woensdag 7 juni 2017
maandag 5 juni 2017
FRAGMENT MET ZONNEHOED
Ik vond in
een boek dat ik lang geleden voor het laatst in handen had een stuk papier met
een handgeschreven prozaschetsje van minstens net zo lang geleden:
Het grootste
kledingstuk dat ze droeg was haar zonnehoed. Omgekeerd paste de rest plus
zonnebril er gemakkelijk in toen ze me vroeg hem vast te houden voordat ze de
zee in ging. Ik kon immers niet zwemmen. Wat zijn voordelen had. Ik hoefde mezelf
niet te ontkleden en mocht mijn bril ophouden.
Ze was doorgaans bijna knap. Wat
haar opwindender maakte dan iemand die gewoonweg aldoor knap was. Een bepaalde
oogopslag, een draaiing van haar hoofd, het optrekken van een mondhoek of,
zoals nu, het slaken van een gilletje bij haar eerste contact met het water, kon
voor een ogenblik lang een werkelijk adembenemende schoonheid van haar maken, waardoor
ze voortdurend als een belofte was die elk moment kon worden ingelost.
Veel te lang
geleden. Want ik zou nu best een verhaal of roman hiermee willen laten beginnen,
maar op een bepaalde leeftijd moet je dit niet meer doen, lijkt me, zo over zulke
jongedames schrijven.
MEER NIET DAN WEL, MAAR
Literatuurprijzen als de P.C. Hooftprijs worden jaarlijks aan de meeste schrijvers niet, dat wil zeggen aan bijna geen schrijver toegekend. Een andere keuze of andere jurysamenstelling verandert uiteraard niets aan dat feit. Toch is het daarbij niet zo gek om nu en dan persoonlijk een of twee namen te lichten uit de rits onbekroonden, zo'n prijstoekenning heeft immers eveneens iets persoonlijks en cultuurhistorisch vrij willekeurigs. Nogal wat van mijn favoriete schrijvers, zoals Kafka, Gombrowicz, Nabokov, kregen geen Nobelprijs, maar Canetti en Beckett bijvoorbeeld weer wel.
Onlangs kreeg Bas Heijne de P.C. Hooftprijs vanwege zijn essayistiek. Het past me niet om daar iets op af te dingen, het zij Heijne gegund. Maar dat wil niet zeggen dat ik geen betere laureaat zou hebben geweten.
zaterdag 6 mei 2017
ARTIESTERIGE CULTUURSOCIOLOGIE - DEEL 2
[Lees het voorafgaande.]
Inmiddels de tentoonstelling van Seth Price bezocht. Toevallig
of niet nadat ik een
beschouwing van Sven Vitse over ‘de zelfpresentatie van Daan Heerma van
Voss’ had gelezen. In die tekst maakt Vitse kritische opmerkingen als deze: ‘Zelfbewust
cultiveert Daan Heerma van Voss in al deze beschouwingen de spanning tussen
privacy en openbaarheid, en geregeld tracht hij daarbij een metapositie in te
nemen ten opzichte van zijn eigen optreden in de media. Hij poogt zijn
persoonlijke getuigenis te integreren in reflecties over de verhouding tussen
kunstenaarschap en performance, persoonlijke ervaringen en publieke maskerade.’
En: ‘De houding van Das Magazin
(tijdschrift en uitgeverij) tegenover deze commerciële inbedding van de
literaire cultuur vertoont dezelfde dubbelzinnigheid als die van Daan Heerma
van Voss tegenover mediatisering. Enerzijds construeren de oprichters een beeld
van onafhankelijkheid ten opzichte van dominante commerciële spelers (…).
Anderzijds maken ze innovatief gebruik van alle beschikbare (nieuwe en
gevestigde) mediakanalen om aandacht en publiciteit voor hun producten en
auteurs te genereren.’
Het bleken constateringen die in hun strekking gemakkelijk op het werk van Seth Price kunnen worden geplakt. Deze Price mag zich dan met zijn werk willen afzetten tegen de ‘eindeloze, ongedifferentieerde, digitale stroom’, hij doet dat dan wel met allerlei typisch hedendaagse, dus ook gedigitaliseerde technieken. Daarbij kan het niet anders dan dat hij voor het uitvoeren van zijn beeldideeën personeel in dienst heeft (dus een kunstbedrijf leidt, zoals figuren als Jeff Koons en Damien Hirst dat doen) of het een en ander ter uitvoering uitbesteed. Bij zijn werken, zoals die in het Stedelijk Museum worden getoond, tref je materiaalbeschrijvingen aan zoals ‘acryl- en lakverf, getinte hars en met uv-licht uitgehard inkjetinkt op vacuümgevormd PETG over geknoopt touw’. Het resultaat en effect overigens van het werk dat met deze materialen is gemaakt, is verder, lijkt mij, alleen interessant voor iemand die geïnteresseerd is in acryl- en lakverf, getinte hars en met uv-licht uitgeharde inkjetinkt op vacuümgevormd PETG over geknoopt touw.
De
tentoonstelling wordt ingeleid met een muurtekst die met deze zin besluit: ‘Door
schoonheid en elegantie tegenover lelijkheid en banaliteit te plaatsen,
portretteert Price trefzeker de knelpunten van het hedendaagse westerse
bestaan.’
Wat een
flauwekul, zeg! Ik heb in die zalen geen enkel knelpunt van het (dus ook mijn)
hedendaags westerse bestaan gezien, behalve dat van het misverstand van die
veronderstelling zelf. Mijn god, wat snak ik naar een eenvoudige, berooide
kunstenaar die zijn dingen maakt met simpele, spotgoedkope materialen, zoals
een potlood of wat verf en een stuk papier, maar die me naar de wereld om zich
en mij heen laat kijken, daar waar het digitale en technologische simpelweg
geen toegang tot hebben en kunnen hebben, in plaats van naar knelpunten!
Price hoort voor
mij tot de luxueuze kunstcharlatans die zich laten voorstaan op kritisch engagement
om hun onder dat etiket opgeblazen lege beelden aan de man te kunnen brengen.
Kijk toch eens wat een kitschmaker (net als Koons, Hirst, Fabre…, van die
mannen die dol zijn op afgietselblingbling) met zijn Rubinillusie (let op de
vormen van de silhouetten, schoonheid versus banaliteit, hè):
En daarvan afgezien – wat eigenlijk niet mag en niet kan: is
het de bedoeling dat je zo’n exhibi… – excuus –, expositie tollend, verward of
bezield verlaat, dat je weet wat je te doen staat, namelijk je leven
veranderen? Als het goed is wel, toch? Je zult geen enkele bezoeker aantreffen
die gelouterd of hoe dan ook ingrijpend van gemoed veranderd, het museum
verlaat. Degene die het bezoek aan de tentoonstelling als positief ervaart,
doet dat omdat hij weet weer ‘bij’ te zijn in wat er speelt in de hedendaagse
kunst – een fijn, geruststellend cultureel gevoel, nietwaar. Met zijn duimen
over zijn scherm wrijvend van genot vervolgt hij met tevreden gebogen hoofd zijn
weg door het comfortabele hedendaagse westerse bestaan. Want hij weet het
stiekem natuurlijk ook: die Price doet zijn naam eer aan met zijn ongevaarlijke
shit, en die neemt hem daarmee zijn speeltjes niet af, integendeel, de Prices zijn bij het comfort inbegrepen. Voldaan
appt of twittert hij dan ook: ‘Naar Price in SM geweest. Top!’ Of heet dat niet
zo, 'appen'? Of loopt hij er iets anders op te doen? Ik heb zelf niet zo’n ding.
ARTIESTERIGE CULTUURSOCIOLOGIE
Ik vrees dat het werk van
Seth Price dat van een sociologische artistiekeling of van een artiesterige socioloog
is. Maar ik moet het nog gaan bekijken in het Stedelijk Museum. Dit museum is
allerminst uniek en neemt ook geen sleutelpositie in binnen de hedendaagse
museumcultuur met zijn verkenningen
en benaderingen (lees: keuze) van
zijn hedendaagse kunstenaars. Het jargon waarin dit gebeurt is op zich al een gangbaar
soort statement. Hieronder een door mij benaderd
en verkend stuk van de tekst die te
lezen is op de website
van het Stedelijk Museum. Rood, vet, onderstrepingen en doorhalingen van
mij.
***
Seth Price neemt een unieke plaats in binnen de hedendaagse
kunst. [Wie bepaalt dat? Door wie en hoe is ‘de
hedendaagse kunst’ te overzien en te inventariseren?] Hij beperkt zich
niet tot één medium of stijl, maar verkent
herhaaldelijk nieuwe terreinen. [Hoezo ‘maar’?
Zijn er in één medium of stijl geen ‘nieuwe terreinen’ te verkennen? En
wat betekent hier ‘verkennen’? Verkennen met welk doel?] Zijn vernieuwingen,
interesses en thema’s hebben een grote invloed [worden
die thema’s e.d. dan ook thema’s e.d. bij anderen? en hoezo ‘vernieuwingen’
als kennelijk groot goed?] op zijn eigen generatie en jongere kunstenaars,
mede door zijn benadering [na ‘verkenning’ nu ‘benadering’] van digitale
manipulatie en culturele transformatie [wat is dat nu
weer?]. Daarbij [Hoezo ‘daarbij’? Bij wat? Bij
die veronderstelde invloed?] paart hij een grote affiniteit met
technologie aan scepsis tegenover deze ontwikkelingen. [Welke
ontwikkelingen? Van zijn invloed? Van de technologie? Grammaticaal
onduidelijk.] Romanschrijfster Rachel Kushner [Moeten
we die kennen? Is ze een autoriteit?] noemde het werk van Price “een
visie die zo accuraat is dat deze fictie wordt”. [Pardon?
Wat betekent dit in hemelsnaam?] Beatrix Ruf, directeur van het
Stedelijk Museum, merkt het volgende op: “Seth Price is een sleutelfiguur [eerst unieke plaats, nu sleutelfiguur] als het gaat
om de benadering [alweer benadering] van technologie en artistiek
auteurschap [wat is dat en wat is die combinatie?].
Zijn werk schetst [ooit schetste de kunstenaar, nu
schetst zijn werk] een belangrijke kunsthistorische verschuiving [is zoiets niet de taak van kunsthistorici?] van het concept van de
collage, waarin het toeval een belangrijke rol speelde en het beeld was
opgebouwd uit meerdere lagen, naar het concept van een
uniform beeld dat ons onderdompelt [een beeld of
concept ervan dat ons ‘onderdompelt’?] in een eindeloze,
ongedifferentieerde, digitale stroom[ik kan dit onmogelijk
voor me zien].”
*
[Nog enkele citaten uit het vervolg:]
Price gebruikt zijn materialen niet simpelweg [afwijzend t.a.v. bepaalde andere kunst] om
esthetische redenen, maar om hun sociologische en historische uitstraling. [De kunstenaar is dus een socioloog en cultuurhistoricus.]
Hoewel deze werken op het eerste gezicht abstract lijken, verkent Price hier de manier
waarop (…).
Abonneren op:
Posts (Atom)




