dinsdag 17 februari 2026

SCHULD EN ONVERMOGEN

Wanneer mag je een schrijver van literair proza een evidente kennis- of waarnemingsfout of een taalgedrocht persoonlijk aanrekenen?

         De vraag diende zich weer eens aan toen ik las dat iemand stelde dat Vladimir Nabokov een wanstaltige metafoor had afgeleverd door ‘in De gave “de bevrijding van de ziel uit de oogkassen van het vlees” te verheerlijken.’

         Een monstertje inderdaad. Nabokov onwaardig ook, vond ik. Dus ging ik op zoek naar die beeldspraak. Om bij deze passus in hoofdstuk vijf van The Gift uit te komen (hier met onderstreping en vet van mij):

When the French thinker Delalande was asked at somebody’s funeral why he did not uncover himself (ne se découvre pas), he replied: “I am waiting for death to do it first” (qu’elle se découvre la première). There is a lack of metaphysical gallantry in this, but death deserves no more. Fear gives birth to sacred awe, sacred awe erects a sacrificial altar, its smoke ascends to the sky, there assumes the shape of wings, and bowing fear addresses a prayer to it. Religion has the same relation to man’s heavenly condition that mathematics has to his earthly one: both the one and the other are merely the rules of the game. Belief in God and belief in numbers: local truth and truth of location. I know that death in itself is in no way connected with the topography of the hereafter, for a door is merely the exit from the house and not a part of its surroundings, like a tree or a hill. One has to get out somehow, “but I refuse to see in a door more than a hole, and a carpenter’s job” (Delalande, Discours sur les ombres, p. 45). And then again: the unfortunate image of a “road” to which the human mind has become accustomed (life as a kind of journey) is a stupid illusion: we are not going anywhere, we are sitting at home. The other world surrounds us always and is not at all at the end of some pilgrimage. In our earthly house, windows are replaced by mirrors; the door, until a given time, is closed; but air comes in through the cracks. “For our stay-at-home senses the most accessible image of our future comprehension of those surroundings which are due to be revealed to us with the disintegration of the body is the liberation of the soul from the eye-sockets of the flesh and our transformation into one complete and free eye, which can simultaneously see in all directions, or to put it differently: a supersensory insight into the world accompanied by our inner participation.” (Ibid. p. 64). But all this is only symbols – symbols which become a burden to the mind as soon as it takes a close look at them…

 

Meteen is duidelijk dat het niet de verteller is aan wie die oogkassenmetafoor mag worden toegeschreven. De ‘ik’ citeert hier namelijk uit een publicatie van een zekere, dat wil zeggen de door Nabokov bedachte Delalande! (Die ook even opduikt in Nabokovs Uitnodiging voor een onthoofding.) En de verteller in De gave besluit zijn aanhalingen uit het werk van deze Delalande met de aanmerking dat het hier louter om symbolen gaat, symbolen die bovendien nogal bezwaarlijk worden zo gauw je ze op de keper gaat beschouwen…

         Met andere woorden, de mank gaande metafoor wordt door de schrijver juist bewust en functioneel ingezet.

         Zo kan een evidente, maar door de schrijver bedoelde fout juist goede informatie geven. In Lolita bijvoorbeeld meent de protagonist ergens dat hij tegen de schemer kolibries bij bloemen ziet verschijnen waar het pijlstaartvlinders zouden moeten zijn. Als iemand deze fout níet zou maken, dan wel vlinderkenner Vladimir Nabokov. Maar, weet u, zegt die passage voor de goede verstaander, de hoofdpersoon van Lolita is niet Nabokov, hè…

         Wat Nabokovs vertellers wél van hun auteur hebben is de behoefte, kunst en kunde om stilistisch zo briljant mogelijk te componeren en te formuleren. En nu ik dit zo stel moet ik opeens weer denken aan Christel van Boheemen.

         Zij was een korte tijd een van mijn mederedacteurs bij De Gids. Hoogleraar Moderne Engelse Letterkunde. In een gesprek dat we hadden beweerde ze op een gegeven moment dat – ik parafraseer – een gewone, in de zin van doorsnee haven- of fabrieksarbeider geen vertellende instantie van een literaire roman kon zijn, eenvoudigweg of alleen al omdat die niet literair compositorisch en stilistisch met taal kon omgaan.

         Geboren als zoon van een Limburgse machinebankwerker voelde ik me even zelf weggezet, dat herinner ik me nog. Al was het haar bedoeling niet. En toen dacht ik: maar als ik nu als schijver in een roman mijn vader uit mijn kinderjaren de verteller zou willen laten zijn, dan kan dat dus eigenlijk niet wanneer die roman voldoende artistiek gewicht moet hebben...? En in dezelfde gedachte voegde ik er nog een ‘Verdomme!’ aan toe.

         Had zij gelijk? En zo ja, hoe kon je toch aan dat gelijk ontkomen? Ik heb er vaak over nagedacht. Maar ik weet het, geloof ik of hoop ik, nog steeds niet.

         Geen haven- of fabrieksarbeider intussen die daarvan wakkerligt.