuwd poolgebied dekens als deze werden rondgebracht, kende ik elk end aan beide stangen, net als de aan de einder opgezette tent waarin ik warm kon wachten met mijn verlangen – naar wat?

         En ook iets kleiners lag er op de weg, onder een dubbelgevouwen sprei.

         Alsof ze met meer dan een paar waren stonden twee mannen verwoed te zwaaien.

         Sowieso konden we er niet langs, want achter de gebolde deken en sprei stond in zijn volste breedte de huishoge achterzijde van een zwarte huifoplegger waarvan de rode lichten als grote eierkolen gloeiden – je hoorde ook zacht het naloeien van de motor vanuit het al nachtelijke duister achter het zeil dat er ietsje opengeslagen bijhing.

         En op de stoep aan weerszijden hielden vrouwen met een hand een uitroep vast of tegen, of ze hielden hun hand als was die juist aangezogen door een heel diepe ademteug.

         Bovendien leunde tegen een lantaarnpaal een damesrijwiel, bekommerd kromgebogen over zijn ontzette kinderzitje.

         Mijn ene ik wachtte op wat mijn vader voor hem zou verzinnen.

         Het werd een transport dat door te hard rijden, terwijl het huifzeil niet goed met de touwen door de ringen dichtgesnoerd was geweest, in de scherpte van de bocht het een en ander van zijn lading had verloren, linnen lakens, wollen dekens, spreien alvast voor de komende maankoude winternachten met ijsbloemen op de ramen.

         Daardoor was een vrouw erachter met haar fiets ten val gekomen. Gelukkig hadden er meerdere voordeuren opengestaan. Om te worden geholpen en getroost was ze ergens binnen gebracht.

         Terwijl politiemannen verschenen wees mijn ene ik mijn vader op wat hij al lang, net als mijn andere ik, geheel en al onbedekt op straat had zien liggen.

         Nou? Wat was de vaderlijke uitleg hiervan dan?

         Dat de gewonde vrouw – misschien had ze haar knieën geschaafd of een pols verzwikt – vantevoren boodschappen had gedaan bij de slager en er door de schrik iets van de inkopen uit haar tas gevallen was.

         Een slager op de hei? Die nog open was om halfacht? En iets zo natrood vleselijks niet eerst in slagerspapier gewikkeld en dan in een zak verpakt? Kookte en braadde die vrouw niet voor het middagmaal maar voor middernacht?

         Als ik mijn vader was geweest, dacht mijn andere ik, had ik iets beters bedacht.

         Maar mijn ene ik knikte instemmend toen mijn vader ‘Kom, we gaan,’ zei nadat een bleke ambulance was verschenen, het volk op de stoep aan de linkerkant stil opzij dringend.

         Rechts liep een grindpad, evenwijdig aan het spoor, naar de Acaciastraat, waarover we met een omweg naar huis zouden kunnen.

         ‘Dat de ambulance niet met zijn sirene is gekomen, zegt alles,’ zei ik tegen mijn vader voordat ik weer achter hem op de fiets klom.

         ‘Dat het niet zo heel erg is, bedoel je,’ vroeg hij, ‘toch?’

         Ik knikte nogmaals, zonder dat hij me kon zien. Daarom wilde ik hem vanachter zijn rug iets vragen waardoor hij echt helemaal opgelucht kon ademhalen, want alsof zijn zoontje al lang weer aan heel iets anders dacht.

         Of hij wist dat de bomen waar de Acaciastraat naar was genoemd de meest voorkomende in de Sinaï waren, waar God Mozes opdroeg een tabernakel van acaciahout te laten maken.

         Maar hoe kon hij daarop antwoorden? Want hoe zou ik, zonder al vlot te kunnen lezen, die vraag toen al hebben kunnen stellen? En zou het hout dat Abraham kloofde voor het brandoffer van zijn bloedeigen enige zoon niet eveneens van de acacia zijn geweest?

         Ik moest er niet aan denken! Straks bracht ik hem nog op ideeën… Dus vroeg ik gauw of hij dokter Rahier ook net had gezien.

         Nee, ook dat vroeg ik niet, want juist de stelpende aanwezigheid van Alphonse Rahier, onze huisarts die in de Eerste Wereldoorlog zijn bloederig Waals Gewest was ontvlucht, zou verraderlijk zinledig zijn geweest.

         In plaats ervan vroeg ik hoe dokter Rahier een vrachtwagen zou hebben genoemd.

         ‘Een camion,’ riep mijn vader.

         Triomfantelijk, omdat hij een machinebankwerker was die het wist!

        

‘Een camion!’ riep ik bijna juichend tegen mijn moeder die in de opening van de keukendeur stond, ongerust over ons schemerige uitblijven. Dat mijn zusje al sliep, zei ze, als verweet ze ons iets.

         Ik ging naar boven, naar mijn eigen kamer, om mijn vader met haar te laten praten en haar vrijelijk haar hand voor haar mond te kunnen laten slaan.

         Verder wens ik me van die avond niets meer te herinneren.

         Niets!

         Zelfs geen boterham met roze kokosbrood als die me om de een of andere reden niet gesmaakt mocht hebben. Hooguit dat mijn vader nadien nog een keer omhoog kwam, stilletjes, om me fluisterend te willen doen geloven dat ik misschien een broertje krijgen zou.

         Maar ik had hem horen komen, zodat ik me, wist hij, diep slapende kon houden onder mijn strakgetrokken laken. De opgevouwen sprei en de poolherten in de kast luisterden mee tot hij de trap af was.

         Toen lag ik weer op mijn buik en lieten mijn wijs- en middelvinger tussen de overgordijnen opnieuw een spleet ontstaan waarin ik zag hangen wat de camion in de waarheid van zijn duisternis had vervoerd: die vlekkerige volle maan.

         De mensheid wilde ernaartoe. Omdat daar nog nooit iemand of iets was doodgereden?

         De volgende ochtend keek mijn moeder me eerst raar aan en toen nog vreemder ver weg, terwijl ze over haar buik streek.

         Ik heb van die dag nog altijd het stompje politiekrijt dat ik in de straatgoot vond.

         Alle markeringen waren weggeschrobd, alleen om een donkere, als een vlek ingetrokken mare was een maanwitte cirkel op het wegdek blijven staan.

 

© HB 1990

donderdag 19 februari 2026

MAHONIA

Bestaande uit negentien strofen in haikuvorm, voor het eerst gepubliceerd in het jaar 2000 in De Gids, over een nog elk jaar weerkerende sensatie in mijn stad en de ontmoeting daarbij met een speciaal ervoor overgekomen dichterlijke verzekeringsman.

_______________________________

 

O mahonia,

        al voor het wintereinde

bloei je in de stad!

 

Mereloogringgeel,

        trossen vol navelklokjes,

miniklokrokjes

 

boven zwartgroen blad.

        Kijk, de verzekeringsman

wordt ineens tevens

 

een andere man

        die het kantoorpand verlaat

alleen maar even

 

om aan je geuren

        zijn gelaat op te klaren.

‘O mahonia,’

 

zucht hij, ‘drie heuvels

        en een wolk. Moet u ruiken,

meneer, lelietjes

 

van dalen maar dan

        met kruidigheden en een...’

... zweem van rijpend fruit.

 

O mahonia,

        over je heen gebogen twee

volwassen kerels,

 

beiden met in zich

        drie, vier heuvels en een wolk –

wat een dwaas gezicht!

 

Midden in een stad

        die een sneeuwjacht verwacht,

zo jaagt het verkeer.

 

Ik wou mijn leven

        laten verzekeren maar...

‘Ik wou net lunchen.

 

Komt u toch eerst mee!

        De naam mahonia

komt van McMahon,

 

een gaardenier uit

        Amerika. Wist u dat?

Negentiende eeuw.’

 

Ik zeg ja en nee.

        We slaan onze jaskraag op,

kijken nog eens om.

 

‘De blauwberijpte

        zwarte bessen straks zijn gif

voor ons, maar moet u

 

turdus merula

        dan zien...’ O mahonia!

In zondagspak fluit

 

de man. De zon schijnt

        op zijn matelot. Hij zwaait

met zijn wandelstok.

 

Vogelorgelzang.

        Drie, vier heuvels en een wolk.

Geen een traan. Wel wang.

 

‘Ik bedoel, ieder

        en alles zal vergaan, maar

juist daar leef ik van.’