Hij schreef me ooit, op een postkaartreproductie van If not, not,
geen lange brieven te kunnen schrijven ‘because I must paint
Death on the Horizon’, en groette me met ‘Hands Across the Sea’.
Dat toen te schilderen werk – het meest abstracte dat hij naliet
– lijkt, als je het nu ziet – een doekje van zo’n 30 x 30 cm slechts,
met alleen een baan haperend zwart op de strak witte ondergrond
gezet –, gemaakt in de tijd die nodig is – iedereen zou dit kunnen –
om te stikken in een plastic zak die je over je hoofd getrokken hebt
en dichtbond om je nek. Zo ook heeft hij de dood gevonden, zoals
dat heet, gebroken door wat hij noemde zijn ‘Tate War in London,
when my wife died there’, en de diagnose van Parkinson later. Helaas
zijn je levende helden zelden jonger dan jezelf, moet je aanzien hoe
ze slijten en sterven zonder dat hun door jou zo bewonderde werken
er iets tegen kunnen beginnen maar lijken te verworden tot wat ze in
wezen zijn, wat zinloze tekens op papier, vegen verf op linnen, hooguit
herinneringen aan je begeestering destijds. Ik draai zijn kaart om

en, kijk, landingsstranden vloeien samen, wereldbranden laaien op,
bikinipalmen waaien in kernproeflicht, de Auschwitzpoort gaapt en
gaat nooit meer dicht, het dolend lam vindt offeraltaar noch herder,
dorst is er en zwart water waarin men denkt te baden en verdrinkt,
het onweert en toch is er zicht op een zonnig Eden, daar, even, en
nu weer, als verbeeld, er ligt een soldaat, zijn kameraad naast hem
is al gesneuveld, een mooi meisje, bloot en ongevleugeld, erbarmt
zich over een heer die viel, hij is slechthorend, een jood etc. – wat
een bar land met een hart van duisternis, wat een gegrauw tegen
een leven dat de dood laat tieren zonder verschiet, maar, zie – met
karamel, zuurtjesgeel, oogschaduwblauw, lipstickrood – welk een
onvergetelijk blikvangend ritme en coloriet! Snap je dat ik het niet
snappen wil? Wanneer je ooit zoiets maakte, wat de kritiek ook riep –
Poseur, name-dropper, pseudo-intellectueel: ‘my enemies have made
me the most controversial painter alive!’ –, en je verloor erbij je lief,
doorstond een hartaanval en toen begon het trillen al, wacht je toch –
want in het centraal perspectief geloven we sinds Cézanne niet meer
– tot de horizon zich zelf opheft, in plaats van voortijdig te verlaten
wat je schiep! Alsof je het verried. Ach, zo bedoel ik het niet. Ik snap je
maar wil dat niet. ‘Holland is a place I love very much – I almost moved
to Amsterdam!’ Hadden we er nog over kunnen praten bij Van Goghs
Korenveld met kraaien. Maar hij schreef me ook dit: ‘You must follow
your instincts and passions!’ Zijn dat tot slot doodsdrift en bitterheid
dan? Het valt me als bewonderaar zwaar, maar – dit is allang geen
gedicht meer; nou en? – had R.B. Kitaj, toen hij de opmerking van T.S. Eliot dat poëzie ‘an escape from personality’ is, omvormde tot ‘art is the escape to personality’, de beweging van de vlucht, van het ontsnappen zelf, dus van het door hem zo benadrukte ‘to’, niet al hopeloos achter zich gelaten door praktisch alleen nog zijn ideeënobsessies en privébesognes tot thema te maken, zoals in zijn zelfportretjes met Bad Back, Bad Eyes, Bad Foot, Bad Knee en Bad Heart, stuk voor stuk gesigneerd met ‘Ronald’ en allemaal – hier moet ik een van zijn ergste criticasters van de Tate-oorlog bijvallen – ‘zo onbekwaam en slordig’ getekend en geschilderd, ‘zo karikaturaal, zo infantiel en lelijk’ en ‘zo grof en gevoelloos in hun verfopbreng’, dat ze niets anders lijken dan ‘opgeblazen plaatjes van primitieve stripverhalen.’
Waar is het artistiek misgegaan? Maar vooral waarom? En waarom heeft Kitaj Eliots uitspraak zo uit zijn verband getrokken om hem naar zijn eigen hand te kunnen zetten? Want dit staat er letterlijk in het essay ‘Tradition and the Individual Talent’ uit 1921:
Poetry is not a turning loose of emotion, but an escape from emotion; it is not the expression of personality, but an escape from personality. But, of course, only those who have personality and emotions know what it means to want to escape from these things.
Cruciale zin is de laatste. En daarmee is wat Eliot over poëzie zegt, wanneer je het doortrekt naar andere kunsten, perfect van toepassing op Kitajs werk van vóór pakweg 1981. Wat je ook van dat werk vindt, ‘afstandelijk’, ‘cerebraal’, ‘intellectueel’ – ik vind het meeste prachtig, zowel qua beeldopbouw, droge verfbehandeling, intensiteit van de kleurwerking en narratieve suggestie en sensibiliteit –: de man die het maakte moet zo’n eigenheid of persoonlijkheid hebben gehad dat hij er niet aan heeft kunnen ontkomen die werken onmiskenbaar van hem te laten zijn. De boven aangehaalde criticaster slaat de plank finaal mis wanneer hij bijvoorbeeld de pasteltekening Marynka Smoking uit 1980 afdoet als ‘slecht geproportioneerd’, ‘onvast qua vorm’ en ‘ongelijk in de afwerking’: ik ken geen sensuelere, vormvastere, fraaier met de achtergrond contrasterende en daardoor meer emotionerende tekening van een meisjesrug uit het laatste kwart van de eeuw met de verbrandingsovens voor mensenvlees en de bommen op Hiroshima en Nagasaki. Wat een tekenaar naar de aanschouwing!
Vanwaar dan die wending naar of die terugval in wat, ook onder professioneel werkende dichters en schilders, een kennelijk onuitroeibaar, amateuristisch aandoend misverstand is: dat van de vermeende urgentie van een persoonlijke expressie, waaraan tot overmaat van ramp steevast ook nog eens een spontane of primitief aandoende werkwijze als een soort certificaat van echtheid wordt gekoppeld? Met de ziekte van Parkinson heeft het niets van doen, die heeft zich bij Kitaj dan nog lang niet gemanifesteerd.
Ik heb een vermoeden. En dat vermoeden gaat uit naar Kitajs op een gegeven moment rap intenser wordend besef van zijn joodsheid. Hij is zich altijd bewust geweest van zijn lot als jood, dat wil zeggen, van het feit dat hij alleen vanwege zijn afkomst als zodanig kon worden bestempeld (met een vette J in zijn paspoort), zoals dat met velen door de nazi’s gebeurde, ongeacht of ze praktiserend godsdienstig waren of niet. Dat besef heeft zich op een gegeven moment geïnternaliseerd in zijn persoonlijkheid én in zijn kunst. Het heeft hem ertoe gebracht zich te gaan afvragen wat een joodse hedendaagse kunst zou kunnen of moeten zijn en hoe hij misschien ‘de eerste jood’ kon zijn ‘die ernaar verlangde een nieuwe joodse kunst te ontketenen.’ In 1989 publiceerde hij daartoe zijn First Diasporist Manifesto. Zijn Second Diasporist Manifesto verscheen in 2007, het jaar van zijn zelfgekozen dood.
‘You’ve been reading a long unfinished poem called how to do a jewish art,’ aldus de slotzin van zijn nawoord bij dat tweede manifest. Moest dat lange gedicht dan eindigen met een plastic zak om zijn hoofd? Het is een cynische vraag als antwoord op Kitajs niet geringe vraag waartoe zijn kunst zou moeten dienen. Volgens Vladimir Nabokov is een dergelijke vraag dodelijk voor een kunstenaar en ik vrees dat hij daar gelijk in heeft.
In zijn boek Nikolaj Gogol zegt Nabokov het zo: ‘Een schrijver is wég als hij geïnteresseerd raakt in vragen als “Wat is kunst?” en “Wat is de taak van de kunstenaar?” Het is wel duidelijk, schrijft hij, dat Gogol eigenlijk ‘zegt: “In mijn eerste deel [van Dode Zielen - hb] heb ik één wereld gefantaseerd, maar nu ga ik een andere bedenken die veel beter past bij wat volgens mij de gedachten over Goed en Kwaad zijn die ik min of meer bewust deel met mijn denkbeeldige lezers.” (…) In werkelijkheid wilde hij een boek schrijven dat Gogol de kunstenaar en Gogol de monnik tevreden zou stellen. Hij werd geobsedeerd door de gedachte dat grote Italiaanse schilders hier keer op keer in waren geslaagd (…). In de weinige hoofdstukken die van Deel Twee bewaard zijn gebleven raakt Gogols toverbril bewaasd.’
Ook de toverbril van Kitaj raakte bewaasd. De kijklust door en voor de vorm verdween. Met zijn toenemend nonchalante, slodderige stijl, als zoiets nog ‘stijl’ mag heten, hield de schilder zichzelf voor de gek als de eerste de beste amateur die vindt dat kunst er emotioneel en persoonlijk, dus als zomaar vormeloos eruitgekwakt hoort uit te zien. Intussen beperkten zijn thema’s zich meer en meer tot anekdotes uit zijn privéleven als jood, inclusief herenigingsdromen over zijn gestorven vrouw, en tot liefst zo klunzig mogelijk, lijkt het, van foto’s nageschilderde portretjes van door hem gewaardeerde medejoden uit artistieke en intellectuele kringen, zoals Paul Celan, Karl Kraus, Ludwig Wittgenstein, Gershom Scholem, Hannah Arendt en Peter Lorre (wiens voormalige huis hij bewoonde).
Wat doet het pijn dit te schrijven…
Over en niet aan iemand. Iemand die niet meer terug kan
schrijven, aan wie geen hand meer valt te geven over de horizon.
Kunst is kinderspel, dat weten we wel. Iets als nog spelen met treintjes
van hout en zonder rails onder moeders keukentafel en je dan kunnen
verbeelden dat je reizen maakt en plotseling daar staat waar het spoor
de zee verlaat. Om afscheid te nemen in tranen, want gedwongen, altijd
gedwongen uiteraard. Maar liefst met het vooruitzicht van een happy end, in
technicolor, als dandy en flaneur, met smachten in de wachtkamer gespeeld
door Greta Garbo. We weten hoe anders het verkeert. Wie een hemel denkt
kent de hel. Moeder dood, geliefde ook, vaarwel, maar noch getransporteerd,

verkracht, vergast, noch hun lijf door een schoorsteen in de lucht.
Is zo’n nietgeluk dan niet geluk zat in een wereld waarin de mens
de mens tot afgrijzen deert? Is het aardse donker niet nog altijd licht
genoeg? Moet je dan niet tieren tot het laatst, razen, weigeren gedwee
de nacht in te gaan al is die goed, en het uit je hoofd zetten, dat slot
met een plastic zak eromheen? The poor bastard had Jew on the brain.
– Philip Roth. Je was niet eens alleen! ‘I am now back home among
my sons and grandsons,’ schreef je ook nog achterop. 2 Februari 2002.
Besneeuwde blauwe bergen op de zegel. home of the stars, aldus
het stempel eroverheen, maar dat zag je natuurlijk niet. Of ben je daar
nu en vind je me vreselijk kinderlijk wanneer ik dat hoop, tegen al mijn
ongeloof in? Vergeef me dan mijn onbegrip. If not, not. Hands across.





