Oude Gidsen: ze zijn zo goed
als volop digitaal te lezen, en waarom zou je dat niet doen? Neem De Gids
nummer 5 van jaargang 160 (1997). Een van de uitgaven waar ik als redacteur met
plezier aan gewerkt heb en waar ik vele jaren later weer, zo merk ik, met belangstelling
in lees.
De meewerkende Nederlandstalige schrijvers – Willem Brakman,
Nicolaas Matsier, Jacq Vogelaar, Pol Hoste, Gerrit Krol, Peter van Lier, Kamiel
Vanhole, Oek de Jong, K. Schippers – kregen per post als verrassing en opgave
een verpakt blikje sardientjes in huis. De vraag was… Enfin, lees de inleiding
die ik schreef, en dan via de link eronder de volledige inhoud van dit
Gidsnummer:
“‘Onze kijk visie noemen /
houdt in dat, voor ons, / alle objecten subjecten zijn,’ aldus W.H. Auden in I
am not a camera; ‘De rol van de romanschrijver zou die van bemiddelaar zijn:
door het vervormd weergeven van zichtbare zaken - die op zich niets betekenen -
zou hij het “ware” dat zich erachter verbergt, oproepen,’ aldus Alain
Robbe-Grillet in zijn essay ‘Du réalisme à la réalité’; als de Australische
dichter Les Murray een emoe beschrijft doet hij dit door een aaneenschakeling
van louter vergelijkingen: ‘Een enorm Beatles-kapsel, blond verweerd als een
grasboom, / steekt een alerte periscoop op en tuurt / over struikgewas. Haar
grote olivijnen eieren klikken / olieachtig tegen elkaar; haar lippen van nobel
plastic / vastgeklampt in hun uitdrukking, haar schedelpluim een streep / in de
mohawk-trant, gorgelt ze haar bleekblauwe luchtpijp (...)’
Hoe kun je of probeer je als literair schrijver iets
concreets te beschrijven? Wat kun je niet wat een schilder of tekenaar wél kan?
En omgekeerd? In hoeverre is observatie interpretatie?
Deze en soortgelijke vragen en mogelijke (of onmogelijke)
antwoorden erop willen we, zonder uitputtend te kunnen en te willen zijn, op
enkele manieren aan bod laten komen in dit nummer van De Gids.
We hebben daarvoor een select aantal auteurs aan het
beschrijvingswerk gezet. Elke schrijver die wilde meedoen ontving van ons een
‘ding’ met het verzoek dit te beschrijven. De dingen die de meewerkende auteurs
uiteindelijk kregen toegestuurd waren identieke (maar wat heet hier nog
identiek?) blikjes sardientjes die geopend dienden te worden alvorens men tot
de beschrijving ervan kon overgaan. Ziehier de zeer diverse resultaten van onze
opdracht.
Daarnaast bevat dit nummer staaltjes beschrijvingskunst van
genoemde Les Murray, van Karl Krolow en de ook al aangehaalde Alain
Robbe-Grillet. We meenden er ook goed aan te doen een van de Nouvau
Roman-essays van laatstgenoemde weer eens van stal te halen; mogelijk dat Robbe-Grillets
opvattingen van beschrijvings- en schrijfkunst minder aan actualiteit hebben
ingeboet dan veel literatuurgeschiedschrijvers ons willen doen geloven.
Tenslotte doen lijvige ‘realistische’ romans het goed in het Nederlandse
literaire klimaat van dit moment. Met andere woorden: komt men door nader toe
te zien tot nader inzien? Of is het eerder omgekeerd? Of bestaat er wellicht
weinig of geen uitzicht op ‘echt’ inzicht?
Behalve literatuur komen in dit kader ook de beeldende kunst
en de film aan bod.
Overigens ligt het in onze bedoeling om in het najaar een
soort complement van dit nummer te presenteren: in plaats van een benadering
(van wie of wat?) via de buitenkant wordt er dan geopereerd vanuit de
binnenkant.”
En nu dus via de link het hele inhoud:
https://www.dbnl.org/tekst/_gid001199701_01/_gid001199701_01_0058.php#58