vrijdag 3 april 2026

NIETS MASKERENDE MASKERADE

Dat inzet en focus van een literair werk of oeuvre niet of foutief worden gezien wanneer dat werk wordt afgekeurd, betekent nog niet dat zo’n werk als geslaagd mag worden beschouwd wanneer de intentie ervan wél wordt onderkend. Anderzijds betekent een gunstig bedoelde of lovende bespreking niet noodzakelijk dat inzet en focus wél zijn herkend. Maar bij negatieve kritiek is het vaak eerder zichtbaar waar het wringt.

         – Wees concreet, man!

         – Oké. Een paar voorbeelden uit de eigen praktijk.

         Nadat een recensent de auteur van een roman van mij had geprezen vanwege diens ‘kunstige spel met maskers’, werd hij prompt knorrig omdat uiteindelijk nooit een of de ‘ware gedaante’ achter die maskerade onthuld werd; de maskers leken uiteindelijk ‘niets te verbergen’ te hebben, wat in zijn optiek de roman tot een vrijblijvend literair spel maakte.

         Over een ander prozaboek merkte een andere criticaster op dat het was ‘bedoeld als een constructie met één kiertje om ons doorheen te laten kijken. Maar er valt niets te zien. De kier laat je onberoerd.’

         Dat de crux juist in het door hen gebruikte woord ‘niets’ schuilt, zagen de beoordelaars niet.

         – Je bedoelt dat er door die kieren of achter die maskers juist wél iets zichtbaar werd, namelijk het niets?

         – Niets, inderdaad, liefst zonder lidwoord.

         – En dat zo’n niets laat zien dat alles wezenlijk oppervlakte is en dus tragisch oppervlakte blijven moet?

         Nichts, aber darüber Glasur.

 

___________

Beelden: Wieslaw Wałkuski

maandag 30 maart 2026

DOVEMANSOREN, GEEN STEM OF GEEN VAN BEIDE

De gehavende Salman Rushdie, achtenenzeventig inmiddels, zag ik gisteravond weer eens in een kort vraaggesprek op de Duitse televisie.

         Eerder op de dag had ik onderstaande reactie geplaatst op de site van Neerlandistiek, waar een soortement fundamentele discussie leek te ontstaan* naar aanleiding van een artikel dat Gerrit Komrij in 1989 schreef over anti-Rushdiebetogingen in Rotterdam en Den Haag. Het begon met een stuk van Komrijbiograaf Arie Pos (met daarin een link naar die tekst van Komrij). Dat werd vervolgens geattaqueerd met een stuk van publicist Lotfi El Hamidi. Onder dat tweede stuk plaatste ik mijn reactie.

         Inmiddels vrees ik dat ik die reactie net zo goed niet had kunnen plaatsen, want dat ze aan dovemansoren gericht was of dat aan mijn stem in deze kwestie simpelweg geen enkel gewicht werd toegekend. Tot nu toe bleef elk antwoord uit op de vraag die ik erin stel. Of zou dat juist tekenend en dus op zich al een of zelfs het antwoord zijn?

___________________

 

Van dat openbare anti-Rushdieprotest in 1989 zijn nog steeds beelden beschikbaar, zoals die van het NOS-journaal waarin spandoeken met ‘Dood aan Rushdie’ te zien zijn, waarin te horen is hoe iemand door een megafoon roept ‘Vandaag zijn wij hier gekomen om Rushdie, die satan, te vermoorden’, waarin het portret van de fatwa-afkondiger wordt meegedragen, waarin het boek van Salman Rushdie wordt verbrand, en dat alles manifest in samenhang met geloofsbelijdenis.

https://www.youtube.com/watch?v=qVZZx1xfAyI

         Bij het zien van deze beelden en het horen van die oproepen bekruipen me telkens weer gevoelens van verontwaardiging, grondige afkeer en angst. Niet vanwege het boek en de persoon van Rushdie welteverstaan.

         Inderdaad gooit Gerrit Komrij in NRC Handelsblad van 8 maart 1989 alles en allen op een hoop; hij heeft het verwijtend over ‘de moslimgemeenschap […] en masse’, over ‘de mohammedanen’, over ‘ze’, ‘ze’ en nogmaals ‘ze’.

         Wat ik me oprecht afvraag: hoe verwoord je je verontwaardiging, afkeer en angst bij het zien van zo’n groep islamitische protesteerders zónder daarmee meteen alle andere moslims in een kwaad daglicht te stellen? Ik probeer me daarbij te verplaatsen in een van de legio islamitisch gelovigen die helemaal niet deelnamen en ook niet wilden deelnemen aan die anti-Rushdie-acties, die net als ik walgden en blijven walgen van wrede fatwa’s, van oproepen tot vervolging en moord, van censuur en boekverbranding. Met andere woorden, hoe zou die moslim zijn afkeuring verwoorden? Want zo zou het dan wél moeten, toch?


_____________________________

* Inmiddels lijkt men vooral bezig met het uit de wind proberen te houden van Komrij.

 

zaterdag 28 maart 2026

EN NOG EEN ONTLASTING


Wanneer ik het waardeer dat een auteur het voor zijn of haar boek opneemt tegen een gisper ervan, betekent dat natuurlijk nog niet dat de criticus het bijgevolg steevast bij het verkeerde eind heeft.

         Nu ik na het verweer van Bert Natter deel een en deel twee van de beschouwing van Fabian Stolk over Aan het einde van de oorlog nogmaals lees, merk ik hoe ik juist mee kan gaan in Stolks verslag van zijn lectuur, ja, meen ik niet minder te kunnen volgen waarom Stolk, afgezien van zijn fysieke ongemak, dat boek niet ten einde gelezen heeft…

         Argumenten en voorbeelden worden op bonafide wijze aangedragen, Stolk laat niet alleen zijn worsteling met diverse aspecten van het boek zien maar zeker ook die met zichzelf als liefst welwillende lezer, hij is allerminst uit op afkraken maar kan niet anders dan afhaken.

         Een slag in de lucht is alleen Stolks verzuchting: ‘Ik wou dat de roman anders in elkaar was gezet en met ongeveer de helft was ingekort’ en wat erop volgt. En precies daar sloeg Natter op aan.

 

Zie hier mijn voorafgaande berichten:

https://huubbeurskens.blogspot.com/2026/03/en-nog-een-pissig-poepie.html

https://huubbeurskens.blogspot.com/2026/03/poepie-laten-ruiken.html

______________________

Naschrift - 31.03.2026

Bert Natter reageerde andermaal. En hij heeft deels weer een punt, Huub. Verder dus met de lectuur van zijn boek.

vrijdag 27 maart 2026

EN NOG EEN PISSIG POEPIE

Amper had ik van mijn bijval voor A.H.J. Dautzenberg melding gemaakt op Nonnolles, of ik stuitte op nóg een serieus te nemen pissige schrijver die een bespreker van zijn werk aanpakt op diens wijze van lezen en beoordelen i.c. veroordelen.

         Bert Natter neemt het voor zijn boek Aan het einde van de oorlog op tegen Fabian Stolk, o.a. voormalig universitair docent Moderne Nederlandse Letterkunde. En ook deze tegenaanval heeft mijn sympathie, zeker omdat Natter er niet voor terugdeinst dingen simpelweg dus concreet in zijn boek aan te wijzen – schrijvers zijn, als het goed is, ook vaklui die weten wat ze waar, wanneer en waarom doen en hebben gedaan, hè, en met wie je daar ook gewoon over kunt praten. Goedzo dus.

         Intussen ben ik benieuwd naar Stolks reactie, die niet mag uitblijven, vind ik. Voor zover ik Fabian Stolk ‘ken’ is hij niet iemand die stijfhoofdig en met de hakken in het zand aan zijn opinies blijft vasthouden wanneer iemand met verstand van zaken hem een andere, op zijn minst passelijke optiek voorhoudt.

POEPIE LATEN RUIKEN

Schrijvers die recensenten van hun werk op hun falie geven: het geldt als ongepast, maar ik mag dat wel. ‘Het is niet gebruikelijk dat een schrijver reageert op het eenzijdige duel dat een recensent aangaat met zijn boek,’ schrijft A.H.J. Dautzenberg in de aanloop van zijn weerwerk op de behandelling van zijn boek EN GARDE! op de site van Vrij Nederland. Maar je laat je als schrijver toch niet als nolles gebruiken, zoals ze dat in mijn Tegels dialect zeggen!

         Applaudisserend lees ik Dautzenbergs open brief aan Carel Peters. En ik ben het ook helemaal met Dautzenberg eens wanneer hij vindt dat er in de kunsten meer geplast en gepoept zou moeten worden.