dinsdag 1 september 2026
zondag 30 augustus 2026
IETWAT PEDANT, NIET HELEMAAL KLOPPEND, WELLICHT NOG ACTUEEL
Quasi zomaar stuitte ik op een vraaggesprek dat zo'n vijfendertig jaar geleden in Vrij Nederland werd gepubliceerd nadat Arjan – jazeker... – Peters ervoor bij me over de vloer was geweest. Ietwat pedant en schools misschien wat ik uitkraamde, niet helemaal kloppend, want ook mijn vroegste gedichten zat ik met plezier en dus rode konen te schrijven, maar misschien qua thematiek van De verloving (... Kafka, Palestina, deportaties, Israël) toch nog actueel.
maandag 17 augustus 2026
dinsdag 4 augustus 2026
dinsdag 16 juni 2026
SPECIALE AQUARIUM GETHEMATISEERDE HORECASPECIALS
‘speciale Aquarium gethematiseerde horecaspecials’... Mag ik even onpasselijk worden van dit monstrum?
Artis is min of meer onze achtertuin,
ik kom er veel en nog altijd graag. Maar zeker met de presentatie en inrichting
van het pas geopende vernieuwde aquariumgebouw zijn de 'signs of the time'
opdringerig present geworden. Dat aquarium is in feite één moralistisch
opvoedend project over de mens en het gebruik/misbruik van water.
Veel van wat er (digitaal) aan
belerends te zien, te doen en te lezen is, is zeker bij een tweede bezoek
volkomen overbodig want al uit den treure bekend.
Het nabije Groote Museum (‘het interactieve museum van Artis’) is inhoudelijk ook al zo’n in nieuwe technieken verpakt schoolmeesterachtig gedrocht.
Ik wil niet meer beleerd worden! Niet door
melkpakken, niet door terraskoffie, niet door buurtkrantjes, door de
gemeenteraad, Waternet, de electriciteitsmaatschappij, de spaarbank, het
televisiejournaal, door spraakmakers, door kunstmusea, door literatuur, door,
door, aldoor… Ik wil het niet meer!
_____________
Naschrift: Het aquarium ziet er toch ook wel mooi uit, ouwe zeur.
zaterdag 13 juni 2026
EUNICE EN ANDEREN
Eunice! Ik weet niet
hoe – zomaar, leek het, kwam ik haar weer tegen, in een filmpje van meer dan
zeven jaar geleden over bodemverzakkingsproblemen in een Rotterdamse wijk: zij
werkzaam als manager of zoiets voor de gemeente. Geen idee van wat ze nu doet.
https://www.youtube.com/watch?v=T9xV97eu7Oo
Eunice behoort tot
die leerlingen aan wie ik goede herinneringen heb. Ik was een van haar docenten
in de bovenbouw. Oprecht en aardig was ze, en we mochten elkaar, meen ik te kunnen
zeggen. De middag dat de examenuitslag bekend was gemaakt en de geslaagden
waren uitgenodigd om ervoor naar school te komen, stond ik met de rector en een
paar collega’s in afwachting in de aula. Du moment dat Eunice en ik elkaar
zagen stormde ze op me af – ‘Huub!’ – en voordat ik het wist – ‘Ik ben
geslaagd!’ – vloog ze me in de armen. En toen ze al een tijdje van school was
hoorde ik opeens achter me mijn naam in de Amsterdamse Utrechtsestraat en bleek
ze de winkel waar ze wat bijverdiende te zijn uitgehold toen ze me langs had
zien lopen.
Goede en warme en dierbare
herinneringen heb ik aan tal van leerlingen uit mijn decennia als parttime docent
in Amsterdam. En ik durf te zeggen dat ik voor diverse leerlingen iets
positiefs heb kunnen betekenen. O, er was daarnaast ook altijd wel ergens een
leerling aan wie ik op grond van zijn of haar gedrag de pest had. Maar de
laatste tijd overvalt me steeds vaker de kwellende voorstelling, ja, het
stellige besef dat er leerlingen moeten zijn geweest, zonder dat ik het in de
gaten had want naar mij toe in stilte, die me niet mochten, die me misschien zelfs
verachtten, of die ik heb teleurgesteld door een gebrek aan aandacht, begrip,
bescherming of hulpvaardigheid. Hoe vaak moet ik tekortgeschoten zijn! Veel
vaker dan dat ik iets positiefs heb bewerkstelligd allicht.
vrijdag 12 juni 2026
DAVID HOCKNEY IN MEMORIAM
Post van 27 februari 2019:
A BIGGER PICTURE
woensdag 22 april 2026
VENIJN
Wat was ik tien jaar geleden venijnig! En hoe terecht!
https://www.dereactor.org/teksten/signalement-restanten-jan-fabre
maandag 13 april 2026
DE OUWE LAMENTEERT
de ouwe lamenteert
Nu het zeikt van de regen op de kaduke schuur
schuil ik er onder het lekkende golfplatendak,
maar wat zat ik vlakbij het vuur
met praatjes voor tien in van die eindeloze gesprekken
over politiek en krijgs- of liefdesavontuur,
eer de tijd me zo te grazen nam.
Terwijl jong tuig met aluminiumfolie, zwavelzuur
en petfles net voor knal en vlam per scooter
vlucht,
roeptoeterend volk tegen een dictatuur
ver weg hier door de straten trekt,
zit ik alleen te tobben, uur na uur,
over hoe de tijd me zo te grazen nam.
Naar, laat staan in zo’n kaduke schuur
kijkt natuurlijk geen enkele vrouw,
enkel herinneringen zijn van lange duur,
aan de schatjes die ik geil hebben wou of had;
de tijd die me zo te grazen nam zou ik uit puur
afgrijzen willen bekwatten doch ik kwijl maar wat.
___________________________
Het bovenstaande is allerminst een vertaling of inhoudelijke
persiflage, maar een even omstandig als pretentieloos nevenproduct van mijn persoonlijke omgang
met het ranke gedicht ‘The lamentation of the old pensioner’ van Willam Butler Yeats
uit 1893.
THE LAMENTATION OF THE
OLD PENSIONER
Although I shelter from
the rain
Under a broken tree,
My chair was nearest to
the fire
In every company
That talked of love or
politics,
Ere Time transfigured
me.
Though lads are making
pikes again
For some conspiracy,
And crazy rascals rage
their fill
At human tyranny,
My contemplations are of
Time
That has transfigured
me.
There’s not a woman
turns her face
Upon a broken tree,
And yet the beauties
that I loved
Are in my memory ;
I spit into the face of
Time
That has transfigured me.
dinsdag 7 april 2026
GEWOON VAN CHRISTIAN HENDRIKX
GEWOON
Nooit zwemmen geleerd, doch
niet verdronken,
geen crash met wagen of
vliegmasjien, geschopt,
geschoten noch gestoken, geen
val in een ravijn,
niet ten prooi aan vlammen of
een roedel wolven,
evenmin onder instortende gewelfbouw bedolven,
maar gewoon aan zichzelf
gestorven of door
zichzelf of van of in of uit
__________________________
Nieuwe aanvulling van Christian Hendrikx op Het Moment.
Zie HIER.
zondag 5 april 2026
VOORGANG VAN CHRISTIAN HENDRIKX
VOORGANG
Een ‘Gaat u maar eerst’ en een
hoffelijk handgebaar
van twee gedistingeerd gekleden
op het trottoir
met een verrijdbare baar, een nog lege, gespiegeld
in het zwart van hun wagen, die dicht is en geblindeerd.
Dan, na een aarzeling, met een
hoofdknik een ik die
het diepdonker van de open woningingang
passeert.
__________________________
Nieuwe aanvulling van Christian Hendrikx op Het Moment.
Zie HIER.
vrijdag 3 april 2026
NIETS MASKERENDE MASKERADE
Dat inzet en focus van een
literair werk of oeuvre niet of foutief worden gezien wanneer dat werk wordt
afgekeurd, betekent nog niet dat zo’n werk als geslaagd mag worden beschouwd
wanneer de intentie ervan wél wordt onderkend. Anderzijds betekent een gunstig
bedoelde of lovende bespreking niet noodzakelijk dat inzet en focus wél zijn
herkend. Maar bij negatieve kritiek is het vaak eerder zichtbaar waar het
wringt.
– Wees concreet, man!
– Oké. Een paar voorbeelden uit de eigen praktijk.
Nadat een recensent de auteur van een roman van mij had
geprezen vanwege diens ‘kunstige spel met maskers’, werd hij prompt knorrig omdat
uiteindelijk nooit een of de ‘ware gedaante’ achter die maskerade onthuld werd;
de maskers leken uiteindelijk ‘niets te verbergen’ te hebben, wat in zijn
optiek de roman tot een vrijblijvend literair spel maakte.
Over een ander prozaboek merkte een andere criticaster op
dat het was ‘bedoeld als een constructie met één kiertje om ons doorheen te
laten kijken. Maar er valt niets te zien. De kier laat je onberoerd.’
Dat de crux juist in het door hen gebruikte woord ‘niets’ schuilt,
zagen de beoordelaars niet.
– Je bedoelt dat er door die kieren of achter die maskers
juist wél iets zichtbaar werd, namelijk het niets?
– Niets, inderdaad, liefst zonder lidwoord.
– En dat zo’n niets laat zien dat alles wezenlijk oppervlakte is en dus tragisch oppervlakte blijven moet? Terwijl die besprekers kennelijk zicht wilden hebben op zoiets als het diepe ware, het werkelijk echte of de ziel.
– Nichts, aber darüber
Glasur.
___________
Beelden: Wieslaw Wałkuski
maandag 30 maart 2026
DOVEMANSOREN, GEEN STEM OF GEEN VAN BEIDE
De gehavende Salman Rushdie,
achtenenzeventig inmiddels, zag ik gisteravond weer eens in een kort
vraaggesprek op de Duitse televisie.
Eerder op de dag had ik onderstaande reactie geplaatst op de
site van Neerlandistiek, waar een soortement fundamentele discussie leek te ontstaan* naar
aanleiding van een artikel dat Gerrit Komrij in 1989 schreef over anti-Rushdiebetogingen
in Rotterdam en Den Haag. Het begon met een stuk van Komrijbiograaf Arie Pos (met daarin een link naar die tekst van
Komrij). Dat werd vervolgens geattaqueerd met een stuk van publicist Lotfi El Hamidi. Onder dat tweede stuk plaatste ik mijn
reactie.
Inmiddels vrees ik dat ik die reactie net zo goed niet had
kunnen plaatsen, want dat ze aan dovemansoren gericht was of dat aan mijn stem in
deze kwestie simpelweg geen enkel gewicht werd toegekend. Tot nu toe bleef elk
antwoord uit op de vraag die ik erin stel. Of zou dat juist tekenend en dus op
zich al een of zelfs het antwoord zijn?
___________________
Van dat openbare anti-Rushdieprotest in 1989 zijn nog steeds beelden beschikbaar, zoals die van het NOS-journaal waarin spandoeken met ‘Dood aan Rushdie’ te zien zijn, waarin te horen is hoe iemand door een megafoon roept ‘Vandaag zijn wij hier gekomen om Rushdie, die satan, te vermoorden’, waarin het portret van de fatwa-afkondiger wordt meegedragen, waarin het boek van Salman Rushdie wordt verbrand, en dat alles manifest in samenhang met geloofsbelijdenis.
https://www.youtube.com/watch?v=qVZZx1xfAyI
Bij het zien van deze beelden en het horen van die oproepen
bekruipen me telkens weer gevoelens van verontwaardiging, grondige afkeer en angst.
Niet vanwege het boek en de persoon van Rushdie welteverstaan.
Inderdaad gooit Gerrit Komrij in NRC Handelsblad van 8 maart
1989 alles en allen op een hoop; hij heeft het verwijtend over ‘de
moslimgemeenschap […] en masse’, over
‘de mohammedanen’, over ‘ze’, ‘ze’ en nogmaals ‘ze’.
Wat ik me oprecht afvraag: hoe verwoord je je
verontwaardiging, afkeer en angst bij het zien van zo’n groep islamitische
protesteerders zónder daarmee meteen alle andere moslims in een kwaad daglicht
te stellen? Ik probeer me daarbij te verplaatsen in een van de legio islamitisch
gelovigen die helemaal niet deelnamen en ook niet wilden deelnemen aan die
anti-Rushdie-acties, die net als ik walgden en blijven walgen van wrede fatwa’s,
van oproepen tot vervolging en moord, van censuur en boekverbranding. Met
andere woorden, hoe zou die moslim zijn afkeuring verwoorden? Want zo zou het dan
wél moeten, toch?
_____________________________
* Inmiddels lijkt men vooral bezig met het uit de wind proberen te houden van Komrij.
zaterdag 28 maart 2026
EN NOG EEN ONTLASTING
Wanneer ik het waardeer dat een
auteur het voor zijn of haar boek opneemt tegen een gisper ervan, betekent dat
natuurlijk nog niet dat de criticus het bijgevolg steevast bij het verkeerde
eind heeft.
Nu ik na het verweer van Bert Natter deel een en deel twee van de beschouwing van
Fabian Stolk over Aan het einde van de
oorlog nogmaals lees, merk ik hoe ik juist mee kan gaan in Stolks verslag
van zijn lectuur, ja, meen ik niet minder te kunnen volgen waarom Stolk,
afgezien van zijn fysieke ongemak, dat boek niet ten einde gelezen heeft…
Argumenten en voorbeelden worden op bonafide wijze
aangedragen, Stolk laat niet alleen zijn worsteling met diverse aspecten van
het boek zien maar zeker ook die met zichzelf als liefst welwillende lezer, hij
is allerminst uit op afkraken maar kan niet anders dan afhaken.
Een slag in de lucht is alleen Stolks verzuchting: ‘Ik wou
dat de roman anders in elkaar was gezet en met ongeveer de helft was ingekort’ en wat erop volgt. En precies daar sloeg Natter op aan.
Zie hier mijn voorafgaande
berichten:
https://huubbeurskens.blogspot.com/2026/03/en-nog-een-pissig-poepie.html
https://huubbeurskens.blogspot.com/2026/03/poepie-laten-ruiken.html
______________________
Naschrift - 31.03.2026
Bert Natter reageerde andermaal. En hij heeft deels weer een punt, Huub. Verder dus met de lectuur van zijn boek.
vrijdag 27 maart 2026
EN NOG EEN PISSIG POEPIE
Amper had ik van mijn bijval voor A.H.J. Dautzenberg melding gemaakt op Nonnolles, of ik stuitte op
nóg een serieus te nemen pissige schrijver die een bespreker van zijn werk aanpakt
op diens wijze van lezen en beoordelen i.c. veroordelen.
Bert
Natter neemt het voor zijn boek Aan het
einde van de oorlog op tegen Fabian Stolk, o.a. voormalig
universitair docent Moderne Nederlandse Letterkunde. En ook deze tegenaanval
heeft mijn sympathie, zeker omdat Natter er niet voor terugdeinst dingen
simpelweg dus concreet in zijn boek aan te wijzen – schrijvers zijn, als het
goed is, ook vaklui die weten wat ze waar, wanneer en waarom doen en hebben gedaan,
hè, en met wie je daar ook gewoon over kunt praten. Goedzo dus.
Intussen ben ik benieuwd naar Stolks reactie, die niet mag
uitblijven, vind ik. Voor zover ik Fabian Stolk ‘ken’ is hij niet iemand die stijfhoofdig en met de hakken in het zand aan zijn opinies blijft vasthouden
wanneer iemand met verstand van zaken hem een andere, op zijn minst passelijke optiek voorhoudt.
POEPIE LATEN RUIKEN
Schrijvers die recensenten van
hun werk op hun falie geven: het geldt als ongepast, maar ik mag dat wel. ‘Het
is niet gebruikelijk dat een schrijver reageert op het eenzijdige duel dat een
recensent aangaat met zijn boek,’ schrijft
A.H.J. Dautzenberg in de aanloop van zijn weerwerk op de behandelling van
zijn boek EN GARDE! op de site van Vrij Nederland. Maar je laat je als
schrijver toch niet als nolles gebruiken, zoals ze dat in mijn Tegels dialect
zeggen!
Applaudisserend lees ik Dautzenbergs open brief aan Carel
Peters. En ik ben het ook helemaal met Dautzenberg eens wanneer hij vindt dat
er in de kunsten meer geplast en gepoept zou moeten worden.
dinsdag 10 maart 2026
KUNSTMATIGE URGENTIE EN URGENTE KUNSTMATIGHEID
Van schrijfster Lize Spit kwam
ik op de Facebookpagina van een Nederlandse vertaler dit citaat tegen:
‘Er
zijn geen nauwkeurigere lezers dan vertalers. Ik durf zelfs te stellen dat
boeken beter eerst in vertaling zouden verschijnen. En pas daarna, scherp
geslepen aan de vele nota’s van de vertalers, in de moedertaal.’
Een citaat uit een column in De
Morgen. Lize Spit wil duidelijk dat er zoveel mogelijk fouten en andere
ongerechtigheden in haar proza worden opgeruimd vooraleer het wordt
gepubliceerd. Ik kan daar helemaal in meegaan.
Op de Facebookpagina van de vertaler volgden spoedig
reacties. Een ervan bevatte een verwijzing naar een beschouwing van schrijver
Tonnus Oosterhoff over De donkere kamer
van Damokles van W.F. Hermans: ‘een boek vol fouten, ongerijmdheden,
inconsequenties enz. dat juist daardoor getuigt van urgentie.’
Het zal toeval genoemd kunnen worden dat ik kort tevoren een column las
waarin de schrijver L.H. Wiener (andermaal) wijst op allerhande verbijsterende
fouten en slordigheden in het proza van W.F. Hermans, te weten in Het behouden huis en Nooit meer slapen.
Zelf strompelde ik als lezer bijna tien jaar geleden in de weldadige schaduw van Griekse olijfbomen door De donkere kamer van Damokles. ‘Na iets
meer dan honderd pagina’s was ik het zat. Ik sloeg het boek nog op willekeurige
plaatsen open, maar telkens stuitte ik binnen de kortste keren op iets
storends.’
Hoewel de beschouwing van Oosterhoff in
2005 werd gepubliceerd in het tijdschrift De Revisor, kende ik de tekst toen
nog niet. Die las ik nu pas.
Het is een even interessante als curieuze exercitie van
Oosterhoff. Maar eerst nog iets over ongerechtigheden in speelfilms. Bijna geen
film lijkt te ontkomen aan zogenaamde goofs, en het is amusant ernaar te
speuren.
Enkele voorbeelden: Waco Kid drinkt whisky maar zijn fles
blijft vol (Mell Brooks, Blazing Saddles),
in na-oorlogs Wenen zie je van verre een Londense dubbeldeksbus (Carol Reed, The Third Man), Amerikaanse vlaggen in
1917 wapperen met vijftig sterren (Francis Ford Coppola, The Godfather), Antoninus draagt een Rolex (Stanley Kubrick, Spartacus).
Meestal maken goofs van een goede film ook niet meteen een
slechte of mindere film. Bovenstaande voorbeelden vind ik hun films zelfs iets innemends
geven. Evenmin betekent een uitglijder in een roman het literaire echec van het
boek. Echter op mankementen in Hermansproza lijkt bijna geen maat te staan.
Wat ook Oosterhoff opdist aan diverse soorten
onzorgvuldigheid op luttele pagina’s van De
donkere kamer van Damokles is werkelijk onthutsend.
‘Desondanks werkt het boek,’ aldus Oosterhoff. Dat is
volgens hem vanwege het ‘razende schrijven’ van W.F. Hermans, en hij stelt ‘dat
uit de tekst zélf een enorme haast en urgentie spreekt.’ De auteur heeft ‘de
moed gehad spontaniteit toe te laten.’
En dan komt hij tot deze conclusie: ‘De critici en Hermans
zelf interpreteerden het boek volgens dit denkschema: de hoofdpersoon is in de
war, de lezer ook, maar de schrijver niet. Dat is onhoudbaar; het moet zijn:
hoofdpersoon in de war, lezer in de war, schrijver in de war. Wel zo eerlijk,
eigenlijk. En dit nieuwe schema maakt De
donkere kamer van Damokles waarachtig niet ongenietbaar. Hermans schrijft
maar raak, maar hij doet dat met zijn hele ziel en zaligheid, zoals Janis
Joplin zingt. Daarom is ‘maar raak’ bij hem zo dikwijls raak!’
Oosterhoff noemt deze roman een ‘ijlroman’. Wat is dat?
Aan jaargang 2002 van het tijdschrift Raster leverde Tonnus Oosterhoff een bijdrage met de titel ‘IJlroman/Oubaan’. Daarbij gaat het om ‘[…]
doorschrijven vlug doorschrijven tot stop. Nadenken mocht niet, bij wederopneming
terugkijken had hij zich verboden.’ En dan volgt er een lap louter vrij
associatief voortdenderend proza.
Zo’n ijlroman is dus een roman waarin in hoog tempo wordt
verteld, voortijlend dus, en waarin wordt geijld zoals in ijldromen, raaskallend,
malend.
Dus De donkere kamer
van Damokles is (deels) de neerslag van een in meerdere opzichten ijlende
auteur. Moet ik dit boek, net als andere boeken van Hermans, met andere ogen
lezen? En moet ik al die missers en dwalingen dan juist als authentiek en
zinnig ervaren, en ze literair appreciëren?
Het ijlproza van Oosterhoff zelf, zoals ik dat in Raster voorgeschoteld
krijg, is toch van een heel andere inzet, ja, evident ijlend en tegelijkertijd netjes
in zijn eigen stijl en taal. Dat kun je van het Hermansproza niet zeggen. Het
is sympathiek van Oosterhoff dat hij het middels zijn eigen insteek voor
Hermans opneemt. Ik blijf me afvragen wat Hermans zou hebben gedaan wanneer hij
vóór publicatie van zijn roman(s) van Lize Spit zo’n scherpslijpende vertaler op
zijn dak vol kwakkelmussen gestuurd had gekregen. Tonnus Oosterhoff merkt zelf
op dat Hermans in een volgende druk het asfalt van een weggetje verwijderde
nadat hij erop geattendeerd werd dat dit weggetje in de periode waarin het
verhaal speelt nog onverhard was.
Toch is het vooral iets anders wat er bij mij niet in wil.
Dat is de indruk die wordt gewekt dat literatuur, dat kunst die voortkomt uit ‘urgentie’
de ware en betere kunst is. Alsof het ijlproza van Oosterhoff géén bedenksel,
niet iets kunstmatigs is, zeker zo gauw het publiekelijk wordt geëxposeerd...
In zijn beschouwing komt Oosterhoff ter vergelijking
aanzetten met Kiri Te Kanawa en Janis Joplin. Hij laat beiden de song ‘Summertime’
tegen elkaar op zingen en laat de ‘als een motorzaag’ krijsende Joplin het qua ‘soul’
en ‘overtuiging’ dik winnen van de gepolijste, ‘muf’ klinkende Te Kanawa. Laat de
motorzaag dan verdomme ook eens de Vier
letzte Lieder zingen! Nee, doe maar niet, want tranen, maar dan van het
lachen, arme Janis.
Ik haat sowieso het gebruik van
het woord ‘urgentie’ zo gauw dat niet tot acuut medisch ingrijpen noopt. En
anderzijds: waarom zou de wil tot gaafheid minder of zelfs niet uit een gedrevenheid
voortkomen en ervan getuigen? Wie was gedrevener, Rembrandt of Vermeer? Ik zou
het niet durven zeggen. Alleen weet want zie ik dat ze allebei op hun eigen
wijze buitengewoon gaaf werk hebben afgeleverd, zo feilloos mogelijk.
vrijdag 6 maart 2026
ANDERMAAL DE JOODSE RAAD
Gisteren stonden er op het
Amsterdamse Eikenplein, bij ons hier om de hoek, weer eens wagens met
filmsetapparatuur en van een filmcateringbedrijf. Het voormalige pand van de
Elisabeth Otter-Knoll Stichting is nogal geliefd bij regisseurs. Zo vond en
vindt er in De Heineken Ontvoering
(2011) voor het gebouw de kidnapping plaats van Freddy Heineken (gespeeld door
Rutger Hauer) en diens chauffeur. Ook voor de televisieserie De Joodse Raad is de locatie als decor
gebruikt: Virrie Cohen (gespeeld door Claire Bender) is er werkzaam in een
ziekenhuis.
Ik kijk De Joodse Raad
voor een tweede keer. En ik vind het andermaal curieus hoe erin gebruikte
locaties deel uitmaken van mijn eigen leven. Het Otter-Knollpand dus. Maar ook
het grachtenhuis waar de Joodse Raad zetelde en waar ik meerdere keren per week
langsloop. Of, eveneens op een van mijn wandelroutes, de Peperbrug op Rapenburg
waar in de serie een razzia plaatsvindt.
Echt opmerkelijk nochtans zijn, zeker in combinatie met mijn
huidige Amsterdamse settings, de locaties uit mijn jeugd: die bij mijn vroegere
middelbare school in Venlo en die in de Parkstraat in Steyl, waar mijn grootouders
op de hoek woonden.
Ik schreef er twee jaar geleden over, toen ik alleen nog een
trailer van de dramaserie had gezien: https://huubbeurskens.blogspot.com/2024/03/steyler-gevang-en-villa-marijke.html
In mijn verwachting van toen werd ik allesbehalve
teleurgesteld. Ook bij de tweede keer kijken is de serie pakkend en word ik
andermaal geconfronteerd met de perversiteit van machtuitoefenaars die door hen
verachte mensen dwingen zich te laten mangelen door een geweten dat ze zelf niet
hebben. Onthutsend, telkens weer, hoewel het van alle vervlogen tijden was, ook
nu weer is en van alle nog toekomende tijden zal zijn, ja, juist daarom zo onthutsend.
[fragment]
![]() |
| Pierre Bokma als Cohen in Steyl |






















