In 'Twintig dichtbundels uit 1975', reeks in wording, belicht Gert de Jager als vierde mijn debuutbundel Blindkap:
https://gertdejager.blogspot.com/2026/02/huub-beurskens-blindkap.html
- Huub Beurskens -
In 'Twintig dichtbundels uit 1975', reeks in wording, belicht Gert de Jager als vierde mijn debuutbundel Blindkap:
https://gertdejager.blogspot.com/2026/02/huub-beurskens-blindkap.html
Anneke, dat wist ik al heel lang,
trok in '72 in bij Ed
van der Elsken, de beroemde fotograaf.
Ik
kende
Bye, hun
video: hij lag terminaal
in
hun beider bed,
pijn maakte er pret over waar zij
nooit aan wenden.
Ik zag haar zelden nog en dan slechts
door het oog van Ed
van der Elsken, die in '90 overleed.
Anneke kende
ik maar in ons beider eerste, haar laatste
academiejaar. Niks bed.
Op haar kamer, artistiekerig puur
opgewonden,
wendden
we ons tot wat we amper begrijpen konden:
15
pas verschenen
vertaalde Cantos
van Pound. Geen jaloezie
of andere pathetiek.
Toen werd het vandaag. Er lag een nieuw
fotoboek in een vitrine.
God, hier, voorop, haar blik, die door mij en
de er mij door geziene!
Al staat ze er bloot, 20, amper, onder een kort
gazen jurkje, ik word ziek
nu zelfs wat leek niet te hebben bestaan blijkt
te moeten zijn verdwenen.
5 juni
2000
___________________________
Eerder verschenen in De Gids jrg 164 en opgenomen in De school aan zee, 2001.
Oude Gidsen: ze zijn zo goed
als volop digitaal te lezen, en waarom zou je dat niet doen? Neem De Gids
nummer 5 van jaargang 160 (1997). Een van de uitgaven waar ik als redacteur met
plezier aan gewerkt heb en waar ik vele jaren later weer, zo merk ik, met belangstelling
in lees.
De meewerkende Nederlandstalige schrijvers – Willem Brakman,
Nicolaas Matsier, Jacq Vogelaar, Pol Hoste, Gerrit Krol, Peter van Lier, Kamiel
Vanhole, Oek de Jong, K. Schippers – kregen per post als verrassing en opgave
een verpakt blikje sardientjes in huis. De vraag was… Enfin, lees de inleiding
die ik schreef, en dan via de link eronder de volledige inhoud van dit
Gidsnummer:
“‘Onze kijk visie noemen /
houdt in dat, voor ons, / alle objecten subjecten zijn,’ aldus W.H. Auden in I
am not a camera; ‘De rol van de romanschrijver zou die van bemiddelaar zijn:
door het vervormd weergeven van zichtbare zaken - die op zich niets betekenen -
zou hij het “ware” dat zich erachter verbergt, oproepen,’ aldus Alain
Robbe-Grillet in zijn essay ‘Du réalisme à la réalité’; als de Australische
dichter Les Murray een emoe beschrijft doet hij dit door een aaneenschakeling
van louter vergelijkingen: ‘Een enorm Beatles-kapsel, blond verweerd als een
grasboom, / steekt een alerte periscoop op en tuurt / over struikgewas. Haar
grote olivijnen eieren klikken / olieachtig tegen elkaar; haar lippen van nobel
plastic / vastgeklampt in hun uitdrukking, haar schedelpluim een streep / in de
mohawk-trant, gorgelt ze haar bleekblauwe luchtpijp (...)’
Hoe kun je of probeer je als literair schrijver iets
concreets te beschrijven? Wat kun je niet wat een schilder of tekenaar wél kan?
En omgekeerd? In hoeverre is observatie interpretatie?
Deze en soortgelijke vragen en mogelijke (of onmogelijke)
antwoorden erop willen we, zonder uitputtend te kunnen en te willen zijn, op
enkele manieren aan bod laten komen in dit nummer van De Gids.
We hebben daarvoor een select aantal auteurs aan het
beschrijvingswerk gezet. Elke schrijver die wilde meedoen ontving van ons een
‘ding’ met het verzoek dit te beschrijven. De dingen die de meewerkende auteurs
uiteindelijk kregen toegestuurd waren identieke (maar wat heet hier nog
identiek?) blikjes sardientjes die geopend dienden te worden alvorens men tot
de beschrijving ervan kon overgaan. Ziehier de zeer diverse resultaten van onze
opdracht.
Daarnaast bevat dit nummer staaltjes beschrijvingskunst van
genoemde Les Murray, van Karl Krolow en de ook al aangehaalde Alain
Robbe-Grillet. We meenden er ook goed aan te doen een van de Nouvau
Roman-essays van laatstgenoemde weer eens van stal te halen; mogelijk dat Robbe-Grillets
opvattingen van beschrijvings- en schrijfkunst minder aan actualiteit hebben
ingeboet dan veel literatuurgeschiedschrijvers ons willen doen geloven.
Tenslotte doen lijvige ‘realistische’ romans het goed in het Nederlandse
literaire klimaat van dit moment. Met andere woorden: komt men door nader toe
te zien tot nader inzien? Of is het eerder omgekeerd? Of bestaat er wellicht
weinig of geen uitzicht op ‘echt’ inzicht?
Behalve literatuur komen in dit kader ook de beeldende kunst
en de film aan bod.
Overigens ligt het in onze bedoeling om in het najaar een
soort complement van dit nummer te presenteren: in plaats van een benadering
(van wie of wat?) via de buitenkant wordt er dan geopereerd vanuit de
binnenkant.”
https://www.dbnl.org/tekst/_gid001199701_01/_gid001199701_01_0058.php#58
– bij een gedicht
uit een Poëzieweekgeschenkbundel de indruk hebben op krukken door een artistiekerige
woorden- en beeldenbrij te moeten glibberen, en daar dan publiekelijk knorrig uitvoerig verslag
van uitbrengen hoewel je zelf amper publiek hebt in tegenstelling tot de
dichteres die bovendien maar liefst tweeëndertig jaar jonger is dan jij
– bij het toevallig achter
elkaar onder ogen krijgen van twee foto’s anecdotes opdissen over schending in je prille
jaren, hoewel je de meer dan zestig jaren erna psychotherapieloos hebt doorgebracht: op de ene foto het pand van de voormalige bakkerij waar je als
elfjarige aan je haren naar binnen werd getrokken om er te worden uitgescholden,
geschopt en geslagen, op de andere de C&A-winkel waar je twee jaar later
voor de etalage stond toen een vent van achteren zijn ene hand op je schouder
en zijn andere tegen je gulp drukte, wat je deed verstarren voordat je de
Vleesstraat in kon vluchten
– bij een filmpje van een
optreden van een Colombiaans muziektrio als een dementerende vergeten dat je
een senex bent en je dus niet alleen meldt – aan wie? – gecharmeerd te zijn van
de sound van Balthvs, maar ook ingenomen te zijn met de terugkeer van Johanna
Mercuriana na de geboorte van haar kind, hoewel je haar over tattooed vindt en haar gezang zou kunnen missen