de ouwe lamenteert
Nu het zeikt van de regen op de kaduke schuur
schuil ik er onder het lekkende golfplaatdak,
maar wat zat ik vlakbij het vuur
met praatjes voor tien in van die eindeloze gesprekken
over politiek en krijgs- of liefdesavontuur,
eer de tijd me zo te grazen nam.
Terwijl jong tuig met aluminiumfolie, zwavelzuur
en petfles net voor knal en vlam per scooter
vlucht,
er roeptoeterend volk tegen een dictatuur
van een elders door de straten trekt,
zit ik alleen te tobben, uur na uur,
over hoe de tijd me zo te grazen nam.
Naar, laat staan in zo’n kaduke schuur
kijkt natuurlijk geen enkele vrouw,
enkel herinneringen zijn van lange duur,
aan de schatjes die ik geil hebben wou of had;
de tijd die me zo te grazen nam zou ik uit puur
afgrijzen willen bekwatten doch ik kwijl maar wat.
___________________________
Het bovenstaande is allerminst een vertaling of inhoudelijke
persiflage, maar een even omstandig als pretentieloos nevenproduct van mijn persoonlijke omgang
met het subliem slanke gedicht ‘The lamentation of the old pensioner’ van Willam Butler Yeats
uit 1893.
THE LAMENTATION OF THE
OLD PENSIONER
Although I shelter from
the rain
Under a broken tree,
My chair was nearest to
the fire
In every company
That talked of love or
politics,
Ere Time transfigured
me.
Though lads are making
pikes again
For some conspiracy,
And crazy rascals rage
their fill
At human tyranny,
My contemplations are of
Time
That has transfigured
me.
There’s not a woman
turns her face
Upon a broken tree,
And yet the beauties
that I loved
Are in my memory ;
I spit into the face of
Time
That has transfigured me.





