vrijdag 17 juli 2020

KAVAFIS' HIERNAMAALS EN HET MIJNE




Omdat een vriend me schreef dat hij poëzie van Kavafis aan het lezen was en wilde weten wat ik van dat werk vond, trok ik de door G.H. Blanken vertaalde Verzamelde gedichten uit een boekenwand, want het was te lang geleden dat ik Kavafis voor het laatst las. Al bladerend en herlezend in de uitgave van Athenaeum – Polak & Van Gennep (2004) kwam ik terecht op twee bladzijden waarop mijn potlood in de weer was geweest.
            Ik herinnerde me daar totaal niets van.


Amsterdam’ staat er geschreven, en: ‘Leidsegracht 16.IX. 2006 17.30’.
            Het weer moet goed zijn geweest die dag, midden september, en ik zal op een bank aan die gracht hebben gezeten. Verder neem ik aan dat ik het boek diezelfde middag had gekocht, want waarom zou ik het daar anders bij me hebben gehad?
            Kavafis’ gedicht ‘Het Hiernamaals’, dat hij op zijn negenentwintigste schreef, had blijkbaar om een respons gevraagd, om een eigen mening van de lezer, die misschien nooit een ware lezer was geweest, in elk geval een atypische lezer, want eentje die altijd uit was op aanleidingen en aanzetten voor zijn eigen scheppingsbehoefte.
            Achteraf denk ik dat het meteen de openingszet van Kavafis was – ‘Ik geloof in het Hiernamaals.’ – die me deed besluiten mijn potlood erbij te pakken. De ‘rest’ van het Kavafisgedicht is vooral een toelichting op die beginselverklaring. Ik geloofde nu juist niet in het bestaan van een hiernamaals. Maar hoe kun je beweren in het bestaan van iets niet te geloven wanneer je dat iets wel benoemt…? Is benoemen niet doen bestaan? Die vraag moet mijn potlood, dat wil zeggen, een drang in de hand in beweging hebben gebracht, niet zozeer om het gedicht van Kavafis naar mijn hand te zetten of om er iets op af te dingen, als wel om de sofistische kwestie van mijn eigen niet-geloven en het benoemen ervan scherper te krijgen.

het hiernamaals

Het hiernamaals gelooft heilig in mij, hoe
ik ook probeer te voorspellen dat het
onlosmakelijk met mij hier zal verdwijnen,

het blijft me almaar voorbeelden geven
van hoe ik me nooit volledig in kan leven
in mijn vaste overtuiging dat eenmaal

dood zijnde niets bestaat, al geloof je,
zegt het als sprak ik niet tot mezelf, in
geen Christus, Boeddha, Allah, goed of kwaad.

Een goed of fraai gedicht is het niet geworden, te veel gedenk in abstracties; het gedicht van Kafavis is veel poëtischer. Maar daar ging het me blijkbaar, zoals gezegd, ook niet om.
            Wat deed ik vervolgens?
            Ik zoek het op in een van mijn notitieboekjes. Over Kafavis aan de Leidsegracht vind ik op die datum niets. Wel lees ik dat het die dag ‘warm’ was. En dat ik eerst nog op een Leidsepleinterras heb gezeten alvorens in de Lange Leidsedwarsstraat te gaan eten bij restaurant Aphrodite – Grieks – hoe kan het anders met alle gedichten van Kavafis bij me?