Schrijvers die recensenten van
hun werk op hun falie geven: het geldt als ongepast, maar ik mag dat wel. ‘Het
is niet gebruikelijk dat een schrijver reageert op het eenzijdige duel dat een
recensent aangaat met zijn boek,’ schrijft
A.H.J. Dautzenberg in de aanloop van zijn weerwerk op de behandelling van
zijn boek EN GARDE! op de site van Vrij Nederland. Maar je laat je als
schrijver toch niet als nolles gebruiken, zoals ze in mijn Tegels dialect
zeggen!
Applaudisserend lees ik Dautzenbergs open brief aan Carel
Peters. En ik ben het ook helemaal met Dautzenberg eens wanneer hij vindt dat
er in de kunsten meer geplast en gepoept zou moeten worden.
Van schrijfster Lize Spit kwam
ik op de Facebookpagina van een Nederlandse vertaler dit citaat tegen:
‘Er
zijn geen nauwkeurigere lezers dan vertalers. Ik durf zelfs te stellen dat
boeken beter eerst in vertaling zouden verschijnen. En pas daarna, scherp
geslepen aan de vele nota’s van de vertalers, in de moedertaal.’
Een citaat uit een column in De
Morgen. Lize Spit wil duidelijk dat er zoveel mogelijk fouten en andere
ongerechtigheden in haar proza worden opgeruimd vooraleer het wordt
gepubliceerd. Ik kan daar helemaal in meegaan.
Op de Facebookpagina van de vertaler volgden spoedig
reacties. Een ervan bevatte een verwijzing naar een beschouwing van schrijver
Tonnus Oosterhoff over De donkere kamer
van Damokles van W.F. Hermans: ‘een boek vol fouten, ongerijmdheden,
inconsequenties enz. dat juist daardoor getuigt van urgentie.’
Het zal toeval genoemd kunnen worden dat ik kort tevoren een column las
waarin de schrijver L.H. Wiener (andermaal) wijst op allerhande verbijsterende
fouten en slordigheden in het proza van W.F. Hermans, te weten in Het behouden huis en Nooit meer slapen.
Zelf strompelde ik als lezer bijna tien jaar geleden in de weldadige schaduw vanGriekse olijfbomen door De donkere kamer van Damokles. ‘Na iets
meer dan honderd pagina’s was ik het zat. Ik sloeg het boek nog op willekeurige
plaatsen open, maar telkens stuitte ik binnen de kortste keren op iets
storends.’
Hoewel de beschouwing van Oosterhoff in
2005 werd gepubliceerd in het tijdschrift De Revisor, kende ik de tekst toen
nog niet. Die las ik nu pas.
Het is een even interessante als curieuze exercitie van
Oosterhoff. Maar eerst nog iets over ongerechtigheden in speelfilms. Bijna geen
film lijkt te ontkomen aan zogenaamde goofs, en het is amusant ernaar te
speuren.
Enkele voorbeelden: Waco Kid drinkt whisky maar zijn fles
blijft vol (Mell Brooks, Blazing Saddles),
in na-oorlogs Wenen zie je van verre een Londense dubbeldeksbus (Carol Reed, The Third Man), Amerikaanse vlaggen in
1917 wapperen met vijftig sterren (Francis Ford Coppola, The Godfather), Antoninus draagt een Rolex (Stanley Kubrick, Spartacus).
Meestal maken goofs van een goede film ook niet meteen een
slechte of mindere film. Bovenstaande voorbeelden vind ik hun films zelfs iets innemends
geven. Evenmin betekent een uitglijder in een roman het literaire echec van het
boek. Echter op mankementen in Hermansproza lijkt bijna geen maat te staan.
Wat ook Oosterhoff opdist aan diverse soorten
onzorgvuldigheid op luttele pagina’s van De
donkere kamer van Damokles is werkelijk onthutsend.
‘Desondanks werkt het boek,’ aldus Oosterhoff. Dat is
volgens hem vanwege het ‘razende schrijven’ van W.F. Hermans, en hij stelt ‘dat
uit de tekst zélf een enorme haast en urgentie spreekt.’ De auteur heeft ‘de
moed gehad spontaniteit toe te laten.’
En dan komt hij tot deze conclusie: ‘De critici en Hermans
zelf interpreteerden het boek volgens dit denkschema: de hoofdpersoon is in de
war, de lezer ook, maar de schrijver niet. Dat is onhoudbaar; het moet zijn:
hoofdpersoon in de war, lezer in de war, schrijver in de war. Wel zo eerlijk,
eigenlijk. En dit nieuwe schema maakt De
donkere kamer van Damokles waarachtig niet ongenietbaar. Hermans schrijft
maar raak, maar hij doet dat met zijn hele ziel en zaligheid, zoals Janis
Joplin zingt. Daarom is ‘maar raak’ bij hem zo dikwijls raak!’
Oosterhoff noemt deze roman een ‘ijlroman’. Wat is dat?
Aan jaargang 2002 van het tijdschrift Raster leverde Tonnus Oosterhoff een bijdrage met de titel ‘IJlroman/Oubaan’. Daarbij gaat het om ‘[…]
doorschrijven vlug doorschrijven tot stop. Nadenken mocht niet, bij wederopneming
terugkijken had hij zich verboden.’ En dan volgt er een lap louter vrij
associatief voortdenderend proza.
Zo’n ijlroman is dus een roman waarin in hoog tempo wordt
verteld, voortijlend dus, en waarin wordt geijld zoals in ijldromen, raaskallend,
malend.
Dus De donkere kamer
van Damokles is (deels) de neerslag van een in meerdere opzichten ijlende
auteur. Moet ik dit boek, net als andere boeken van Hermans, met andere ogen
lezen? En moet ik al die missers en dwalingen dan juist als authentiek en
zinnig ervaren, en ze literair appreciëren?
Het ijlproza van Oosterhoff zelf, zoals ik dat in Raster voorgeschoteld
krijg, is toch van een heel andere inzet, ja, evident ijlend en tegelijkertijd netjes
in zijn eigen stijl en taal. Dat kun je van het Hermansproza niet zeggen. Het
is sympathiek van Oosterhoff dat hij het middels zijn eigen insteek voor
Hermans opneemt. Ik blijf me afvragen wat Hermans zou hebben gedaan wanneer hij
vóór publicatie van zijn roman(s) van Lize Spit zo’n scherpslijpende vertaler op
zijn dak vol kwakkelmussen gestuurd had gekregen. Tonnus Oosterhoff merkt zelf
op dat Hermans in een volgende druk het asfalt van een weggetje verwijderde
nadat hij erop geattendeerd werd dat dit weggetje in de periode waarin het
verhaal speelt nog onverhard was.
Toch is het vooral iets anders wat er bij mij niet in wil.
Dat is de indruk die wordt gewekt dat literatuur, dat kunst die voortkomt uit ‘urgentie’
de ware en betere kunst is. Alsof het ijlproza van Oosterhoff géén bedenksel,
niet iets kunstmatigs is, zeker zo gauw het publiekelijk wordt geëxposeerd...
In zijn beschouwing komt Oosterhoff ter vergelijking
aanzetten met Kiri Te Kanawa en Janis Joplin. Hij laat beiden de song ‘Summertime’
tegen elkaar op zingen en laat de ‘als een motorzaag’ krijsende Joplin het qua ‘soul’
en ‘overtuiging’ dik winnen van de gepolijste, ‘muf’ klinkende Te Kanawa. Laat de
motorzaag dan verdomme ook eens de Vier
letzte Lieder zingen! Nee, doe maar niet, want tranen, maar dan van het
lachen, arme Janis.
Ik haat sowieso het gebruik van
het woord ‘urgentie’ zo gauw dat niet tot acuut medisch ingrijpen noopt. En
anderzijds: waarom zou de wil tot gaafheid minder of zelfs niet uit een gedrevenheid
voortkomen en ervan getuigen? Wie was gedrevener, Rembrandt of Vermeer? Ik zou
het niet durven zeggen. Alleen weet want zie ik dat ze allebei op hun eigen
wijze buitengewoon gaaf werk hebben afgeleverd, zo feilloos mogelijk.
Gisteren stonden er op het
Amsterdamse Eikenplein, bij ons hier om de hoek, weer eens wagens met
filmsetapparatuur en van een filmcateringbedrijf. Het voormalige pand van de
Elisabeth Otter-Knoll Stichting is nogal geliefd bij regisseurs. Zo vond en
vindt er in De Heineken Ontvoering
(2011) voor het gebouw de kidnapping plaats van Freddy Heineken (gespeeld door
Rutger Hauer) en diens chauffeur. Ook voor de televisieserie De Joodse Raad is de locatie als decor
gebruikt: Virrie Cohen (gespeeld door Claire Bender) is er werkzaam in een
ziekenhuis.
Ik kijk De Joodse Raad
voor een tweede keer. En ik vind het andermaal curieus hoe erin gebruikte
locaties deel uitmaken van mijn eigen leven. Het Otter-Knollpand dus. Maar ook
het grachtenhuis waar de Joodse Raad zetelde en waar ik meerdere keren per week
langsloop. Of, eveneens op een van mijn wandelroutes, de Peperbrug op Rapenburg
waar in de serie een razzia plaatsvindt.
Echt opmerkelijk nochtans zijn, zeker in combinatie met mijn
huidige Amsterdamse settings, de locaties uit mijn jeugd: die bij mijn vroegere
middelbare school in Venlo en die in de Parkstraat in Steyl, waar mijn grootouders
op de hoek woonden.
In mijn verwachting van toen werd ik allesbehalve
teleurgesteld. Ook bij de tweede keer kijken is de serie pakkend en word ik
andermaal geconfronteerd met de perversiteit van machtuitoefenaars die door hen
verachte mensen dwingen zich te laten mangelen door een geweten dat ze zelf niet
hebben. Onthutsend, telkens weer, hoewel het van alle vervlogen tijden was, ook
nu weer is en van alle nog toekomende tijden zal zijn, ja, juist daarom zo onthutsend.
‘U
hoeft me uiteraard niet te geloven, maar wat mij betreft hoeft niets u te
weerhouden om u persoonlijk van de toestand te komen vergewissen. Wie weet ben
ik zelfs in de gelegenheid en stemming om u te gidsen. Afgaande op het aantal
mensen dat met personenauto's en touringcars mijn woonplaats even aandoet is
het voor de vakantieganger hier hoe dan ook vrijwel het gehele jaar door zeker
een paar uurtjes prettig toeven. Men slentert door de smalle, hier en daar
steile straatjes, fotografeert wit gekalkte gevels en bloembakken, loopt
meestal nog naar de bron met de picknickplaats even buiten het dorp om daar
iets te nuttigen of maakt dra rechtsomkeert om op een terrasje bij de kerk iets
te drinken of een taartje te kopen bij de bakker.
Ik weet
natuurlijk niet van welke kant u komt, maar u bereikt uw doel het gemakkelijkst
en snelst door de EN 264 ter
hoogte van São Bartolomeu de Messines te verlaten en vervolgens de EN 124 in oostelijke richting te volgen;
na ongeveer twaalf kilometer komt links de afslag naar Alte en zo gauw u die
heeft genomen bent u er eigenlijk al. U stapt uit uw huurauto of uit de bus,
loopt naar de apsis van de kleine kerk en volgt vandaar de bordjes met het
opschrift Fonte. Na een kwartiertje bereikt u de picknickplaats en de
uitspanning bij de bron. U blijft over deze weg lopen, ook als die niet langer
verhard is, parallel aan de met oleanderstruiken begroeide oevers van het
smalle en in de zomer praktisch opgedroogde riviertje. Johannesbroodbomen
bieden wat schaduw. Bij een splitsing verlaat u het rivierdal door het
stofweggetje links omhoog te nemen. Laat u niet de stuipen op het lijf jagen
door kwaadaardig geblaf en kettinggerammel vanaf het rommelige erf van een
armoedige hoeve. Te beweren dat ik het niet meer hoor zou een te boude
uitspraak zijn, maar mijn tanden laat ik er beslist niet meer zien. Een paar
minuten later gaat u opnieuw linksaf, een oud, half begroeid landweggetje op,
met aan weerszijden muurtjes van gestapelde brokken grijze natuursteen. Tussen
gaarden met olijfbomen en wederom johannesbroodbomen wandelt u verder. Spoedig
nadat het weggetje is overgegaan in een voetpad komt u bij een kruising.
Wanneer u daar rechtsaf gaat ziet u al gauw de restanten van een oude kalkoven.
En hier en overal verder, voor zover het oog daar reikt, groeien manshoge
steeneiken. Ik weet vanzelfsprekend precies welke ik moet hebben, maar laat de
keuze geheel aan u, zelfs als ik u mocht vergezellen, want u denkt toch niet
dat ik dán een van mijn achterpoten voor de boom in kwestie optil?!
“De
Engelsman,” zo noem ik hem. De Engelsman stond op een wolkenloze zondagmiddag
in december boven me. Aan mijn voeten. Ik lag tegen het gemetselde muurtje van
het kerkplein te dutten in de weldadige zon. Ik droomde. Ik weet niet meer over
wie of wat. Herinner me alleen een gevoel van blijdschap. Wie weet lag ik daar
dus met mijn ogen te rollen, regressief puppy-achtig te piepen, met mijn lippen
te trekken, met mijn vier voeten in het grind te scharren. En dat alles onder
de blik van de Engelsman. En ik heb er geen idee van door wat ik ontwaakte.
Door de verandering van licht doordat hij een deel van de directe zonnestralen
tegenhield met zijn gestalte? Door het knerpen van voetzolen? De geurmelange
van schoenleer, aluin, mensenzweet en etherische oliën? Wat deed het ertoe? Wat
doet het ertoe? Ik opende mijn ogen en keek omhoog in een glimlachend gezicht
dat mij zo vanzelfsprekend sympathiek en evenzo sympathiek vertrouwd voorkwam
als was ik er altijd al door bezield geweest, echter zonder het te weten. Dit
is het, dacht ik, nu gebeurt het, nu komt het. Ik stond al op alle vieren.
Schudde wat steentjes en een enkel takje van me af. Mijn staart zwaaide. Ik
bood hem met mijn blik mijn hoofd aan terwijl zijn hand al daalde en liet me
even aaien. Kom, zei iets, zowel in mij, in hem als tussen ons in, ja vooral
iets tussen ons in, iets van ons beiden, kom, we gaan, we laten het gaan komen
gaan gebeuren! Verwachting en vervulling tegelijk was dit.
Bij Rembrandts ets ‘De zeug’
uit 1643 moet ik onwillekeurig allereerst denken aan hoe zo’n 317 jaar later
nog iets mogelijk was wat me inmiddels praktisch onbestaanbaar lijkt. Denken
dus aan het Tegelen van mijn kinderjaren.
Met twee ietsje oudere en driestere buurjongetjes was ik
naar de Posthuisstraat getogen om er bij een slagerij achterom te gaan, de
slachterij in en er een varkensblaas te vragen, er prompt ook een te krijgen en
die opgeblazen mee te nemen, opgetogen als het jongetje bij Rembrandt.
Wat we met die varkensblaas deden, herinner ik me niet.
Ertegen trappen? ‘Fepen?’ Rembrandts jongetje lijkt een rietje in zijn hand te
hebben. Waar die vandaan komt en nog naar omkijkt, moeten, nee, mogen we ons intussen
voorstellen. De meester stelt ons daartoe meer dan een kwart van het beeldvlak
ter beschikking. En wat we daar aan vreselijk vleselijks laten gebeuren, heeft
onmiddellijk uitwerking op hoe we de juist zeer gedetailleerd weergegeven arme,
want zo met vastgebonden poten, en toch tevreden ogende zeug bekijken. Ook zij
heeft zo’n blaas. Nog.
Geen slagerij overigens daar in die ongetekende ruimte. De
slachter kwam aan huis of op de hoeve. En daarmee ben ik nog wat jonger en nu
over de Maas, in Grubbenvorst met mijn vader, op de boerderij van zijn tante
Mina, bij een nog lauwwarm opengesneden en opengeklapt varkenslijf tegen een
ladder.
Zelf etsen leerde ik dan weer later, in Brabant. Maar wat
kon die Van Rijn dat goed, hè! Die vlotheid en dat treffende, alsof je het
allemaal onder je ogen hebt zien ontstaan. Hij moet direct naar de aanschouwing
hebben zitten tekenen, in de geur van de zeug, met een etsnaald in de was dus, naderhand
nog wat met droge naald in een koperplaatje van slechts 18,3 bij 14,4
centimeter, maar wat een wereld de afdruk ervan, o, om dat te mogen meemaken,
om in 1643 daar te mogen zijn!