zaterdag 28 maart 2026

EN NOG EEN ONTLASTING


Wanneer ik het waardeer dat een auteur het voor zijn of haar boek opneemt tegen een gisper ervan, betekent dat natuurlijk nog niet dat de criticus het bijgevolg steevast bij het verkeerde eind heeft.

         Nu ik na het verweer van Bert Natter deel een en deel twee van de beschouwing van Fabian Stolk over Aan het einde van de oorlog nogmaals lees, merk ik hoe ik juist mee kan gaan in Stolks verslag van zijn lectuur, ja, meen ik niet minder te kunnen volgen waarom Stolk, afgezien van zijn fysieke ongemak, dat boek niet ten einde gelezen heeft…

         Argumenten en voorbeelden worden op bonafide wijze aangedragen, Stolk laat niet alleen zijn worsteling met diverse aspecten van het boek zien maar zeker ook die met zichzelf als liefst welwillende lezer, hij is allerminst uit op afkraken maar kan niet anders dan afhaken.

         Een slag in de lucht is alleen Stolks verzuchting: ‘Ik wou dat de roman anders in elkaar was gezet en met ongeveer de helft was ingekort’ en wat erop volgt. En precies daar sloeg Natter op aan.

 

Zie hier mijn voorafgaande berichten:

https://huubbeurskens.blogspot.com/2026/03/en-nog-een-pissig-poepie.html

https://huubbeurskens.blogspot.com/2026/03/poepie-laten-ruiken.html


vrijdag 27 maart 2026

EN NOG EEN PISSIG POEPIE

Amper had ik van mijn bijval voor A.H.J. Dautzenberg melding gemaakt op Nonnolles, of ik stuitte op nóg een serieus te nemen pissige schrijver die een bespreker van zijn werk aanpakt op diens wijze van lezen en beoordelen i.c. veroordelen.

         Bert Natter neemt het voor zijn boek Aan het einde van de oorlog op tegen Fabian Stolk, o.a. voormalig universitair docent Moderne Nederlandse Letterkunde. En ook deze tegenaanval heeft mijn sympathie, zeker omdat Natter er niet voor terugdeinst dingen simpelweg dus concreet in zijn boek aan te wijzen – schrijvers zijn, als het goed is, ook vaklui die weten wat ze waar, wanneer en waarom doen en hebben gedaan, hè, en met wie je daar ook gewoon over kunt praten. Goedzo dus.

         Intussen ben ik benieuwd naar Stolks reactie, die niet mag uitblijven, vind ik. Voor zover ik Fabian Stolk ‘ken’ is hij niet iemand die stijfhoofdig en met de hakken in het zand aan zijn opinies blijft vasthouden wanneer iemand met verstand van zaken hem een andere, op zijn minst passelijke optiek voorhoudt.

POEPIE LATEN RUIKEN

Schrijvers die recensenten van hun werk op hun falie geven: het geldt als ongepast, maar ik mag dat wel. ‘Het is niet gebruikelijk dat een schrijver reageert op het eenzijdige duel dat een recensent aangaat met zijn boek,’ schrijft A.H.J. Dautzenberg in de aanloop van zijn weerwerk op de behandelling van zijn boek EN GARDE! op de site van Vrij Nederland. Maar je laat je als schrijver toch niet als nolles gebruiken, zoals ze dat in mijn Tegels dialect zeggen!

         Applaudisserend lees ik Dautzenbergs open brief aan Carel Peters. En ik ben het ook helemaal met Dautzenberg eens wanneer hij vindt dat er in de kunsten meer geplast en gepoept zou moeten worden.

 

dinsdag 10 maart 2026

KUNSTMATIGE URGENTIE EN URGENTE KUNSTMATIGHEID

Van schrijfster Lize Spit kwam ik op de Facebookpagina van een Nederlandse vertaler dit citaat tegen:

‘Er zijn geen nauwkeurigere lezers dan vertalers. Ik durf zelfs te stellen dat boeken beter eerst in vertaling zouden verschijnen. En pas daarna, scherp geslepen aan de vele nota’s van de vertalers, in de moedertaal.’

Een citaat uit een column in De Morgen. Lize Spit wil duidelijk dat er zoveel mogelijk fouten en andere ongerechtigheden in haar proza worden opgeruimd vooraleer het wordt gepubliceerd. Ik kan daar helemaal in meegaan.

         Op de Facebookpagina van de vertaler volgden spoedig reacties. Een ervan bevatte een verwijzing naar een beschouwing van schrijver Tonnus Oosterhoff over De donkere kamer van Damokles van W.F. Hermans: ‘een boek vol fouten, ongerijmdheden, inconsequenties enz. dat juist daardoor getuigt van urgentie.’

         Het zal toeval genoemd kunnen worden dat ik kort tevoren een column las waarin de schrijver L.H. Wiener (andermaal) wijst op allerhande verbijsterende fouten en slordigheden in het proza van W.F. Hermans, te weten in Het behouden huis en Nooit meer slapen.

         Zelf strompelde ik als lezer bijna tien jaar geleden in de weldadige schaduw van Griekse olijfbomen door De donkere kamer van Damokles. ‘Na iets meer dan honderd pagina’s was ik het zat. Ik sloeg het boek nog op willekeurige plaatsen open, maar telkens stuitte ik binnen de kortste keren op iets storends.’

         Hoewel de beschouwing van Oosterhoff in 2005 werd gepubliceerd in het tijdschrift De Revisor, kende ik de tekst toen nog niet. Die las ik nu pas.

         Het is een even interessante als curieuze exercitie van Oosterhoff. Maar eerst nog iets over ongerechtigheden in speelfilms. Bijna geen film lijkt te ontkomen aan zogenaamde goofs, en het is amusant ernaar te speuren.

         Enkele voorbeelden: Waco Kid drinkt whisky maar zijn fles blijft vol (Mell Brooks, Blazing Saddles), in na-oorlogs Wenen zie je van verre een Londense dubbeldeksbus (Carol Reed, The Third Man), Amerikaanse vlaggen in 1917 wapperen met vijftig sterren (Francis Ford Coppola, The Godfather), Antoninus draagt een Rolex (Stanley Kubrick, Spartacus).

         Meestal maken goofs van een goede film ook niet meteen een slechte of mindere film. Bovenstaande voorbeelden vind ik hun films zelfs iets innemends geven. Evenmin betekent een uitglijder in een roman het literaire echec van het boek. Echter op mankementen in Hermansproza lijkt bijna geen maat te staan.

         Wat ook Oosterhoff opdist aan diverse soorten onzorgvuldigheid op luttele pagina’s van De donkere kamer van Damokles is werkelijk onthutsend.

         ‘Desondanks werkt het boek,’ aldus Oosterhoff. Dat is volgens hem vanwege het ‘razende schrijven’ van W.F. Hermans, en hij stelt ‘dat uit de tekst zélf een enorme haast en urgentie spreekt.’ De auteur heeft ‘de moed gehad spontaniteit toe te laten.’

         En dan komt hij tot deze conclusie: ‘De critici en Hermans zelf interpreteerden het boek volgens dit denkschema: de hoofdpersoon is in de war, de lezer ook, maar de schrijver niet. Dat is onhoudbaar; het moet zijn: hoofdpersoon in de war, lezer in de war, schrijver in de war. Wel zo eerlijk, eigenlijk. En dit nieuwe schema maakt De donkere kamer van Damokles waarachtig niet ongenietbaar. Hermans schrijft maar raak, maar hij doet dat met zijn hele ziel en zaligheid, zoals Janis Joplin zingt. Daarom is ‘maar raak’ bij hem zo dikwijls raak!’

         Oosterhoff noemt deze roman een ‘ijlroman’. Wat is dat?

         Aan jaargang 2002 van het tijdschrift Raster leverde Tonnus Oosterhoff een bijdrage met de titel ‘IJlroman/Oubaan’. Daarbij gaat het om ‘[…] doorschrijven vlug doorschrijven tot stop. Nadenken mocht niet, bij wederopneming terugkijken had hij zich verboden.’ En dan volgt er een lap louter vrij associatief voortdenderend proza.

         Zo’n ijlroman is dus een roman waarin in hoog tempo wordt verteld, voortijlend dus, en waarin wordt geijld zoals in ijldromen, raaskallend, malend.

         Dus De donkere kamer van Damokles is (deels) de neerslag van een in meerdere opzichten ijlende auteur. Moet ik dit boek, net als andere boeken van Hermans, met andere ogen lezen? En moet ik al die missers en dwalingen dan juist als authentiek en zinnig ervaren, en ze literair appreciëren?

         Het ijlproza van Oosterhoff zelf, zoals ik dat in Raster voorgeschoteld krijg, is toch van een heel andere inzet, ja, evident ijlend en tegelijkertijd netjes in zijn eigen stijl en taal. Dat kun je van het Hermansproza niet zeggen. Het is sympathiek van Oosterhoff dat hij het middels zijn eigen insteek voor Hermans opneemt. Ik blijf me afvragen wat Hermans zou hebben gedaan wanneer hij vóór publicatie van zijn roman(s) van Lize Spit zo’n scherpslijpende vertaler op zijn dak vol kwakkelmussen gestuurd had gekregen. Tonnus Oosterhoff merkt zelf op dat Hermans in een volgende druk het asfalt van een weggetje verwijderde nadat hij erop geattendeerd werd dat dit weggetje in de periode waarin het verhaal speelt nog onverhard was.

         Toch is het vooral iets anders wat er bij mij niet in wil. Dat is de indruk die wordt gewekt dat literatuur, dat kunst die voortkomt uit ‘urgentie’ de ware en betere kunst is. Alsof het ijlproza van Oosterhoff géén bedenksel, niet iets kunstmatigs is, zeker zo gauw het publiekelijk wordt geëxposeerd...

         In zijn beschouwing komt Oosterhoff ter vergelijking aanzetten met Kiri Te Kanawa en Janis Joplin. Hij laat beiden de song ‘Summertime’ tegen elkaar op zingen en laat de ‘als een motorzaag’ krijsende Joplin het qua ‘soul’ en ‘overtuiging’ dik winnen van de gepolijste, ‘muf’ klinkende Te Kanawa. Laat de motorzaag dan verdomme ook eens de Vier letzte Lieder zingen! Nee, doe maar niet, want tranen, maar dan van het lachen, arme Janis.


Ik haat sowieso het gebruik van het woord ‘urgentie’ zo gauw dat niet tot acuut medisch ingrijpen noopt. En anderzijds: waarom zou de wil tot gaafheid minder of zelfs niet uit een gedrevenheid voortkomen en ervan getuigen? Wie was gedrevener, Rembrandt of Vermeer? Ik zou het niet durven zeggen. Alleen weet want zie ik dat ze allebei op hun eigen wijze buitengewoon gaaf werk hebben afgeleverd, zo feilloos mogelijk.

 

vrijdag 6 maart 2026

ANDERMAAL DE JOODSE RAAD

Gisteren stonden er op het Amsterdamse Eikenplein, bij ons hier om de hoek, weer eens wagens met filmsetapparatuur en van een filmcateringbedrijf. Het voormalige pand van de Elisabeth Otter-Knoll Stichting is nogal geliefd bij regisseurs. Zo vond en vindt er in De Heineken Ontvoering (2011) voor het gebouw de kidnapping plaats van Freddy Heineken (gespeeld door Rutger Hauer) en diens chauffeur. Ook voor de televisieserie De Joodse Raad is de locatie als decor gebruikt: Virrie Cohen (gespeeld door Claire Bender) is er werkzaam in een ziekenhuis.

         Ik kijk De Joodse Raad voor een tweede keer. En ik vind het andermaal curieus hoe erin gebruikte locaties deel uitmaken van mijn eigen leven. Het Otter-Knollpand dus. Maar ook het grachtenhuis waar de Joodse Raad zetelde en waar ik meerdere keren per week langsloop. Of, eveneens op een van mijn wandelroutes, de Peperbrug op Rapenburg waar in de serie een razzia plaatsvindt.

         Echt opmerkelijk nochtans zijn, zeker in combinatie met mijn huidige Amsterdamse settings, de locaties uit mijn jeugd: die bij mijn vroegere middelbare school in Venlo en die in de Parkstraat in Steyl, waar mijn grootouders op de hoek woonden.

         Ik schreef er twee jaar geleden over, toen ik alleen nog een trailer van de dramaserie had gezien: https://huubbeurskens.blogspot.com/2024/03/steyler-gevang-en-villa-marijke.html

         In mijn verwachting van toen werd ik allesbehalve teleurgesteld. Ook bij de tweede keer kijken is de serie pakkend en word ik andermaal geconfronteerd met de perversiteit van machtuitoefenaars die door hen verachte mensen dwingen zich te laten mangelen door een geweten dat ze zelf niet hebben. Onthutsend, telkens weer, hoewel het van alle vervlogen tijden was, ook nu weer is en van alle nog toekomende tijden zal zijn, ja, juist daarom zo onthutsend.

         [fragment] 

Pierre Bokma als Cohen in Steyl