Wanneer ik het waardeer dat een
auteur het voor zijn of haar boek opneemt tegen een gisper ervan, betekent dat
natuurlijk nog niet dat de criticus het bijgevolg steevast bij het verkeerde
eind heeft.
Nu ik na het verweer van Bert Natter deel een en deel twee van de beschouwing van
Fabian Stolk over Aan het einde van de
oorlog nogmaals lees, merk ik hoe ik juist mee kan gaan in Stolks verslag
van zijn lectuur, ja, meen ik niet minder te kunnen volgen waarom Stolk,
afgezien van zijn fysieke ongemak, dat boek niet ten einde gelezen heeft…
Argumenten en voorbeelden worden op bonafide wijze
aangedragen, Stolk laat niet alleen zijn worsteling met diverse aspecten van
het boek zien maar zeker ook die met zichzelf als liefst welwillende lezer, hij
is allerminst uit op afkraken maar kan niet anders dan afhaken.
Een slag in de lucht is alleen Stolks verzuchting: ‘Ik wou
dat de roman anders in elkaar was gezet en met ongeveer de helft was ingekort’ en wat erop volgt. En precies daar sloeg Natter op aan.
Amper had ik van mijn bijval voor A.H.J. Dautzenberg melding gemaakt op Nonnolles, of ik stuitte op
nóg een serieus te nemen pissige schrijver die een bespreker van zijn werk aanpakt
op diens wijze van lezen en beoordelen i.c. veroordelen.
Bert
Natter neemt het voor zijn boek Aan het
einde van de oorlog op tegen Fabian Stolk, o.a. voormalig
universitair docent Moderne Nederlandse Letterkunde. En ook deze tegenaanval
heeft mijn sympathie, zeker omdat Natter er niet voor terugdeinst dingen
simpelweg dus concreet in zijn boek aan te wijzen – schrijvers zijn, als het
goed is, ook vaklui die weten wat ze waar, wanneer en waarom doen en hebben gedaan,
hè, en met wie je daar ook gewoon over kunt praten. Goedzo dus.
Intussen ben ik benieuwd naar Stolks reactie, die niet mag
uitblijven, vind ik. Voor zover ik Fabian Stolk ‘ken’ is hij niet iemand die stijfhoofdig en met de hakken in het zand aan zijn opinies blijft vasthouden
wanneer iemand met verstand van zaken hem een andere, op zijn minst passelijke optiek voorhoudt.
Schrijvers die recensenten van
hun werk op hun falie geven: het geldt als ongepast, maar ik mag dat wel. ‘Het
is niet gebruikelijk dat een schrijver reageert op het eenzijdige duel dat een
recensent aangaat met zijn boek,’ schrijft
A.H.J. Dautzenberg in de aanloop van zijn weerwerk op de behandelling van
zijn boek EN GARDE! op de site van Vrij Nederland. Maar je laat je als
schrijver toch niet als nolles gebruiken, zoals ze dat in mijn Tegels dialect
zeggen!
Applaudisserend lees ik Dautzenbergs open brief aan Carel
Peters. En ik ben het ook helemaal met Dautzenberg eens wanneer hij vindt dat
er in de kunsten meer geplast en gepoept zou moeten worden.
Van schrijfster Lize Spit kwam
ik op de Facebookpagina van een Nederlandse vertaler dit citaat tegen:
‘Er
zijn geen nauwkeurigere lezers dan vertalers. Ik durf zelfs te stellen dat
boeken beter eerst in vertaling zouden verschijnen. En pas daarna, scherp
geslepen aan de vele nota’s van de vertalers, in de moedertaal.’
Een citaat uit een column in De
Morgen. Lize Spit wil duidelijk dat er zoveel mogelijk fouten en andere
ongerechtigheden in haar proza worden opgeruimd vooraleer het wordt
gepubliceerd. Ik kan daar helemaal in meegaan.
Op de Facebookpagina van de vertaler volgden spoedig
reacties. Een ervan bevatte een verwijzing naar een beschouwing van schrijver
Tonnus Oosterhoff over De donkere kamer
van Damokles van W.F. Hermans: ‘een boek vol fouten, ongerijmdheden,
inconsequenties enz. dat juist daardoor getuigt van urgentie.’
Het zal toeval genoemd kunnen worden dat ik kort tevoren een column las
waarin de schrijver L.H. Wiener (andermaal) wijst op allerhande verbijsterende
fouten en slordigheden in het proza van W.F. Hermans, te weten in Het behouden huis en Nooit meer slapen.
Zelf strompelde ik als lezer bijna tien jaar geleden in de weldadige schaduw vanGriekse olijfbomen door De donkere kamer van Damokles. ‘Na iets
meer dan honderd pagina’s was ik het zat. Ik sloeg het boek nog op willekeurige
plaatsen open, maar telkens stuitte ik binnen de kortste keren op iets
storends.’
Hoewel de beschouwing van Oosterhoff in
2005 werd gepubliceerd in het tijdschrift De Revisor, kende ik de tekst toen
nog niet. Die las ik nu pas.
Het is een even interessante als curieuze exercitie van
Oosterhoff. Maar eerst nog iets over ongerechtigheden in speelfilms. Bijna geen
film lijkt te ontkomen aan zogenaamde goofs, en het is amusant ernaar te
speuren.
Enkele voorbeelden: Waco Kid drinkt whisky maar zijn fles
blijft vol (Mell Brooks, Blazing Saddles),
in na-oorlogs Wenen zie je van verre een Londense dubbeldeksbus (Carol Reed, The Third Man), Amerikaanse vlaggen in
1917 wapperen met vijftig sterren (Francis Ford Coppola, The Godfather), Antoninus draagt een Rolex (Stanley Kubrick, Spartacus).
Meestal maken goofs van een goede film ook niet meteen een
slechte of mindere film. Bovenstaande voorbeelden vind ik hun films zelfs iets innemends
geven. Evenmin betekent een uitglijder in een roman het literaire echec van het
boek. Echter op mankementen in Hermansproza lijkt bijna geen maat te staan.
Wat ook Oosterhoff opdist aan diverse soorten
onzorgvuldigheid op luttele pagina’s van De
donkere kamer van Damokles is werkelijk onthutsend.
‘Desondanks werkt het boek,’ aldus Oosterhoff. Dat is
volgens hem vanwege het ‘razende schrijven’ van W.F. Hermans, en hij stelt ‘dat
uit de tekst zélf een enorme haast en urgentie spreekt.’ De auteur heeft ‘de
moed gehad spontaniteit toe te laten.’
En dan komt hij tot deze conclusie: ‘De critici en Hermans
zelf interpreteerden het boek volgens dit denkschema: de hoofdpersoon is in de
war, de lezer ook, maar de schrijver niet. Dat is onhoudbaar; het moet zijn:
hoofdpersoon in de war, lezer in de war, schrijver in de war. Wel zo eerlijk,
eigenlijk. En dit nieuwe schema maakt De
donkere kamer van Damokles waarachtig niet ongenietbaar. Hermans schrijft
maar raak, maar hij doet dat met zijn hele ziel en zaligheid, zoals Janis
Joplin zingt. Daarom is ‘maar raak’ bij hem zo dikwijls raak!’
Oosterhoff noemt deze roman een ‘ijlroman’. Wat is dat?
Aan jaargang 2002 van het tijdschrift Raster leverde Tonnus Oosterhoff een bijdrage met de titel ‘IJlroman/Oubaan’. Daarbij gaat het om ‘[…]
doorschrijven vlug doorschrijven tot stop. Nadenken mocht niet, bij wederopneming
terugkijken had hij zich verboden.’ En dan volgt er een lap louter vrij
associatief voortdenderend proza.
Zo’n ijlroman is dus een roman waarin in hoog tempo wordt
verteld, voortijlend dus, en waarin wordt geijld zoals in ijldromen, raaskallend,
malend.
Dus De donkere kamer
van Damokles is (deels) de neerslag van een in meerdere opzichten ijlende
auteur. Moet ik dit boek, net als andere boeken van Hermans, met andere ogen
lezen? En moet ik al die missers en dwalingen dan juist als authentiek en
zinnig ervaren, en ze literair appreciëren?
Het ijlproza van Oosterhoff zelf, zoals ik dat in Raster voorgeschoteld
krijg, is toch van een heel andere inzet, ja, evident ijlend en tegelijkertijd netjes
in zijn eigen stijl en taal. Dat kun je van het Hermansproza niet zeggen. Het
is sympathiek van Oosterhoff dat hij het middels zijn eigen insteek voor
Hermans opneemt. Ik blijf me afvragen wat Hermans zou hebben gedaan wanneer hij
vóór publicatie van zijn roman(s) van Lize Spit zo’n scherpslijpende vertaler op
zijn dak vol kwakkelmussen gestuurd had gekregen. Tonnus Oosterhoff merkt zelf
op dat Hermans in een volgende druk het asfalt van een weggetje verwijderde
nadat hij erop geattendeerd werd dat dit weggetje in de periode waarin het
verhaal speelt nog onverhard was.
Toch is het vooral iets anders wat er bij mij niet in wil.
Dat is de indruk die wordt gewekt dat literatuur, dat kunst die voortkomt uit ‘urgentie’
de ware en betere kunst is. Alsof het ijlproza van Oosterhoff géén bedenksel,
niet iets kunstmatigs is, zeker zo gauw het publiekelijk wordt geëxposeerd...
In zijn beschouwing komt Oosterhoff ter vergelijking
aanzetten met Kiri Te Kanawa en Janis Joplin. Hij laat beiden de song ‘Summertime’
tegen elkaar op zingen en laat de ‘als een motorzaag’ krijsende Joplin het qua ‘soul’
en ‘overtuiging’ dik winnen van de gepolijste, ‘muf’ klinkende Te Kanawa. Laat de
motorzaag dan verdomme ook eens de Vier
letzte Lieder zingen! Nee, doe maar niet, want tranen, maar dan van het
lachen, arme Janis.
Ik haat sowieso het gebruik van
het woord ‘urgentie’ zo gauw dat niet tot acuut medisch ingrijpen noopt. En
anderzijds: waarom zou de wil tot gaafheid minder of zelfs niet uit een gedrevenheid
voortkomen en ervan getuigen? Wie was gedrevener, Rembrandt of Vermeer? Ik zou
het niet durven zeggen. Alleen weet want zie ik dat ze allebei op hun eigen
wijze buitengewoon gaaf werk hebben afgeleverd, zo feilloos mogelijk.
Gisteren stonden er op het
Amsterdamse Eikenplein, bij ons hier om de hoek, weer eens wagens met
filmsetapparatuur en van een filmcateringbedrijf. Het voormalige pand van de
Elisabeth Otter-Knoll Stichting is nogal geliefd bij regisseurs. Zo vond en
vindt er in De Heineken Ontvoering
(2011) voor het gebouw de kidnapping plaats van Freddy Heineken (gespeeld door
Rutger Hauer) en diens chauffeur. Ook voor de televisieserie De Joodse Raad is de locatie als decor
gebruikt: Virrie Cohen (gespeeld door Claire Bender) is er werkzaam in een
ziekenhuis.
Ik kijk De Joodse Raad
voor een tweede keer. En ik vind het andermaal curieus hoe erin gebruikte
locaties deel uitmaken van mijn eigen leven. Het Otter-Knollpand dus. Maar ook
het grachtenhuis waar de Joodse Raad zetelde en waar ik meerdere keren per week
langsloop. Of, eveneens op een van mijn wandelroutes, de Peperbrug op Rapenburg
waar in de serie een razzia plaatsvindt.
Echt opmerkelijk nochtans zijn, zeker in combinatie met mijn
huidige Amsterdamse settings, de locaties uit mijn jeugd: die bij mijn vroegere
middelbare school in Venlo en die in de Parkstraat in Steyl, waar mijn grootouders
op de hoek woonden.
In mijn verwachting van toen werd ik allesbehalve
teleurgesteld. Ook bij de tweede keer kijken is de serie pakkend en word ik
andermaal geconfronteerd met de perversiteit van machtuitoefenaars die door hen
verachte mensen dwingen zich te laten mangelen door een geweten dat ze zelf niet
hebben. Onthutsend, telkens weer, hoewel het van alle vervlogen tijden was, ook
nu weer is en van alle nog toekomende tijden zal zijn, ja, juist daarom zo onthutsend.