woensdag 17 oktober 2018

GRAF VAN REMBRANDT ONTDEKT!



Vandaag is door ondergetekende het graf of in elke geval de locatie van het gebeente van Rembrandt van Rijn ontdekt!

Wilt u weten waar dat precies was en dus is?
Graag deel ik hier mijn methode om erachter te komen met u, want Rembrandt is van ons allen, nietwaar?

Op allerlei plaatsen in en rond de Amsterdamse Westerkerk heb ik hardop tegen de ondergrond voor mijn voeten staan vertellen wat de plannen zijn van Circus Rembrandt in het Rijksmuseum. U weet wel, die hoogstnoodzakelijke, jaren durende live-reportagerestauratie van De nachtwacht, want, tjonge, wat is dat werk aan een opknapbeurt toe! Heeft u dat - getver! - enigszins vergelende vernis daar helemaal beneden bij de hond gezien, zeg… En wat zullen we allemaal eindelijk op en onder het oppervlak gaan ontdekken, hooggeëerd massatoeristenpubliek! Wie weet gebruikte de meester wel schaamluispigment… Komt allen de niet eerder vertoonde Rembrandtoccultatie zien, toeteren de museumdirecteur, de Amsterdamse burgemeester en de minister van OC&W: Die welhaast astronomisch te noemen show – De nachtwacht jaren deels aan het zicht onttrokken door het intrigerende, even traag als vlak langs het oppervlak scherende onderzoeksstation bestaande uit een speciale stellage, specialistische apparatuur en de witte ruimtepakken der Rembrandtonauten!

Toen ik op een gegeven moment en dus op een zeer bepaalde plek onder me een geluid vernam als van een stel knekels dat zich omdraaide, wist ik het!

HB

maandag 15 oktober 2018

DE VERNIEUWENDE METHODE



Onderzoeker aan het Meertens Instituut, hoogleraar Nederlands en Academische communicatie aan de Radboud Universiteit en bestuurslid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde tekent protest aan [https://www.neerlandistiek.nl/2018/10/arjan-peters-wordt-treurig-van-kinderengels/] tegen de wijze waarop Arjan Peters in een column in De Volkskrant de vloer aanveegt met iets wat Peters zelf niet las en waar hij niet persoonlijk bij aanwezig was. Terecht protest, als dat inderdaad zo is. Maar maakt deze onderzoeker, hoogleraar en besturend lid met zijn verweerschrift intussen niet juist iets duidelijk van wat Peters misschien eigenlijk en dan terecht wilde attaqueren? Dat neerlandistiek een sociologische discipline geworden is.

donderdag 11 oktober 2018

GEEF MIJ MAAR DE PYJAMASCHILDWANTS



Zoveel afstand! Vandaag begreep ik er weer eens helemaal niets van. Niets van de huidige hedendaagse poëzie en bijna evenveel niets van wat ten faveure ervan wordt geschreven. Dit keer betrof het de ‘geboren autobiodichter’ en eveneens ‘geboren postmodernist’ Bindervoet. Hopelijk was de moeder van de zuigeling ermee in haar nopjes, misschien had ze het zelfs al via een echoscopie zien aankomen en zich erop verheugd.
        Deze dichter, lees ik [hier], is – opletten, hè, klas, ook jij daar op de achterste bank! – ‘geheel compos mentis, maar kan – en dat maakt hem als dichter zo goed – zijn hyperbewustheid ook laten varen, zich overgeven aan de associatie om in no time van het consistente weg te zweven naar het experimentele en nonsensicale. Illustratief hiervoor zijn twee neologische zelftyperingen uit het tweede deel van De olifant van Oostzaan [de nieuwste uitgave van deze dichter - hb]: ‘mijn verstamelde gedichten’ en ‘nieuwe verzinneringen’. Deze verhaspelingen van ‘verzamelde’, ‘stamelen’, ‘herinneringen’ en ‘verzinnen’ klinken verontschuldigend, maar bedden zijn dichtwerk van nu juist in in het hedendaags Nederlands poëzie-experiment.
        Is dit satire? Ik vrees van niet. Gaat dit over hoger fröbelwerk? Of over een levenslange kinderziekte ten gevolge van het niet ingeënt zijn tegen het Finnegansvirus? ‘Verzinneringen…’ – hoe verzinnerstameling je het! Ik voel me er in elk geval acuut als een scholier bij voor wie, zeker nadat de leraar didactisch enkele specimina van bedoelde dichtkunst ter illustratie in zijn betoog heeft gevlochten, dit ene vaststaat: ik laat dat fucking vak vallen zo gauw het kan en als het niet kan ga ik morgen van school om geld te verdienen, weg, eruit!
        Was het niet W.H. Auden die zei dat poëzie niets teweegbrengt? Mag zijn dat hij daarin gelijk heeft. Maar er is wel degelijk poëzie die wél iets teweegbrengt, namelijk dat je nooit meer poëzie wilt lezen als zoiets poëzie heet.
        Maar waar maakte ik me druk om op mijn leeftijd?
        Als poëzie niets teweegbracht, zou poëzie dan niet wel kunnen laten zien waarom middels iets anders elders iets teweeg gebracht zou moeten worden, vroeg ik me af.
        Het najaarsmiddagweer was fraai, met veel zonneschijn. Ik stak een nieuwe poëziebundel die ik ’s ochtends gekocht had in mijn zak, ging in het stadspark op een bank zitten en las een kleine reeks gedichten over insecten: ‘Kleine insectologie’. En verdomme, daar was iemand aan het woord die gewoon aan het kijken, vol aandacht aan het waarnemen was, concreet, niks compos mentis en niks in no time, en die mij dat helemaal mee liet doen, mee liet kijken naar én met die kleine beestjes, zoals een pyjamaschildwants, Kander geheten - maar niet Kander geheten zoals de Lion King Simba of een van het triootje hyena’s Shenzi heet! Deze Kander, deze Graphosoma lineatum, weet niet eens dat hij een naam heeft, kan dat niet eens weten… We kijken naar een  i n s e c t: ‘Hij loopt niet, hij veegt met zijn buik een blad schoon, / borststuk, achterliijf worden zichtbaar, dan ineens de vleugels / en dekschilden, felgekleurd, omhooggeklapt. Dat geluid!
        We volgen hoe hij het vliegen toch uitstelt, nog bezig is met wat hij net aan sappen tot zich heeft genomen. Er is regen op komst. (Gelukkig niet in het Amstelpark.) Dan gaat deze Kander die niet weet dat hij een naam heeft, niet eens dat wij bij hem zijn en hem met één klap zouden kunnen doodslaan, op zoek naar een plek om te schuilen, naar de beschutting die boomschors kan bieden, en hij ‘ziet hoe langzaam de boom wordt omringd door een nevel / en niets en niemand zich beweegt, noch klopt of fluistert.
        Ik spring op van mijn bank, want ik weet het, ik weet het op slag: bioloog – ik wil bioloog worden, of op zijn minst dilettantistische insectenwaarnemer, en poëzielezer! Maar mijn schoolbank is al lang een parkbank natuurlijk, in de wereld, waar we, evenals voor het park, voor moeten zorgen, waarin we moeten zorgen voor zijn pyjamaschildwantsen en – wie dienen zich nog meer aan op de komende bladzijden? Duna, Cyriel, Lasia… – zijn dambordvliegen, veldkrekels, hagehelden en zo meer…
        Zoveel nabijheid heet de bundel van Frans Budé. Wat een ruimte, wat een passende titel!


woensdag 3 oktober 2018

OUDE MAN MET WHIPPET


‘Dit ben ik dan, zie ik in het zwartste van de ruit
van een sportkledingzaak, een gebogen grijze man
met een gekromde oude whippet in de stad.
Een dekentje over de immer rillende smalle rug
(van de windhond welteverstaan, ik heb mijn te lang
geworden winteroverjas al aan) tegen de eerste kou
in het oktoberlicht. Het is jaren terug dat hij
niets liever wou dan rennen, een weids veld in,
achter hazen aan, desnoods achter nagemaakte
op zo’n baan waarnaast op fracties van seconden
wordt gewed, zoals je dat op televisie ziet. Nu draag
ik hem elke dag drie keer de steile houten trappen
af en op – aan hoe ik daarbij aan spijlen, wand
en leuning zelf steun zoeken moet kan ik maar
niet wennen –, hoewel hij liever in zijn mand
zou blijven liggen dromen, onder de pendule
die ik heb stilgezet vanwege het tikken dat ik
niet meer aan kan horen en het slaan der uren
waarvan hij is gaan schrikken. Nooit meer springt
hij, ook niet nu het van mij wel zou mogen,
bij me op bed. Ik kocht hem ooit als druk jong
dier omdat ik mijn woning op driehoog anders
niet meer verliet, immers voor alles was het al
te laat, voor nieuwe liefde zowel als nieuw verdriet;
een paar sloffen van Van Haren op de hoek,
een paar van die fotobladen uit de tabakszaak
bij me beneden na een bezoek aan de slijter ernaast,
dat leek afdoende tegen de gedachte aan allerlaatste
pillen. Leven, je moest erom geven om het te willen.
Of dat denkbeeld steek hield vroeg geen jonge hond
zich af, dus was ik praktisch altijd onderweg,
als gehaast, bijna in draf, met hem door de stad.
Het park was bos voor ons, en meer en veld,
en soms gingen we naar zee, wanneer de zon
niet scheen, het waaide en het strand was leeg.
Maar, nee, nooit liet ik hem los. En dat zal ik
ook nooit doen. Dagelijks neem ik hem weer mee.
Kijk, zeg ik steevast voor de sportkledingzaak
zo lang het kan, dat ben je dan, die gekromde
grijze whippet met die gebogen oude man.’

__________________________________

© Huub Beurskens 2018

woensdag 19 september 2018

DE PASSANT



Verboden zou het moeten worden, dat klokgelui over de Singelgracht,
de drie zwarte volgauto’s achter de zwarte limousine met gordijntjes
bedoeld om erachter gestrekt te kunnen liggen, die met zijn vracht nog
wacht tot het gezelschap in gedempt gesprek voor de kerkingang zich
genoeg droef bewogen heeft geacht! Zijn ze daar helemaal van zinnen?
Dat ik, die geen van allen ken, rechtdoor kan noch eveneens kan gaan
staan wachten omdat men zich dan wellicht afvraagt wie dat daar is,
waarna ik ervan verdacht word een ongepast nieuwgierige te zijn,
dat ik daarom even onverwacht als onverdacht rechtsaf moet slaan,
de Beulingstraat in, is het ergste niet, maar – nu word ik echt kwaad –
dat men mij me voorstellen laat dat ik het weleens zelf zou kunnen
zijn die achter de gesloten klep tussen de gordijntjes lig, die overigens
allerminst het beletsel vormen waardoor ik van het gezelschap
voor de kerkingang niemand herken. Maar omdat zoiets niet verboden
worden kan, zou er een passant moeten komen die onverstoorbaar
rechtdoor zal lopen – en zie, als vanzelf staat de achterklep al open,
het deksel van vurenhout is al losgeschroefd, gelicht en – ‘Kom eruit!’
– toegesproken word ik. Als een voorbijganger aan wie niet is af te zien
dat hij een wederopgestane is, zou ik dan over de Singelgracht naar
de Bloemenmarkt wandelen, geen volgwagens die met een lijkwagen
achter me wachtten, geen rouwgezelschap om voor de kerk te staan,
in de zonnige stad was de passant al lang onder alle andere passanten
opgegaan, want dat hier nooit iemand van zou mogen weten had ik ook
van hem verstaan: het klokgelui zou weer klinken, de weg me worden
versperd zonder dat ik ooit nog in de Beulingstraat af kon slaan.