Over de doden niets dan goeds,
wordt gezegd. Eigenlijk zou ik dan moeten zwijgen bij het overlijden van Cees
Nooteboom. Maar alleen al het ogen van de samenstelling ‘eigen’-‘lijk’ maakt me
opstandig en geeft me het gevoel dat ik me zelf laat kisten door te zwijgen.
Bovendien bestaat er nog een andere dooddoener: eind goed al goed. Dus…
Cees Nooteboom heb ik nauwelijks of niet gekend. Maar in
1982 publiceerde ik in het literaire periodiek Nieuw Vlaams Tijdschrift een kritisch stuk over de toekenning aan
en het in ontvangst nemen door Nooteboom van de door een groot olieconcern
ingestelde Pegasusprijs.
https://www.dbnl.org/tekst/_nie010198201_01/_nie010198201_01_0115.php
Wanneer ik die tekst nu
teruglees, kan ik me nog steeds in mijn redenering en optiek vinden, en dat
terwijl er nog niet eens sprake in is van verzet tegen het winnen en gebruiken
van fossiele brandstoffen.
Of Nooteboom dat artikel toen ook gelezen heeft? Het zou
zomaar kunnen.
Het werk zelf van Nooteboom hield ik niet zo bij. Maar toen in
2004 zijn Paradijs verloren
verscheen, raakte ik licht verbijsterd door de lectuur ervan: mijn
leesbegeleidend potlood moest herhaaldelijk worden bijgepunt en slonk dus
zienderogen. Wat was dat proza gammel geschreven (en slecht geredigeerd)!
Dat ik dit boek destijds las zal
ongetwijfeld te maken hebben gehad met het feit dat ik kortstondig, dat wil
zeggen in 2004 en 2005 dezelfde uitgever als Nooteboom had. Op een borrel bij
uitgeverij Atlas heb ik de toen verse P.C. Hooftprijslaureaat ook even gesproken.
Ik herinner me dat het niet bepaald een gesprekje was waarin het klikte.
En dan is het al gauw 2006. In een restaurant aan de
Amsterdamse Van Baerlestraat, op loopafstand dus van uitgeverij De Bezige Bij
waar tevoren een speciale boekuitgave ten doop was gehouden. Het doet er hier
even niet toe waarom ik voor die viering en het aansluitende etentje was
uitgenodigd. Maar ik was wel zo vrij of vrijpostig geweest om een heel
goede en dus betrouwbare vriend, met wie ik eerder die dag had afgesproken, als ongenode gast mee te nemen. Allerminst toevallig dook Cees
Nooteboom in Brasserie Van Baerle op. En wat vernam ik naderhand dat de naarling mijn
metgezel retorisch had gevraagd? Wat die in hemelsnaam ‘in die Beurskens’ zag.
Maar zoals immer vloog de tijd. En op een gegeven moment hadden Cees Nooteboom en ik nog eens (deels) dezelfde uitgever. Met als gevolg
dat ik in 2020 Nootebooms toen net verschenen poëziebundel (of gedicht) Afscheid in handen kreeg en dat ik die
uitgave echt zo goed vond dat ik er een grondige bespreking aan wijdde.
Weerom iets over Nooteboom in een Vlaams periodiek, dit keer in Dietsche Warande & Belfort, maar nu juist
lovend.
https://www.dwb.be/lees/literaire-kritieken/699074_afscheid-van-cees-nooteboom
‘Beste Huub Beurskens, heel hartelijk dank voor de
uitvoerige en mooie bespreking, die bovendien tot nu toe de enige is voor zover
ik weet.’
Ja, dat schreef hij me nog geen zes jaar geleden in een vrij lange e-mail.
Ook dit: ‘Inmiddels had ik al van een paar mensen, zoals Philippe Noble die het gedicht in het Frans vertaald heeft, loftuitingen over Uw stuk in de Dietsche Warande gehoord.’ En: ‘Het is vrij zelden dat mijn poëzie zo besproken is dat ik mijzelf en wat mij bewogen heeft er in herkende.’
Toch jammer, hè?
Wat?
Ik weet het niet goed, maar eh, zo veel...
Ja, zo veel.

