maandag 23 februari 2026

MAANKRIJT


Goed dat ik toen in staat was – zo jong nog, maar hoeveel beter dan nu – om bij de juiste gelegenheden als uit twee te bestaan: uit een ik dat anderen de gewenste indruk gaf dat ze me met onwaarheden gerust konden stellen en uit een ik dat de stilzwijgende waarheid zag.

         Nadat ik met mijn vader, achter op zijn fiets, uit de geurige valavondlijke luwte van het hoog gelegen zomerse grensbos richting zinkende zon was afgezakt en we veilig het spoor waren overgestoken, moest er meteen bij de scherpe bocht worden afgestapt omdat er op straat iets met een wollen deken erover lag.

         Van het gewei van het hert voor de slee waarmee in besneeuwd poolgebied dekens als deze werden rondgebracht, kende ik elk end aan beide stangen, net als de aan de einder opgezette tent waarin ik warm kon wachten met mijn verlangen – naar wat?

         En ook iets kleiners lag er op de weg, onder een dubbelgevouwen sprei.

         Alsof ze met meer dan een paar waren stonden twee mannen verwoed te zwaaien.

         Sowieso konden we er niet langs, want achter de gebolde deken en sprei stond in zijn volste breedte de huishoge achterzijde van een zwarte huifoplegger waarvan de rode lichten als grote eierkolen gloeiden – je hoorde ook zacht het naloeien van de motor vanuit het al nachtelijke duister achter het zeil dat er ietsje opengeslagen bijhing.

         En op de stoep aan weerszijden hielden vrouwen met een hand een uitroep vast of tegen, of ze hielden hun hand als was die juist aangezogen door een heel diepe ademteug.

         Bovendien leunde tegen een lantaarnpaal een damesrijwiel, bekommerd kromgebogen over zijn ontzette kinderzitje.

         Mijn ene ik wachtte op wat mijn vader voor hem zou verzinnen.

         Het werd een transport dat door te hard rijden, terwijl het huifzeil niet goed met de touwen door de ringen dichtgesnoerd was geweest, in de scherpte van de bocht het een en ander van zijn lading had verloren, linnen lakens, wollen dekens, spreien alvast voor de komende maankoude winternachten met ijsbloemen op de ramen.

         Daardoor was een vrouw erachter met haar fiets ten val gekomen. Gelukkig hadden er meerdere voordeuren opengestaan. Om te worden geholpen en getroost was ze ergens binnen gebracht.

         Terwijl politiemannen verschenen wees mijn ene ik mijn vader op wat hij al lang, net als mijn andere ik, geheel en al onbedekt op straat had zien liggen.

         Nou? Wat was de vaderlijke uitleg hiervan dan?

         Dat de gewonde vrouw – misschien had ze haar knieën geschaafd of een pols verzwikt – vantevoren boodschappen had gedaan bij de slager en er door de schrik iets van de inkopen uit haar tas gevallen was.

         Een slager op de hei? Die nog open was om halfacht? En iets zo natrood vleselijks niet eerst in slagerspapier gewikkeld en dan in een zak verpakt? Kookte en braadde die vrouw niet voor het middagmaal maar voor middernacht?

         Als ik mijn vader was geweest, dacht mijn andere ik, had ik iets beters bedacht.

         Maar mijn ene ik knikte instemmend toen mijn vader ‘Kom, we gaan,’ zei nadat een bleke ambulance was verschenen, het volk op de stoep aan de linkerkant stil opzij dringend.

         Rechts liep een grindpad, evenwijdig aan het spoor, naar de Acaciastraat, waarover we met een omweg naar huis zouden kunnen.

         ‘Dat de ambulance niet met zijn sirene is gekomen, zegt alles,’ zei ik tegen mijn vader voordat ik weer achter hem op de fiets klom.

         ‘Dat het niet zo heel erg is, bedoel je,’ vroeg hij, ‘toch?’

         Ik knikte nogmaals, zonder dat hij me kon zien. Daarom wilde ik hem vanachter zijn rug iets vragen waardoor hij echt helemaal opgelucht kon ademhalen, want alsof zijn zoontje al lang weer aan heel iets anders dacht.

         Of hij wist dat de bomen waar de Acaciastraat naar was genoemd de meest voorkomende in de Sinaï waren, waar God Mozes opdroeg een tabernakel van acaciahout te laten maken.

         Maar hoe kon hij daarop antwoorden? Want hoe zou ik, zonder al vlot te kunnen lezen, die vraag toen al hebben kunnen stellen? En zou het hout dat Abraham kloofde voor het brandoffer van zijn bloedeigen enige zoon niet eveneens van de acacia zijn geweest?

         Ik moest er niet aan denken! Straks bracht ik hem nog op ideeën… Dus vroeg ik gauw of hij dokter Rahier ook net had gezien.

         Nee, ook dat vroeg ik niet, want juist de stelpende aanwezigheid van Alphonse Rahier, onze huisarts die in de Eerste Wereldoorlog zijn bloederig Waals Gewest was ontvlucht, zou verraderlijk zinledig zijn geweest.

         In plaats ervan vroeg ik hoe dokter Rahier een vrachtwagen zou hebben genoemd.

         ‘Een camion,’ riep mijn vader.

         Triomfantelijk, omdat hij een machinebankwerker was die het wist!

        

‘Een camion!’ riep ik bijna juichend tegen mijn moeder die in de opening van de keukendeur stond, ongerust over ons schemerige uitblijven. Dat mijn zusje al sliep, zei ze, als verweet ze ons iets.

         Ik ging naar boven, naar mijn eigen kamer, om mijn vader met haar te laten praten en haar vrijelijk haar hand voor haar mond te kunnen laten slaan.

         Verder wens ik me van die avond niets meer te herinneren.

         Niets!

         Zelfs geen boterham met roze kokosbrood als die me om de een of andere reden niet gesmaakt mocht hebben. Hooguit dat mijn vader nadien nog een keer omhoog kwam, stilletjes, om me fluisterend te willen doen geloven dat ik misschien een broertje krijgen zou.

         Maar ik had hem horen komen, zodat ik me, wist hij, diep slapende kon houden onder mijn strakgetrokken laken. De opgevouwen sprei en de poolherten in de kast luisterden mee tot hij de trap af was.

         Toen lag ik weer op mijn buik en lieten mijn wijs- en middelvinger tussen de overgordijnen opnieuw een spleet ontstaan waarin ik zag hangen wat de camion in de waarheid van zijn duisternis had vervoerd: die vlekkerige volle maan.

         De mensheid wilde ernaartoe. Omdat daar nog nooit iemand of iets was doodgereden?

         De volgende ochtend keek mijn moeder me eerst raar aan en toen nog vreemder ver weg, terwijl ze over haar buik streek.

         Ik heb van die dag nog altijd het stompje politiekrijt dat ik in de straatgoot vond.

         Alle markeringen waren weggeschrobd, alleen om een donkere, als een vlek ingetrokken mare was een maanwitte cirkel op het wegdek blijven staan.

 

© HB 1990