De gehavende Salman Rushdie,
achtenenzeventig inmiddels, zag ik gisteravond weer eens in een kort
vraaggesprek op de Duitse televisie.
Eerder op de dag had ik onderstaande reactie geplaatst op de
site van Neerlandistiek, waar een soortement discussie leek te ontstaan naar
aanleiding van een artikel dat Gerrit Komrij in 1989 schreef over anti-Rushdiebetogingen
in Rotterdam en Den Haag. Het begon met een stuk van Komrijbiograaf Arie Pos (met daarin een link naar die tekst van
Komrij). Dat werd vervolgens geattaqueerd met een stuk van publicist Lotfi El Hamidi. Onder dat tweede stuk plaatste ik mijn
reactie.
Inmiddels vrees ik dat ik die reactie net zo goed niet had
kunnen plaatsen, want dat ze aan dovemansoren gericht was of dat aan mijn stem in
deze kwestie simpelweg geen enkel gewicht werd toegekend. Tot nu toe bleef elk
antwoord uit op de vraag die ik erin stel. Of zou dat juist tekenend en dus op
zich al een of zelfs het antwoord zijn?
___________________
Van dat openbare anti-Rushdieprotest in 1989 zijn nog steeds beelden beschikbaar, zoals die van het NOS-journaal waarin spandoeken met ‘Dood aan Rushdie’ te zien zijn, waarin te horen is hoe iemand door een megafoon roept ‘Vandaag zijn wij hier gekomen om Rushdie, die satan, te vermoorden’, waarin het portret van de fatwa-afkondiger wordt meegedragen, waarin het boek van Salman Rushdie wordt verbrand, en dat alles manifest in samenhang met geloofsbelijdenis.
https://www.youtube.com/watch?v=qVZZx1xfAyI
Bij het zien van deze beelden en het horen van die oproepen
bekruipen me telkens weer gevoelens van verontwaardiging, grondige afkeer en angst.
Niet vanwege het boek en de persoon van Rushdie welteverstaan.
Inderdaad gooit Gerrit Komrij in NRC Handelsblad van 8 maart
1989 alles en allen op een hoop; hij heeft het verwijtend over ‘de
moslimgemeenschap […] en masse’, over
‘de mohammedanen’, over ‘ze’, ‘ze’ en nogmaals ‘ze’.
Wat ik me oprecht afvraag: hoe verwoord je je
verontwaardiging, afkeer en angst bij het zien van zo’n groep islamitische
protesteerders zónder daarmee meteen alle andere moslims in een kwaad daglicht
te stellen? Ik probeer me daarbij te verplaatsen in een van de legio islamitisch
gelovigen die helemaal niet deelnamen en ook niet wilden deelnemen aan die
anti-Rushdie-acties, die net als ik walgden en blijven walgen van wrede fatwa’s,
van oproepen tot vervolging en moord, van censuur en boekverbranding. Met
andere woorden, hoe zou die moslim zijn afkeuring verwoorden? Want zo zou het dan
wél moeten, toch?
