donderdag 12 januari 2012

MRS. VLADIMIR NABOKOV

Ik ben bepaald niet dol op persoonlijkheidscultussen rond schrijvers en andere kunstenaars. Natuurlijk heb ook ik mijn fetisjistische zwakheden.

Toen ik afgelopen middag een vriend ontmoette, kreeg ik onverwacht een zeer bijzonder cadeau: een door de weduwe van een van mijn favoriete schrijvers op 8 oktober 1986 in het Montreux-Palace Hotel persoonlijk getikte en met blauwe inkt als Véra Nabokov (Mrs. Vladimir Nabokov) ondertekende brief. Inhoudelijk niets opzienbarends in dat schrijven over een regeling van rechten.

Maar ik zit nu al een uur telkens weer de bewegingen van dat autogram te volgen: de verticale aanzet recht naar beneden en vandaar de curve rechts opwaarts en dan met een resolute knik praktisch horizontaal hoog over de loodlijn heen naar links, gevolgd door de e-krul op de denkbeeldige onderlijn, met het klemtoonteken dat met terugwerkende kracht wordt gezet wanneer de uitloop van de a van haar voornaam zich ver genoeg naar de aanstaande N van zijn en hun beider achternaam heeft gestrekt, de N die vervolgens als de beweging van een balletdanser wordt neergezet... Gewoon, vanwege de aanwezigheid van de vierentachtigjarige hand die deze bewegingen toen en daar heeft uitgevoerd, zonder dat ik een en ander grafologisch kan en wil duiden (al moet ik de aanvechting onderdrukken om het slot van het autogram te zien als een onafgemaakt of afgebroken love). En vanwege de aanwezigheid eromheen van de handen die Vladimir Nabokovs verhalen en romans letterlijk woord voor woord hebben getikt.

Véra en Vladimir Nabokov aan het werk in Ithaca, New York, 1958

zaterdag 7 januari 2012

FERRIER LEEST POËZIE & MEER PRIJZENHUTSPOT


Naar aanleiding van zowel mijn bericht over de koeterwaalstrend als dat over de Turingprijs ontving ik persoonlijk interessante reacties van collega-dichters. Twee ervan wil ik de Nonnolleslezer, met toestemming van de afzenders in kwestie, niet geheel onthouden. Ze laten beide, min of meer van binnenuit, een nogal onthutsend beeld zien van tombola’s die onder het mom van literaire prijzen worden georganiseerd.

Allereest enkele ervaringen van Ad Zuiderent:

“'Precies wat ik beoogde,' dacht ik, toen ik jouw commentaar las bij 'mafkezerij van het koeterwaals'. Het ging mij niet zozeer om de dichters als wel om de bewondering in academische kringen voor één bepaald soort poëzie. Ik dacht daarbij ook niet direct aan de poëzie van Oosterhoff, maar eerder aan wat sommige bewonderaars daarvan maken.
Ik zou hier waarschijnlijk niet op hebben gereageerd, als ik niet daarna je blog van vandaag had gelezen, over de Turing Gedichtenwedstrijd. Daar kan ik je nog wel wat aardigs over melden. 'Kom,' dacht ik een maand of wat geleden, 'laat ik die paar gedichten die om wat voor reden ook mijn bundel niet hebben gehaald of die ik na afronding van de bundel heb geschreven, voor die prijs insturen. Het is toch te gek om alleen amateur-dichters te laten dingen naar die zak met een hoeveelheid geld, waarvan je met een serieuze en gewaardeerde bundel nog niet een kwart bij elkaar verdient.'  Ik heb toen drie gedichten ingestuurd.
Vervolgens speelt zich half december het volgende af. Van mijn uitgever hoor ik dat van mijn bundel een tweede druk is opgelegd, omdat de leden van de Poëzieclub hem krijgen toegestuurd als Clubkeuze van het kwartaal (daar kan geen prijs tegenop, noch een lovende recensie). Twee dagen later laat de organisatie van de Gedichtenwedstrijd (ook een initiatief van de Poëzieclub) weten dat geen van mijn drie gedichten doorgaat naar de volgende ronde. Ze doen dus niet mee voor de eerste, tweede of derde prijs (geen geld, geen zorgen), ze worden niet opgenomen in de boekuitgave met de beste honderd, ze behoren zelfs niet tot de beste duizend gedichten. Dat laatste is wel jammer, want ik zou graag van de redactie van Awater het advies hebben gekregen (ze kunnen toch moeilijk duizend persoonlijke adviezen geven): 'Sla eens een blik in de bundels die het afgelopen jaar aan de leden van de Poëzieclub zijn toegestuurd.'
Niet alleen het koeterwaals kent zijn mafkezerij.”

Tot zover Zuiderent. Vervolgens een fragment uit een e-mail die een andere collega-dichter ontving van de voorzitter van de VSB Poëzieprijs, mevrouw Kathleen Ferrier. De dichter in kwestie zou er geen bezwaar tegen hebben wanneer ik zijn naam zou noemen, maar zijn naam lijkt me hier minder relevant. In zijn verbazing was hij zo unverfroren geweest om rechtstreeks navraag te doen naar het feit dat er in de door de juryvoorzitter van de VSB Poëzieprijs samengestelde bloemlezing wel gedichten waren opgenomen van zeer veel andere dichters, maar geen enkel gedicht uit zijn eigen bundel, hoewel die toch op allerlei plaatsen zeer welwillend en zelfs lovend was besproken. ‘Ik wilde dat absoluut weten,’ schrijft hij mij, ‘vreesde iets politieks.’
Had hij me van tevoren gevraagd of hij zoiets moest doen, dan had ik het hem beslist afgeraden. Nu het echter gebeurd is, krijgen we een alles onthullende kijk op het Turingachtige amateurisme van een voorzitter van de belangrijkste jaarlijkse poëzieprijs van Nederland.
Het onderstaande is letterlijk wat mevrouw Ferrier antwoordde – let behalve op de verbijsterende inhoud op de (nederlands)talige vormkracht van de formuleringen:

“Dank voor uw mail, die ik via de Arbeiderspers ontving.
Ik begrijp uw frustratie, maar misschien kan ik geruststellen door u te laten weten dat mijn keuze echt helemaal niets zegt over de kwalitiet van uw poezie.
Omdat ik geen professional ben, heb ik puur op gevoel gedichtenm gekozen. Ik denk, nee ik weet zeker, dat mijn keuze vaak niet de kwalitatief beste gedichten vertegenwoordigt, maar de gedirchten die mij om de een of andere manier persoonlijk raken. Dat heeft alles te maken met mijn levensituatie, mijn werk en persoonlijke omstandigheden.
Trekt het zich dus aub niet aan. Niogmaals mijn keuze zegt niets over kwalitiet en ik denk dat u de titel van het boek moet zien als de 100 beste gedichten volgens mij, een puur subjectieve keuze.
Wens ik u van harte mooie kerstdagen toe en alle goeds voor 2012,
Kathleen Ferrier”

Zou mevrouw Ferrier ook iets hebben ingestuurd voor de Turingprijs?
Onder de naam Anouk misschien, gezien de 'kwalitiet'?

IJDELS


De reactie(s) van ene Anouk op de aankondiging (op de NOS-site) dat weldra de genomineerden voor de Turing Gedichtenwedstrijd bekend zouden worden gemaakt, was kennelijk op die plek te verscholen geplaatst, maar absoluut te treffend als uit het echte deelnemersleven gegrepen, om te kunnen worden opgemerkt en begrepen als hilarische persiflage waarmee in één klap alle grond onder het initiatief wordt weggeslagen. Daarom hier integraal geciteerd:

‘anouk zegt: 05-01-12 om 00:20

Het witte veld laat zich niet dichten
De toersen niet van plan te zwichten
Letters worden woorden zonder zin
De aanvang van verhaal zonder eind noch begin
De gedachte neemt een duik tussen aanhalingstekens
Het kost de lezer een punt in dubbele hoofdbrekens
Maar dan vinden zij elkaar in een weergaloze woordendans
Op een reis van schrijven en lezen geven zij elkaar een kans
Het verenigen der letteren biedt ongekende mogelijkheden
Thans zijn we hier en heeft het verhaal immer een verleden
We gaan voortt tussen de regels en menigeen voelt zich bevlogen
Zo ook de waarhid, gelegen op staat, kent geen mededogen
Daarom voor die, die niet met woorden dan wel met daden doet
Sta niemand naar het leven en de kleine lettertjes gaan je goed
De draad van het verhaal lijdt ons door het labirint
Ons leven alleen, tezamen, in ons immer het verhaal van een kind

anouk zegt: 05-01-12 om 02:06

Geen idee of het geplaatst wordt, 2 schrijffoutjes zijn er ingeslopen, waarheid en labyrint moet het zijn.’

Er zijn meer dan tienduizend gedichten ingezonden: wat een literair creatief landje is het onze toch! En wie daar op zich nog niet vrolijk van wordt, hij of zij leze de top honderd gedichten van afgelopen twee edities plus de namenlijsten van de makers van deze gedichten.

Maar zonder cynisme: de Turingprijs houdt mensen straal voor de gek door ze in een waan te laten, in plaats van ze voor eens en altijd van iets af te helpen. De manifestatie past daarmee perfect in het tijdsgewricht waarin amusementsprogramma’s als Idols, The Voice of Holland en The Next Topchef of Madurodam welig tieren.

De enige functie die deze prijs zou mogen hebben, voor het heil van zowel de poëzie als dat van de deelnemers – en daarmee zou de prijs zichzelf ook meteen opheffen: alle inzenders die de eerste prijs niet krijgen, een bericht sturen met het dringende en welgemeende advies het dichten verder te beperken tot voor gelegenheden als Sinterklaasavond of ter zinloze articulatie van particuliere liefdes(verdriet)betuigingsurgentie. En die eerste prijs gewoon vergeten.

Want waarom in hemelsnaam zo veel, zo veel en veel te veel mensen de illusie blijven geven dat iedereen dit kan, dat iedereen er talent voor heeft, dat je er beroemd en ijdel mee kunt worden, in plaats van hen erop te wijzen dat het juist voor de allerallermeesten niet is weggelegd?

Maar hoe poëziebovenmeesters Komrij en Nasr te overtuigen?
‘De gedichten die eindigen bij de beste 1.000 ontvangen allemaal een persoonlijke beoordeling van de redactie van het poezietijdschrift Awater. Zo kan meedoen aan de wedstrijd jou verder helpen als dichter,’ lees ik. Dat geeft hoop, zeker wanneer het woord 'dichter' nog zou kunnen worden vervangen door 'mens'. En wanneer die duizenden anderen ook een simpel briefje met 'Stop ermee' ontvangen, zijn die tienduizend euro's welbesteed.

Help Anouks misverstand de wereld uit!

[MEER ONTHUTSENDS INMIDDELS HIER]

woensdag 4 januari 2012

MAFKEZERIJ VAN HET KOETERWAALS & WAT RECLAME

Bij de lectuur van de recente bundel van Ad Zuiderent, We konden alle kanten op, stuitte ik op deze behartenswaardige poëticale regels (in het gedicht 'Onder de scanner'):

Het is geen kunst de definities
ongeldig te verklaren; de kunst
is om de geldigheid van chaos
elke dag te benoemen, maar niet
tot in de meest definitieve
mafkezerij van het koeterwaals.

De 'mafkezerij van het koeterwaals' wordt momenteel in bepaalde artistieke en universitaire kringen als zaligmakend, want 'vernieuwend' gecelebreerd.
Dit geeft hoop, zeker nu Oosterhoff is gecanoniseerd met de P.C. Hooft. Immers alles wat op grond van 'vernieuwing' is geacademiseerd en gecanoniseerd, is daarmee in zijn vernieuwing gedecapiteerd.

Zie ook het vorige bericht.
***
Was afgelopen dagen in Italië, op bezoek bij Pinokkio, om onder vier ogen te bespreken hoe hij in De hemelse kamer figureert. (Te verschijnen op 14 februari a.s., Uitgeverij Wereldbibliotheek.)

***
Wat uitgeverij Vantilt zo prettig anders maakt dan de meeste commerciële uitgeverijen: onder meer dat de boeken niet na een jaartje de ramsj ingaan en dus zo goed als onbereikbaar en non-existent worden.
In een van zijn essays in De mobilisatie van Arcadia schrijft Stefan Hertmans: 'Ik ken in het Nederlandse taalgebied maar één auteur die een voldoende fijne schilderkunstige neus heeft om diezelfde kwaliteiten haarfijn te begrijpen en aan te duiden. In zijn onvoldoende opgemerkte essayboek De school aan zee heeft Huub Beurskens de "vermoorde onschuld" van Tiepolo feilloos verbonden met de overvolheid van diens taferelen. Deze twee elementen met elkaar verbinden betekent oog hebben voor de ragfijne ironie die heel Tiepolo's werkt doortrilt (...)'
Welnu, dankzij uitgeverij Vantilt kan De school aan zee uit 2001 nog steeds worden opgemerkt én verkregen.

maandag 26 december 2011

TEGEN DE ONTREGELAARS

Houd dicht je innerlijk gesticht, kerm niet, dichter. Hoor.
Ook van achter een engelenkoor en uit reten tussen rijmen
dringen kreten door. De poorten hebben booggewelven
van stenen die je juist niet bedelven daar ze alle almaar

tegelijk vallen willen, subiet. Schoonheid is er niet voor
om te verhullen wat na het villen rest, noch om te lijmen
wat breekt en scheurt. Wanneer je met la beauté zelve
het bed mag delen en ze vraagt: ‘Hou je van mijn haar?

Van mijn oren? Mijn neus? Mijn mond? Mijn ogen? Mijn
knieën, tenen, ellebogen? Je houdt dus van mij totaal?’ –
zeg dan: ‘Ja, totaal, teder en tragisch.’ Het is, tegen de keer,
de opgave onze gave van het streven naar het magisch gave

niet op te geven. Ontregel het  verkeer van auto en trein,
probeer of je bakker en slager het lekken van zin uit wartaal
ontdekken. Maar storm geen beelden, vorm ze, telkens weer.
Elk mens weet toch zijn hele  leven zich al ten vuur of grave?

Na het laatste uur wacht je zelfs geen leegte meer die lacht.
IJdelheid der ijdelheden om de medemens struikelen te laten,
om als prediker hem het onder zich gebukt gaan aan te leren!
Wat heb jij niet dat Kalf en Heda  in hun stillevens deden

om, ondanks het onherroepelijke rotten, fruit zo sappig zacht
te tonen,  om, ondanks het been in de ham, in de vis de graten,
vlees zo smakelijk weer te geven, oesters voor het dineren
vers geopend af te beelden, ziltig slurpbaar tot op heden,

om ondanks zijn akelige hiaten een kale schedel in zíjn glorie
te belichten, de vinger geheven tegen het penseel gezet? Niets
en niemand meer om te prijzen vanwege kostelijke spijzigingen,
Saturnusringen  in de sterrenkijker, de luis onder de microscoop?

Waarlijk geloven was nooit loven omwille van een Apriori,
zoals waarlijk loven nooit voortkomt uit een angst voor Iets.
Als je nou nog als een lichtdrager luister in het duister zingen
wou en kon! Ik deel je weerstand tegen rijmdwang en syncoop,

echter rijmen, lettergrepen tellen, scanderen op zich laten
nog niet braafjes de ss de poëzie binnenmarcheren. Net zomin
als wanneer  je om de vijf woorden de zinsopbouw frustreert,
je principeel elke betekenis ontwricht, dit zal verhinderen

dat de ruiten sneuvelen wanneer er tanks je straat aan gaten
rijden, dat je als een espenblaadje staat te trillen of geen vin
meer verroert wanneer een echt soldaatje zijn echte geweertje
als een klaar taaltje op je richt, en je hakkelt: ‘Onze kinderen!’

al heb je er zelf geen, en niemand verstaat je. Maar eerlijk is
eerlijk, maatje: weet je dat ik ook niet weet wat er meer te
bereiken is met een gaaf gedicht vol schoonheidsbegeerte ,
behalve dat het passender bij mijn lijkkist uit te spreken is?



© Huub Beurskens, december 2011

Aantekening
cf. Heinrich von Kleist in zijn brief van 16.11.1800 aan Wilhelmine von Zenge: ‘Da ging ich, in mich gekehrt, durch das gewölbte Tor, sinnend zurück in die Stadt. Warum, dachte ich, sinkt wohl das Gewölbe nicht ein, da es doch keine Stütze hat? Es steht, antwortete ich, weil alle Steine auf einmal einstürzen wollen – und ich zog aus diesem Gedanken einen unbeschreiblich erquickenden Trost, der mir bis zu dem entscheidenden Augenblicke immer mit der Hoffnung zur Seite stand, daß auch ich mich halten würde, wenn alles mich sinken läßt.’ Alsook Camille Laval (Brigitte Bardot) in Jean-Luc Godard, Le mépris (1963).