Van schrijfster Lize Spit kwam
ik op de Facebookpagina van een Nederlandse vertaler dit citaat tegen:
‘Er
zijn geen nauwkeurigere lezers dan vertalers. Ik durf zelfs te stellen dat
boeken beter eerst in vertaling zouden verschijnen. En pas daarna, scherp
geslepen aan de vele nota’s van de vertalers, in de moedertaal.’
Een citaat uit een column in De
Morgen. Lize Spit wil duidelijk dat er zoveel mogelijk fouten en andere
ongerechtigheden in haar proza worden opgeruimd vooraleer het wordt
gepubliceerd. Ik kan daar helemaal in meegaan.
Op de Facebookpagina van de vertaler volgden spoedig
reacties. Een ervan bevatte een verwijzing naar een beschouwing van schrijver
Tonnus Oosterhoff over De donkere kamer
van Damokles van W.F. Hermans: ‘een boek vol fouten, ongerijmdheden,
inconsequenties enz. dat juist daardoor getuigt van urgentie.’
Het zal toeval genoemd kunnen worden dat ik kort tevoren een column las
waarin de schrijver L.H. Wiener (andermaal) wijst op allerhande verbijsterende
fouten en slordigheden in het proza van W.F. Hermans, te weten in Het behouden huis en Nooit meer slapen.
Zelf strompelde ik als lezer bijna tien jaar geleden in de weldadige schaduw van Griekse olijfbomen door De donkere kamer van Damokles. ‘Na iets
meer dan honderd pagina’s was ik het zat. Ik sloeg het boek nog op willekeurige
plaatsen open, maar telkens stuitte ik binnen de kortste keren op iets
storends.’
Hoewel de beschouwing van Oosterhoff in
2005 werd gepubliceerd in het tijdschrift De Revisor, kende ik de tekst toen
nog niet. Die las ik nu pas.
Het is een even interessante als curieuze exercitie van
Oosterhoff. Maar eerst nog iets over ongerechtigheden in speelfilms. Bijna geen
film lijkt te ontkomen aan zogenaamde goofs, en het is amusant ernaar te
speuren.
Enkele voorbeelden: Waco Kid drinkt whisky maar zijn fles
blijft vol (Mell Brooks, Blazing Saddles),
in na-oorlogs Wenen zie je van verre een Londense dubbeldeksbus (Carol Reed, The Third Man), Amerikaanse vlaggen in
1917 wapperen met vijftig sterren (Francis Ford Coppola, The Godfather), Antoninus draagt een Rolex (Stanley Kubrick, Spartacus).
Meestal maken goofs van een goede film ook niet meteen een
slechte of mindere film. Bovenstaande voorbeelden vind ik hun films zelfs iets innemends
geven. Evenmin betekent een uitglijder in een roman het literaire echec van het
boek. Echter op mankementen in Hermansproza lijkt bijna geen maat te staan.
Wat ook Oosterhoff opdist aan diverse soorten
onzorgvuldigheid op luttele pagina’s van De
donkere kamer van Damokles is werkelijk onthutsend.
‘Desondanks werkt het boek,’ aldus Oosterhoff. Dat is
volgens hem vanwege het ‘razende schrijven’ van W.F. Hermans, en hij stelt ‘dat
uit de tekst zélf een enorme haast en urgentie spreekt.’ De auteur heeft ‘de
moed gehad spontaniteit toe te laten.’
En dan komt hij tot deze conclusie: ‘De critici en Hermans
zelf interpreteerden het boek volgens dit denkschema: de hoofdpersoon is in de
war, de lezer ook, maar de schrijver niet. Dat is onhoudbaar; het moet zijn:
hoofdpersoon in de war, lezer in de war, schrijver in de war. Wel zo eerlijk,
eigenlijk. En dit nieuwe schema maakt De
donkere kamer van Damokles waarachtig niet ongenietbaar. Hermans schrijft
maar raak, maar hij doet dat met zijn hele ziel en zaligheid, zoals Janis
Joplin zingt. Daarom is ‘maar raak’ bij hem zo dikwijls raak!’
Oosterhoff noemt deze roman een ‘ijlroman’. Wat is dat?
Aan jaargang 2002 van het tijdschrift Raster leverde Tonnus Oosterhoff een bijdrage met de titel ‘IJlroman/Oubaan’. Daarbij gaat het om ‘[…]
doorschrijven vlug doorschrijven tot stop. Nadenken mocht niet, bij wederopneming
terugkijken had hij zich verboden.’ En dan volgt er een lap louter vrij
associatief voortdenderend proza.
Zo’n ijlroman is dus een roman waarin in hoog tempo wordt
verteld, voortijlend dus, en waarin wordt geijld zoals in ijldromen, raaskallend,
malend.
Dus De donkere kamer
van Damokles is (deels) de neerslag van een in meerdere opzichten ijlende
auteur. Moet ik dit boek, net als andere boeken van Hermans, met andere ogen
lezen? En moet ik al die missers en dwalingen dan juist als authentiek en
zinnig ervaren, en ze literair appreciëren?
Het ijlproza van Oosterhoff zelf, zoals ik dat in Raster voorgeschoteld
krijg, is toch van een heel andere inzet, ja, evident ijlend en tegelijkertijd netjes
in zijn eigen stijl en taal. Dat kun je van het Hermansproza niet zeggen. Het
is sympathiek van Oosterhoff dat hij het middels zijn eigen insteek voor
Hermans opneemt. Ik blijf me afvragen wat Hermans zou hebben gedaan wanneer hij
vóór publicatie van zijn roman(s) van Lize Spit zo’n scherpslijpende vertaler op
zijn dak vol kwakkelmussen gestuurd had gekregen. Tonnus Oosterhoff merkt zelf
op dat Hermans in een volgende druk het asfalt van een weggetje verwijderde
nadat hij erop geattendeerd werd dat dit weggetje in de periode waarin het
verhaal speelt nog onverhard was.
Toch is het vooral iets anders wat er bij mij niet in wil.
Dat is de indruk die wordt gewekt dat literatuur, dat kunst die voortkomt uit ‘urgentie’
de ware en betere kunst is. Alsof het ijlproza van Oosterhoff géén bedenksel,
niet iets kunstmatigs is, zeker zo gauw het publiekelijk wordt geëxposeerd...
In zijn beschouwing komt Oosterhoff ter vergelijking
aanzetten met Kiri Te Kanawa en Janis Joplin. Hij laat beiden de song ‘Summertime’
tegen elkaar op zingen en laat de ‘als een motorzaag’ krijsende Joplin het qua ‘soul’
en ‘overtuiging’ dik winnen van de gepolijste, ‘muf’ klinkende Te Kanawa. Laat de
motorzaag dan verdomme ook eens de Vier
letzte Lieder zingen! Nee, doe maar niet, want tranen, maar dan van het
lachen, arme Janis.
Ik haat sowieso het gebruik van
het woord ‘urgentie’ zo gauw dat niet tot acuut medisch ingrijpen noopt. En
anderzijds: waarom zou de wil tot gaafheid minder of zelfs niet uit een gedrevenheid
voortkomen en ervan getuigen? Wie was gedrevener, Rembrandt of Vermeer? Ik zou
het niet durven zeggen. Alleen weet want zie ik dat ze allebei op hun eigen
wijze buitengewoon gaaf werk hebben afgeleverd, zo feilloos mogelijk.
