Wanneer mag je een schrijver
van literair proza een evidente kennis- of waarnemingsfout of een taalgedrocht
persoonlijk aanrekenen?
De vraag diende zich weer eens aan toen ik las dat iemand stelde dat
Vladimir Nabokov een wanstaltige metafoor had afgeleverd door ‘in De gave “de bevrijding van de ziel uit
de oogkassen van het vlees” te verheerlijken.’
Een monstertje inderdaad. Nabokov onwaardig ook, vond ik.
Dus ging ik op zoek naar die beeldspraak. Om bij deze passus in hoofdstuk vijf
van The Gift uit te komen (hier met onderstreping
en vet van mij):
When the French
thinker Delalande was asked at somebody’s funeral why he did not uncover
himself (ne se découvre pas), he replied: “I am waiting for death to do it
first” (qu’elle se découvre la première). There is a lack of metaphysical
gallantry in this, but death deserves no more. Fear gives birth to sacred awe,
sacred awe erects a sacrificial altar, its smoke ascends to the sky, there
assumes the shape of wings, and bowing fear addresses a prayer to it. Religion
has the same relation to man’s heavenly condition that mathematics has to his
earthly one: both the one and the other are merely the rules of the game.
Belief in God and belief in numbers: local truth and truth of location. I know
that death in itself is in no way connected with the topography of the
hereafter, for a door is merely the exit from the house and not a part of its
surroundings, like a tree or a hill. One has to get out somehow, “but I refuse
to see in a door more than a hole, and a carpenter’s job” (Delalande, Discours
sur les ombres, p. 45). And then again: the unfortunate image of a “road” to
which the human mind has become accustomed (life as a kind of journey) is a
stupid illusion: we are not going anywhere, we are sitting at home. The other
world surrounds us always and is not at all at the end of some pilgrimage. In
our earthly house, windows are replaced by mirrors; the door, until a given
time, is closed; but air comes in through the cracks. “For our stay-at-home
senses the most accessible image of our future comprehension of those
surroundings which are due to be revealed to us with the disintegration of the
body is the liberation of the soul from the eye-sockets of the flesh and
our transformation into one complete and free eye, which can simultaneously see
in all directions, or to put it differently: a supersensory insight into the
world accompanied by our inner participation.” (Ibid. p. 64). But all this is only symbols – symbols
which become a burden to the mind as soon as it takes a close look at them…
Meteen is duidelijk dat het
niet de verteller is aan wie die oogkassenmetafoor mag worden toegeschreven. De
‘ik’ citeert hier namelijk uit een publicatie van een zekere, dat wil zeggen de
door Nabokov bedachte Delalande! (Die ook even opduikt in Nabokovs Uitnodiging voor een onthoofding.) En de
verteller in De gave besluit zijn
aanhalingen uit het werk van deze Delalande met de aanmerking dat het hier louter
om symbolen gaat, symbolen die bovendien nogal bezwaarlijk worden zo gauw je ze
op de keper gaat beschouwen…
Met andere woorden, de mank gaande metafoor wordt door de
schrijver juist bewust en functioneel ingezet.
Zo kan een evidente, maar door de schrijver bedoelde fout
juist goede informatie geven. In Lolita
bijvoorbeeld meent de protagonist ergens dat hij tegen de schemer kolibries bij
bloemen ziet verschijnen waar het pijlstaartvlinders zouden moeten zijn. Als
iemand deze fout níet zou maken, dan wel vlinderkenner Vladimir Nabokov. Maar,
weet u, zegt die passage voor de goede verstaander, de hoofdpersoon van Lolita is niet Nabokov, hè…
Wat Nabokovs vertellers wél van hun auteur hebben is de behoefte,
kunst en kunde om stilistisch zo briljant mogelijk te componeren en te
formuleren. En nu ik dit zo stel moet ik opeens weer denken aan Christel van
Boheemen.
Zij was een korte tijd een van mijn mederedacteurs bij De
Gids. Hoogleraar Moderne Engelse Letterkunde. In een gesprek dat we hadden beweerde
ze op een gegeven moment dat – ik parafraseer – een gewone, in de zin van
doorsnee haven- of fabrieksarbeider geen vertellende instantie van een literaire
roman kon zijn, eenvoudigweg of alleen al omdat die niet literair
compositorisch en stilistisch met taal kon omgaan.
Geboren als zoon van een Limburgse machinebankwerker voelde
ik me even zelf weggezet, dat herinner ik me nog. Al was het haar bedoeling
niet. En toen dacht ik: maar als ik nu als schijver in een roman mijn vader uit
mijn kinderjaren de verteller zou willen laten zijn, dan kan dat dus eigenlijk
niet wanneer die roman voldoende artistiek gewicht moet hebben...? En in
dezelfde gedachte voegde ik er nog een ‘Verdomme!’ aan toe.
Had zij gelijk? En zo ja, hoe kon je toch aan dat gelijk
ontkomen? Ik heb er vaak over nagedacht. Maar ik weet het, geloof ik of hoop ik,
nog steeds niet.
Geen haven- of fabrieksarbeider intussen die daarvan wakkerligt.