zaterdag 7 november 2026

RODEZEELIJNEN


Een postkaart uit Los Angeles




Hij schreef me ooit, op een postkaartreproductie van If not, not,

geen lange brieven te kunnen schrijven ‘because I must paint

Death on the Horizon’, en groette me met ‘Hands Across the Sea’.

Dat toen te schilderen werk – het meest abstracte dat hij naliet


– lijkt, als je het nu ziet – een doekje van zo’n 30 x 30 cm slechts,

met alleen een baan haperend zwart op de strak witte ondergrond

gezet –, gemaakt in de tijd die nodig is – iedereen zou dit kunnen –

om te stikken in een plastic zak die je over je hoofd getrokken hebt


en dichtbond om je nek. Zo ook heeft hij de dood gevonden, zoals

dat heet, gebroken door wat hij noemde zijn ‘Tate War in London,

when my wife died there’, en de diagnose van Parkinson later. Helaas

zijn je levende helden zelden jonger dan jezelf, moet je aanzien hoe


ze slijten en sterven zonder dat hun door jou zo bewonderde werken

er iets tegen kunnen beginnen maar lijken te verworden tot wat ze in

wezen zijn, wat zinloze tekens op papier, vegen verf op linnen, hooguit

herinneringen aan je begeestering destijds. Ik draai zijn kaart om



en, kijk, landingsstranden vloeien samen, wereldbranden laaien op,

bikinipalmen waaien in kernproeflicht, de Auschwitzpoort gaapt en

gaat nooit meer dicht, het dolend lam vindt offeraltaar noch herder,

dorst is er en zwart water waarin men denkt te baden en verdrinkt,


het onweert en toch is er zicht op een zonnig Eden, daar, even, en

nu weer, als verbeeld, er ligt een soldaat, zijn kameraad naast hem

is al gesneuveld, een mooi meisje, bloot en ongevleugeld, erbarmt

zich over een heer die viel, hij is slechthorend, een jood etc. – wat


een bar land met een hart van duisternis, wat een gegrauw tegen

een leven dat de dood laat tieren zonder verschiet, maar, zie – met

karamel, zuurtjesgeel, oogschaduwblauw, lipstickrood – welk een

onvergetelijk blikvangend ritme en coloriet! Snap je dat ik het niet


snappen wil? Wanneer je ooit zoiets maakte, wat de kritiek ook riep –

Poseur, name-dropper, pseudo-intellectueel: ‘my enemies have made

me the most controversial painter alive!’ –, en je verloor erbij je lief,

doorstond een hartaanval en toen begon het trillen al, wacht je toch –


want in het centraal perspectief geloven we sinds Cézanne niet meer

– tot de horizon zich zelf opheft, in plaats van voortijdig te verlaten

wat je schiep! Alsof je het verried. Ach, zo bedoel ik het niet. Ik snap je

maar wil dat niet. ‘Holland is a place I love very much – I almost moved


to Amsterdam!’ Hadden we er nog over kunnen praten bij Van Goghs

Korenveld met kraaien. Maar hij schreef me ook dit: ‘You must follow

your instincts and passions!’ Zijn dat tot slot doodsdrift en bitterheid

dan? Het valt me als bewonderaar zwaar, maar – dit is allang geen


gedicht meer; nou en? – had R.B. Kitaj, toen hij de opmerking van T.S. Eliot dat poëzie ‘an escape from personality’ is, omvormde tot ‘art is the escape to personality’, de beweging van de vlucht, van het ontsnappen zelf, dus van het door hem zo benadrukte ‘to’, niet al hopeloos achter zich gelaten door praktisch alleen nog zijn ideeënobsessies en privébesognes tot thema te maken, zoals in zijn zelfportretjes met Bad Back, Bad Eyes, Bad Foot, Bad Knee en Bad Heart, stuk voor stuk gesigneerd met ‘Ronald’ en allemaal – hier moet ik een van zijn ergste criticasters van de Tate-oorlog bijvallen – ‘zo onbekwaam en slordig’ getekend en geschilderd, ‘zo karikaturaal, zo infantiel en lelijk’ en ‘zo grof en gevoelloos in hun verfopbreng’, dat ze niets anders lijken dan ‘opgeblazen plaatjes van primitieve stripverhalen.’

Waar is het artistiek misgegaan? Maar vooral waarom? En waarom heeft Kitaj Eliots uitspraak zo uit zijn verband getrokken om hem naar zijn eigen hand te kunnen zetten? Want dit staat er letterlijk in het essay ‘Tradition and the Individual Talent’ uit 1921:

Poetry is not a turning loose of emotion, but an escape from emotion; it is not the expression of personality, but an escape from personality. But, of course, only those who have personality and emotions know what it means to want to escape from these things.

Cruciale zin is de laatste. En daarmee is wat Eliot over poëzie zegt, wanneer je het doortrekt naar andere kunsten, perfect van toepassing op Kitajs werk van vóór pakweg 1981. Wat je ook van dat werk vindt, ‘afstandelijk’, ‘cerebraal’, ‘intellectueel’ – ik vind het meeste prachtig, zowel qua beeldopbouw, droge verfbehandeling, intensiteit van de kleurwerking en narratieve suggestie en sensibiliteit –: de man die het maakte moet zo’n eigenheid of persoonlijkheid hebben gehad dat hij er niet aan heeft kunnen ontkomen die werken onmiskenbaar van hem te laten zijn. De boven aangehaalde criticaster slaat de plank finaal mis wanneer hij bijvoorbeeld de pasteltekening Marynka Smoking uit 1980 afdoet als ‘slecht geproportioneerd’, ‘onvast qua vorm’ en ‘ongelijk in de afwerking’: ik ken geen sensuelere, vormvastere, fraaier met de achtergrond contrasterende en daardoor meer emotionerende tekening van een meisjesrug uit het laatste kwart van de eeuw met de verbrandingsovens voor mensenvlees en de bommen op Hiroshima en Nagasaki. Wat een tekenaar naar de aanschouwing!

Vanwaar dan die wending naar of die terugval in wat, ook onder professioneel werkende dichters en schilders, een kennelijk onuitroeibaar, amateuristisch aandoend misverstand is: dat van de vermeende urgentie van een persoonlijke expressie, waaraan tot overmaat van ramp steevast ook nog eens een spontane of primitief aandoende werkwijze als een soort certificaat van echtheid wordt gekoppeld? Met de ziekte van Parkinson heeft het niets van doen, die heeft zich bij Kitaj dan nog lang niet gemanifesteerd. 

Ik heb een vermoeden. En dat vermoeden gaat uit naar Kitajs op een gegeven moment rap intenser wordend besef van zijn joodsheid. Hij is zich altijd bewust geweest van zijn lot als jood, dat wil zeggen, van het feit dat hij alleen vanwege zijn afkomst als zodanig kon worden bestempeld (met een vette J in zijn paspoort), zoals dat met velen door de nazi’s gebeurde, ongeacht of ze praktiserend godsdienstig waren of niet. Dat besef heeft zich op een gegeven moment geïnternaliseerd in zijn persoonlijkheid én in zijn kunst. Het heeft hem ertoe gebracht zich te gaan afvragen wat een joodse hedendaagse kunst zou kunnen of moeten zijn en hoe hij misschien ‘de eerste jood’ kon zijn ‘die ernaar verlangde een nieuwe joodse kunst te ontketenen.’ In 1989 publiceerde hij daartoe zijn First Diasporist Manifesto. Zijn Second Diasporist Manifesto verscheen in 2007, het jaar van zijn zelfgekozen dood.

‘You’ve been reading a long unfinished poem called how to do a jewish art,’ aldus de slotzin van zijn nawoord bij dat tweede manifest. Moest dat lange gedicht dan eindigen met een plastic zak om zijn hoofd? Het is een cynische vraag als antwoord op Kitajs niet geringe vraag waartoe zijn kunst zou moeten dienen. Volgens Vladimir Nabokov is een dergelijke vraag dodelijk voor een kunstenaar en ik vrees dat hij daar gelijk in heeft.

In zijn boek Nikolaj Gogol zegt Nabokov het zo: ‘Een schrijver is wég als hij geïnteresseerd raakt in vragen als “Wat is kunst?” en “Wat is de taak van de kunstenaar?” Het is wel duidelijk, schrijft hij, dat Gogol eigenlijk ‘zegt: “In mijn eerste deel [van Dode Zielen - hb] heb ik één wereld gefantaseerd, maar nu ga ik een andere bedenken die veel beter past bij wat volgens mij de gedachten over Goed en Kwaad zijn die ik min of meer bewust deel met mijn denkbeeldige lezers.” (…) In werkelijkheid wilde hij een boek schrijven dat Gogol de kunstenaar en Gogol de monnik tevreden zou stellen. Hij werd geobsedeerd door de gedachte dat grote Italiaanse schilders hier keer op keer in waren geslaagd (…). In de weinige hoofdstukken die van Deel Twee bewaard zijn gebleven raakt Gogols toverbril bewaasd.’

Ook de toverbril van Kitaj raakte bewaasd. De kijklust door en voor de vorm verdween. Met zijn toenemend nonchalante, slodderige stijl, als zoiets nog ‘stijl’ mag heten, hield de schilder zichzelf voor de gek als de eerste de beste amateur die vindt dat kunst er emotioneel en persoonlijk, dus als zomaar vormeloos eruitgekwakt hoort uit te zien. Intussen beperkten zijn thema’s zich meer en meer tot anekdotes uit zijn privéleven als jood, inclusief herenigingsdromen over zijn gestorven vrouw, en tot liefst zo klunzig mogelijk, lijkt het, van foto’s nageschilderde portretjes van door hem gewaardeerde medejoden uit artistieke en intellectuele kringen, zoals Paul Celan, Karl Kraus, Ludwig Wittgenstein, Gershom Scholem, Hannah Arendt en Peter Lorre (wiens voormalige huis hij bewoonde).

Wat doet het pijn dit te schrijven… 

Over en niet aan iemand. Iemand die niet meer terug kan

schrijven, aan wie geen hand meer valt te geven over de horizon.


Kunst is kinderspel, dat weten we wel. Iets als nog spelen met treintjes

van hout en zonder rails onder moeders keukentafel en je dan kunnen

verbeelden dat je reizen maakt en plotseling daar staat waar het spoor

de zee verlaat. Om afscheid te nemen in tranen, want gedwongen, altijd


gedwongen uiteraard. Maar liefst met het vooruitzicht van een happy end, in

technicolor, als dandy en flaneur, met smachten in de wachtkamer gespeeld

door Greta Garbo. We weten hoe anders het verkeert. Wie een hemel denkt

kent de hel. Moeder dood, geliefde ook, vaarwel, maar noch getransporteerd,

verkracht, vergast, noch hun lijf door een schoorsteen in de lucht.

Is zo’n nietgeluk dan niet geluk zat in een wereld waarin de mens

de mens tot afgrijzen deert? Is het aardse donker niet nog altijd licht

genoeg? Moet je dan niet tieren tot het laatst, razen, weigeren gedwee


de nacht in te gaan al is die goed, en het uit je hoofd zetten, dat slot

met een plastic zak eromheen? The poor bastard had Jew on the brain.

– Philip Roth. Je was niet eens alleen! ‘I am now back home among

my sons and grandsons,’ schreef je ook nog achterop. 2 Februari 2002.


Besneeuwde blauwe bergen op de zegel. home of the stars, aldus

het stempel eroverheen, maar dat zag je natuurlijk niet. Of ben je daar

nu en vind je me vreselijk kinderlijk wanneer ik dat hoop, tegen al mijn

ongeloof in? Vergeef me dan mijn onbegrip. If not, not. Hands across.



__________________________

uit De warmte van een hondje, (c) 2015.


dinsdag 3 november 2026

DES MAINS CHEZ MATISSE


Afgelopen middag stond er zowaar geen rij voor de kassa bij de expositie Chez Matisse, dus maar meteen van de gelegenheid geprofiteerd. Toch bleek het aantal bezoekers in de tentoonstellingsruimten van H'ART nog tegenvallend groot. Het overgrote deel van de aanwezigen bestond uit medeboomers, en, ja hoor, er werd vlijtig gefotografeerd met veelal samen met betaal- en vervoerspasjes in een hoesje gestoken mobiele telefoons. Maar hierover had ik het gisteren al.

    Wat mij, kijkend tussen hoofden en omhooggehouden apparaatjes door, spoedig weer opviel: dat Matisse niet met handen uit de voeten kon en ook niet handig met voeten was.

    Ik schreef er al eens eerder iets over, na een bezoek aan het Matissemuseum in Nice:

"Uit ervaring weet ik dat handen (en ook voeten) tot de moeilijkste door een tekenaar te vatten anatomische details behoren. Bij het beoordelen van een getekende of geschilderde mensfiguur kijk ik onwillekeurig vrijwel meteen naar de verbeelding van handen, met vingers uiteraard. Rembrandt bijvoorbeeld, die kon er wat van! En lopend door de ruimten van het Matissemuseum valt het me bijna ogenblikkelijk weer op: hoe Picasso het in zijn vingers heeft! Maar Matisse? Vaak moffelt die handen en voeten weg, of hij komt er hoegenaamd niet aan toe. Op een gegeven moment sta ik voor een tekening waarin Matisse ook zijn eigen tekenende handen heeft meegetekend. Het is pijnlijk om te zien: eveneens uit ervaring weet ik dat menige ongetalenteerde scholier het er niet slechter vanaf zou brengen…"

Het meest gedrochtelijke van afgelopen middag aan de Amstel was Matisse's behandeling, nee, mishandeling van de handen van dat meisje in de Roemeense blouse uit 1940. 

    Wat was dat daar voor een haast vormeloze tentakelkluwen!?

    En laat nu niemand komen aanzetten met een kreet als "artistieke vrijheid" of soortgelijke pogingen tot rechtvaardiging. Een warboel die handen, in dat verder toch strakke en heldere schilderij dat door het museum "een sleutelwerk" wordt genoemd.

    Hij kon dit gewoon niet, Henri Matisse.



maandag 2 november 2026

GOMBROGEGROM CHEZ MATISSE



Op de site van GeenStijl staat een schamperend verslag van een bezoek aan de tentoonstelling Chez Matisse in het Amsterdamse H'ART Museum.
    Een hilarisch stukje, vind ik, waarin de draak wordt gestoken met het gegeven dat het vooral ouderen zijn die de expositiezalen bevolken.
    Het beeld dat H'ART zelf intussen op zijn website toont is uitermate verneukeratief: enkele evident jonge mensen (vrouwen die je nog meisje noemt wanneer je zelf een ouwe zak geworden bent) in een verder lege ruimte met wat schilderijen aan de wand.
    Een hilarisch stukje, vind ik het dus, hoewel ik zelf de leeftijd heb van degenen op wie de spot gericht is en ik wellicht mede op grond daarvan moeite heb met het gebruik van de classificering 'boomer', zeker in pejoratieve zin; persoonlijk ga ik ervan uit dat je nooit iemand iets kunt aanrekenen waarin hij of zij zelf geen keuze heeft kunnen maken, zoals datum en plek van de geboorte, sekse en huidtint.
    Ik herken nogal wat van wat er in die tekst wordt aangekaart.
   
Die Matissetentoonstelling zou ik ook wel willen bezoeken.
    Museum H'ART bevindt zich op nog geen dertig minuten lopen van mijn woning. Vandaar dat ik al verscheidene keren, tijdens mijn vrijwel dagelijkse stadswandeling, in de inkomhal ben gaan kijken en bij de aanblik van het rijtje telefoonetui hanterende (mede)grijsaards voor de kassa, telkens heb gedacht: er komt nog wel een rustig moment vóór half februari. Want wijs geworden van eerdere gelegenheden, van toestanden zoals in het artikel op GeenStijl geschetst.
    Echter bovenal doet de GeenStijlkarikatuur me denken aan de Dagboeken van Witold Gombrowicz, waarin op meerdere plaatsen wordt ingehakt op kunstmuseum (of concert of literatuuravond) bezoekend cultureel devoot gedrom.

    "[ ...] ik weiger mijn ogen te sluiten voor de absurditeiten die, zonder kunst te zijn, met de kunst gepaard gaan. Ik verlang van de kunst niet alleen dat zij goed is als kunst, maar ook dat zij goed in het leven is ingepast. Ik verdraag noch haar al te belachelijke tempels, noch haar al te belachelijk makende aanbiddingen. Als dit meesterwerken zijn die ons met zo’n enthousiasme moeten vervullen – waarom dwaalt ons gevoel dan zo angstvallig, onzeker en tastend rond? Voordat wij voor een meesterwerk op de knieën zinken, vragen we ons af of het er wel een is, willen we weten of het ons wel mag betoveren, informeren we vlijtig of we die hemelse genietingen wel mogen ervaren – en pas dan laten we ons in geestdrift gaan. Hoe moet ik die onweerstaanbare, spontane, overduidelijke macht van de kunst die zogenaamd de kracht van een donderslag heeft, met de onzekerheid van onze reacties in overeenstemming brengen? En telkens opnieuw ontmaskeren amusante stommiteiten, vreselijke blunders en fatale verwisselingen de valsheid van onze tong. [...]"

Dat is danig hautain en elitair, nietwaar? Hoewel Gombrowicz zich juist keert tegen waancultuur en snobisme. Tegen cultureel kuddegedrag.

    Maar een schilderij van Matisse of wie dan ook echt goed op je laten inwerken, dus meer dan een paar seconden, meer dan luttele minuten lang, er dichbij kunnen gaan staan en dan weer wat verderaf en nogmaals enzovoort, hoe je het maar wilt, dat is praktisch onmogelijk tussen allerlei andere mensen om je heen die aldoor komen en gaan, veelal met hun beeldschermapparaatje in de fotostand.

    Rust, tijd en ruimte heb je nodig. En dan moet je of moet een of ander in je ook nog eens je, zijn of haar dag hebben.

    Ik herinner me een nogal euforische kijkervaring ooit in een toen rustig Museum Thyssen-Bornemisza in Madrid. Zo veel kwam er achter elkaar intens bij me binnen, dat ik vol verwachting en vertrouwen dezelfde locatie twee dagen later nog eens bezocht: andermaal was het er rustig, maar het was alsof alle vormen en kleuren in twee etmalen duf en dof geworden en als het ware platgeslagen waren.

    Overigens zijn beslist niet alleen boomers met telefoonetuis beeldschermpjeskijkers. Bijna dagelijks zie ik in wat ik aanmatigend onze achtertuin placht te noemen, het Artispark, bezoekers, onder wie menige jongere van Generatie Z of hoe men zich wil benoemen, bij dierenverblijven louter hun schermtuig gebruiken om al kijkend naar het resultaat van hun screentouch verder te lopen of het aan zijn of haar gezelschap te tonen.

    "Maar op zo'n scherm kun je ook veel heel dichtbij bekijken, in close-up of uitvergroot zoals dat met het blote oog niet te zien is. Kijk hier, dat kikkertje van nog geen drie centimeter, nu tien..."

    Ach, mogelijk ben ik met mijn gombrogegrom nog de meest boomerige boomer van allemaal.

    Wie weet sluit ik straks dus maar gewoon aan bij de rij voor de kassa van Chez Matisse. Maar voor het zover is bekijk ik toch nog eens een vermakelijk filmpje: 'The bad breath of a Mondriaan specialist' - en heb ik ook wel een beetje te doen met kunstkenner Hans Janssen (1954-2021).


woensdag 28 oktober 2026

BRAAKZAKJE

 


Kreeg je bij de entree

een braakzakje mee?


_______________________________________

Zie ook: https://sfcdt.wordpress.com/2026/10/28/amen/


dinsdag 27 oktober 2026

DE MORTUIS

 


    - Je las het overlijdensbericht van schrijfster Lidy van Marissing waarin zijzelf wordt geciteerd?

    - De mortuis nil nisi bene.

    -  Je las het dus.

    - Niet in de krant maar voor zover het wordt getoond en toegelicht op een literair weblog. Ik begrijp dat de schrijfster die woorden speciaal voor deze gelegenheid dicteerde aan ene Alofs; Hella Alofs veronderstel ik, een vriendin vermoed ik.

    - "Het is mooi en lelijk geweest. Ik ga mij voegen bij de dode zielen uit Gaza." Dat eerste vind ik wel sterk. Maar...

    - De mortuis...

    - Excuus voor de gemakzucht van mijn woordspel, maar is het geen dooddoener te stellen dat je over de doden niets dan goeds mag zeggen? Bovendien heeft Van Marissing die woorden nog bij leven gesproken - hoe kan het anders? Die 'dode zielen' doen mij meteen en vervolgens voornamelijk denken aan de Dode zielen van Nikolai Gogol. Dat boek heb jij toch gelezen? En het zal Van Marissing evenmin onbekend zijn geweest. Wie of wat zijn dat, dode zielen?  

    - Bij Gogol zijn dode zielen gestorven maar boekhoudkundig nog niet afgeschreven lijfeigenen.

    - Om het beeld van zulke dode zielen te passen in dat van "de dode zielen uit Gaza" is wel een staaltje kreupele acrobatie nodig, vrees ik - en dan nog.

    - Mogelijk heeft ze het niet gogolesk bedoeld. Weet je dat Gogol een Oekraïner was, zoals we dat nu zouden noemen, in elk geval iemand die in de Oekraïense taal geboren en getogen is maar in het Russisch is gaan schrijven? Maar dit terzijde. Wat ik me nu afvraag is waar die zielen van doden - want laten we het daar op houden - uit Gaza dan zijn. Zijn die op een bepaalde plek, afgezonderd van schier ontelbaar andere zielen van even zoveel andere doden uit geheel andere gebieden en volstrekt andere tijden? En kun je als ziel van een niet-gazaanse dode daar dan heen om je aan te sluiten? Ik bedoel...

    - ... nil nisi bene!

    - Ik bedoel: welk denkbeeld van een hiernamaals ligt in hemelsnaam aan die uitspraak ten grondslag?

    - Misschien is het alleen haar bedoeling geweest om ons ook na haar dood of via haar overlijden te laten stilstaan bij wat er in Gaza gebeurt.

    - Dus quasi over haar graf of urn heen?

    - Zoiets.

    - Maar waarom uitsluitend Gaza? Niets en niemand anders?

    - Misschien omdat het zo actueel is.

    - Alsof ik dat dan nu niet allang zelf weet!

    - Haar intentie is of was in elk geval goed, lijkt me. De mortuis nil nisi bene.

    - Maar literair kwalitief is het krakkemikkig of op zijn minst naïef wanneer een schrijfster een dode of een de dood in gaande zo laat denken en spreken. Het valt me van de schrijfster tegen.

    - Lidy van Marissing schreef de laatste jaren niet meer. Pijn, schijnt het. Echte. En, ach, jij met je literatuur die altijd goed en mooi moet zijn! Die is toch zelf slechts weer een onderdeeltje van het leven? En mooi en lelijk is dat leven. Goed en slecht.

    - En onrechtvaardig.

    - Ah, sorry, nu meen ik opeens toch nog een andere mogelijkheid, een andere zienswijze te lezen. Exit Gogol. Dode zielen, wat zijn dat? Zielen die er niet meer zijn. Als je je daar bij voegt, ga je mee op in het niets...

    - Alleen het leven is bezield, niet de dood. Bedoel je dat? Zou ze dat bedoelen? Daar denken ze volgens mij in Gaza enigszins anders over.

    - ...

    - ...

    - Schrijf jij eigenlijk nog?

    - Jij?