vrijdag 13 februari 2026

NOGMAALS AFSCHEID VAN CEES NOOTEBOOM

  


Over de doden niets dan goeds, wordt gezegd. Eigenlijk zou ik dan moeten zwijgen bij het overlijden van Cees Nooteboom. Maar alleen al het ogen van de samenstelling ‘eigen’-‘lijk’ maakt me opstandig en geeft me het gevoel dat ik me zelf laat kisten door te zwijgen. Bovendien bestaat er nog een andere dooddoener: eind goed al goed. Dus…

         Cees Nooteboom heb ik nauwelijks of niet gekend. Maar in 1982 publiceerde ik in het literaire periodiek Nieuw Vlaams Tijdschrift een kritisch stuk over de toekenning aan en het in ontvangst nemen door Nooteboom van de door een groot olieconcern ingestelde Pegasusprijs.

        


https://www.dbnl.org/tekst/_nie010198201_01/_nie010198201_01_0115.php

 

Wanneer ik die tekst nu teruglees, kan ik me nog steeds in mijn redenering en optiek vinden, en dat terwijl er nog niet eens sprake in is van verzet tegen het winnen en gebruiken van fossiele brandstoffen.

         Of Nooteboom dat artikel toen ook gelezen heeft? Het zou zomaar kunnen.

         Het werk zelf van Nooteboom hield ik niet zo bij. Maar toen in 2004 zijn Paradijs verloren verscheen, raakte ik licht verbijsterd door de lectuur ervan: mijn leesbegeleidend potlood moest herhaaldelijk worden bijgepunt en slonk dus zienderogen. Wat was dat proza gammel geschreven (en slecht geredigeerd)!

 


Dat ik dit boek destijds las zal ongetwijfeld te maken hebben gehad met het feit dat ik kortstondig, dat wil zeggen in 2004 en 2005 dezelfde uitgever als Nooteboom had. Op een borrel bij uitgeverij Atlas heb ik de toen verse P.C. Hooftprijslaureaat ook even gesproken. Ik herinner me dat het niet bepaald een gesprekje was waarin het klikte.

         En dan is het al gauw 2006. In een restaurant aan de Amsterdamse Van Baerlestraat, op loopafstand dus van uitgeverij De Bezige Bij waar tevoren een speciale boekuitgave ten doop was gehouden. Het doet er hier even niet toe waarom ik voor die viering en het aansluitende etentje was uitgenodigd. Maar ik was wel zo vrij of vrijpostig geweest om een heel goede en dus betrouwbare vriend, met wie ik eerder die dag had afgesproken, als ongenode gast mee te nemen. Allerminst toevallig dook Cees Nooteboom in Brasserie Van Baerle op. En wat vernam ik naderhand dat de naarling mijn metgezel retorisch had gevraagd? Wat die in hemelsnaam ‘in die Beurskens’ zag.

         Maar zoals immer vloog de tijd. En op een gegeven moment hadden Cees Nooteboom en ik nog eens (deels) dezelfde uitgever. Met als gevolg dat ik in 2020 Nootebooms toen net verschenen poëziebundel (of gedicht) Afscheid in handen kreeg en dat ik die uitgave echt zo goed vond dat ik er een grondige bespreking aan wijdde. Weerom iets over Nooteboom in een Vlaams periodiek, dit keer in Dietsche Warande & Belfort, maar nu juist lovend.

          https://www.dwb.be/lees/literaire-kritieken/699074_afscheid-van-cees-nooteboom

         ‘Beste Huub Beurskens, heel hartelijk dank voor de uitvoerige en mooie bespreking, die bovendien tot nu toe de enige is voor zover ik weet.’

         Ja, dat schreef hij me nog geen zes jaar geleden in een vrij lange e-mail.

         Ook dit: ‘Inmiddels had ik al van een paar mensen, zoals Philippe Noble die het gedicht in het Frans vertaald heeft, loftuitingen over Uw stuk in de Dietsche Warande gehoord.’ En: ‘Het is vrij zelden dat mijn poëzie zo besproken is dat ik mijzelf en wat mij bewogen heeft er in herkende.’


         Toch jammer, hè?

         Wat?

         Ik weet het niet goed, maar eh, zo veel...

         Ja, zo veel.

 

dinsdag 10 februari 2026

ONVOLPREZEN

Toen de zoon van literator en hoogleraar Garmt Stuiveling zijn vader vertelde dat hij Nederlands wilde gaan studeren, antwoordde de vader: ‘Dat zou ik niet doen, jongen, want dan blijf je je leven lang de zoon van de grote Stuiveling.’

         Vanuit deze anekdote, die ooit in een weekbladbespreking van de eerste essaybundel van H, Schrijver zonder stoel, de mank gaande opmaat vormde voor het kleinerende verwijt aan het adres van de auteur dat hij als een ‘allerijverigst achterneefje’ allerlei grote schrijvers opvoerde, wilde ik een beschouwing wijden aan de rol van literaire invloeden in de schrijverij en het daar al dan niet openlijk voor uitkomen.

         Het was immers allerminst de laatste keer in de loop der jaren dat H werd getrakteerd op berisping en kleinering vanwege het openlijk in zijn schrijverij op- en meenemen van ('schermen met') andere, veelal bewonderde auteurs.

         Zo werd hij zes jaar na voornoemde recensie in een bespreking van zijn lange gedicht Charme (1988) neergezet als ‘een ijverige leerling in de schaduw van zijn Duitse meester, aan wie hij wel nooit gelijk zal worden’.

         De bespreker meende in zijn domme vooringenomenheid, als ik dat pleonasme hier mag gebruiken, de door hem bedoelde Gottfried Benn zelfs te herkennen in de ‘Duitse’ (!) heer op het Venetiaans terras van de derde gedichtstrofe: ‘Een heer / leest in zijn Hallwag / wie Carpaccio was.’ Alsof alleen Duitsers Duits konden lezen en Hallwags gebruikten! Überhaupt war der Gottfried nie und nimmer in Venedig.

         Ja, aan dat verschijnsel wilde ik wel wat woorden besteden!

         Maar al gauw kwam ik, geboren als zoon van een machinebankwerker, vanuit die Stuiveling-anekdote terecht bij vragen over de impact van het sociale milieu waarin een schrijver is opgegroeid. En toen werd het me allemaal snel te vermoeiend sociologisch en psychologisch.

         Waartoe dit alles ook? Voor wie in ’s hemelsnaam?

         Ik had er geen zin meer in, brak de reflectie af en verwijderde de tekst in wording. Op één eindnoot na:

         3 – Zoals Wiel Kusters, mijnwerkerszoon, onvolprezen dichter, gedreven essayist. 



donderdag 5 februari 2026

WIE WAS ZIJ?

 


Wie was Helma Wolf-Catz? Dat vraag ik me bijna in paniek af wanneer ik een krantenknipsel terugvind van een kort artikel dat Helma Wolf-Catz schreef voor de Amersfoortse Courant van 19 juli 1975. Het is een bespreking, de enige van een beetje omvang, van mijn enkele maanden tevoren bij een Zeeuws privé-uitgeverijtje verschenen debuutbundel Blindkap.

         Ze moet me dat knipsel persoonlijk hebben toegestuurd, want in de marge heeft ze bij een gedicht ‘excuses voor wonderlijke zetting v.d. zetter’ geschreven en iets eronder heeft ze in handschrift twee zinsdelen toegevoegd die kennelijk uit de tekst zijn weggevallen, bovendien heeft ze in de tekst zelf nog met pen een zetfoutje gecorrigeerd.

         Al gauw vind ik van alles en nog wat over haar op https://www.helmawolfcatz.nl/ – een al wat oudere website, want ‘Dertig jaar na haar dood is Helma Wolf-Catz echter geheel vergeten,’ lees ik op de homepage; ze overleed op 22 januari 1979, na ettelijke jaren veelal bedlegerig te zijn geweest. Bewogen leven, met onderduikjaren, verzet en chronische ziekte.

         Ze was vijftig jaar ouder dan de door haar besproken dichter aan wie ze het krantenknipsel stuurde. Hier de tekst ervan, inclusief aanvulling en correctie, maar ook met nogal wat andere foutjes (interpunctie, kapitalen, ‘wenkbrOuwen’…) in de aangehaalde gedichten:

_____

Huub Beurskens is op en top een modern dichter in zijn bundel “Blindkap” vooral in zijn openingsgedicht, geïnspireerd op de grote filmregisseur “Hitchcock”, ofschoon ik om de poëzie op zichzelf “Chinoiserie” zou kiezen als een specimen van zijn talent:

Kantelende vlucht van de ijseend.

terras in loodrecht riet en regen.

mist en als wenkbrouwen de takken van de treurwilg

tomeloos naar die verte

om daar te verstillen in

kantelende vlucht van de ijseend

terras in loodrecht riet en regen.

mist: als wenkbrouwen de takken van de treurwilg.

Een sterk gedicht is ook het “Paard”, geïnspireerd op een paard van geglazuurd aardewerk uit de T’angdynastie, waarvan ik de eerste twee coupletten overneem:

WEIDE: met een vleug van koemis

de vlucht van bijen af en aan, beide,

dit strekt zo onmetelijk sterk de steppe”

door vorsten ompaald maar nooit

bezeten.

 

: zo staat hij ingetogen in zijn toom

spant traktie als een zwart metaal

geboend met ijs

dat wit rond de hoeven rijpt als

spaarde het krachten voor dadelijk

een daverende galop.

Veel meer treffende beelden zijn er ook verwoord in “Landschapstudies” VII, zoals:

zilveren krab stijgt de morgen uit zee

schikt landschap zijn gindse heuvels

als de groene pauw zijn satijnen harp.

 

Interessant is de inspiratie van Huub Beurskens, die aan die van Willem Brandt doet denken, die over [Livingstone dichtte. De eerste koos echter een ontdekkingsreiziger van] de Zuidpool, Oates, aan wiens trieste lot hij vier gedichten wijdde.

Tot slot geeft Huub Beurskens vier vertelalingen van de Oostenrijker Georg Trakl, die op 27-jarige leeftijd in 1914 stierf, vermoedelijk verslaafd aan de narcotica. Hij studeerde farmacie en was een visionair die sterk de invloed onderging van Baudelaire, Rimbaud en Verlaine. Trakls gedicht “De zon” imponeert in de vertaling van Beurskens, wat een compliment voor de vertaler inhoudt: [volgt het vertaalde gedicht].

_____

Hoe was deze Helma Wolf-Catz aan het adres van de vijfentwintigjarige dichter gekomen? Via de uitgever in Kortgene, een Zeeuwse connectie dus, die haar ook de bundel had bezorgd? En antwoordde de jonge dichter op de post uit – hoogstwaarschijnlijk – Bussum? Menend hem te kennen: ongetwijfeld. En wat wist hij of wat kwam hij toen te weten omtrent de schrijfster?

         Het liefst zou ik nu meteen naar Tilburg afzakken om hem te bezoeken in dat hoekhuis aan de Theresiastraat dat hij gedurende de laatste maanden van zijn studie aan de kunstacademie deelde met enkele studenten van heel andere opleidingen. Wie weet komt dan net ook zijn vriendin binnen met wie hij spoedig naar Amsterdam zal vertrekken. Ik zou hem ook willen vragen hoe hij het beleeft dat er vijftig jaar na verschijnen opnieuw over Blindkap wordt geschreven. En hij is er vast benieuwd naar wat ik nu van zijn debuutbundeltje vind. Ik wil proberen zo oprecht en tegelijk zo invoelend mogelijk te zijn.

 


Maar dat huis wordt denkelijk al lang niet meer aan studenten verhuurd. Grondig verbouwd is het bovendien. En überhaupt, wie of wat of waar is hij zelf eigenlijk nog?

          

woensdag 4 februari 2026

GERT DE JAGER OVER BLINDKAP

In 'Twintig dichtbundels uit 1975', reeks in wording, belicht Gert de Jager als vierde mijn debuutbundel Blindkap:

https://gertdejager.blogspot.com/2026/02/huub-beurskens-blindkap.html

dinsdag 3 februari 2026

HELD IN GAUZE CURTAINS...

 


Anneke, dat wist ik al heel lang,

                                               trok in '72 in bij Ed

van der Elsken, de beroemde fotograaf.

                                               Ik kende

Bye, hun video: hij lag terminaal

                                               in hun beider bed,

pijn maakte er pret over waar zij

                                               nooit aan wenden.

 

Ik zag haar zelden nog en dan slechts

                                               door het oog van Ed

van der Elsken, die in '90 overleed.

                                               Anneke kende

ik maar in ons beider eerste, haar laatste

                                               academiejaar. Niks bed.

Op haar kamer, artistiekerig puur

                                               opgewonden, wendden

 

we ons tot wat we amper begrijpen konden:

                                               15 pas verschenen

vertaalde Cantos van Pound. Geen jaloezie

                                               of andere pathetiek.

Toen werd het vandaag. Er lag een nieuw

                                               fotoboek in een vitrine.

  

God, hier, voorop, haar blik, die door mij en

                                               de er mij door geziene!

Al staat ze er bloot, 20, amper, onder een kort

                                               gazen jurkje, ik word ziek

nu zelfs wat leek niet te hebben bestaan blijkt

                                               te moeten zijn verdwenen.

  

5 juni 2000

___________________________

Eerder verschenen in De Gids jrg 164 en opgenomen in De school aan zee, 2001.