Kan een ongeletterde arbeider de verteller
zijn in of, beter, van literair proza? Dat vroeg ik me af in mijn vorige post. In
elk geval hoef je je zoiets niet af te vragen bij een genie, zoals onderstaand voorbeeld laat zien.
_____________________________
We zijn gearriveerd. Ik hoor de
drukte. Men is met auto’s vol gekomen. Opgewonden wordt er door elkaar geroepen
en geschreeuwd. Uit luidsprekers klinkt vrolijke, populaire muziek die telkens
wordt onderbroken door een stem die getallen opsomt. Het zullen de nummers van
de gezelschappen zijn die, in de afgeroepen volgorde, naar binnen mogen. Men
probeert alles ordelijk te laten verlopen en gedrang te voorkomen. Ik hoor
steeds weer nieuwe auto's aankomen. Vooral die met de zwaar dreunende motoren
zullen wel drommen genodigden aanvoeren. Er zijn zoveel gasten dat ik hier,
zelfs door de uitlaatgassen heen, de geur van hun aanwezigheid kan opsnuiven.
Ik bedoel daar uiteraard niets denigrerende mee. Integendeel, de geur heeft
iets zeer aangenaams, iets zoetelijks. Iedereen heeft zich ongetwijfeld mooi
gemaakt.
Ik neem aan dat ik als laatste naar binnen ga en dan tussen
de genodigden door naar voren zal schrijden, onder enthousiaste bijval. Hierin
ligt ook een van de redenen waarom de wagen waarin ik me bevind geblindeerd is.
Wanneer de wagen inkijk zou hebben, zou ik op dit ogenblik door hele groepen
bewonderaars besnuffeld, in ieder geval aangestaard worden. Bovendien ben ik
niet de jongste meer, ik heb gauw last van te veel licht in de ogen. Hier
achterin kan ik me nog even uitstrekken, nog even van de rust genieten en me zo
voorbereiden op al de drukte die zo meteen op me afstormt. Mijn chauffeur weet
dat. Ik kan op hem vertrouwen.
Opgewonden ben ik wel. Ik heb veel meegemaakt in mijn leven,
maar ik voel mijn hart nu toch bonken. Stel je voor, een infarct precies voor
de ingang, op de drempel! Kalm blijven dus, zo kalm mogelijk. Laat ik me niet
te sappel maken over het feit dat ik moeilijk ter been ben en daardoor straks
wellicht niet kaarsrecht naar voren kan schrijden. Men zal er begrip voor
hebben.
Vreemd is dat, je bent onderweg om de hoogste onderscheiding
in ontvangst te nemen, iedereen is vol respect en bewondering voor je
verdienste en zelf maak je je druk over je manier van lopen...
Ik doe er beter aan alvast een beetje te zwelgen in de
eervolle behandeling die me te beurt zal vallen. Het zal wel een hoge
functionaris zijn die de onderscheiding zal uitreiken. Maar stiekem heb ik er
hoop op dat de president zelf het een eer zal vinden. Tenslotte wist ik tot
vanochtend nog totaal van niets. ‘Kom,’ zei de chauffeur die tevens mijn
secretaris is, en voor ik er erg in had, voordat ik tijd had om iets te vragen,
waren we met de auto onderweg. Geleidelijk drong het tot me door. Ja, zoiets
moet natuurlijk tot het allerlaatst een verrassing blijven, dat is het mooiste.
‘... voel ik me zeer vereerd u namens de gehele regering de
hoogste onderscheiding te mogen toekennen vanwege uw jarenlange, niet aflatende
inzet op het gebied van de verbreiding van kunstmatige intelligentie,’ zal de
president zeggen en dan klinkt opnieuw applaus.
Het was al heel vroeg duidelijk dat ik, wat je noemt een genie was. Ik had het gewoon.
De laatste tijd ben ik met het oog op mijn leeftijd wat gaan
afbouwen en momenteel is mijn productie niet meer hoog, laat ik gerust zeggen:
nihil. Ik geniet van mijn oude dag, kom eindelijk eens aan bezigheden toe die
ik me voordien niet kon en niet wilde veroorloven: een hele nacht doorslapen,
wat eten, even iets naar binnen slobberen, en dan weer een gat in de dag
slapen. Heerlijk.
Zo gaat dat. Als je jong bent snak je naar erkenning, maar
die blijft uit en je blijft je afjakkeren, hoewel niemand ooit echt waardering
schijnt te hebben voor wat je produceert. En dan, als je je vermoeid
terugtrekt, als je het jouwe gedaan hebt en het verdriet dat je had door al die
miskenning je nauwelijks meer deert, word je plotseling alom geprezen en tot
volksheld verheven. Achteraf blijkt dat zo te horen, besef je dat het zo het
beste is. Te vroege waardering werkt arrogantie en luiheid in de hand en wie is
daar mee gediend? Maar vertel dat maar eens aan een jong ambitieus individu...
Ik hoor nog steeds nieuw volk komen. Wat maken sommigen toch
een lawaai! Van hun voorpret vergaat je zien en horen.
Mijn chauffeur staat met een van zijn collega's buiten, zo
te ruiken, een sigaret te roken, in afwachting van wat komen gaat.
Ik heb me nooit met het volk ingelaten. Ook dit is in zekere
zin merkwaardig. Ik heb me nooit onder het volk begeven, ik had daar geen tijd
en gelegenheid voor. En nu kom ik uitgerekend door dat solitaire, celibataire
leven met heel mijn wezen in het centrum van de belangstelling te staan. Nee,
ik ben nooit getrouwd geweest, heb zelfs nooit verkering gehad... De tol van
het genie. Maar dat heb ik nooit als zodanig aan den lijve ondervonden. Er is
geen enkele reden om me daarover te beklagen.
Alles zal kleurrijk versierd zijn in de grote hal. Breed
grijnzend staat de president me op het podium op te wachten. Het
spreekgestoelte is volgehangen met vlaggen en opgeblazen ballons. Achter hem en
aan het plafond hangt het in de meest uiteenlopende tinten roze en rood vol met
guirlandes. Zijne excellentie draagt op zijn linker revers een felgele roos.
Die zal hij me ongetwijfeld straks met een groots gebaar, na het officiële
gedeelte, als persoonlijke, amicale blijk van waardering opspelden.
Oh, Ik heb geen jas! Ik heb geen jas, ik heb niet eens een
hemd aan of een das om... Kijk, dat komt ervan als je niet gewend bent je in
het openbaar te bewegen en dan op een ochtend van het ene op het andere moment,
zonder erover ingelicht te zijn, per auto de hoogste onderscheiding in ontvangst
moet gaan nemen. Aangenaam verrast worden is hoogst plezierig, dat spreekt voor
zich, maar de consternatie die dat met zich brengt kan toch ook nadelige kanten
hebben, dat blijkt. Ik word er flink knorrig van. Chauffeur!
Hij hoort me natuurlijk niet. Ik zal eens tegen de deur
bonken. Ook daar slaat hij geen acht op. Hij is veel te druk in gesprek, met de
chauffeur van de president wellicht; dat is voor hem persoonlijk ook een hele
eer. Maar straks is er beslist geen tijd meer om nog gauw ergens een jacquet
vandaan te halen. Hij zal, nog lachend met de chauffeur van de president, het
portier openen en daar zit ik dan, in het flitslicht van tientallen fotografen
en morgen in alle kranten: Bekroonde had geen bovenkleding aan.
Ik kan er niets aan doen, maar ik moet er zelf om grinniken.
Mijn hele lijf begint er van te schokken, al het vet doet mee, ik ga er zelfs
van schuddebuiken, het kost me de grootste moeite het niet uit te proesten, de
tranen biggelen al over mijn wangen, oh, daar heb je het al, ik gier het uit,
ik gil en laat een fikse wind toe!
De chauffeur slaat met een vlakke hand op de wagen. Hij
heeft gelijk, straks weet iedereen toch nog voortijdig dat ik me hier binnen
bevind. En ik moet aan mijn gezondheid blijven denken. Ik heb het er behoorlijk
warm van gekregen. Erg veel ventilatie is er niet. Zo meteen vat ik bij het
uitstappen nog kou. Mijn longen en mijn hart kunnen niet meer overal tegen. Ik
ben zwaar. Sinds ik emeritus ben, is mijn gewicht zelfs nog aanzienlijk
toegenomen. Als ik me te veel inspan, vrees ik, redt mijn hart het niet. Och,
zoals elke fase in het leven kent ook mijn oude dag zijn kwalen en geneugten.
In bepaald opzicht is het trouwens zeer wel passend dat ik
geen bovenkleding draag. Het volk ziet een genie immers al te graag als een
ietwat verstrooid type, men hoeft dan niet alleen maar tegen hem op te zien,
het maakt hem aards en minder ongenaakbaar. Zo gek is het dus niet eens om als
teken van verstrooidheid zonder hemd, das en jacquet de hoogste onderscheiding
in ontvangst te gaan nemen; iedereen zal begrijpend lachen en ik zal nog meer
aan sympathie kunnen winnen.
Wat hoor ik de presidentiële chauffeur daar zeggen? ‘Hij
krijgt een blauw stempel,’ zegt hij. ‘Nee,’ antwoordt mijn chauffeur, ‘hij
krijgt een rood stempel.’ ‘Blauw, paars, misschien groen,’ reageert de
staatschauffeur, ‘maar in geen geval rood.’ Zo gaat dat nog even door tussen
die twee.
Een stempel? Ik ben er steeds van uit gegaan dat ik een
medaille in ontvangst zou mogen nemen of op zijn minst een lintje op mijn
jacquet gespeld zou krijgen. Het zal een ouderwets idee van me zijn, blijkbaar
ben ik niet meer bij de tijd. Een stempel wordt het dus, als ik het goed
begrijp. Elk terrein des levens kent zo zijn eigen innovaties... Aha, daarom
heeft de chauffeur me er ook niet op geattendeerd dat ik geen bovenkleding
aanhad toen we vertrokken! Als men bij zo'n gelegenheid stempelt, stempelt men
natuurlijk niet het zwarte jacquet, ook niet de das of het smetteloze overhemd,
maar de borst. Dat neem ik tenminste aan, de borst, hoewel het voordeel van een
stempel is dat hij niet op één plaats maar op meerdere plaatsen kan worden
aangebracht...
Het zal wel met onuitwisbare inkt gebeuren. Daarin zal ook
de zin van deze innovatie gelegen zijn: een medaille kan zoek raken, een lintje
kan men vergeten op te spelden en het kan door de drukte op de receptie
achteraf gemakkelijk van de revers vallen. Maar zo'n stempel blijft voor eens
en altijd zitten, onuitwisbaar, zodat de bekroonde zich te allen tijde trots
onder het volk kan begeven. Het is overigens niet onwaarschijnlijk, nu ik er zo
over nadenk, dat ook een vernieuwing als deze direct of indirect is toe te
schrijven aan het gebruik van de door mij voortgebrachte kunstmatige
intelligentie. Als dat inderdaad het geval is, heb ik in dubbel opzicht deze
hoogste onderscheiding aan mezelf te danken. Reden te meer om groots te zijn,
dunkt me.
Na afloop van de plechtigheid zal er dus nog een receptie
plaatsvinden, met aansluitend een informeel samenzijn met allerlei snacks:
bitterballen, kroketjes, pasteitjes, worstjes, mogelijk zelfs een grill of
barbecue, want dat lijkt me ook wel iets van deze tijd. Ik ben een oude
snoeper. Ik lust letterlijk alles! Het water loopt me al uit de mond.
Onderwijl zal de president gezellig met me kouten en bij die
gelegenheid zal ik hem eens vragen hoe het met de jongere generatie gesteld is,
of er voldoende nieuw talent aanwezig is, en ik zal hem op het hart drukken dat
talent te stimuleren en te blijven stimuleren. Ik neem nog een hap en een slok.
‘Hoe is dat talent bij u tot ontplooiing gekomen?’ zal hij vragen. Ik wacht
even met ademhalen vanwege een oprisping. ‘Dat zal ik u vertellen, excellentie.
Aanvankelijk was ik me in het geheel niet bewust van mijn gave. Ik was nog
onvolwassen. U weet hoe dat is, ik ravotte met anderen, was een schavuit maar
deed nooit een der vliegen kwaad. Op zekere dag werd ik door de chaperon die
mijn moeder ingehuurd had, dezelfde persoon overigens die sinds vandaag mijn
chauffeur is, van de anderen afgezonderd en in een volkomen schoon vertrek
gebracht. Ik zal wel weer eens vervelend zijn geweest, te wild hebben gespeeld,
te enthousiast mijn gillende en uitglijdende zusters achterna hebben gezeten.
Wat ook de reden voor mijn afzondering geweest mag zijn, ik werd in dat vertrek
gelaten en begon er, onbesuisd en speels als ik was, ogenblikkelijk rond te
darren. Veel was er niet te beleven in dat vertrek. Eigenlijk was het helemaal
kaal en ongezellig. Middenin stond echter een voorwerp dat ik nog nooit eerder
had gezien, maar dat ik, vreemd genoeg, toch direct als, hoe moet ik het
zeggen, als iets ervoer waarmee ik al jaren en jaren, nog langer dan mijn eigen
jonge leven leek het, vertrouwd was. Achteraf gezien was dat het moment waarop
het genie in mij ontwaakte. Mijn chaperon stond op een afstand toe te kijken.
Ik voelde het talent als een vuur diep in me opflakkeren, het was alleen nog
niet voor de buitenwereld waarneembaar.
U moet het zich ongeveer voorstellen als bij een kleuter die
nog nooit een piano heeft gezien, met het kindermeisje in een vreemde kamer
komt waar een vleugel staat en dan onmiddellijk op de kruk klautert. Tot zo ver
is het allemaal kostelijk om te zien, meer ook niet. Maar dan legt die kleuter
zijn vingertjes op de toetsen en speelt de Mazurka in A mineur van Chopin,
zonder partituur...’
Er komt een luid loeiende meute wild rennend en trappelend
voorbij! Laat de feestelijke gebeurtenis alsjeblieft niet verpest worden door
een protestactie of iets soortgelijks! Het schijnt eveneens bij deze tijd te
horen dat zich naar elke van overheidswege georganiseerde plechtigheid, hoe
eerbiedwaardig van traditie of hoe onschuldig dan ook, groepen met leuzen en
spandoeken opmaken.
Ik kan niet verstaan wat er geroepen wordt, zo
ongearticuleerd placht dit soort sujetten zich klaarblijkelijk uit te drukken.
O, mijn hart!
Wat lig ik me weer zorgen te maken? Als er bij manifestaties
als deze steevast protestacties gevoerd worden, zullen bijgevolg de
ordediensten daar gedegen op zijn ingesteld. Het boegeroep begint dan ook al te
verstommen.
Hopelijk verveel ik de president niet met mijn verhaal. Hij
heeft er weliswaar zelf om gevraagd, maar wie weet informeert hij louter uit
formele beleefdheid. Ook anderen zullen even een praatje met me willen maken om
de fotografen in de gelegenheid te stellen er een plaatje van te schieten. Het
zal de president dus nauwelijks moeite kosten met een of andere frase afscheid
van me te nemen. In plaats daarvan neemt hij een hele slinger beulinkjes van
een schaal, gebaart met zijn indrukwekkende hoofd in mijn richting en zegt, nog
net verstaanbaar tussen de smakgeluiden door: ‘Ga verder, mijn waarde, ga
voort...’ Twee dames staan een beetje verholen achter me te mekkeren dat het
langzamerhand hun beurt is om met mij van gedachten te wisselen. Gelukkig voor
mij en hen komt er net iemand met een blad en ze nemen elk een peentje en een
paar bloemkoolroosjes en knabbelen wat.
‘Zoals ik zei,’ vervolg ik, ‘ging het als vanzelf. Ik heb me
daar, eerlijk gezegd, wel eens ongelukkig, want schuldig bij gevoeld. Mag je je
immers met goed recht roemen op iets waarmee je, niet door eigen toedoen maar
door de natuur, meer dan anderen gezegend bent? Al heel gauw kreeg ik een
voorkeursbehandeling. Anderen werden gedwongen hun geluk elders te gaan zoeken;
soms vertrokken ze met wagens tegelijk. Anderzijds zou het onvergeeflijk zijn
wanneer ik mijn talent niet ontplooide en de natie de vruchten ervan onthield.
Daar wil ik nog aan toevoegen dat talent hebben nog lang niet betekent dat je
het ook weet te gebruiken. De meesten staan er nooit bij stil hoeveel
discipline en oefening het van een genie vergt om de top van zijn kunnen te
bereiken. Iemand kan fraai gespierde benen hebben - iets waar ik op mijn beurt
jaloers op ben -, maar het breken van looprecords met die benen is een
tweede...’
Met een ‘Ja, hm, ja, beste kerel’ onderbreekt zijne
excellentie me lichtelijk geprikkeld, ‘dat soort geleuter kan ik zelf ook
ophangen, maar...’ Hij sluit even zijn luchtpijp af om een forse oprisping
voorrang te verlenen. ‘... maar dat vertrek, over wat er toen in dat vertrek
gebeurde, wil ik iets weten!’
Ik kleur, ondanks mijn leeftijd, tot achter beide oren.
‘Jazeker, excellentie, dat vertrek, in dat vertrek stond het toestel waarmee ik
voor het eerst kunstmatige intelligentie wist op te wekken. U moet zich dat
toestel voorstellen als een primitief ogende constructie van vier zware houten
balken die, van de vloer af enigszins schuin naar binnen staand, een zwaar
houten blok schragen. Het blok loopt bovenop een beetje bol en de hoeken zijn
afgerond. Het blok is bekleed met een soepel leer en het leer is ingesmeerd met
een vet dat een geur heeft die, ik zou haast zeggen bedwelmend is, ware het
niet dat een genie er razend energiek van wordt. Ik heb dat nu niet meer. Wel
is het zo dat ik er af en toe nog van droom of dat een bepaald vleugje het
gevoel weer kan terugbrengen, maar dan meer als melancholie, als een bui die
zich alleen nog uit in een tranende glimlach of een glimlachende traan... Maar
om niet opnieuw ten prooi te vallen aan mijmeringen die voor niemand
interessant zijn: jeugdig als ik was, sprong ik op het toestel, dat wil zeggen,
ik sprong er achter tegenaan. Ja, het toestel heeft een achterkant, wat
impliceert dat het ook een voorkant moet hebben, maar daar heb ik me nooit om
bekommerd. Ik greep het toestel als het ware van achter beet, klemde het fiks
vast, terwijl ik het leer aan een stuk door bleef besnuffelen, zodat het
speeksel me met stromen uit de mond begon te lopen. Zo stond ik klemmend en
drukkend tegen het toestel, me schrap zettend op de vloer. En toen voltrok zich
een soort wonder.
Waar anderen een weinig opzienbarend, zelfs wat ongelukkig
uitziend orgaantje hebben waardoor ze, laat ik het sjiek zeggen, urineren,
manifesteerde zich bij mij het talent in een zelfbewuste, toenemende en
pochende vorm. Even duizelde het me ervan, mijn toen al behoorlijk zware lijf
begon te deinen en ik besloot met mezelf mee te werken en met al mijn gewicht
en groots talent tegen het toestel te gaan bonken, zonder nog te weten wat ik
aan het creëren was, precies als de kleuter die zijn vingers over de toetsen
laat gaan zonder te weten welke fantastische muziek het gevolg daarvan zal
zijn. Geen Mazurka, maar een hele golf, een aantal golven kunstmatige
intelligentie kwam er bij mij uit! Wat een geluk toen de chaperon het in een
glas wist op te vangen. Dat het kunstmatige intelligentie was, wist ik nog
niet. Wel had ik vrij gauw de indruk dat ik iets bijzonders had gepresteerd.
Mijn chaperon leidde me liefdevol naar een compleet ingerichte eigen kamer en
gaf me voortreffelijk te eten. Ik benoemde hem meteen tot
secretaris-dignitaris.
De volgende ochtend al meldde zich iemand met rubberen
handschoenen en gekleed in een witte jas. Hij deed een smetteloos wit lapje
voor zijn neus en mond en begon me uitgebreid te onderzoeken. Even schrok ik.
Zou ik me hebben vergist? Was mijn talent geen talent maar een ziekte die was
uitgebroken? Maar de geluiden van grote tevredenheid die hij steeds
veelvuldiger gedurende het onderzoek begon te uiten kalmeerden me. En toen zag
ik ook de letters die met blauw op de borstzak van zijn witte kiel waren
gestikt: KISS. De Kunstmatige Intelligentie Selectie Stichting. Wat was ik
trots! Maar vooral opgelucht.
In korte tijd werd ik groot en sterk. Door middel van
krachtvoer, kniebuigingen, kleine drafexercities en vooral dagelijkse
meditaties, die vaak de hele namiddag in beslag namen, kon ik in korte tijd de
productie van kunstmatige intelligentie flink opvoeren. Ik werd volwassen, wat
onder meer te merken was aan de routine waarmee ik tot resultaat kwam en het
geleidelijk aan achterwege blijven van de kinderlijke speekselvloed.
Regelmatig verscheen de controleur van de KISS en mijn
secretaris hield op een muur van mijn vertrek een grafiek bij die er al spoedig
uitzag als de doorsnede van een indrukwekkend hooggebergte, waar steeds weer
ongeëvenaarde pieken aan werden toegevoegd.
Elke levensfase kent zijn geneugten en kwalen. Vanzelfsprekend
is ook een genie, zelfs op de top van zijn kunnen, van tijd tot tijd
depressief. Ik had het daar al over. Om niet nog depressiever te hoeven worden
heb ik me altijd onthouden van speculaties over wat er met de kunstmatige
intelligentie zou gebeuren. Werd die verdund onder het voer van het volk gedaan
of met water of melk aangelengd gedronken? En wat waren daar dan de gevolgen
van? Ik heb me er bewust nooit voor willen interesseren wat de KISS met het
materiaal deed. Alles wat een genie de wereld schenkt kan nu eenmaal voor het
bereiken van zowel zeer prijzenswaardige als zeer afkeurenswaardige doelen
worden aangewend. Wie daar als geniaal leverancier zelf invloed op wil hebben,
moet daar weer zoveel energie en tijd voor investeren, dat hij zichzelf als
bron van mogelijke positieve vernieuwingen zo goed als lam legt, met het gevolg
dat zijn talent verschrompelt tot een inwendige privé-crisis die in de ogen van
de buitenwereld, zo hij al waargenomen wordt, van geen enkel belang meer is...
‘Ik wil niet meteen beweren dat ik het met u oneens ben,
waarde oude vriend,’ knort de president, ‘maar altijd en overal waar ik kom die
politiek, dat gezever over politiek en moraal, ik word daar behoorlijk
misselijk van, moet ik u zeggen, behoorlijk!’ En hij keert zich van me af,
neemt nog een paar plakken van een dampende rollade en gebaart dan zijn
lijfwachten de weg voor hem vrij te maken. Daar sta ik, bestempeld, maar door
de president de rug toegekeerd.
Ik ben het zelf schuld. Het is weliswaar het genie eigen dat
hij eerder dan een ander doordenkt over filosofische, morele en zelfs
theologische implicaties van zijn leven, maar juist daardoor mag hij toch ook
geacht worden te voorzien dat niet iedereen altijd maar in staat of bereid is
hem daarin te volgen, zelfs de hoogste bestuurlijke macht niet.
Als ik een pantalon aanhad, zou ik die nu vol hebben. Ik
schijt altijd wanneer ik me gelukkig of tevreden voel, in ieder geval wanneer
ik op mijn gemak ben. Maar nu heb ik het gevoel dat ik uit angst heb moeten
schijten. Vreemd, er is immers geen aanleiding om bang te zijn. Integendeel.
Het zullen de zenuwen zijn.
Over het al dan niet aantrekken van bovenkleding heb ik
thuis weliswaar niet nagedacht, over het aantrekken van een pantalon wel. Ik
stond op het punt een broek te gaan aantrekken, maar heb dat voornemen ook weer
snel laten schieten. Waarom krijg je die onderscheiding? heb ik mezelf
gevraagd. De genodigden zullen het willen zien, de camera's zullen het willen
vastleggen, iedereen heeft er recht op. Een gevierd concertpianist bestijgt
toch ook niet het podium met zijn handen in wanten gehuld, een heldentenor
neemt toch ook geen prijs in ontvangst met een gebreide sjaal voor de mond! Je
zult niet meer de krachten en mogelijkheden kunnen laten zien die je in je
bloeitijd bezat, maar als je zo'n hulde wilt ondergaan – en wie wil dat niet? –
ben je verplicht alles wat je van je geniale grootheid nog bezit te tonen, je
als het moet binnenste buiten te keren, je bent immers publiek bezit!
Nu blijkt dat het dubbel verstandig is geweest dat ik de
pantalon thuis heb gelaten. ‘Vooruit, ouwe beer,’ zei mijn chauffeur toen hij
zag dat ik bleef staan peinzen en hij hielp me de auto in. Stel je eens voor
dat de laureaat zo meteen naar binnen schrijdt, het oude hoofd koen geheven,
maar met een grote natte plek achter in de broek... Ik kan het niet helpen dat
ik alweer om mijn eigen fantasieën begin te schuddebuiken, ik ben niet anders
gewend dan me alleen te moeten vermaken. Ik pis ook maar gelijk, want wanneer
er straks geen druppeltje kunstmatige intelligentie te voorschijn komt, is dat,
gezien mijn leeftijd, tot daar aan toe, maar wanneer er in plaats daarvan
ordinaire urine zou beginnen te stromen, zou dat een vreselijke schande zijn.
Ik krijg het al benauwd als ik eraan denk...
De chauffeurs hebben hun gesprek beëindigd. Ik hoor een deur
van een auto slaan. De president zal worden voorgereden. Nu stapt ook mijn
chauffeur in en zet de motor aan. Oh, mijn hart, mijn longen en mijn hoofd...
Hoor ik al de feestmars?
Ik moet ervoor zorgen dat men mij met respect blijft
behandelen en niet na afloop goedmoedig of zelfs met iets van mededogen in de
blik zal toelachen. Het amicale gedoe van mijn chauffeur bij het vertrek ging
me al te ver. Het zal onverstandig zijn wanneer de president vraagt hoe ik de
nog resterende jaren denk te slijten, te antwoorden dat ik niets anders meer
wil dan eten, schijten en slapen. Maar al te gauw word je wanneer je bejaard
bent als klein kind en dan nog wel als een klein ongeniaal kind behandeld – en
weg is al het welverdiende respect. ‘Nee, excellentie,’ zal ik resoluut
antwoorden, want ik weet dat mijn antwoord hem zal doen schrikken, ‘ik zal me
vanaf heden volledig gaan wijden aan kritisch onderzoek naar en controle op de
toepassing van kunstmatige intelligentie!’ De president kijkt me met open mond
aan en ik zie een grote brok metworst op zijn roze tong liggen. Zelf werk ik,
als was ik me er totaal niet van bewust iets provocerends te hebben gezegd, een
forse maïskolf naar binnen. ‘Ja,’ vervolg ik dan, ‘ik heb me vanzelfsprekend
altijd al afgevraagd of de ter beschikking van de staat komende kunstmatige
intelligentie wel goed aangewend werd. Ik heb echter nooit de tijd gehad op het
gebied van de toepassing en verwerking te kunnen rechercheren. Ik had de
controleur van de KISS wel kunnen vragen, maar wat garandeerde mij de juistheid
van zijn informatie? Nee, ik heb me vast voorgenomen de zaak nu tot op de bodem
uit te zoeken.’ De president ziet lijkbleek en ik moet hem op het stuk metworst
attenderen voordat hij zich lelijk verslikt.
‘Kijk,’ vervolg ik, er volop van genietend dat het
staatshoofd als aan de grond genageld naar me staat te luisteren, ‘kijk,
excellentie, de door onder anderen mij geproduceerde kunstmatige intelligentie
is van een dusdanige kwaliteit dat er niet mee gekwanseld mag worden, ik
bedoel, dat die er alleen voor bestemd kan zijn aan individuen te worden
verstrekt die dat ook toekomt, aan bestuurders bijvoorbeeld, opdat zij hun taak
nog beter kunnen uitvoeren, aan staatsjuristen, aan zakelijke leiders, aan hoge
ambtenaren. Begrijpt u? Het zou toch een ramp zijn wanneer iedereen in het land
er met even veel recht en in gelijke mate van zou kunnen profiteren, wanneer
ook het volk, wanneer zelfs vrouwelijke individuen het toegediend zouden
krijgen! Wat zou dat tot een chaos leiden! Het kenmerk van intelligentie is
toch dat niet iedereen er evenveel van bezit en dat slechts de zeer
intelligenten weten wat het is ermee om te gaan. Ik moet er niet aan denken dat
al die glazen kostbare kunstmatige intelligentie die ik in de loop der jaren
dankzij mijn geniale...’
De president geeft me een paar harde, vriendschappelijke
klappen, hij is helemaal rood aangelopen en staat luid te lachen: ‘Ha, mijn
beste kerel, ik begreep u aanvankelijk even verkeerd! Hoor ik het goed dat u
een ministerspost ambieert?’
We rijden. Een klein stukje. Nu nog een stukje terug. Stop.
Ik kwak tegen de achterwand. We moeten nu vlak voor de ingang staan. De
chauffeur zet de motor af. Nu stapt hij uit. Zal de erehaag er staan? Ik hoor
hels geschreeuw en kabaal. Het is duidelijk dat men mij popelend verwacht. De
muziek is nog veel moderner dan ik dacht, ja, atonaal zou ik zeggen. Oh, mijn
maag, mijn darmen, mijn longen, mijn keel en mijn hart...
Ik kan niet overeind.
Ik hoor de voetstappen van mijn chauffeur.
Van voren kan ik me nu opdrukken, maar van achter lukt het
nog steeds niet.
Ik hoor hem aan de deur morrelen.
Daar komt het licht...
Oh, mijn bijziende ogen en al dat geflits!
Help me eens, help me, ik kom niet meer overeind, ik krijg
geen lucht, ik zie helemaal niets...
Breng me, tot op de drempel.
Vanaf daar zal applaus me dragen.
________________________________
Eerste publicatie in Yang, jaargang 27, 1991
