Bestaande uit negentien strofen in haikuvorm, voor het eerst gepubliceerd in het jaar 2000 in De Gids, over een nog elk jaar weerkerende sensatie in mijn stad en de ontmoeting daarbij met een speciaal ervoor overgekomen dichterlijke verzekeringsman.
_______________________________
O mahonia,
al voor het
wintereinde
bloei je in de stad!
Mereloogringgeel,
trossen vol
navelklokjes,
miniklokrokjes
boven zwartgroen blad.
Kijk, de
verzekeringsman
wordt ineens tevens
een andere man
die het
kantoorpand verlaat
alleen maar even
om aan je geuren
zijn gelaat op
te klaren.
‘O mahonia,’
zucht hij, ‘drie heuvels
en een wolk.
Moet u ruiken,
meneer, lelietjes
van dalen maar dan
met
kruidigheden en een...’
... zweem van rijpend fruit.
O mahonia,
over je heen
gebogen twee
volwassen kerels,
beiden met in zich
drie, vier
heuvels en een wolk –
wat een dwaas gezicht!
Midden in een stad
die een
sneeuwjacht verwacht,
zo jaagt het verkeer.
Ik wou mijn leven
laten
verzekeren maar...
‘Ik wou net lunchen.
Komt u toch eerst mee!
De naam mahonia
komt van McMahon,
een gaardenier uit
Amerika. Wist u
dat?
Negentiende eeuw.’
Ik zeg ja en nee.
We slaan onze
jaskraag op,
kijken nog eens om.
‘De blauwberijpte
zwarte bessen
straks zijn gif
voor ons, maar moet u
turdus merula
dan zien...’ O
mahonia!
In zondagspak fluit
de man. De zon schijnt
op zijn
matelot. Hij zwaait
met zijn wandelstok.
Vogelorgelzang.
Drie, vier
heuvels en een wolk.
Geen een traan. Wel wang.
‘Ik bedoel, ieder
en alles zal
vergaan, maar
juist daar leef ik van.’

