maandag 13 april 2026

DE OUWE LAMENTEERT


de ouwe lamenteert

 

Nu het zeikt van de regen op de kaduke schuur

schuil ik er onder het lekkende golfplaatdak,

maar wat zat ik vlakbij het vuur

met praatjes voor tien in van die eindeloze gesprekken

over politiek en krijgs- of liefdesavontuur,

eer de tijd me zo te grazen nam.


Terwijl jong tuig met aluminiumfolie, zwavelzuur

en petfles net voor knal en vlam per scooter vlucht,

er roeptoeterend volk tegen een dictatuur

van een elders door de straten trekt,

zit ik alleen te tobben, uur na uur,

over hoe de tijd me zo te grazen nam.


Naar, laat staan in zo’n kaduke schuur

kijkt natuurlijk geen enkele vrouw,

enkel herinneringen zijn van lange duur,

aan de schatjes die ik geil hebben wou of had;

de tijd die me zo te grazen nam zou ik uit puur

afgrijzen willen bekwatten doch ik kwijl maar wat.

 

___________________________

Het bovenstaande is allerminst een vertaling of inhoudelijke persiflage, maar een even omstandig als pretentieloos nevenproduct van mijn persoonlijke omgang met het subliem slanke gedicht ‘The lamentation of the old pensioner’ van Willam Butler Yeats uit 1893.

 

THE LAMENTATION OF THE OLD PENSIONER

 

Although I shelter from the rain

Under a broken tree,

My chair was nearest to the fire

In every company

That talked of love or politics,

Ere Time transfigured me.


Though lads are making pikes again

For some conspiracy,

And crazy rascals rage their fill

At human tyranny,

My contemplations are of Time

That has transfigured me.


There’s not a woman turns her face

Upon a broken tree,

And yet the beauties that I loved

Are in my memory ;

I spit into the face of Time

That has transfigured me.

 

dinsdag 7 april 2026

GEWOON VAN CHRISTIAN HENDRIKX

GEWOON

 

Nooit zwemmen geleerd, doch niet verdronken,

geen crash met wagen of vliegmasjien, geschopt,

geschoten noch gestoken, geen val in een ravijn,

niet ten prooi aan vlammen of een roedel wolven,

evenmin onder instortende gewelfbouw bedolven,

maar gewoon aan zichzelf gestorven of door

zichzelf of van of in of uit


__________________________

Nieuwe aanvulling van Christian Hendrikx op Het Moment.

Zie HIER.


zondag 5 april 2026

VOORGANG VAN CHRISTIAN HENDRIKX

VOORGANG

 

Een ‘Gaat u maar eerst’ en een hoffelijk handgebaar

van twee gedistingeerd gekleden op het trottoir

met een verrijdbare baar, een nog lege, gespiegeld

in het zwart van hun wagen, die dicht is en geblindeerd.

Dan, na een aarzeling, met een hoofdknik een ik die

het diepdonker van de open woningingang passeert.



__________________________

Nieuwe aanvulling van Christian Hendrikx op Het Moment.

Zie HIER.


vrijdag 3 april 2026

NIETS MASKERENDE MASKERADE

Dat inzet en focus van een literair werk of oeuvre niet of foutief worden gezien wanneer dat werk wordt afgekeurd, betekent nog niet dat zo’n werk als geslaagd mag worden beschouwd wanneer de intentie ervan wél wordt onderkend. Anderzijds betekent een gunstig bedoelde of lovende bespreking niet noodzakelijk dat inzet en focus wél zijn herkend. Maar bij negatieve kritiek is het vaak eerder zichtbaar waar het wringt.

         – Wees concreet, man!

         – Oké. Een paar voorbeelden uit de eigen praktijk.

         Nadat een recensent de auteur van een roman van mij had geprezen vanwege diens ‘kunstige spel met maskers’, werd hij prompt knorrig omdat uiteindelijk nooit een of de ‘ware gedaante’ achter die maskerade onthuld werd; de maskers leken uiteindelijk ‘niets te verbergen’ te hebben, wat in zijn optiek de roman tot een vrijblijvend literair spel maakte. 

         Over een ander prozaboek merkte een andere criticaster op dat het was ‘bedoeld als een constructie met één kiertje om ons doorheen te laten kijken. Maar er valt niets te zien. De kier laat je onberoerd.’

         Dat de crux juist in het door hen gebruikte woord ‘niets’ schuilt, zagen de beoordelaars niet.

         – Je bedoelt dat er door die kieren of achter die maskers juist wél iets zichtbaar werd, namelijk het niets?

         – Niets, inderdaad, liefst zonder lidwoord.

         – En dat zo’n niets laat zien dat alles wezenlijk oppervlakte is en dus tragisch oppervlakte blijven moet? Terwijl die besprekers kennelijk zicht wilden hebben op zoiets als het diepe ware, het werkelijk echte of de ziel.

         Nichts, aber darüber Glasur.

 

___________

Beelden: Wieslaw Wałkuski

maandag 30 maart 2026

DOVEMANSOREN, GEEN STEM OF GEEN VAN BEIDE

De gehavende Salman Rushdie, achtenenzeventig inmiddels, zag ik gisteravond weer eens in een kort vraaggesprek op de Duitse televisie.

         Eerder op de dag had ik onderstaande reactie geplaatst op de site van Neerlandistiek, waar een soortement fundamentele discussie leek te ontstaan* naar aanleiding van een artikel dat Gerrit Komrij in 1989 schreef over anti-Rushdiebetogingen in Rotterdam en Den Haag. Het begon met een stuk van Komrijbiograaf Arie Pos (met daarin een link naar die tekst van Komrij). Dat werd vervolgens geattaqueerd met een stuk van publicist Lotfi El Hamidi. Onder dat tweede stuk plaatste ik mijn reactie.

         Inmiddels vrees ik dat ik die reactie net zo goed niet had kunnen plaatsen, want dat ze aan dovemansoren gericht was of dat aan mijn stem in deze kwestie simpelweg geen enkel gewicht werd toegekend. Tot nu toe bleef elk antwoord uit op de vraag die ik erin stel. Of zou dat juist tekenend en dus op zich al een of zelfs het antwoord zijn?

___________________

 

Van dat openbare anti-Rushdieprotest in 1989 zijn nog steeds beelden beschikbaar, zoals die van het NOS-journaal waarin spandoeken met ‘Dood aan Rushdie’ te zien zijn, waarin te horen is hoe iemand door een megafoon roept ‘Vandaag zijn wij hier gekomen om Rushdie, die satan, te vermoorden’, waarin het portret van de fatwa-afkondiger wordt meegedragen, waarin het boek van Salman Rushdie wordt verbrand, en dat alles manifest in samenhang met geloofsbelijdenis.

https://www.youtube.com/watch?v=qVZZx1xfAyI

         Bij het zien van deze beelden en het horen van die oproepen bekruipen me telkens weer gevoelens van verontwaardiging, grondige afkeer en angst. Niet vanwege het boek en de persoon van Rushdie welteverstaan.

         Inderdaad gooit Gerrit Komrij in NRC Handelsblad van 8 maart 1989 alles en allen op een hoop; hij heeft het verwijtend over ‘de moslimgemeenschap […] en masse’, over ‘de mohammedanen’, over ‘ze’, ‘ze’ en nogmaals ‘ze’.

         Wat ik me oprecht afvraag: hoe verwoord je je verontwaardiging, afkeer en angst bij het zien van zo’n groep islamitische protesteerders zónder daarmee meteen alle andere moslims in een kwaad daglicht te stellen? Ik probeer me daarbij te verplaatsen in een van de legio islamitisch gelovigen die helemaal niet deelnamen en ook niet wilden deelnemen aan die anti-Rushdie-acties, die net als ik walgden en blijven walgen van wrede fatwa’s, van oproepen tot vervolging en moord, van censuur en boekverbranding. Met andere woorden, hoe zou die moslim zijn afkeuring verwoorden? Want zo zou het dan wél moeten, toch?


_____________________________

* Inmiddels lijkt men vooral bezig met het uit de wind proberen te houden van Komrij.