Ben ik een muggenzifter wanneer
ik moeite heb met een vliegje in de vla? Ik bedoel, met het volgende gedichtje
erover:
er vloog een vliegje in de vla
het is meteen gezonken.
het spartelde nog even na,
maar zwemmen valt niet mee in vla.
het vliegje is verdronken.
de moeder van het vliegje hield zich groot.
ze zoemde zacht: het was een zoete dood.
Ik kwam het tegen in een bespreking van een dichtbundel
voor kinderen, Er vloog een vliegje in de
vla, van Bette Westera (teksten) en Sylvia Weve (tekeningen). Over de
dichteres zegt de bespreekster: ‘Met de nodige (klank)humor en speelsheid maakt
ze iets verdrietigs en confronterend toch luchtig.’
Ik heb er geen probleem mee dat een pratende wolf zowel Roodkapjes
oma als Roodkapje zelf compleet naar binnen slokt en dat een jager het dier opensnijdt
om het tweetal er ongedeerd uit te halen. Elk kind van een jaar of tien beseft
dat zoiets alleen in een sprookje kan gebeuren. Maar wanneer ik vader of
grootvader van zo’n kind zou zijn, zou ik me als opvoeder tekortgeschoten achten
als het geen bezwaar zou maken tegen dat gedicht over het vliegje in de vla.
Niet alleen omdat het zou moeten weten of aanvoelen dat een vliegje dat in de
vla belandt bepaald niet ‘meteen’ zinkt maar, indien het niet subiet wordt
gered, veeleer in een hopeloze kliederpartij omkomt. Het zou vooral protest
moeten aantekenen tegen de suggestie dat kleine vliegen, vliegjes dus, jonge
vliegen zijn en dat die ook nog een zorgelijke grote, want zoemende ‘moeder’
hebben.
