dinsdag 3 februari 2026

OUDE GIDSEN


Oude Gidsen: ze zijn zo goed als volop digitaal te lezen, en waarom zou je dat niet doen? Neem De Gids nummer 5 van jaargang 160 (1997). Een van de uitgaven waar ik als redacteur met plezier aan gewerkt heb en waar ik vele jaren later weer, zo merk ik, met belangstelling in lees.

         De meewerkende Nederlandstalige schrijvers – Willem Brakman, Nicolaas Matsier, Jacq Vogelaar, Pol Hoste, Gerrit Krol, Peter van Lier, Kamiel Vanhole, Oek de Jong, K. Schippers ­– kregen per post als verrassing en opgave een verpakt blikje sardientjes in huis. De vraag was… Enfin, lees de inleiding die ik schreef, en dan via de link eronder de volledige inhoud van dit Gidsnummer:

 

“‘Onze kijk visie noemen / houdt in dat, voor ons, / alle objecten subjecten zijn,’ aldus W.H. Auden in I am not a camera; ‘De rol van de romanschrijver zou die van bemiddelaar zijn: door het vervormd weergeven van zichtbare zaken - die op zich niets betekenen - zou hij het “ware” dat zich erachter verbergt, oproepen,’ aldus Alain Robbe-Grillet in zijn essay ‘Du réalisme à la réalité’; als de Australische dichter Les Murray een emoe beschrijft doet hij dit door een aaneenschakeling van louter vergelijkingen: ‘Een enorm Beatles-kapsel, blond verweerd als een grasboom, / steekt een alerte periscoop op en tuurt / over struikgewas. Haar grote olivijnen eieren klikken / olieachtig tegen elkaar; haar lippen van nobel plastic / vastgeklampt in hun uitdrukking, haar schedelpluim een streep / in de mohawk-trant, gorgelt ze haar bleekblauwe luchtpijp (...)’

         Hoe kun je of probeer je als literair schrijver iets concreets te beschrijven? Wat kun je niet wat een schilder of tekenaar wél kan? En omgekeerd? In hoeverre is observatie interpretatie?

         Deze en soortgelijke vragen en mogelijke (of onmogelijke) antwoorden erop willen we, zonder uitputtend te kunnen en te willen zijn, op enkele manieren aan bod laten komen in dit nummer van De Gids.

         We hebben daarvoor een select aantal auteurs aan het beschrijvingswerk gezet. Elke schrijver die wilde meedoen ontving van ons een ‘ding’ met het verzoek dit te beschrijven. De dingen die de meewerkende auteurs uiteindelijk kregen toegestuurd waren identieke (maar wat heet hier nog identiek?) blikjes sardientjes die geopend dienden te worden alvorens men tot de beschrijving ervan kon overgaan. Ziehier de zeer diverse resultaten van onze opdracht.

         Daarnaast bevat dit nummer staaltjes beschrijvingskunst van genoemde Les Murray, van Karl Krolow en de ook al aangehaalde Alain Robbe-Grillet. We meenden er ook goed aan te doen een van de Nouvau Roman-essays van laatstgenoemde weer eens van stal te halen; mogelijk dat Robbe-Grillets opvattingen van beschrijvings- en schrijfkunst minder aan actualiteit hebben ingeboet dan veel literatuurgeschiedschrijvers ons willen doen geloven. Tenslotte doen lijvige ‘realistische’ romans het goed in het Nederlandse literaire klimaat van dit moment. Met andere woorden: komt men door nader toe te zien tot nader inzien? Of is het eerder omgekeerd? Of bestaat er wellicht weinig of geen uitzicht op ‘echt’ inzicht?

         Behalve literatuur komen in dit kader ook de beeldende kunst en de film aan bod.

         Overigens ligt het in onze bedoeling om in het najaar een soort complement van dit nummer te presenteren: in plaats van een benadering (van wie of wat?) via de buitenkant wordt er dan geopereerd vanuit de binnenkant.”


En nu dus via de link het hele inhoud: 

https://www.dbnl.org/tekst/_gid001199701_01/_gid001199701_01_0058.php#58