Wanneer ik het waardeer dat een
auteur het voor zijn of haar boek opneemt tegen een gisper ervan, betekent dat
natuurlijk nog niet dat de criticus het bijgevolg steevast bij het verkeerde
eind heeft.
Nu ik na het verweer van Bert Natter deel een en deel twee van de beschouwing van
Fabian Stolk over Aan het einde van de
oorlog nogmaals lees, merk ik hoe ik juist mee kan gaan in Stolks verslag
van zijn lectuur, ja, meen ik niet minder te kunnen volgen waarom Stolk,
afgezien van zijn fysieke ongemak, dat boek niet ten einde gelezen heeft…
Argumenten en voorbeelden worden op bonafide wijze
aangedragen, Stolk laat niet alleen zijn worsteling met diverse aspecten van
het boek zien maar zeker ook die met zichzelf als liefst welwillende lezer, hij
is allerminst uit op afkraken maar kan niet anders dan afhaken.
Een slag in de lucht is alleen Stolks verzuchting: ‘Ik wou
dat de roman anders in elkaar was gezet en met ongeveer de helft was ingekort’ en wat erop volgt. En precies daar sloeg Natter op aan.
Zie hier mijn voorafgaande
berichten:
https://huubbeurskens.blogspot.com/2026/03/en-nog-een-pissig-poepie.html
https://huubbeurskens.blogspot.com/2026/03/poepie-laten-ruiken.html
