woensdag 20 februari 2019

OPDROGENDE POEL



Niet meer water in de beekbedding dan
in die ene slijkpoel, het resterende aldoor
krimpende Schreckstoffrijk van spichtige
visjes met vogelpootafdrukkenzoom erom
en erboven geen regen op komst. Hij zou

er kunnen vangen om ze uit te zetten in
de rivier, maar die is te ver van hier en hij
heeft geen netje, emmer of glas, bovendien
zou transport ze dodelijk verlammen wellicht,
dus waarom gooit hij de poel niet dicht?

Omdat hij geen schep heeft en zijn handen
schoon voor zijn gezicht wil blijven houden
opdat hij de beek weer voor zich stromen ziet,
misschien omdat vis niet weet wat vooruitzicht
is en dit ontbreken juist is wat hij zelf mist?


© HB

donderdag 14 februari 2019

ZIJN WERELDDEEL IK


Veelduizend keer dezelfde blik
uit het raam in zijn werelddeel ik.
Geen appelboom bloeiend in het prille groen,
zelfs niet in een mager stil plantsoen,
maar aan de zonloze overkant een soort eik
op de stoep als schrale paal voor hondenzeik.
Dat aldoor galmende straatkindergekrijs,
als moet de wereld straks nog minder wijs;
een motor draait, altijd ergens, hoe gauwer
de dag weer om is hoe beter, denkt de ouwe
achter zijn raam. Nergens schoorsteenrook
in de hemelstrook: centraal verwarmd, hij ook.
Een vogel zingt, het is een kraai, of twee of drie,
de kip ligt in de vriezer, ingelijst de vlinder die
er tegen het behang vliegt, hij overweegt
al lang een kat te nemen die met hem samen eet,
louter onbekenden lopen langs, in zijn portiek
slaat de deur na gestommel op de trap, muziek
van een vrouw die ver de liefde vond klinkt door
het plafond, zijn wasje droogt op een stoel voor
de radiator, in de kelder wordt aan een scooter
gekloot, je ruikt benzinedamp, hoort dan gefoeter.
Zo gaat het ongeveer en omdat je nooit meer hier
een torenklok hoort slaan loopt overdag ieder kwartier
zijn wekker af voor andermaal dezelfde blik
uit het raam in zijn werelddeel ik.



© 2019 HB – Het bovenstaande gedicht is min of meer een contravertaling van ‘Mein Weltenstück’ uit 1952, de allereerste publicatie van Thomas Bernhard.

woensdag 13 februari 2019

IN MEMORIAM KLAUS SIEGEL



Vorige week overleed op vierentachtigjarige leeftijd Klaus Siegel, een even aardige als eigenzinnige of, in de beste zin van het woord, eigen-aardige man, die ik leerde kennen toen ik redacteur werd van De Gids en hij deel uitmaakte van de redactie van Literair Paspoort, dat toen integraal onderdeel was geworden van dat blad. Mijn ‘u’ werd vrij snel een ‘jij’.
        Klaus Siegel werd op 2 oktober 1934 in Düsseldorf geboren. Als zoon van een joodse Duitser was hij zijn leven in het vooroorlogse Düsseldorf niet langer zeker. In 1939 reist hij zijn ouders achterna naar Nederland, die er al een paar jaar verblijven. Goed en wel in Nederland marcheren de Duitsers binnen en moet Siegel junior met zijn ouders naar het concentratiekamp Westerbork, waar hij het grootste deel van de oorlog doorbrengt.

Gezien deze voorgeschiedenis is het zeer opmerkelijk dat het Klaus Siegel was die tekende voor de vertaling van de autobiografie DoppellebenDubbelleven van de ooit ‘foute’ Gottfried Benn in de privé-domeinreeks van De Arbeiderspers (1986) en voor de vertaling van de Gehirne-novellen onder de titel Rönne, arts van dezelfde Benn bij marginale uitgeverij Nota Bene (1990). Overigens heette (hij als) de vertaler van ‘Dubbelleven’ C. van Grafenberg, maar werd de tekst ‘ingeleid en geannoteerd door K. Siegel’.

        We hebben het er meerdere keren met elkaar over gehad, zoals zeer uitvoerig op zijn uitnodiging in zijn buurt- en stamcafé Welling (de enige keer dat ik dat ‘schrijverscafé’ bezocht). Bij die gelegenheid kreeg ik een exemplaar van De zoon van madame Butterfly, zijn verhalenbundel die toen net bij De Arbeiderspers was verschenen. De complete titel van dat boek luidt: ‘De zoon van madame Butterfly, benevens struikelingen van enkele andere randfiguren door het tweede fin de millénaire’, met als onderschrift: ‘Exuberante, leerrijke, barokke, afmattende en tegelijk ontspannende vertellingen voor de slachtoffers in de dop en andere halfintellectuelen.’ Hetgeen in al zijn complexiteit niet in de laatste plaats de complexie van zijn auteur tekent.
        Toen ik het boek voor de gelegenheid weer uit de kast had getrokken, verbaasde ik me over de handgeschreven opdracht erin, niet alleen omdat die de indruk wekt dat ik op de een of andere wijze stimulerend moet zijn geweest voor het tot stand komen van de uitgave, maar ik voelde me vooral acuut verbaasd schuldig over het feit dat ik werkelijk niets meer wist van mijn kennelijk rondstappen in het eerste verhaal… ‘Ferdinand, de veerbootkapitein’ heet dat openingsverhaal. Wat zou ik erin te zoeken hebben?

Het gaat over een schipper van de veerpont over Het IJ tussen het Amsterdamse Centraal Station en Amsterdam-Noord. O, hier, dit zou het, zou ik moeten zijn – ik had inderdaad lange tijd een snor, gaf drie dagen per week les in Amsterdam-Noord (al was dat niet op het Waterland College) en nam daartoe vaak de veerpont heen en terug, en ik had inderdaad een geldprijs voor mijn poëzie gekregen, van een bank… – en opeens zie ik ook weer hoe Klaus aan het tafeltje in Café Welling zijn boek van me terug pakt om me de passage voor te lezen:

Twee maanden geleden nog beet een gedesoriënteerde zwaan die op het dek was beland een meisje van het Waterland College gemeen in haar kuit toen ze de vogel wilde aaien. Een toevallig op dezelfde pont overstekende leraar met een snor en een brilletje meende dat de zwaan weleens Zeus zou kunnen zijn. Maar het kind begon nog harder te huilen. Toen Ferdinand hem kwaad aankeek zei hij dat hij van de zomer toevallig Correggio had gezien. Die schoolmeesters zijn soms zo geleerd dat ze getikt raken. Deze schrijft nog gedichten ook. Een kameraad van hem zei dat hij pas een prijs van een miljoen had gewonnen in een gedichtenwedstrijd. ‘Van een bank,’ had hij eraan toegevoegd toen Ferdinand hem ongelovig had aangekeken. Hartstikke geschuffeld die lui. Wie gaat er dan nog werken?

Haha, hartstikke prettig geschuffeld die Siegel! Hoewel hij nu dus voorgoed door de veerman is overgezet, zie ik hem er net als toen stil bij zitten meelachen.

dinsdag 12 februari 2019

MAURICE JANVIER (1886-1914)



‘Aan dit tafeltje dronk ik espresso met
Pablo Picasso, een grenadine daar
met Soutine, nee, dat was met Henri
Matisse, met Chaim aan de bar pastis,
stak er een Egyptische op met Georges
Braque.’ En wie bent u dan wel niet?

vraag je verwonderd. ‘Janvier, Maurice,
hulpgasfitter bij Lafayette, ik woonde
praktisch om de hoek. Door een scherf
getroffen, schijnt, dat herinner ik me
nog altijd niet .’ Maar onbestaanbaar

uiteraard dat in zo’n oud Parijs café
een al langer dan honderd jaar dode
je zoiets ongevraagd vertellen gaat.
En dan nog! Ben hem voor, zeg: Hier
zat je dus dagelijks na je werk? ‘Oui.’
Te praten over schilderkunst? ‘De quoi?’
Over wat anders? Met die namen, Picasso,
Braque, Matisse, Soutine! ‘Avec qui?’


© HB 2019

maandag 4 februari 2019

ALSOF HET VERKLAARBARE VOLDOENDE IS







Zo vaak al volkomen onvoorzien overkwam me als niet uit
mezelf de onloochenbare klaarte van het eindelijk me terug
bevinden waar geen eerder uur van mijn levensdagen ik had
doorgebracht, zoals aan de rafelrand van pijnbossig achterland

van een verpoverde kleine eilandhavenstad met kranen
die lijdzaam onttakeld stonden te worden door niets anders
dan hun eigen zilte roest, waar nooit machinebankwerker was
mijn vader, noch mijn moeder zat op een planken bank aan

zee waar golfjes de kiezels wat heen rolden voor haar voeten
en als almaar met haar vertrouwder andere golfjes dezelfde
kiezels dan weer terug, toen aan de rafelrand van de buitenwijk
zomaar een ooit ik hier zich mij te kennen gaf met die lage dijk

daar langs de droge bedding waarin de tot op het hout verbruikte
schrobber lag, het onnut geworden sinaasappelkrat, met dat hoge
dorre riet op de andere oever, de verwaaide krant erin, de fabriek
erachter waarvan de schaftfluit al lang niet meer riep maar waar

gewis de hond weer aansloeg als je er niets te zoeken hebbend
liep; natuurlijk niemand nadien daar die zich iets herinneren
zou van mij die bijna tranen in de ogen en niet eens tien Griekse
woorden had. Nimmer opzienbarend of extreem, alleen heel even

de allerhelderste diepte van een heel leven: voor eens en altijd
dan de zweem ervan. Vonkende verspringing in de amandelkern,
lukrake schakeling in het limbisch systeem? Alsof het niet deert
wanneer het maar genoeg verklaarbaar is, alsof ik dan nooit meer

terug mag halen de voldoening mijn moeder aan die zee te zien, alsof
al de levens die ik onbewijsbaar leidde mij niet toebehoorden, niet mij
mee uitmaakten, maar me van mezelf uitsluitend vervreemdden even.
Maar zie de vissen die ik eilandinwaarts zwemmen zag! Bij gestage regen.


© HB 04.02.2019