maandag 2 november 2026

GOMBROGEGROM CHEZ MATISSE



Op de site van GeenStijl staat een schamperend verslag van een bezoek aan de tentoonstelling Chez Matisse in het Amsterdamse H'ART Museum.
    Een hilarisch stukje, vind ik, waarin de draak wordt gestoken met het gegeven dat het vooral ouderen zijn die de expositiezalen bevolken.
    Het beeld dat H'ART zelf intussen op zijn website toont is uitermate verneukeratief: enkele evident jonge mensen (vrouwen die je nog meisje noemt wanneer je zelf een ouwe zak geworden bent) in een verder lege ruimte met wat schilderijen aan de wand.
    Een hilarisch stukje, vind ik het dus, hoewel ik zelf de leeftijd heb van degenen op wie de spot gericht is en ik wellicht mede op grond daarvan moeite heb met het gebruik van de classificering 'boomer', zeker in pejoratieve zin; persoonlijk ga ik ervan uit dat je nooit iemand iets kunt aanrekenen waarin hij of zij zelf geen keuze heeft kunnen maken, zoals datum en plek van de geboorte, sekse en huidtint.
    Ik herken nogal wat van wat er in die tekst wordt aangekaart.
   
Die Matissetentoonstelling zou ik ook wel willen bezoeken.
    Museum H'ART bevindt zich op nog geen dertig minuten lopen van mijn woning. Vandaar dat ik al verscheidene keren, tijdens mijn vrijwel dagelijkse stadswandeling, in de inkomhal ben gaan kijken en bij de aanblik van het rijtje telefoonetui hanterende (mede)grijsaards voor de kassa, telkens heb gedacht: er komt nog wel een rustig moment vóór half februari. Want wijs geworden van eerdere gelegenheden, van toestanden zoals in het artikel op GeenStijl geschetst.
    Echter bovenal doet de GeenStijlkarikatuur me denken aan de Dagboeken van Witold Gombrowicz, waarin op meerdere plaatsen wordt ingehakt op kunstmuseum (of concert of literatuuravond) bezoekend cultureel devoot gedrom.

    "[ ...] ik weiger mijn ogen te sluiten voor de absurditeiten die, zonder kunst te zijn, met de kunst gepaard gaan. Ik verlang van de kunst niet alleen dat zij goed is als kunst, maar ook dat zij goed in het leven is ingepast. Ik verdraag noch haar al te belachelijke tempels, noch haar al te belachelijk makende aanbiddingen. Als dit meesterwerken zijn die ons met zo’n enthousiasme moeten vervullen – waarom dwaalt ons gevoel dan zo angstvallig, onzeker en tastend rond? Voordat wij voor een meesterwerk op de knieën zinken, vragen we ons af of het er wel een is, willen we weten of het ons wel mag betoveren, informeren we vlijtig of we die hemelse genietingen wel mogen ervaren – en pas dan laten we ons in geestdrift gaan. Hoe moet ik die onweerstaanbare, spontane, overduidelijke macht van de kunst die zogenaamd de kracht van een donderslag heeft, met de onzekerheid van onze reacties in overeenstemming brengen? En telkens opnieuw ontmaskeren amusante stommiteiten, vreselijke blunders en fatale verwisselingen de valsheid van onze tong. [...]"

Dat is danig hautain en elitair, nietwaar? Hoewel Gombrowicz zich juist keert tegen waancultuur en snobisme. Tegen cultureel kuddegedrag.

    Maar een schilderij van Matisse of wie dan ook echt goed op je laten inwerken, dus meer dan een paar seconden, meer dan luttele minuten lang, er dichbij kunnen gaan staan en dan weer wat verderaf en nogmaals enzovoort, hoe je het maar wilt, dat is praktisch onmogelijk tussen allerlei andere mensen om je heen die aldoor komen en gaan, veelal met hun beeldschermapparaatje in de fotostand.

    Rust, tijd en ruimte heb je nodig. En dan moet je of moet een of ander in je ook nog eens je, zijn of haar dag hebben.

    Ik herinner me een nogal euforische kijkervaring ooit in een toen rustig Museum Thyssen-Bornemisza in Madrid. Zo veel kwam er achter elkaar intens bij me binnen, dat ik vol verwachting en vertrouwen dezelfde locatie twee dagen later nog eens bezocht: andermaal was het er rustig, maar het was alsof alle vormen en kleuren in twee etmalen duf en dof geworden en als het ware platgeslagen waren.

    Overigens zijn beslist niet alleen boomers met telefoonetuis beeldschermpjeskijkers. Bijna dagelijks zie ik in wat ik aanmatigend onze achtertuin placht te noemen, het Artispark, bezoekers, onder wie menige jongere van Generatie Z of hoe men zich wil benoemen, bij dierenverblijven louter hun schermtuig gebruiken om al kijkend naar het resultaat van hun screentouch verder te lopen of het aan zijn of haar gezelschap te tonen.

    "Maar op zo'n scherm kun je ook veel heel dichtbij bekijken, in close-up of uitvergroot zoals dat met het blote oog niet te zien is. Kijk hier, dat kikkertje van nog geen drie centimeter, nu tien..."

    Ach, mogelijk ben ik met mijn gombrogegrom nog de meest boomerige boomer van allemaal.

    Wie weet sluit ik straks dus maar gewoon aan bij de rij voor de kassa van Chez Matisse. Maar voor het zover is bekijk ik toch nog eens een vermakelijk filmpje: 'The bad breath of a Mondriaan specialist' - en heb ik ook wel een beetje te doen met kunstkenner Hans Janssen (1954-2021).


woensdag 28 oktober 2026

BRAAKZAKJE

 


Kreeg je bij de entree

een braakzakje mee?


_______________________________________

Zie ook: https://sfcdt.wordpress.com/2026/10/28/amen/


dinsdag 27 oktober 2026

DE MORTUIS

 


    - Je las het overlijdensbericht van schrijfster Lidy van Marissing waarin zijzelf wordt geciteerd?

    - De mortuis nil nisi bene.

    -  Je las het dus.

    - Niet in de krant maar voor zover het wordt getoond en toegelicht op een literair weblog. Ik begrijp dat de schrijfster die woorden speciaal voor deze gelegenheid dicteerde aan ene Alofs; Hella Alofs veronderstel ik, een vriendin vermoed ik.

    - "Het is mooi en lelijk geweest. Ik ga mij voegen bij de dode zielen uit Gaza." Dat eerste vind ik wel sterk. Maar...

    - De mortuis...

    - Excuus voor de gemakzucht van mijn woordspel, maar is het geen dooddoener te stellen dat je over de doden niets dan goeds mag zeggen? Bovendien heeft Van Marissing die woorden nog bij leven gesproken - hoe kan het anders? Die 'dode zielen' doen mij meteen en vervolgens voornamelijk denken aan de Dode zielen van Nikolai Gogol. Dat boek heb jij toch gelezen? En het zal Van Marissing evenmin onbekend zijn geweest. Wie of wat zijn dat, dode zielen?  

    - Bij Gogol zijn dode zielen gestorven maar boekhoudkundig nog niet afgeschreven lijfeigenen.

    - Om het beeld van zulke dode zielen te passen in dat van "de dode zielen uit Gaza" is wel een staaltje kreupele acrobatie nodig, vrees ik - en dan nog.

    - Mogelijk heeft ze het niet gogolesk bedoeld. Weet je dat Gogol een Oekraïner was, zoals we dat nu zouden noemen, in elk geval iemand die in de Oekraïense taal geboren en getogen is maar in het Russisch is gaan schrijven? Maar dit terzijde. Wat ik me nu afvraag is waar die zielen van doden - want laten we het daar op houden - uit Gaza dan zijn. Zijn die op een bepaalde plek, afgezonderd van schier ontelbaar andere zielen van even zoveel andere doden uit geheel andere gebieden en volstrekt andere tijden? En kun je als ziel van een niet-gazaanse dode daar dan heen om je aan te sluiten? Ik bedoel...

    - ... nil nisi bene!

    - Ik bedoel: welk denkbeeld van een hiernamaals ligt in hemelsnaam aan die uitspraak ten grondslag?

    - Misschien is het alleen haar bedoeling geweest om ons ook na haar dood of via haar overlijden te laten stilstaan bij wat er in Gaza gebeurt.

    - Dus quasi over haar graf of urn heen?

    - Zoiets.

    - Maar waarom uitsluitend Gaza? Niets en niemand anders?

    - Misschien omdat het zo actueel is.

    - Alsof ik dat dan nu niet allang zelf weet!

    - Haar intentie is of was in elk geval goed, lijkt me. De mortuis nil nisi bene.

    - Maar literair kwalitief is het krakkemikkig of op zijn minst naïef wanneer een schrijfster een dode of een de dood in gaande zo laat denken en spreken. Het valt me van de schrijfster tegen.

    - Lidy van Marissing schreef de laatste jaren niet meer. Pijn, schijnt het. Echte. En, ach, jij met je literatuur die altijd goed en mooi moet zijn! Die is toch zelf slechts weer een onderdeeltje van het leven? En mooi en lelijk is dat leven. Goed en slecht.

    - En onrechtvaardig.

    - Ah, sorry, nu meen ik opeens toch nog een andere mogelijkheid, een andere zienswijze te lezen. Exit Gogol. Dode zielen, wat zijn dat? Zielen die er niet meer zijn. Als je je daar bij voegt, ga je mee op in het niets...

    - Alleen het leven is bezield, niet de dood. Bedoel je dat? Zou ze dat bedoelen? Daar denken ze volgens mij in Gaza enigszins anders over.

    - ...

    - ...

    - Schrijf jij eigenlijk nog?

    - Jij?

      

      

    

maandag 26 oktober 2026

IK


Nee, ik wist het niet. Of niet meer?

    Iemand die de moeite had genomen alsnog mijn Wachten op een vriend (2015) te gaan lezen, na haar lectuur van een beschouwing erover (Fabian Stolk, Klasse, eveneens 2015 *), wilde van me weten of ik dat bewust zo gedaan had: de keuze van de achternamen van de twee op elkaar wachtende vertellers, Maris en Marks.

    - Hoezo?

    "Nou, ze hebben bij elkaar in de klas gezeten en in de klassenlijst in de agenda van hun onderwijzeres zouden ze dus zo genoteerd staan:

        Maris

        Marks,

alfabetisch."

    - Nou en?

    "Die niet gemeenschappelijke letters..."

    - Hoe bedoel je?

    "ik"

    - Nu je het zo zegt te zien... Ik schrik er een beetje van, want, nee, ik weet het niet.

    "Of niet meer?"

_________________________

* zie ook: http://fstolk.blogspot.com/2015/05/nabetrachting-huub-beurskens-wachten-op.html




zondag 25 oktober 2026

HET WAS ZO MAKKELIJK

Hoe vervreemdend is het jezelf onverwacht tegen te komen, gezien door de ogen van een je onbekende die jou kennelijk herkende.

    Naar aanleiding van het overlijden van Lidy van Marissing kwam her en der ook Jacq Vogelaar ter sprake.


En wat struinend op het internet belandde ik quasi zomaar in iemands notities over de begrafenis van Jacq nu al bijna dertien jaar geleden:

    "H.C. ten Berge stapt met grote passen op het grind. Verder zijn het Piet Meeuse, Barber van der Pol, Huub Beurskens, Cyrille Offermans, Marion, Yves van Kempen met Brecht. Ik zie Meneer Nieuwenhuis, de vormgever, Robert Anker, Willem van Toorn, Tom van Deel, Xandra Schutte, Nicolaas Matsier, Erik Lindner (de jonge garde), vele anderen. Laat ik Pieter de Nijs en Liesbeth van Nes niet vergeten en Sjef Bogman, mijn studiegenoten. Vrienden. De aula is vol. Er is muziek drie keer; er zijn 12 sprekers. Het hadden er ook 1200 honderd kunnen zijn. Misschien wel moeten zijn. Over Jacq kun je blijven praten en spreken. Het is nooit genoeg."

    Dat en meer noteerde Willem Broens op 19 december 2013, een dag na de begrafenis, de dag waarop ik zelf het gedenkgedicht "Acht met stuurman" noteerde, ja, noteerde, want het was zo makkelijk er poëzie van te maken.