dinsdag 10 februari 2026

ONVOLPREZEN

Toen de zoon van literator en hoogleraar Garmt Stuiveling zijn vader vertelde dat hij Nederlands wilde gaan studeren, antwoordde de vader: ‘Dat zou ik niet doen, jongen, want dan blijf je je leven lang de zoon van de grote Stuiveling.’

         Vanuit deze anekdote, die ooit in een weekbladbespreking van de eerste essaybundel van H, Schrijver zonder stoel, de mank gaande opmaat vormde voor het kleinerende verwijt aan het adres van de auteur dat hij als een ‘allerijverigst achterneefje’ allerlei grote schrijvers opvoerde, wilde ik een beschouwing wijden aan de rol van literaire invloeden in de schrijverij en het daar al dan niet openlijk voor uitkomen.

         Het was immers allerminst de laatste keer in de loop der jaren dat H werd getrakteerd op berisping en kleinering vanwege het openlijk in zijn schrijverij op- en meenemen van ('schermen met') andere, veelal bewonderde auteurs.

         Zo werd hij zes jaar na voornoemde recensie in een bespreking van zijn lange gedicht Charme (1988) neergezet als ‘een ijverige leerling in de schaduw van zijn Duitse meester, aan wie hij wel nooit gelijk zal worden’.

         De bespreker meende in zijn domme vooringenomenheid, als ik dat pleonasme hier mag gebruiken, de door hem bedoelde Gottfried Benn zelfs te herkennen in de ‘Duitse’ (!) heer op het Venetiaans terras van de derde gedichtstrofe: ‘Een heer / leest in zijn Hallwag / wie Carpaccio was.’ Alsof alleen Duitsers Duits konden lezen en Hallwags gebruikten! Überhaupt war der Gottfried nie und nimmer in Venedig.

         Ja, aan dat verschijnsel wilde ik wel wat woorden besteden!

         Maar al gauw kwam ik, geboren als zoon van een machinebankwerker, vanuit die Stuiveling-anekdote terecht bij vragen over de impact van het sociale milieu waarin een schrijver is opgegroeid. En toen werd het me allemaal snel te vermoeiend sociologisch en psychologisch.

         Waartoe dit alles ook? Voor wie in ’s hemelsnaam?

         Ik had er geen zin meer in, brak de reflectie af en verwijderde de tekst in wording. Op één eindnoot na:

         3 – Zoals Wiel Kusters, mijnwerkerszoon, onvolprezen dichter, gedreven essayist. 



donderdag 5 februari 2026

WIE WAS ZIJ?

 


Wie was Helma Wolf-Catz? Dat vraag ik me bijna in paniek af wanneer ik een krantenknipsel terugvind van een kort artikel dat Helma Wolf-Catz schreef voor de Amersfoortse Courant van 19 juli 1975. Het is een bespreking, de enige van een beetje omvang, van mijn enkele maanden tevoren bij een Zeeuws privé-uitgeverijtje verschenen debuutbundel Blindkap.

         Ze moet me dat knipsel persoonlijk hebben toegestuurd, want in de marge heeft ze bij een gedicht ‘excuses voor wonderlijke zetting v.d. zetter’ geschreven en iets eronder heeft ze in handschrift twee zinsdelen toegevoegd die kennelijk uit de tekst zijn weggevallen, bovendien heeft ze in de tekst zelf nog met pen een zetfoutje gecorrigeerd.

         Al gauw vind ik van alles en nog wat over haar op https://www.helmawolfcatz.nl/ – een al wat oudere website, want ‘Dertig jaar na haar dood is Helma Wolf-Catz echter geheel vergeten,’ lees ik op de homepage; ze overleed op 22 januari 1979, na ettelijke jaren veelal bedlegerig te zijn geweest. Bewogen leven, met onderduikjaren, verzet en chronische ziekte.

         Ze was vijftig jaar ouder dan de door haar besproken dichter aan wie ze het krantenknipsel stuurde. Hier de tekst ervan, inclusief aanvulling en correctie, maar ook met nogal wat andere foutjes (interpunctie, kapitalen, ‘wenkbrOuwen’…) in de aangehaalde gedichten:

_____

Huub Beurskens is op en top een modern dichter in zijn bundel “Blindkap” vooral in zijn openingsgedicht, geïnspireerd op de grote filmregisseur “Hitchcock”, ofschoon ik om de poëzie op zichzelf “Chinoiserie” zou kiezen als een specimen van zijn talent:

Kantelende vlucht van de ijseend.

terras in loodrecht riet en regen.

mist en als wenkbrouwen de takken van de treurwilg

tomeloos naar die verte

om daar te verstillen in

kantelende vlucht van de ijseend

terras in loodrecht riet en regen.

mist: als wenkbrouwen de takken van de treurwilg.

Een sterk gedicht is ook het “Paard”, geïnspireerd op een paard van geglazuurd aardewerk uit de T’angdynastie, waarvan ik de eerste twee coupletten overneem:

WEIDE: met een vleug van koemis

de vlucht van bijen af en aan, beide,

dit strekt zo onmetelijk sterk de steppe”

door vorsten ompaald maar nooit

bezeten.

 

: zo staat hij ingetogen in zijn toom

spant traktie als een zwart metaal

geboend met ijs

dat wit rond de hoeven rijpt als

spaarde het krachten voor dadelijk

een daverende galop.

Veel meer treffende beelden zijn er ook verwoord in “Landschapstudies” VII, zoals:

zilveren krab stijgt de morgen uit zee

schikt landschap zijn gindse heuvels

als de groene pauw zijn satijnen harp.

 

Interessant is de inspiratie van Huub Beurskens, die aan die van Willem Brandt doet denken, die over [Livingstone dichtte. De eerste koos echter een ontdekkingsreiziger van] de Zuidpool, Oates, aan wiens trieste lot hij vier gedichten wijdde.

Tot slot geeft Huub Beurskens vier vertelalingen van de Oostenrijker Georg Trakl, die op 27-jarige leeftijd in 1914 stierf, vermoedelijk verslaafd aan de narcotica. Hij studeerde farmacie en was een visionair die sterk de invloed onderging van Baudelaire, Rimbaud en Verlaine. Trakls gedicht “De zon” imponeert in de vertaling van Beurskens, wat een compliment voor de vertaler inhoudt: [volgt het vertaalde gedicht].

_____

Hoe was deze Helma Wolf-Catz aan het adres van de vijfentwintigjarige dichter gekomen? Via de uitgever in Kortgene, een Zeeuwse connectie dus, die haar ook de bundel had bezorgd? En antwoordde de jonge dichter op de post uit – hoogstwaarschijnlijk – Bussum? Menend hem te kennen: ongetwijfeld. En wat wist hij of wat kwam hij toen te weten omtrent de schrijfster?

         Het liefst zou ik nu meteen naar Tilburg afzakken om hem te bezoeken in dat hoekhuis aan de Theresiastraat dat hij gedurende de laatste maanden van zijn studie aan de kunstacademie deelde met enkele studenten van heel andere opleidingen. Wie weet komt dan net ook zijn vriendin binnen met wie hij spoedig naar Amsterdam zal vertrekken. Ik zou hem ook willen vragen hoe hij het beleeft dat er vijftig jaar na verschijnen opnieuw over Blindkap wordt geschreven. En hij is er vast benieuwd naar wat ik nu van zijn debuutbundeltje vind. Ik wil proberen zo oprecht en tegelijk zo invoelend mogelijk te zijn.

 


Maar dat huis wordt denkelijk al lang niet meer aan studenten verhuurd. Grondig verbouwd is het bovendien. En überhaupt, wie of wat of waar is hij zelf eigenlijk nog?

          

woensdag 4 februari 2026

GERT DE JAGER OVER BLINDKAP

In 'Twintig dichtbundels uit 1975', reeks in wording, belicht Gert de Jager als vierde mijn debuutbundel Blindkap:

https://gertdejager.blogspot.com/2026/02/huub-beurskens-blindkap.html

dinsdag 3 februari 2026

HELD IN GAUZE CURTAINS...

 


Anneke, dat wist ik al heel lang,

                                               trok in '72 in bij Ed

van der Elsken, de beroemde fotograaf.

                                               Ik kende

Bye, hun video: hij lag terminaal

                                               in hun beider bed,

pijn maakte er pret over waar zij

                                               nooit aan wenden.

 

Ik zag haar zelden nog en dan slechts

                                               door het oog van Ed

van der Elsken, die in '90 overleed.

                                               Anneke kende

ik maar in ons beider eerste, haar laatste

                                               academiejaar. Niks bed.

Op haar kamer, artistiekerig puur

                                               opgewonden, wendden

 

we ons tot wat we amper begrijpen konden:

                                               15 pas verschenen

vertaalde Cantos van Pound. Geen jaloezie

                                               of andere pathetiek.

Toen werd het vandaag. Er lag een nieuw

                                               fotoboek in een vitrine.

  

God, hier, voorop, haar blik, die door mij en

                                               de er mij door geziene!

Al staat ze er bloot, 20, amper, onder een kort

                                               gazen jurkje, ik word ziek

nu zelfs wat leek niet te hebben bestaan blijkt

                                               te moeten zijn verdwenen.

  

5 juni 2000

___________________________

Eerder verschenen in De Gids jrg 164 en opgenomen in De school aan zee, 2001.

 

OUDE GIDSEN


Oude Gidsen: ze zijn zo goed als volop digitaal te lezen, en waarom zou je dat niet doen? Neem De Gids nummer 5 van jaargang 160 (1997). Een van de uitgaven waar ik als redacteur met plezier aan gewerkt heb en waar ik vele jaren later weer, zo merk ik, met belangstelling in lees.

         De meewerkende Nederlandstalige schrijvers – Willem Brakman, Nicolaas Matsier, Jacq Vogelaar, Pol Hoste, Gerrit Krol, Peter van Lier, Kamiel Vanhole, Oek de Jong, K. Schippers ­– kregen per post als verrassing en opgave een verpakt blikje sardientjes in huis. De vraag was… Enfin, lees de inleiding die ik schreef, en dan via de link eronder de volledige inhoud van dit Gidsnummer:

 

“‘Onze kijk visie noemen / houdt in dat, voor ons, / alle objecten subjecten zijn,’ aldus W.H. Auden in I am not a camera; ‘De rol van de romanschrijver zou die van bemiddelaar zijn: door het vervormd weergeven van zichtbare zaken - die op zich niets betekenen - zou hij het “ware” dat zich erachter verbergt, oproepen,’ aldus Alain Robbe-Grillet in zijn essay ‘Du réalisme à la réalité’; als de Australische dichter Les Murray een emoe beschrijft doet hij dit door een aaneenschakeling van louter vergelijkingen: ‘Een enorm Beatles-kapsel, blond verweerd als een grasboom, / steekt een alerte periscoop op en tuurt / over struikgewas. Haar grote olivijnen eieren klikken / olieachtig tegen elkaar; haar lippen van nobel plastic / vastgeklampt in hun uitdrukking, haar schedelpluim een streep / in de mohawk-trant, gorgelt ze haar bleekblauwe luchtpijp (...)’

         Hoe kun je of probeer je als literair schrijver iets concreets te beschrijven? Wat kun je niet wat een schilder of tekenaar wél kan? En omgekeerd? In hoeverre is observatie interpretatie?

         Deze en soortgelijke vragen en mogelijke (of onmogelijke) antwoorden erop willen we, zonder uitputtend te kunnen en te willen zijn, op enkele manieren aan bod laten komen in dit nummer van De Gids.

         We hebben daarvoor een select aantal auteurs aan het beschrijvingswerk gezet. Elke schrijver die wilde meedoen ontving van ons een ‘ding’ met het verzoek dit te beschrijven. De dingen die de meewerkende auteurs uiteindelijk kregen toegestuurd waren identieke (maar wat heet hier nog identiek?) blikjes sardientjes die geopend dienden te worden alvorens men tot de beschrijving ervan kon overgaan. Ziehier de zeer diverse resultaten van onze opdracht.

         Daarnaast bevat dit nummer staaltjes beschrijvingskunst van genoemde Les Murray, van Karl Krolow en de ook al aangehaalde Alain Robbe-Grillet. We meenden er ook goed aan te doen een van de Nouvau Roman-essays van laatstgenoemde weer eens van stal te halen; mogelijk dat Robbe-Grillets opvattingen van beschrijvings- en schrijfkunst minder aan actualiteit hebben ingeboet dan veel literatuurgeschiedschrijvers ons willen doen geloven. Tenslotte doen lijvige ‘realistische’ romans het goed in het Nederlandse literaire klimaat van dit moment. Met andere woorden: komt men door nader toe te zien tot nader inzien? Of is het eerder omgekeerd? Of bestaat er wellicht weinig of geen uitzicht op ‘echt’ inzicht?

         Behalve literatuur komen in dit kader ook de beeldende kunst en de film aan bod.

         Overigens ligt het in onze bedoeling om in het najaar een soort complement van dit nummer te presenteren: in plaats van een benadering (van wie of wat?) via de buitenkant wordt er dan geopereerd vanuit de binnenkant.”


En nu dus via de link het hele inhoud: 

https://www.dbnl.org/tekst/_gid001199701_01/_gid001199701_01_0058.php#58




vrijdag 30 januari 2026

WAT JE NIET ZOU MOETEN DOEN, OUWE:

  


– bij een gedicht uit een Poëzieweekgeschenkbundel de indruk hebben op krukken door een artistiekerige woorden- en beeldenbrij te moeten glibberen, en daar dan publiekelijk knorrig uitvoerig verslag van uitbrengen hoewel je zelf amper publiek hebt in tegenstelling tot de dichteres die bovendien maar liefst tweeëndertig jaar jonger is dan jij

 

– bij het toevallig achter elkaar onder ogen krijgen van twee foto’s anecdotes opdissen over schending in je prille jaren, hoewel je de meer dan zestig jaren erna psychotherapieloos hebt doorgebracht: op de ene foto het pand van de voormalige bakkerij waar je als elfjarige aan je haren naar binnen werd getrokken om er te worden uitgescholden, geschopt en geslagen, op de andere de C&A-winkel waar je twee jaar later voor de etalage stond toen een vent van achteren zijn ene hand op je schouder en zijn andere tegen je gulp drukte, wat je deed verstarren voordat je de Vleesstraat in kon vluchten

 


– bij een filmpje van een optreden van een Colombiaans muziektrio als een dementerende vergeten dat je een senex bent en je dus niet alleen meldt – aan wie? – gecharmeerd te zijn van de sound van Balthvs, maar ook ingenomen te zijn met de terugkeer van Johanna Mercuriana na de geboorte van haar kind, hoewel je haar over tattooed vindt en haar gezang zou kunnen missen

 


 

vrijdag 23 januari 2026

SCHRIK

 Schrik! Al vijftig jaar oud dit...

Olieverf op doek

POST PER POST

  


‘Hier de Balker.’ Dat waren de beginwoorden van een antwoordbrief die het begin vormde van een jaren durende, herhaaldelijk vrij intensieve en intense correspondentie tussen de dichter H.H. ter Balkt (Habakuk II de Balker) en mij, twaalf jaar jonger en bij aanvang van de briefwisseling kunstacademiestudent van vooraan in de twintig.

         Ik berichtte er eerder over naar aanleiding van het gegeven dat Rémon van Gemeren werkt aan een biografie van Ter Balkt.

         Uiteraard bleek de biograaf geïnteresseerd in de brieven en geschreven kaarten die ik van Ter Balkt, van Harry, had mogen ontvangen. Hij had al brieven van mij aan Harry in het archief van het Literatuurmuseum in Den Haag ingezien. Dus deed ik voor hem alle van Ter Balkt ontvangen post in een flinke envelop om die ter verzending af te leveren bij een postagentschap vlakbij het Amsterdamse Oosterpark. De bestemming was hemelsbreed nog geen acht kilometer verderop. Na enkele dagen bleek de zending nog niet gearriveerd bij de geadresseerde. En na een week beschouwde ik, PostNL vervloekend, het Ter Balktdeel van de correspondentie al bijna als voorgoed verloren. Foto’s of scans had ik niet gemaakt. Of dat verlies heel erg zou zijn? In elk geval nogal jammer. Maar na twaalf dagen kwam dan toch nog het bericht dat voor opluchting zorgde.

         Op een paar vroege brieven en de laatste na heb ik niets herlezen, maar het beeld dat ik van het geheel heb is dat van een graag verbolgen, uitvoerig fulminerende scribent, uitvarend tegen van alles en bijna iedereen in de toen vigerende Nederlandstalige poëziecultuur, en mij daarbij in mijn aspiraties en eigen literaire pogingen veeleer de les lezend en op mijn nummer zettend dan stimulerend. In dat licht is het zo gek niet dat de correspondentie op een gegeven moment eindigde.

         Na inzage met het oog op de te schrijven biografie zal Rémon van Gemeren het materiaal bij het Literatuurmuseum in Den Haag bezorgen.

         Dat museum heeft nog een andere correspondentie van mij met een dichter in zijn archieven, anders in menig opzicht.

         Open, aimabel, enthousiast en begeesterend – dat was Leo Vroman.

         Op de site van van het Literatuurmuseum wordt deze correspondentie gedetailleerd getoond en van commentaar voorzien:

https://literatuurmuseum.nl/nl/ontdek-online/literatuurlab/artikelen/och-die-lieve-kikkers-ik-wil-daar-best-over-schrijven-jij-begint-de-kikkergedichten-van-beurskens-en-vroman

 


 

maandag 19 januari 2026

VISSEN

 Rode poon & Sprotjes - olieverf op canvasboard



woensdag 7 januari 2026

TER BALKTBIOGRAFISCH

 

Lammers overhandigt H. H. ter Balkt (Habakuk II de Balker) de Herman Gorterprijs. 4 april 1974

H.H. ter Balkt (Habakuk II de Balker) ontvangt de Herman Gorterprijs, 4 april 1974


Er komt een biografie van de dichter H.H. ter Balkt, weet ik sinds vandaag doordat de biograaf, Rémon van Gemeren, contact met me heeft opgenomen.

         Boerengedichten, de debuutbundel van Habakuk II de Balker, de naam onder welke (Harry) Ter Balkt aanvankelijk publiceerde, vond ik als negentienjarige meteen geweldig, evenals de vervolgbundel Uier van het oosten op mijn twintigste.

         Een jaar later had ik voor het eerst schriftelijk contact met de dichter: ‘Hier de Balker.’

         Met vrij grote frequentie volgden bijna tien jaar lang brieven en kaarten over en weer, waarbij Ter Balkt zijn pen en zijn typemachine allesbehalve zuinig inzette.

         Achteraf gezien is het misschien vreemd dat hij me bleef schrijven, gezien het feit dat de waardering van elkaars werk zeker niet wederzijds was.

         Als kunstacademiestudent ontdekte ik voor mezelf naast werk van Habakuk II de Balker dat van onder meer H.C. ten Berge en Willy Roggeman, en van daaruit dat van bijvoorbeeld Ezra Pound en Gottfried Benn, literatuur die wellicht meer paste bij mijn aard of karakter.

         Twee dagen na mijn tweeëntwintigste verjaardag schrijft Harry in een uitvoerige brief dat hetgeen ik denk en vind ‘riekt naar Raster [het tijdschrift van Ten Berge]. Ik vind Raster […] noch kwaliteitlievend noch bonafide, sterker: ik vind het een blad van lettermakerij, niet van literatuur. Dat wat moeizaam voortploegende ratio, bovendien niet vrij van kapsones, klaarstoomt, stelt het tegenover de vonk, de dood in de pot tegenover het leven […]. Wij zijn blijkbaar niet uit hetzelfde hout gesneden.’ En dan volgt een nietsontziende onttakeling van enkele gedichten die ik hem kennelijk had gestuurd. 

       Ja, een raadsel eigenlijk waarom hij met me bleef corresponderen. Het zou toen ook nog zo’n drie jaar duren totdat er, in 1975 dus, van mezelf een eerste poëziebundel mocht verschijnen, en dat ook nog slechts bij een particulier uitgevertje in een Zeeuws gat...

         Na nog talrijke uitvoerige brieven en nadat er inmiddels enkele poëziebundels en twee prozaboeken van mij bij een echte, gerenommeerde literaire uitgeverij waren verschenen, schrijft hij me in juli 1980: ‘Wat jouw werk betreft, […] ik stel nog altijd intuïtie en gevoel voorop – met wellicht instinct als derde, en `t verstand als toekijkend jurylid. Het is redelijk dat ik jouw werk als verstandelijk en afstandelijk ervaar, zoals je ook wel weet. Dat sluit niet uit dat een oordeel van jou mij interesseert.’ En dan verwijt hij me dat ik verzuimd heb hem iets over zijn nieuwste bundel te berichten…

         Ik ben hem en zijn werk altijd blijven waarderen, ik heb een paar keer in bladen over zijn poëzie geschreven, heb hem als redacteur van Het Moment en van De Gids meer dan eens met succes om een literaire bijdrage gevraagd.

         En wie weet, zo heb ik vaker gedacht en denk ik nu weer, moet je als dichter inderdaad een bepaalde geaardheid hebben, een natuur of gevoelsinstelling die klaarblijkelijk niet de mijne is, Harry, en had ik er verstandig aan gedaan mijn tijd en energie in iets zinvollers te steken.

 

maandag 5 januari 2026

vrijdag 2 januari 2026

HET VLIEGJE IN DE VLA

 


Ben ik een muggenzifter wanneer ik moeite heb met een vliegje in de vla? Ik bedoel, met het volgende gedichtje erover:

 

er vloog een vliegje in de vla

het is meteen gezonken.

het spartelde nog even na,

maar zwemmen valt niet mee in vla.

het vliegje is verdronken.

de moeder van het vliegje hield zich groot.

ze zoemde zacht: het was een zoete dood.

 

Ik kwam het tegen in een bespreking van een dichtbundel voor kinderen, Er vloog een vliegje in de vla, van Bette Westera (teksten) en Sylvia Weve (tekeningen). Over de dichteres zegt de bespreekster: ‘Met de nodige (klank)humor en speelsheid maakt ze iets verdrietigs en confronterend toch luchtig.’

         Ik heb er geen probleem mee dat een pratende wolf zowel Roodkapjes oma als Roodkapje zelf compleet naar binnen slokt en dat een jager het dier opensnijdt om het tweetal er ongedeerd uit te halen. Elk kind van een jaar of tien beseft dat zoiets alleen in een sprookje kan gebeuren. Maar wanneer ik vader of grootvader van zo’n kind zou zijn, zou ik me als opvoeder tekortgeschoten achten als het geen bezwaar zou maken tegen dat gedicht over het vliegje in de vla. Niet alleen omdat het zou moeten weten of aanvoelen dat een vliegje dat in de vla belandt bepaald niet ‘meteen’ zinkt maar, indien het niet subiet wordt gered, veeleer in een hopeloze kliederpartij omkomt. Het zou vooral protest moeten aantekenen tegen de suggestie dat kleine vliegen, vliegjes dus, jonge vliegen zijn en dat die ook nog een zorgelijke grote, want zoemende ‘moeder’ hebben.