dinsdag 22 december 2020

LOUISE EN DE KINDEREN

 


Van tijd tot tijd wordt er door toedoen van een waterbedrijf, een elektriciteitsmeteropnemer, een deurwaarder of hetzelfde toeval onder een andere naam, iemand in een woning aangetroffen die al maanden of zelfs jaren dood blijkt te zijn. Zoiets maakt deel uit van het ecologische systeem van elke grote westerse stad. Net zoals het niet ingrijpen van passanten bij beroving of mishandeling in het openbaar. Wie gesteld is op privacy en anonimiteit, moet dit aanvaarden of het oerwoud intrekken, vindt doctor J. Denneman. Zelf voelt hij zich in beide jungles senang. Wat niet wil zeggen dat hij zich niets gelegen laat liggen aan het wee van medestadsbewoners wanneer hij dat bijgeval tegenkomt.

Jona Denneman is te voet onderweg van zijn dakappartement naar de stedelijke zoo, anderhalve kilometer bij zijn woning vandaan. Preciezer: op weg naar de heerlijk ouderwetse collegezaal, met zijn theater van sterk oplopende gebogen rijen van krakende houten banken, in het negentiende-eeuwse gebouw, oorspronkelijk een rijstpakhuis, midden in de dierentuin. Om er een select gezelschap van gewaardeerde collega’s voor het allereerst verslag uit te brengen van zijn curieuze ontdekking en bevindingen, door middel van een strikt besloten lezing plus lichtbeelden. Nadat de dames en heren van hun verwondering over de primeur zijn bekomen – wat even kan duren –, zal hij hen aansporen om hem te bestoken met wetenschappelijk kritische vragen, zodat hij een vermoeden kan krijgen van de aard van het tumult dat hem te wachten staat bij internationale publicatie van zijn onderzoek. Met het op schrift stellen van dat onderzoek is hij trouwens nog niet ver gevorderd. De materie is ook te verwarrend om er, luttele weken na zijn veldwerk, in academische zin al voldoende greep op te kunnen hebben.

De arachnoloog is gespannen, maar op een aangename, geladen wijze, want hij is vol van wat hij heeft waargenomen en wat hij erover gaat vertellen.

Voor zijn werkster, die in de loop van de middag komt, heeft hij een briefje achtergelaten met de nadrukkelijke instructie het spinnetje (Pholcus phalangioides ) in een hoek van de toiletruimte te ontzien.

De buiigheid met plensregens, die de hele ochtend heeft aangehouden, is gelukkig net op tijd weggetrokken. Zwarte kraaien zijn neergestreken op het grote grasveld van het buurtpark om er naar wormen te zoeken, halsbandparkieten spektakelen in de kale kruinen van de haagbeuken langs Dennemans route. De plek waar de dronkaards zich dagelijks verzamelen om over de wereld te bakkeleien is verlaten, maar wanneer Denneman het park aan de andere zijde uit loopt, sukkelt een eerste alcoholist met een blik bier de poort door.

Al voor de tweede keer steekt Denneman zijn hand diep in zijn linker broekzak om zich er, geheel overbodig, van te vergewissen dat hij de usb-stick bij zich heeft met daarop zijn foto’s en filmpjes.

 

Dat hij biologie ging studeren, had Jona in de onderbouw van de middelbare school al met zekerheid geweten. Maar welke kant met welk specialisme hij in die studie zou kiezen, wist hij toen helemaal nog niet. Hoewel de keuze en de specialisatie achteraf gezien voor de hand lagen, want hij herinnert zich vaak met plezier hoe hij als gelukkige vijftienjarige tijdens de zomervakantie soms uren gefascineerd had kunnen kijken naar het doen en laten van kleine spinnetjes achter het huis. Geen wielwebwevers, geen trechterwevers, geen krabspinnen, maar zogenaamde springspinnen, Salticidae. Deze spinnetjes die, wanneer de zon lekker scheen, hun veiligheidsdraadjes kriskras over de warme muurbakstenen van het schuurtje of het hondenhok trokken, waren de enige van de geleedpotigen die Jona kende, die je echt naar je zag kijken. Dat vlinders, vliegen, sprinkhanen, en ook andere spinachtigen je met hun ogen kunnen waarnemen, was voor hem evident, maar nooit had een honingbij of een loopkever Jona de indruk gegeven daadwerkelijk naar hem te kijken. De harlekijnspin – want met zijn beharing en zebra-achtig zwart-witpratroon was het vast en zeker Salticus scenicus geweest – hief echter zijn kopborststuk met de vier grote, donkere, naar voren gerichte ogen wanneer hij de jonge onderzoeker zag naderen. En Jona toonde zo’n spin dan een levende bladluis, die hij met een pincet vasthield, om na te gaan hoe de spin zijn bewegingen ermee volgde, en om haar uiteraard ten slotte de groene luis – maar het kon ook een zwarte bonenluis zijn of een net niet doodgemept venstervliegje – ter beloning tussen de gifklauwen te geven. Terwijl vader Denneman honden africhtte probeerde zijn zoon springspinnetjes te trainen.

            Inmiddels heeft Jona Denneman diverse wetenschappelijke beschrijvingen van voornamelijk tropische Salticidae, uit zowel Azië als de Neotropen, op zijn naam staan.

Wachtend voor een voetgangerslicht stelt hij zich voor de zoveelste keer voor hoe hij zijn lezing zal beginnen: door meteen front te maken. Om te voorkomen dat iemand ‘Flauwekul!’ gaat roepen of zelfs aanstalten maakt om de collegezaal verontwaardigd te verlaten, haalt hij dan gauw adem om onmiddellijk aan de onderbouwing van zijn onderzoek en de gevolgtrekkingen eruit te beginnen.

Gewoonlijk blijft hij op de brug waar hij nu overheen stapt even aan de reling staan, om te kijken welke vogels er in de brede Singelgracht dobberen: een verdwaalde krakeend, een brilduikerpaartje? Maar als er überhaupt al enige vorm van belangstelling is, dan is dat nog eerder de bijkomstige en vluchtige van een meerkoet voor een mensvormige passant dan van die passant voor de alweer met een hupsje onder water duikende fulica atra.

Eigenlijk kan Denneman zelf ook nog steeds niet echt geloven in wat hij als onloochenbaar heeft waargenomen en digitaal heeft vastgelegd. Het is alsof iemand het wetenschappelijke bewijs voor het bestaan van God heeft gevonden, waardoor het enige geloof waar men zich aan kan vastklampen het ongeloof is…

De springspin die hij heeft gevonden kon en kan als soort niet worden ondergebracht bij een van de bijna zeshonderd geslachten die wetenschappelijk zijn beschreven, met hun in totaal bijna vijfeneenhalfduizend soorten. Een nieuwe soort en een nieuw geslacht dus. Daar wordt elke bioloog alleen maar vrolijk van. Maar verder is zoiets nu ook weer niet zo bijzonder dat er een collegezaal voor moet worden besproken om er met het dwingende verzoek tot voorlopige geheimhouding aan een stuk of wat collega’s verslag van uit te brengen. Wanneer heeft ooit het bericht van een nieuw ontdekte springspinnensoort de krant of het televisiejournaal gehaald? Maar dit, dit is en dit wordt wat anders! En een professoraat zal voor Denneman niet meer in een ver verschiet liggen. Hij leeft onder een geluksster, dat kan niet anders.

Soepel springt de vijfendertigjarige over een grote, het grauwe wolkendek weerspiegelende regenplas op het trottoir.

Zoals alle salticiden had ook de nieuwe spin – Denneman ziet zijn naam al achter de te bedenken Latijnse benaming prijken – natuurlijk een rechthoekig borstkopstuk met acht ogen: vier frontaal, en aan elke zijkant erachter het allerkleinste oogje en daar dan het andere oog weer achter. Het visuele waarnemingsveld van de salticiden heeft een veel grotere radius dan het menselijke. Het diertje kan zijn frontale ogen uitstekend binoculair focussen, terwijl het verspringt om, met behulp van de andere ogen, de positie en aard van een object te kunnen bepalen. Bovendien is het gevoelig voor kleuren en gepolariseerd licht. Van alle geleedpotigen is de visuele scherpte van de springspinnen het grootste.

In eerste instantie dacht Denneman van doen te hebben met het genus Marpissa: de gerektheid van het ovale achterlijf, het eerste paar voorpoten dat forser was dan de andere drie, de dikke beharing… Maar al gauw begon hij ook de verschillen op te merken. De talrijke verschillen. En zeker in het gedrag. Dat waren echter niet alleen gedragsverschillen met de marpissa’s, maar ook met alle andere springspinfamilies. Er zijn salticiden die ook wel eens bloemen bezoeken om nectar tot zich te nemen. Maar deze spinnen, die slechts leken voor te komen in een buitengewoon klein areaal van het tropische woud, voedden zich met niets anders! Voor zover Denneman ze had kunnen observeren – hele dagen, bijna twee weken lang – had geen van hen een levend wezen gevangen, geen vlieg, geen wants, geen luis, niets van dat alles. Althans, niet om de inhoud van zo’n vangst vervolgens te nuttigen… En de truc met het pincet werkte voor het eerst niet. Dat wil zeggen, wanneer hij een spinnetje een vliegje of bladluis voorhield, richtte de aandacht van het beestje zich al gauw niet meer op het aangebodene maar op de aanbieder. En meer dan eens verschenen er spoedig soortgenoten die eveneens hun ogen op de onderzoeker richtten. Hij had zelfs de indruk dat ze daarbij naar hem gebaarden, met hun behaarde voorpoten, en iets tegen hem zeiden, althans iets wilden zeggen of roepen, want door zijn vergrootglas zag hij duidelijk het bewegen van hun monddelen. Maar hij nam zich de waarschuwende stelregel ter harte van zijn leermeester, die hem op zijn beurt weer van zijn leermeester, de vermaarde professor Nathan Banks aan de universiteit van Harvard had overgenomen: de antropomorfist is de zondaar van de wetenschap.

De uit Niger afkomstige krantjesverkoper voor de ingang van de grote supermarkt, groet de langslopende Denneman met een uitbundig ‘Bonjour, monsieur’ plus een diepe hoofse buiging.

            Denneman lijkt de groet met een glimlach te beantwoorden, maar die glimlach is veelmeer het gevolg van Dennemans beelden van tropische spinnetjes die gevleugelde insecten, veelal prachtig getekende en gekleurde vlinders, maar ook libellen, haften, muggen hebben gevangen en die licht hebben verdoofd, niet om zich te goed te gaan doen aan de lichaamssappen van hun prooien, maar om ze op een stronk, een steen of een blad neer te leggen en ze van alle kanten te gaan bekijken, almaar hopsend en verspringend, en soortgenoten, mannen zowel als vrouwen, op de een of andere manier op te trommelen en uit te nodigen om zo’n prachtvlinder of een wondermooie, gave waterjuffer mee te… bewonderen, ja, te bewónderen!

De onderzoeker observeerde hoe maar liefst elf van zijn pas ontdekte springspinnen met schokjes, almaar kijkend rondom een page bewogen. Totdat de papilio bijkwam, zich overeind werkte om ten slotte op te fladderen, als in verwondering nagekeken door elf maal vier paar ogen.

Vegetarische spinnetjes met een hoog ontwikkeld gevoel voor… Voor of van wat? Voor schoonheid? Van belangstelling?

Dat was ook de reden ervan dat Denneman het niet over zijn hart kon krijgen om enkele specimens uit hun samenleving weg te kapen om ze geprepareerd mee naar huis te nemen en ze als bewijsmateriaal te kunnen tonen.

Verder gedroegen de diertjes zich als andere springspinsoorten. De mannen waren iets kleiner dan de dames. Die dames werd tactisch het hof gemaakt met dans- en springacts. Sperma werd ingebracht met de tasters. De vrouwen sponnen speciale zakjes voor hun eitjes, die ze bewaakten totdat de kleintjes te voorschijn kropen. Enzovoort. Alleen schenen ze dus niet te doden en leefden ze in een soort staat van verwondering en bewondering, of van de behoefte daaraan.

 

Bij de universiteitsboekhandel op de hoek, gaat Jona Denneman rechtsaf. Dan ziet hij vrijwel meteen hoe verderop een oude man met een rollator probeert van de straat de stoep op te komen. Fietsers rijden achteloos achter hem langs. Over de stoep lopen mensen gewoon door, zonder de minste aandacht voor het gehannes in de goot.

Opnieuw doet de oude man een poging om de voorste wieltjes van zijn rollator op de stoeprand te krijgen die juist op die plek vrij hoog is. Daarbij staat hij maar wat te schuiven in een plas water, zonder echt van zijn plaats te komen.

De riolering heeft alle regen van de ochtend nog niet kunnen verwerken. Nog lang niet. Want het water komt tot over de schoenen van de diep gebogen staande man. En nog altijd houdt niemand bij hem halt.

Bij de volgende poging lijkt het loophulpmiddel bijna zijwaarts om te kieperen met zijn manoeuvreerder er dan achteraan en vervolgens op de meest ongelukkige wijze eroverheen.

Aan de overkant van de straat stappen drie jongens luid lachend een bioscoop binnen. In de vitrine naast de deur hangt een affiche van The Wolf of Wall Street.

Jona schat de bejaarde man, wiens mond hijgend openhangt, zeker tegen de negentig. Hij meent een dunne speekselsliert als een herfstdraad tussen de magere kin en een mouw van de lange grijze overjas te zien zwaaien. En nu hij zo dichtbij is gekomen ziet hij ook de troebel glanzende neusdruppel bungelen.

Weer komen de wieltjes niet hoog genoeg. De sokken van de hoogbejaarde moeten door- en doornat zijn, dat kan niet anders.

‘Kan ik u helpen, meneer?’ vraagt Denneman uiteraard.

De man lijkt nee te schudden. Of zal hij de vraag niet gehoord of begrepen hebben?

‘Zal ik u even helpen?’

‘Nee,’ klinkt het hees, maar onmiskenbaar korzelig.

De man rukt met kwaaiigheid aan zijn loopkar.

‘Weet u het zeker?’

‘Laat me alleen. Ik heb het recht. Ga weg!’

‘Zoals u wilt,’ antwoordt Denneman. Verontwaardigd, nee, verbijsterd, of veeleer ietwat geschrokken of zelfs een tikkeltje geïntimideerd vervolgt hij zijn weg.

Vanzelfsprekend kan hij het niet nalaten om, voordat de straat een bocht maakt, nog even om te kijken naar de stokoude koppige stuntelaar in zijn regenplas.

Even is hij met zijn gedachten totaal niet meer bij de voordracht geweest die hij over minder dan een half uur moet geven. Dus probeert hij zich weer te focussen op zijn thema en zijn aanpak. Hij steekt zijn hand in zijn broekzak om de geheugenstick even te voelen. Daar staan ook de foto’s op van de voorkeursbloemen van zijn spinnetjes, waarvan hij voortreffelijke macro-opnames heeft gemaakt. En meerdere foto’s van het betreffende woudareaal met zijn flora en fauna. Ook de afbeeldingen van gedetailleerde landkaarten, waarop hij de geografische coördinaten van zijn ontdekkingsgebiedje zo exact mogelijk heeft aangegeven, zodat al zijn gegevens snel en accuraat door arachnologen van waar ook ter wereld zullen kunnen worden gecheckt.

Maar terwijl hij een verkeerskruising met tramrails oversteekt en de ingang van de dierentuin al kan zien, blijven de beelden, maar vooral de woorden van de oude man zijn concentratie verstoren.

‘Laat me alleen. Ik heb het recht. Ga weg!’

Als verdedigde de man een of ander diep geheim dat niet, dat nooit mocht worden aangetast.

Beelden van de tropische springspinnetjes beginnen zich te vermengen met die van de dwarse oude kneu.

‘Ga weg!’ ziet hij nu ook dat de salticiden gebaren, gebaren met hun voorpoten en zeggen met hun monddelen.

En ook: ‘Wij hebben het recht!’

Dan – Denneman is het kruispunt al over, het is geen honderd meter meer tot de ingangspoort met de vergulde geagiteerde adelaars op de schoorpalen – staat hij voor de tweede keer stil. Nog korter dan de eerste keer. Om zich resoluut om te draaien en het net passeren van een tram te moeten afwachten alvorens de kruising weer over te benen.

Hij overweegt de gsm uit zijn binnenzak te halen om een excuusberichtje te verzenden. Of om te telefoneren en als ontzet uit te roepen dat hij is beroofd van zijn tas met alles erin, alles, op klaarlichte dag, gewoon op straat, zonder dat er ook maar iemand acht op sloeg! Maar waarom zou hij dat nog moeten doen, zoiets huichelachtigs?

Jona Dennemans hart applaudisseert bonkend, niet zozeer voor het acute inzicht van de hersenen, als wel voor de er onverschrokken uit voortkomende daadkracht.

Terwijl het wolkendek op meerdere plaatsen opentrekt, ziet Denneman een ambulance met geopende achterdeuren staan. Twee mannen in groenblauwe met fluorgele pakken lijken in gevecht met de oude baas. De rollator ligt op zijn kant in de waterplas.

Niet alleen Dennemans hartslag versnelt nogmaals, maar ook zijn pas.

Hij verzoekt het ambulancepersoneel vriendelijk maar dringend de zich verzettende man meteen los te laten.

‘Ik ken hem,’ zegt hij, ‘ik weet wie hij is en ik begrijp wat hij wil. Laat hem maar aan mij over.’

De oude man kalmeert zienderogen, wie weet van verdwazende verbazing.

Denneman zet de rollator overeind en rijdt hem tot voor de eigenaar ervan, om die behulpzaam te zijn bij het vinden van het beste houvast. De lange winterjas van de hoogbejaarde is aan een zijkant slijkerig en doorweekt.

‘Weet u het zeker?’ vraagt een van de hulpdienstverleners nog, nadat zijn maat de achterdeuren van de ambulance heeft gesloten.

‘Gaat u gerust, heren. Bedankt.’

Wanneer de auto goed en wel is weggereden, dirigeert Denneman de oude knar met zijn kar weer de regenwaterplas in, tot vlak voor de hoge trottoirband, de voorwieltjes ertegenaan, om hem daar gekromd te laten staan en even met een vertrokken mond te zien grijnzen.

‘U hebt het recht,’ zegt Denneman.

‘Bonjour, monsieur,’ klinkt het even later.

Denneman neemt een speels aanloopje voor de inmiddels blauwe waterplas op de stoep.

Hij ziet in de Singelgracht niet alleen de waterhoentjes, maar ook een roodhalsfuut en verderop wat rustend dobberende kokmeeuwen.

De zwarte kraaien stappen nog steeds zoekend over het grote grasveld.

 

De werkster arriveert net achter Denneman bij de lift in de flathal. Hij vraagt de huissleutel terug, omdat hij haar voorlopig niet meer nodig denkt te hebben, en stopt haar nog wat geld toe. Vervolgens drukt hij op knop 6 om de rest van de middag en de avond ongestoord te kunnen gaan gebruiken voor het verzamelen en vernietigen van het geringste dat iemand, wie dan ook, een hint zou kunnen geven van het bestaan van wat voor Denneman een ondeelbaar geheim is en dat moet blijven.

Meerdere malen gaat de telefoon. Geen enkele keer neemt hij op.

Niet alleen wist hij alle gegevens van zijn usb-stick, maar vervolgens knijpt hij het dingetje met een tang aan stukken, en vernielt hij de controllerchip en de geheugenchip met een schroevendraaier. Natuurlijk sloopt hij daarna rigoureus de harde schijf van zijn laptop. Net als de cd’s met back-ups. Via zijn vaste computer probeert hij eerst nog zoveel mogelijk bank- en boekingsgegevens die inzage zouden kunnen geven in zijn laatste reis, de wereld uit te helpen. Ook verwijdert hij alle mogelijk verraderlijke e-mailberichten. De voor de belastingaangifte bewaarde vliegtickets worden tot flintertjes verscheurd. Bonnetjes worden confetti. Rekeningen. En dan natuurlijk zijn veldnotities, zijn schetsen en anatomische tekeningen, stuk voor stuk uitsluitend gemaakt naar levend model!

Maar goed dat hij als gedreven wetenschappelijk onderzoeker altijd een solitair bestaan heeft geleid, dat er nooit tijd en ruimte voor een partner is geweest die middels telefoontjes of post op de hoogte had moeten blijven van zijn verblijfplaatsen.

De gruzelementen en papiersnippers vermengt hij met etensresten, sinaasappelschillen, lege verpakkingen in de zak van de keukenafvalbak.

Onrustig loopt hij steeds weer door zijn woning, om maar niets over het hoofd te zien. Nog tot ver na middernacht.

Dan vindt hij eindelijk rust, met de zalige gedachte dat hij zijn leven heeft veranderd. Dat hij daardoor een verdere wetenschappelijke carrière wel kan vergeten is duidelijk, nu hij zijn speciaal samengeroepen collega’s heeft laten barsten en hij geen enkele poging heeft gedaan noch zal doen om daar enige vorm van verklaring voor af te leggen en excuus voor aan te bieden. Sterker: Jona Denneman is van het ene moment op het andere wetenschapper af. Want hij heeft een geheim. Een geheim dat hij met geen sterveling wil delen. Was het niet ook een uitspraak van Nathan Banks dat een wetenschappelijk geheim een contradictio in terminis is?

Hoe behoed je een geheim het allerbest? Hoe houd je het alleenrecht? Hoe houd je een klein partje jungle ongerept? Door juist al het andere van je leven wél met een ander te delen…

‘Ja,’ zo spreekt hij zichzelf euforisch hardop toe, ‘door simpelweg te trouwen, Jona Denneman! Door zoals praktisch iedereen een normale baan te nemen en te trouwen.’

Hij herinnert zich dat een klasgenote hem haar liefde had verklaard toen hij er al geen plaats en tijd meer voor had, in het examenjaar van de middelbare school.

Wat haar achternaam was weet hij zo gauw niet meer, maar achter haar voornaam zal in ieder geval zijn achternaam gaan prijken. Voor iemand die in staat is gebleken om het meest zeldzame en curieuze springspinnetje ter wereld te vinden, moet het kinderspel zijn haar op te sporen.

De wetenschappelijke boeken moeten er natuurlijk ook allemaal uit, vindt hij, rondkijkend in zijn werkkamer, zeker die over spinnen. Niet omdat vrouwen van spinnen griezelen. Daniela Andriamalala bijvoorbeeld is een vooraanstaand Amerikaanse arachnologe die onderzoek doet naar dwergcelspinnen, maar ze heeft ook springspinnen beschreven. Elizabeth Bangs Bryant maakte naam met haar studies van soorten in New England en de Caraïben. Tamara Mkheidze bestudeerde de arachnofauna van haar geboorteland Georgië. En de Argentijnse María Elena Galiano was een autoriteit op het gebied van meerdere neotropische salticidenfamilies; het springspingenus Galianora is naar haar vernoemd.

 

Jona pakt eerst alle publicaties uit de boekenkast waarin over onder meer zijn eigen studies is geschreven. Hij legt ze op zijn bureau, knipt de leeslamp aan, schakelt de overige verlichting uit, maar haalt eerst nog de rol afvalzakken uit de keuken.

Telkens leest hij over zichzelf om voldaan vast te stellen dat hij een ander was.

Publicatie na publicatie verdwijnt in een grijze zak.

 

Het ochtendgloren belooft een prachtig heldere dag.

Op het moment dat hij de vuilniswagen zijn straat in hoort komen, nog ver weg, want de straat is lang en er zijn veel huishoudens, bindt Denneman de laatste vuilniszak dicht, om hem met de andere naar de lift te brengen en buiten te zetten.

Hij staat aan het raam van zijn werkkamer. De ruit trilt van de optrekkende vuilniswagen. Hij luistert naar de prettige geluiden van de ontwakende mensheid. Hij ervaart de wereld als jong en aangenaam.

Het maakt hem gelukkig zich voor te stellen hoe het gestommel van zijn kinderen in huis te horen zal zijn, net als het geluid van stromend water, het gerinkel van de vaat. Louise die praat. De kinderen rennen door de woning. De kleinste meid lacht en nu lacht Louise ook. Hij houdt van ze! Wat houdt hij van ze!

Jona doet de bureaulamp uit, en vanuit het donker dat heel even lijkt te zijn teruggekeerd, ziet hij, daar, nog laag, tussen twee gebouwen, zijn geluksster stralen: het is de zon.

Wie weet hoe je Jona Dennemen dagen of maanden later hier aantreft.

Als je de deur van het toilet opent, tremuleert een spilpotig, riel spinnetje heel even hevig tussen zijn slodderdraadjes in een hoek.

 

 (c) HB

_______________________________________

Voor het slot van dit verhaal werd dankbaar gebruik gemaakt van Albert Camus, Jonas ou l’artiste au travail, 1957.

 

dinsdag 25 augustus 2020

ANDERMAAL GIFTIG GETIKTE AFORISMEN

 

Zo’n twee jaar geleden publiceerde ik in meerdere afleveringen ‘giftig getikte aforismen’ op Nonnolles. Enige tijd later besloot ik ze weer van het internet te halen omdat menig aforisme mezelf door zijn bestaan daar buiten te zeer negatief bleef emotioneren. In plaats van dat ik er iets mee van me af had geschreven, bleek dat iets juist nog gespannener dichterbij me te zijn gebleven. Het betrof aforismen die voornamelijk waren gebaseerd op wat je schrijnende persoonlijke frustraties zou mogen noemen. Inmiddels heb ik praktisch al die notities in de kelder opgesloten, waardoor de rest weer de straat op mag.

***

 

Hij gebruikt zijn roman als zeepkist en glijdt als schrijver uit.

*

Hoe fijn dat literatuurbeschouwer X je als schrijver niet ziet staan als je niet achter zijn visie staat!

*

Hij wordt voor de prijs genomineerd omdat hij zich in zijn boek ‘zo krachtig uitspreekt tegen de gijzeling van de mens door de mediacultuur’, op voorwaarde van medewerking aan rond de prijs geplande lezingen en interviews voor krant, radio en televisie.

*

‘Wil iemand nog iets weten?’ vroeg de dichteres na haar gepassioneerde voordracht.

‘Wat moet ik erin horen en zien?’

‘U mag er alles in horen en zien wat u wilt,’ antwoordde de dichteres.

‘Ook niets?’

*

‘Veel van wat vandaag de dag wordt geschreven is zo vormloos.’

‘Ik dacht dat je je juist tegen de vorm wilde verzetten.’

‘Inderdaad, middels de vorm.’

*

Om ervoor te zorgen dat zijn visie op de hedendaagse literatuur visionair zal blijken, tentamineert hij zijn studenten over hoe hij in zijn colleges de ontwikkeling in de literatuur voorziet.

*

Hij kan zijn geluk niet op als in zijn pas gekochte gezinswoning de baby kraait en zijn vrouw hem aait omdat hij in de jury afdwong dat de meest ontregelende bundel won.

*

‘Y betitelt je in positieve zin als “late modernist”. Waarom kijk je dan sip?’

‘Omdat hij “te late modernist” zal hebben bedoeld.’

*

Onbedoeld zelfinzicht: de dichteres die zegt haar werk geen ‘poëzie’ te willen noemen omdat je dan zou kunnen denken dat het ‘iets goeds’ is. Ofwel actuele poëtica: als het maar niet goed is, dan is het goed. Vandaar dat de meeste actuele poëzie goed slecht is.

*

Zou gauw ‘ontregeling’ als poëtica in het academische curriculum is opgenomen mag je concluderen dat het een truc is.

*

Van literatuur lezen je beroep maken: hoe bestaat het!

Van literatuur lezen je beroep maken en ook nog beweren dat literatuur je leven zou moeten veranderen: hoe…

*

Hoe beter de autobiografie van een schrijver geschreven is, des te arroganter de belediging van die ontelbare autobiografieën van niet-schrijvers die nooit geschreven worden.

*

Lakmoesproef: welke autobiografie ik duizend maal liever gelezen zou hebben: die van schrijver A of die van mijn vader.

*

De schrijver die op radio en televisie vertelt met zijn autobiografische werk zijn verlegenheid en angsten te hebben willen overwinnen in plaats van niet op radio en televisie te komen om zijn verlegenheid en angsten omwille van zijn werk te sparen.

*

Le dérèglement pour le dérèglement.

*

‘Ik heb in mijn broek gescheten,’ verstaan in plaats van ‘Ik heb een boek geschreven.’

*

Tijdens het vraaggesprek met de schrijfster van buitenlandse komaf die Nederlands sprak maar de taal nog niet helemaal machtig was, werd hij getroffen door haar poëtische uitspraak dat ze haar ideeën haalde van onder de woestijn. Dat zei hij haar na afloop, waarop ze hem eerst onbegrijpend aankeek om me toen te corrigeren: ‘Van onder bewoest zijn!’ Iets minder, maar nog altijd niet echt verkeerd.

*

De verlegen jongen kreeg op school voor declamatie van een gedicht een onvoldoende en trok zich stil terug om gedichten te schrijven.

*

Talent en tijd. Als dichter B nu zeventien was, zou hij nooit dichter worden, zoals Rembrandt in de tijd van Tracey Enim en Damien Hirst geen beeldend kunstenaar zou zijn geworden.

*

Meer en meer vrouwen lezen en schrijven literatuur, maar minder mannen nu vrouwen dit feminine domein van de man meer en meer voor zich opeisen.

*

‘Ik wil schrijfster worden,’ zei de bevallige leerlinge tegen de meester.

‘Daar ben jij veel te knap voor!’

‘Seksist,’ riep ze, maar niet gekrenkt genoeg om schrijfster te worden.

*

‘Ik bewonder uw werk zeer. Wilt u eens eerlijk laten weten wat u van bijgaande verhalen van me vindt?’

‘… raad ik u aan uw kostbare tijd anders te besteden.’

‘Ik heb al uw boeken in de stortkoker gegooid.’

*

Voor een criticus, vrij naar Giorgio Bassani: ‘Hoe graag, mijn beste, zou ik je in je ballen trappen, maar zou je het ook voelen?’

*

Vrij naar Grock en Max van Emden:

‘Heb een neue Freund. Kafka ist mein Freund.’

‘Wat zegt u, Kafka is uw vriend?’

‘Ja, mein vriend.’

‘Kom nou, zeg, Kafka is dood!’

‘Wieso hij is dood? Kafka? Nee!’

‘Jazeker.’

‘Warum?’

‘Gestorven.’

‘Wie lang?’

‘Bijna honderd jaar.’

‘Honderd jaar?’

‘Ja.’

‘Oh! Wie die tijd vergaat!’

*

Na het verbreken van een liefdesrelatie of een vriendschap verbrandde hij steevast alle brieven die hij had gekregen. Ook brieven van literaire vriendschappen? Die meteen. Kreeg hij daar geen spijt? Jawel. Van de liefdesbrieven omdat hij ze naderhand terug had willen lezen, van de literaire omdat hij ze niet opnieuw kon verbranden.

*

‘Kunnen wij onze polemiek niet beter stopzetten?’ Met die woorden begon de brief die een dichter aan de dichter schreef. Tien jaar lang voelde hij zich verwarmd door deze onverwachte handreiking en koesterde hij de zo persoonlijke brief. Totdat hij in een postuum uitgegeven brievenboek de exacte tekst ervan aantrof. Sindsdien voelt hij zich met terugwerkende kracht door de al lang overleden dichter verneukt.

*

Al die gestiliseerde nepbrieven van schrijvers, niet bestemd voor hun zeer geëerde adressanten maar voor de eer van hun eigen later. Gelukkig leven we niet meer in de tijd van vulpen en postkoets, en is ‘later’ inmiddels een reële apocalyptische angst of een naïeve droom. Praktisch ondenkbaar toch dat er over honderd jaar nog zoiets als een Nederlandse literatuur zal bestaan? Zou een schrijver sowieso niet moeten werken met het perspectief van een wereld die nog tijdens zijn leven of pal erna zal vergaan? Waartoe dan überhaupt nog schrijven van romans, gedichten? Daarom juist, vraagtekenloos: waartoe.

*

 ‘Y’s verdienste is dat hij de [B-]ramp tot literair symbool heeft gemaakt.’

Hoe talrijk zijn zulke uitspraken die je je dom doen voelen omdat ze zo slim klinken, maar die zo dom zijn  omdat ze je niets wijzer maken.

*

Hij hoorde de door optredens op poëzieavonden en -festivals gepokt en gemazelde dichter op het podium verklaren dat dichters nooit met elkaar over het metier praatten, wat door zijn al net zo geroutineerde collega naast hem net zo zelfgenoegzaam lachend werd beaamd.

Vanaf toen besloot hij geen uitnodigingen voor deelname aan dichtersbijeenkomsten te negeren of af te slaan, maar ze in zijn agenda te noteren om niet te vergeten op welke tijdstippen hij een extra praatje wilde maken met een buurman, een filiaalchef, een dierenoppasser, een tuinier, een huisschilder – over hun vak.

*

Hij kan het niet laten om van tijd tot tijd in een boekwinkel na te gaan of een van zijn overleden lievelingsauteurs niet toch nog een nieuw boek heeft geschreven. Wanneer dit niet zo blijkt te zijn voelt hij de aanvechting een boek te kopen dat hij uiteraard al heeft, een aanvechting die hij niet noodzakelijk wil bedwingen.

*

Hij schrijft liefst zelf het boek dat hij zou willen lezen.

*

Hij leest liefst een boek dat hem gaandeweg de indruk geeft dat hij medeschrijver aan het worden is.

*

Er zijn enkele romans waarvan hij wel tien exemplaren in zijn boekenkast zou moeten hebben staan, zo vaak heeft hij net weer een ander boek gelezen.

*

Er staan ook gelezen romans in zijn boekenkast die tientallen jaren hebben moeten wachten op het moment dat hij ze verrast als voor het eerst las.

(In het besef hiervan schuilt dat van een van de grote onrechtvaardigheden van de nagestreefde actualiteit van de literaire dag- en weekbladbladkritiek.)

*

Een schrijver kan niet veel meer dan imiteren wat hij bewondert. Daarom moet hij drie of vier zeer uiteenlopende schrijvers hebben wier werk hij adoreert.

*

Erfgoed van zijn jeugd als arbeiderskind: zijn aristocratisch dedain voor culturele elite. (Of is het gesublimeerd minderwaardigheidsgevoel?)

*

Hij schrikt ervan hoe de dichter schrikt van zijn suggestie tot verbetering van een enkele versregel.

*

Zijn ‘zerk’ in plaats van zijn ‘werk’.

Was het een Fehlleistung van de toehoorder of van de geïnterviewde schrijver?

Doet het ertoe?

*

Afwijking als dekmantel van onvermogen.

*

Afwijking als verhindering van kritiek.

*

‘Een afwijking is iets echts,’ hoorde hij de officieel geautoriseerde, want hoogst gelauwerde ontregelingsdichter op de radio zeggen, ‘want daar kan iemand niets aan doen.’

Wat een beklemmende onvrijheid, dacht hij geschokt, om echt niets anders te kunnen dan echt moeten zijn! En wat een pijnlijk schrale troost voor een blinde, een eenbenige, een hydrocephaal…

*

‘Dat zou nog eens beroering wekken in een museum voor actuele kunst!’ zei Y enthousiast toen hij de olieverfstudies naar de natuur van X zag, zonder één ervan langer dan twee seconden te bekijken.

*

Sinds S () zich ervan bewust is dat het bij vrouwen seksistisch overkomt en dus slecht valt wanneer hij ze met ‘lieve’ aanspreekt alvorens hen tegen te spreken, gebruikt hij dat woord tegenover wie zich er inmiddels wel door laten vleien: mannen die hij hedendaags politiek correct terecht wil wijzen.

*

Natuurlijke selectie. Ze joeg eerst met haar verwijten van seksisme de meest zachtzinnige mannen tegen zich in het harnas om daarna met die machistische klootzak te trouwen.

*

‘Ik wil niet tussen mijn gedicht en de lezer gaan staan,’ verklaart dichter O, wiens poëzie alleen wordt gelezen door wie ervoor heeft doorgeleerd er geen touw aan te willen kunnen vastknopen.

*

Hakkelend en stokkend probeert dichter T in een radiovraaggesprek van een uur lang te verwoorden waarom hij om artistiek ideologische redenen niet aan een vraaggesprek wil deelnemen en dat dit dus het laatste zou moeten zijn, in plaats van dat hij stamelend opmerkt: ‘Je hoort toch dat ik er niets van bak’ en nog midden in de uitzending de studio verlaat.

*

Virtuele nostalgie.

Veertig jaar geleden dacht hij over de ontvangst van zijn boeken: wacht maar, over zestig jaar en daarna.

Nu denkt hij over de ontvangst van zijn boeken: waren ze maar zestig jaar en daarvoor verschenen.

*

Wat erg is:

als je boek vreselijk slecht wordt besproken door iemand die het vreselijk slecht heeft gelezen.

Wat erger is:

als je boek vreselijk goed wordt besproken door iemand die het vreselijk slecht heeft gelezen.

*

Door romans te gaan schrijven onder vrouwelijk pseudoniem wilde hij aan de mannelijke blik van de kritiek ontsnappen – wat lukte – en onder de aandacht komen van de vrouwelijke – wat mislukte.

*

Ze benutte haar inleidend praatje bij de presentatie van het nieuwe boek van C om alle aanwezigen zich uitgesloten te laten voelen van de diepte en hechtheid van haar vriendschap met de schrijver, inclusief de schrijver zelf.

*

Q’s neiging tot kitsch vormde het grootste gevaar voor haar artisticiteit. Toen ze dat uit het oog verloor werd ze de gevierde schrijfster die ze altijd had willen worden.

*

Het land was geschokt door de zelfmoord van de populaire schrijver, terwijl zijn kompaan van lang geleden ‘Kijk’ dacht, ‘zo ken ik hem weer.’

*

– Waarom niet juist schrijven als niemand het zal betreuren dat hij het laat?

– Omdat elke talentloze dat ook denkt?

– Maar niet elke illusieloze.

*

Hij zou niet alleen bij elk werk opnieuw moeten schrijven alsof het zijn laatste is, maar alsof de wereld vóór de verschijning ervan zal vergaan.

*

‘Schrijvers laten je zien wie je echt bent door je een spiegel voor te houden,’ leest hij in de literatuurkatern van een kwaliteitskrant.

Geschrokken vraagt hij zich af of dit betekent dat hij in zijn leven niet één boek heeft gelezen. Nee, niet geschrokken. Opgelucht.

*

Er zijn auteurs die als ghostwriter beter schrijven dan onder eigen naam omdat ze niet beseffen dat ook onder eigen naam schrijven ghostwriting is.

*

Mensen die niets te gek is om hun boodschap erin te verpakken, zelfs gedichten of romans.

*

Een boek in een oplage van duizend exemplaren dat maar door zo’n driehonderd mensen wordt gelezen.

Een boek in één exemplaar waar honderd mensen op wachten om het te mogen lezen.

*

Moreel probleem bij het hekelen van een criticus: de door hem of haar ten onrechte positief besproken auteurs als collateral targets.

*

Hij werd gevraagd een lezing van een half uur te houden onder de titel ‘De verdediging van de poëzie’.

Hij antwoordde dat hij dat wel wilde wanneer de titel van de lezing zou mogen luiden: ‘De verdediging van de poëzie, met uitzondering van die van [volgen namen waarvan het oplezen de toegemeten tijd ruim zou overschrijden]’.

*

Hij heeft de neiging om als variant op Aafjes’ gewraakte uitspraak van ruim 65 jaar geleden dat de SS de poëzie was binnengemarcheerd nu te verzuchten dat de slampamperij de poëzie is binnengeschaffeld.

*

Een college gevende hoogleraar of universitair docent hedendaagse letterkunde die recensies schrijft. Een college gevende hoogleraar of universitair docent hedendaagse letterkunde die een boek publiceert om bepaalde ontwikkelingen van de literatuur te stimuleren. Een college gevende hoogleraar of universitair docent letterkunde die deel uitmaakt van jury’s van literatuurprijzen. Een college gevende hoogleraar of universitair docent biologie die ijvert voor het bewonderen van de eland, het doodzwijgen van de pika en het uitroeien van de klipdas.

*

De bemoeienis van literatuurkundigen met wat zij het literaire discours noemen toont hun onwetenschappelijkheid.

*

In de natuurkunde volgens de kwantumtheorie kan geen enkele waarneming worden gedaan zonder dat het waargenomen verschijnsel wordt beïnvloed.

Worden daarom in de literatuurkunde verschijnselen alvast beïnvloed om ze te kunnen bestuderen?

*

Eerst draagt A haar gedichten bloemrijk voor om hun kitsch te verbloemen. Dan fluistert H de zijne welhaast opdat men voelt ‘ja, dit zijn van die ongrijpbaar lyrisch fijne…’. Vervolgens buldert T zijn verzen in de zaal, want hun wartaal klinkt urgent als kabaal. En nu raffelt B zijn gedichten brabbelend af, uit spijt dat hij op de uitnodiging is ingegaan en dat het nu te laat is en hij de ordebevestiger is met een schande waar alleen hij van wakker ligt.

*

Altijd schrijft Kortjakje poëzie als cultuurkritiek

Midden in de week maar zondags niet

Zondags gaat zij naar de poëzievoorleeskerk

Met haar boek vol zilverwerk

*

Cultuurethiek. Een poëzieprijs vernoemen naar een overleden dichter en diens beste dichtervriend de prijs onthouden.

*

Zelfingenomenheid of naïviteit?

‘Je vraagt je wel eens af waar we het aan verdiend hebben,’ noteert dichter R bij een foto van braaf luisterende mensen bij zijn poëzievoordracht.

Zelfingenomenheid doorzichtig vermomd als naïviteit.

*

Vrijwillig Limbo:

De folklore van het Nederlandse Boekenbal voor merendeels niet-schrijvers.

Vrijwillig Inferno:

Een ‘alternatief’ boekenbal met niets dan schrijvers.

*

Bij gesprekken tussen schrijvers en andere intellectuelen voelde hij zich telkens weer dom en taalarm en had hij opnieuw het schrijven nodig om te proberen zich van het omgekeerde te overtuigen.

*

Elias Canetti, onverbeterlijke meester van het aforisme.

Toch waagt hij het de meester aan te vullen.

Canetti (1980): ‘Hij is helemaal gelukkig wanneer hij leest. Hij is nog gelukkiger wanneer hij schrijft. Het gelukkigst is hij wanneer hij iets leest wat hij nog niet wist.’

Hij (2018): ‘Hij is helemaal gelukkig wanneer hij leest. Hij is nog gelukkiger wanneer hij schrijft. Het gelukkigst is hij wanneer hij iets leest wat hij nog niet wist. Het allergelukkigst is hij wanneer hij iets schrijft wat hij nog niet wist.’

*

Opmerkelijk is niet dat zoveel mensen kunst maken die sociaal, emotioneel, psychisch ‘anders’ zijn. Opmerkelijk is dat er sociaal, emotioneel en psychisch ‘normale’ mensen zijn met een stabiel, geregeld, rationeel gegrond bestaan die kunst maken.

*

Het schrijven van ‘Ugly poetry’: zoiets als stoer alleen nog op lelijke vrouwen vallen omdat je toch geen mooie kunt krijgen.

 

*

Hij hoort een kind tegen een volwassene zeggen dat het ‘wil spelen’ en kan zich niet herinneren dat zelf als kind ooit te hebben gewild. Vond hij toen al ‘spelen’ een krenkend woord voor waar hij in opging?

*

‘Je verzet tegen critici en academische neerlandici. Gooi je daarmee als schrijver niet je eigen ruiten in?’

‘Als dat zo is heb ik toch gelijk?’

*

‘Je verzet tegen critici en academische neerlandici. Gooi je daarmee als schrijver niet je eigen ruiten in?’

‘Het zijn er van beide categorieën maar een stuk of drie waar ik me tegen verzet!’

‘Maar dat zeg je er niet bij…’

‘Kun je nagaan hoe die drie de hele zaak verzieken.’

*

‘Hoort letterkunde niet de hoede van de literatuur te zijn?’

‘Ja, maar niet de voorhoede.’

*

Er zijn twee categorieën mensen van wie je je afvraagt wanneer ze lezen. Van de eerste omdat je vermoed dat ze bijna niets lezen. Van de tweede omdat ze de indruk wekken bijna alles te lezen.

*

Voorwaarde om je literatuurcriticus te mogen noemen: het constant voelbaar aanwezige diepe besef van de almaar toenemende hoeveelheid goede literatuur die je nooit zult mogen ontdekken.

*

Zijn beminnelijke vriend W, een begenadigd waarnemend tekenaar, had in zijn hoedanigheid als docent aan de kunstacademie bij menige student zo’n zelfde talent kunnen helpen ontwikkelen, ware het niet dat de leiding dat uit ideologische overwegingen niet relevant achtte voor het curriculum.

*

Eens dialoogbegin, nu dialoogeinde: ‘Ik voel dat nou eenmaal zo.’

*

Zich goed kunnen verplaatsen in andermans beweegredenen en gevoelens: het geldt net zo goed voor de gevaarlijke psychopaat.

*

Uiteraard kan literatuur maatschappelijk relevant en van invloed zijn. Maar moet je dan niet net zo goed als bijvoorbeeld de roman Uncle Tom’s Cabin, die blijkbaar lezers heeft beïnvloed in hun visie op de slavernij, bijvoorbeeld de roman The Turner Diaries noemen die Timothy McVeigh in zijn auto had liggen toen hij op weg was voor zijn bomaanslag in Oklahoma City waarbij 168 mensen om het leven kwamen?

*

‘Schrijf jij voor mannen of voor vrouwen?’

‘Wat een schrijveronvriendelijke vraag!’

*

Maffiapraktijken.

Zijn visboer wikkelde de ingepakte moot heilbot nog in een oude krant alvorens hem die in een plastic zak aan te reiken.

Thuis aan het aanrecht zag hij de boodschap: zijn doorweekte foto onder de rouwzwarte kop dat hij als dichter was mislukt.

*

Pakken – naar keuze: 1 ter hand nemen; 2 neuken; 3 te grazen nemen.

Toen criticus Q de schrijfster niet kon pakken pakte hij haar boek.

*

‘“Criticus Q” – omdat je zijn naam niet durft te noemen?’

‘Omdat hij van naam en gezicht zal veranderen zoals hij dat altijd al deed.’

*

Positieve discriminatie op sociale media.

Sinds de sociaal kritische literatuurcommentator R de indruk kreeg dat achter debutante C een mannelijke auteur schuilging, heeft hij haar geen enkel artistiek advies meer gegeven of haar anderszins iets van zich doen vernemen zoals hij dat geheel ongevraagd en, vindt ze, allerbeminnelijkst, was gaan doen.

*

Hij leest populair wetenschappelijke boeken op de manier zoals hij zich voorstelt dat de meesten literatuur lezen: zonder goed te weten waar hij op zou moeten letten en of hij bedot wordt.

*

Zouden Engelstaligen minder snel urgency (‘urgentie’) eisen van literatuur omdat het woord een anagram is van gurney (‘verrijdbare brancard’)?

*

Is hij alleen nog knorrig over de stand van de literatuur behalve tijdens het schrijven zelf? Moed put hij uit bijvoorbeeld het feit dat een prille dichteres (en net zo prille Master of Science) De glanzende kiemcel leest, de beschouwingen over poëzie die Vestdijk veertig jaar voor haar geboorte schreef, en laat weten: ‘Ik stel me voor dat anderen het mysterie rond poëzie graag intact houden, maar dat lijkt me even onzinnig als de gedachte dat wetenschappelijke kennis over stuifmeel de ervaring van de schoonheid van een bloem verpest.’

*

Niet in God geloven maar wel in de goddelijke inspiratie?

*

Dichter W is in God gaan geloven om zijn dichtkunst op de proef te stellen. Hopelijk.

*

Maar natuurlijk zijn er ook altijd enkele dichters die wel in staat zijn een zwenk te maken, denkt hij op een bank aan het Museumplein nadat hij zich de in feite onzinnige vraag heeft gesteld hoe de bebouwing tegenover hem er zou hebben uitgezien wanneer Van Gogh in zijn aardappeletersstijl was blijven steken.

*

Het omgekeerde geldt ook: leefden we nu bijvoorbeeld tussen 1945 en 1955 dan zou O nooit de X-prijs hebben gekregen: niet omdat zijn werk dan niet serieus zou worden genomen, maar omdat hij het helemaal niet geschreven zou kunnen hebben en mogelijk niet eens dichter zou zijn.

*

Goethe, Schiller, Hesse, Mann waren kinderen, Hölderlin, Trakl en Kafka stiefkinderen van hun tijd.

*

Bij de bekendmaking van de namen van de jury voor de P.C. Hooftprijs 2019 voor verhalend proza vraagt hij zich af of er bij oeuvreprijzen door de organiserende instantie niet eerst aan auteurs de mogelijkheid geboden zou moeten worden om zich op grond van de jurysamenstelling openlijk niet beschikbaar te stellen als kandidaat.

‘Maar dan melden zich hooguit auteurs af die de prijs sowieso niet zouden krijgen.’

‘Precies daarom.’

*

‘Ach, wie weet straks nog wie er in de jury zaten,’ zegt de schrijver die onder meer werd bekroond vanwege het in zijn werk zichtbaar maken van personen achter de façade van instituties.

*

‘Praktisch nooit vraagt men zich af door wie de samenstelling van zo’n jury voor een literatuurprijs wordt bepaald. Alsof het een geest is!’

‘Het is ook een geest.’

‘Een geest?’

‘De tijdgeest.’

*

‘Toen schrijfster N het gerucht ter ore kwam dat ze bij de laatste vijf kanshebbers voor de grote Y-prijs behoorde, publiceerde ze onmiddellijk een smaadschrift over letterkundig jurylid U en een giftige bespreking van de recente uitgave van romans schrijvend jurylid V.’

‘Wie was die schrijfster?’

‘Ze bleek niet te bestaan.’

*

‘Een schrijver weigert de nominatie van zijn roman voor de gerenommeerde Z-prijs omdat hij het volkomen onterecht vindt dat de roman van Y niet eveneens werd genomineerd.’

‘Wie is die schrijver?’

‘Ik weet alleen dat hij ergens in het sterrenstelsel Messier 51 moet wonen.’

*

Omdat E de solidariteit binnen zijn beroepsgroep als verstikkend ervoer besloot hij schrijver te worden.

*

Toen de cultuur een afslag nam bevond hij zich in de dode hoek.

*

‘Jij hebt makkelijk praten met je echte beroep en dubbelleven,’ zei schrijver F tegen hem, ‘maar ik moet het voor mijn sociale contacten hebben van bijeenkomsten met andere schrijvers.’

Dat raakte hem en maakte hem droevig, aangezien hij F een sympathieke man vond.

*

Hij nam zich voor de boeken van zijn medegenomineerden pas te lezen als hij de prijs zou krijgen. Toch las hij naderhand nog bijna de helft van het boek van de winnaar.

*

Wanneer er niet aan valt te ontkomen geeft hij, beschaafd als hij is, blijk van zijn reserve middels een compliment.

Bij filmkunst en schilderkunst doet hij dat door ‘Mooie kleuren’ tegen de maker te zeggen.

Nu zoekt hij naar een geschikt equivalent voor de dichtkunst.

Mooie klanken…? Mooie beelden…?

Of… Ja!

‘Mooi ontregelend!’

*

‘Kunst kan de wereld doen veranderen.’

‘Nou en? Kon ze de wereld maar eens niet doen veranderen!’

*

‘Wat mag ik erin schrijven?’ vraagt romancier AH aan hem wanneer hij eindelijk aan de beurt is bij het tafeltje in de boekhandel.

‘Voor AH.’

‘Maar zo heet ik zelf…,’ zegt de schrijver lacherig.

‘U kan het van mij cadeau krijgen.’

*

Collectors item: een ongesigneerde roman van M.

*

De opdracht met handtekening van de schrijver gaf de roman achteraf toch wel iets ontroerends.

*

‘Daar zou je een roman over moeten schrijven,’ zeggen zij die weten dat hij een schrijver is zonder ooit iets van hem te hebben gelezen.

*

‘Wilt u meewerken aan een vraaggesprek over uw nieuwe roman?’ ‘Graag, als ik de vragen mag stellen.’

*

Boven de meeste literatuur (romans, gedichten) waarin de auteur zichzelf als slachtoffer of gevallene etaleert past de titel Schwalbe.

*

Grumpy old man.

Wat tegen zijn kritiek op de huidige ontwikkeling van de cultuur pleit: zijn leeftijd.

Wat ervoor zou moeten instaan dat hij zich daar niets van aantrekt: zijn leeftijd.

*

Naarmate de krant P in de loop der jaren minder ruimte voor zijn besprekingen was gaan geven was hij de boeken die hij besprak sneller gaan lezen.

*

Kwalitatieve reden voor hem om geen dikke boeken te gaan schrijven: hij steekt in het schrijven van elk boek evenveel tijd.

*

Hij benijdde T vanwege alle aandacht voor en het grote verkoopsucces van diens eerste boek toen hij de prominente aankondiging zag van diens tweede. Totdat hij verbaasd besefte dat er in de tussentijd zes nieuwe titels van hemzelf waren verschenen.

*

Vrouwen zijn veel minder herlezers dan mannen, aldus een of ander onderzoek.

Zou dat niet ook veel zeggen over de herleesbaarheid van romans en gedichten van vrouwelijke auteurs? vraagt hij zich af.

Weliswaar staan ze met hun ruggen naar hem toe, maar onder anderen Marianne Moore, Marguerite Yourcenar, Murasaki Shikibu en Clarice Lispector kijken hem verbolgen aan.

Excuus en nieuwe poging.

Vrouwen zijn veel minder herlezers dan mannen, aldus een of ander onderzoek.

Zou dat niet voortkomen uit de minder intellectuele en romantischere oorsprong en historie van het ‘vrouwelijk’ lezen en dus een nog te emanciperende zaak moeten zijn? vraagt hij zich af.

De dames beraden zich.

*

Over het algemeen weet hij maar heel weinig wanneer hij aan een boek begint en weet hij opnieuw maar heel weinig wanneer hij het boek heeft geschreven, waardoor hij het moet herlezen of opnieuw aan een boek moet beginnen.

*

De ideale lezer? Die bij de allereerste keer dat hij of zij het boek openslaat meteen met herlezen kan beginnen?

*

[Trots] ‘Ik heb uw boek gelezen.’

[Beleefd] ‘Zou ik het eens mogen zien?’

[Verontwaardigd] ‘U gelooft me niet? Hier!’

[Ontgoocheld] ‘Er staat geen enkel potloodstreepje in.’

*

Zijn favoriete schrijvers moesten niet veel van elkaar hebben.

*

‘Eigenlijk vind ik het maatschappelijk wel in orde dat V literatuurcriticus is.’

‘Dat mispunt dat zijn positie misbruikt om schrijvers te paaien of juist door het slijk te halen?’

‘Stel je eens voor dat hij zou worden betaald voor het beoordelen van winkel-, kantoor- of ziekenhuispersoneel…’

*

Wanneer een schrijver in zijn roman of gedicht het woord hommel of het woord flamingo gebruikt*, hoort hij op zijn minst te weten dat geen bij wordt bedoeld en dat die knobbel in een staande flamingopoot geen knie is.

Ook als dat niet voor het verhaal van belang is?

Wat hebben die hommel of die flamingo in dat verhaal te zoeken als ze net zo goed een bij of een anomalie kunnen zijn?

* Variant. Wanneer een lezer in een […] tegenkomt […].

*

Populair onder schrijvers: een wonde publiekelijk breed uitmeten in plaats van ze stil te dichten.

*

Populair misverstand onder schrijvers: zelf denken te weten waar en wat je wonde is.

*

Niet Franciscus van Sales, Laurentius van Rome of de evangelist Marcus maar de ongelovige Thomas zou de patroonheilige van de lezers moeten zijn.

*

H is geen schrijver maar allegorist.

*

De romans van N worden niet als belangwekkende literatuur beschouwd omdat men ze niet tot allegorieën kan reduceren.

*

Voor het lezen van een werk hoeft hij van geen enkele schrijver te weten waar en hoe zij of hij woont, behalve van een links geëngageerde.

*

Wat redigeert die M toch vreselijk goed en wat schrijft hij zelf toch beroerd!

*

X en Y schrijven hun boeken doordat er in hun ouderlijk huis veel boeken stonden. Z schrijft zijn boeken omdat er in zijn ouderlijk huis geen boeken stonden.

*

Die vele o zo betrokken bewonderaarsreacties in de kranten en op de zogenaamde sociale media naar aanleiding het overlijden van dichter en schilder A lijken het onbegrijpelijk te maken dat er van zijn poëziebundel W die twee jaar geleden verscheen, niet minstens een paar duizend maar amper driehonderd exemplaren werden gekocht.

*

Kwadratuur van de kitsch: ervan worden beschuldigd kitsch te maken en erop reageren door te beweren dat je dat bewust ter eigen bewustmaking doet.

*

Kanttekening bij poetry slam en aanverwante cultuurverschijnselen: dichters die elkaar persoonlijk eerder en beter leren kennen dan hun nog te maken werk.

*

De beroemde schrijver die publiekelijk laat weten niet meer te zullen schrijven is even potsierlijk als de onbekende want nog niet schrijver die publiekelijk zou willen laten weten te gaan schrijven.

*

- Waartoe het schrijven van al deze nogal bittere semisyllogistische notities? Veel fiducie in hun uitwerking schijn je niet te hebben.

- All work and no play makes Jack a dull boy.

*

Gombrowicz: ‘Al die discussies over de roeping van de schrijver om te strijden tegen de leugen, over zijn rol als ontmaskeraar – terwijl ze heel goed weten dat ze maar wat kletsen in ruil voor de reis die hun is aangeboden. En ze weten dat iedereen weet dat ze het weten! Een courtisane heeft eens tegen me gezegd: “Iedereen verkoopt wat. Ik verkoop mijn lichaam.” Maar zij hield tenminste geen referaat over de Authenticiteit als Fundament van de Ontwikkelingsperspectieven van de Cultuur.’

Akkoord, op één detail na. ‘En ze weten dat iedereen weet dat ze het weten’ zou moeten zijn: ‘En ze weten dat iedereen zou moeten weten dat ze het weten.’

*

Voorstelbare onvoorstelbaarheden.

– Een toehoorder die de voordracht van een dichter onderbreekt met de vraag of hij de vorige twee regels nog eens zou willen herhalen omdat hij werd afgeleid door de onuitgeschoren nek van de persoon voor hem of de spitse damesknie naast hem.

– Een toehoorder die de voordracht van een dichter onderbreekt met een zinvolle suggestie ter verbetering van versregels drie en vijf.

– Een dichter die een vrijwilliger onder zijn toehoorders vraagt om zijn gedichten op het podium te komen voorlezen om zelf diens plaats in de zaal te kunnen innemen of, beter, de zaal te verlaten.

– Een dichter die zich ervoor schaamt zich er niet voor te schamen zich als dichter te laten presenteren.

– Een dichter die wordt aangekondigd als bakker en er niets van bakt omdat er niet alleen geen oven op het podium staat, maar zelfs water en meel niet op zijn lessenaar voorhanden zijn. Een bakker die wordt aangekondigd als dichter en applaus oogst voor het declameren van zijn recepten voor kersenschuimtaart en petitfours met cappuccino.

– Een dichter die niet wilde ingaan op de uitnodiging om uit eigen werk te komen voorlezen, zijn poëzie die in de zaal waar hij niet optrad een staande ovatie ontving.

*

Franz Kafka las meerdere keren in de kleine, besloten kring van vrienden en kennissen uit zijn verhalen voor en moest daarbij steevast om zijn eigen teksten lachen.

Je het proces voorstellen van hoe Kafka het podium op moet voor een volle zaal waarbij hem het lachen voor eens en altijd vergaat.

*

Kafka miskennen door zijn werk onnavolgbaar en dat van bepaalde anderen na hem kafkaësk te noemen.

*

Niet eerder in de menselijke geschiedenis was de individuele mens in en door zijn eigen cultuur zo snel ‘achterhaald’ als heden. De artistieke avantgardisten voelden dat gebeuren en probeerden zelf voorop te lopen. Een vrij onnozele gedachte en navenant hopeloze poging om een rol van belang te spelen bij het bepalen van de koers van de ratrace, zoals een eeuw later blijkt, al wenst nog lang niet iedereen dat in te zien.

*

In het door de culturele conjunctuur achterhaald zijn ligt de enige mogelijkheid tot artistieke vrijheid, mits je dit achterhaald zijn niet verward met teruggrijpen en terugvallen.

*

‘Vernieuwing’ als criterium heeft van de kunstkritiek beunhazerij gemaakt.

*

‘Vernieuwing’ als criterium maakt van veel hedendaagse poëzie beunhazerij omdat vernieuwen niet als discipline te leren is.

*

In de vorige notitie is poëzie inwisselbaar voor beeldende kunst.

*

Hoe zou het komen dat in het proza de graad van ‘vernieuwing’ en ‘experiment’ al lang niet meer de beoordelingsstandaard vormt, maar dat in de poëzie juist wel doet? Misschien onder meer door de funeste misvatting dat poëzie ‘gevoeld’ moet en niet ‘begrepen’ mag worden?

*

‘Vernieuwing’ zou alleen een door (kunst- en literatuur)historici te hanteren term mogen zijn in studies over bewegingen van minimaal anderhalve eeuw geleden. Rembrandt vernieuwde (een deel van) de schilderkunst pas wezenlijk in de negentiende eeuw.

*

Schrijver A beschouwt heel het leven als fictie. Vandaar dat hij er geen been in ziet feitelijkheden te verdraaien. Het is voor hem te hopen dat hij nooit oog in oog zal hoeven staan met een dubbelloops geweer van waarachter na de ontgrendeling de keuzevraag ‘Feit of fictie?’ klinkt.

*

‘Maar hij is eigenlijk een prozaïst.’ ‘Hij is en blijft een dichter.’ ‘De essayistiek is zijn fort.’

Niets zo gemakkelijk in een jury als om een auteur opzij te schuiven die meerdere literaire disciplines beoefent, en wel telkens met een oordeel dat hem voor een andere discipline juist bijzonder prijswaardig zou maken.

*

Wat heet breuk? Wat heet contemporain?

Picasso die zich op zijn vijenzeventigste uitvoerig bezighoudt met een schilderij van een vijfenvijftigjarige (Vélasquez) die meer dan tweehonderdtwintig jaar voor de geboorte van Pablo overleed.

Picasso die zich op zijn tachtigste uitvoerig bezighoudt met een schilderij van een vijendertigjarige (Édouard Manet) die overleed toen Pablo nog geen twee jaar oud was.

*

Bij wijze van hart onder de riem stuurde iemand hem dit citaat van Octavio Paz: ‘Het idee “moderne kunst” komt voort uit het idee “kunstgeschiedenis” – allebei bedenksels van de moderne tijd die er samen mee zullen verdwijnen.’

*

Intussen stelt hij vast dat in deze tijd en contreien ten opzichte van de kunst het verschil tussen ‘linkse’ en ‘rechtse’ politiek is dat het de linkse is die zich middels agendering, subsidiëring en programmering ingrijpend bemoeit met inhoud, vorm, richting en doel, lees: ‘innovatie’ van de kunst.

– ‘Moet je je daar als kunstenaar niet tegen verzetten, ook als je eigen maatschappelijke opvattingen deels “links” zijn?’

– ‘Nee, dan uiteraard niet, gekkie!’

*

De voorgesneden kaas heeft alweer een nieuwe, innovatieve verpakking en sluiting. Volkswagen heeft de Automotive Innovation Award gewonnen voor meest innovatieve autofabrikant. De nieuwe IPhone-modellen krijgen een innovatieve dieptecamera aan de voorkant. De supermarktketen heeft een innovatieve wijze van afrekenen geïntroduceerd die menselijke kassières overbodig maakt. Kunstenaar L wordt geen overheidssubsidie meer toegekend omdat schilderen met kwast en verf niet innovatief is. De toekenningscommissie voor kunstsubsidies bestaat uit lieden van antikapitalistische signatuur.

*

Taalzuivering. Het woord ‘jaknikker’ verbieden vanwege racisme.

*

Wereldvermaard kunstenaar F kwam tot de beste concepten voor kritische verbetering van de wereld middels zijn kunst tijdens een verblijf van € 800 exclusief per hotelnacht in een van de twintig Arabische landen met het laagste inkomen per hoofd van de bevolking.

*

Hunkerend visioen. In de trein zitten en iedereen in de coupé zien zitten kijken op en vingeren over zijn digitale scherm, waarbij iedereen ook telkens weer aandachtig opkijkt, naar het landschap buiten of naar een medepassagier, naar een jas aan een haak, naar een tas of koffer, naar een aangegeten broodje kaas naast een beker koffie, en de conducteur zien komen die in plaats van digitale vervoersbewijzen een keur aan Hockneyaanse iPadtekeningen onder ogen krijgt.

*

Uiteraard hoeft een kunstenaar in zijn privéleven geen heilige te zijn, althans zolang hij niet middels zijn werk zichzelf als heilige presenteert.

*

Bescheidenheid wordt nogal eens verwisseld met gebrek aan zelfovertuiging, zoals het blijk geven van zelfovertuiging nogal eens wordt verwisseld met het hebben van een sterke persoonlijkheid.

*

Allergieën om te koesteren:

- voor de dichter die zijn verzen publiekelijk voorleest met zo’n zachte, intimistische tongval en bedachtzame dictie dat je ‘Scheer je weg, griezel!’ zou roepen wanneer hij dat in een steegje tegen jou alleen zou doen.

- voor toehoorders van zo’n dichter die het, ondanks dat ze hun ogen gesloten houden, aan verbeelding ontbreekt om zich de ranzigheid voor te stellen bij wat ze als het rondzingen van schoonheid en gevoeligheid menen te moeten ervaren hoewel ze er inhoudelijk geen snars van begrijpen.

- voor wie zegt dat deze dichter ‘literaire schoonheid ademt’ zonder op ademafstand van hem te hebben hoeven staan.

- voor de dichter die quatsch verkoopt als ‘peilloos koele netten’, het ‘ritme van de ziel’, ‘plooien in het spreken’ aan poëzieliefhebbers die het onbegrijpelijke voor het ongrijpbare houden.

- voor wie zegt dat je poëzie niet hoeft te begrijpen.

- voor poëzieliefhebbers.

- voor poëzie, zoals voor het allermeeste dat als kunst bedoeld is.

*

Hij wist intuïtief wat de indicatie zou zijn om te stoppen met het schrijven van poëzie: het moment waarop hij zich er eigenlijk niet meer voor zou schamen.

*

Dichter Y voert de gedichten van Rilke aan als grote inspiratiebron. Als je vervolgens diens eigen poëzie leest, vraag je je af of je soms een uitgave van Rilke’s gedichten met volstrekt andere gedichten in huis hebt.

*

Boude stelling? Wie de knipvliezen van de panter in Rilke’s gedicht ‘Der Panther’ niet ziet, heeft gedicht noch panter gezien.

*

Vele filosofen zijn des dichters dood. Hij weet niet meer zo gauw wie dat zei, maar wel meteen op wie het slaat.

*

Wanneer auteurs eindelijk de positie hebben bereikt om breed publiekelijk verantwoordelijkheid voor de ware aard van literaire kunst op zich te kunnen nemen en die uit te dragen, zijn ze daar meestal gekomen door af te leren daar nog echt om te malen.

*

Natuurlijk speelt persoonlijke rancune een rol bij zijn zinloze charges tegen het artistieke establishment. Stel je voor, anders was hij een nog kleinere muis en nog een grotere minkukel!

*

‘Je zou er dus liefst zelf toe behoren, tot die beroemdheden.’ Wanneer iemand hem dat zegt, weet hij welk vlees hij in de kuip heeft.

*

‘Schrijf jij dan niet voor zoveel mogelijk lezers, voor een publiek?’

‘Ik schrijf, zo intiem mogelijk, voor één of hooguit enkele individuele lezers die ik in vertrouwen neem. Zolang het publiek louter uit hen blijft bestaan, schrijf ik voor een publiek.’

*

Enige zin van literatuur: eruit kunnen vertrekken om weer in de wereld te zijn zoals je erin was zonder van het bestaan van literatuur te weten?

*

‘Was ik maar van begin af aan niet zo verlegen en sociaal-cultureel terughoudend geweest…’

‘Maar dan was je wellicht geen schrijver geworden.’

‘Dat bedoel ik.’

*

‘Volgens mij gooi jij je eigen ruiten in.’

‘Heb ik dan sponningen? En muren? Een huis…? Waar?’

*

Variant:

‘Je gooit je eigen ruiten in!’

‘Maar met voldoende overtuiging, vind je hopelijk?’

*

Een tweede, derde of vierde ‘Kafka’ zal er beslist niet meer komen. Niet omdat niemand meer iets evenwaardigs zal kunnen schrijven, maar omdat er geen tijd meer zal komen die dat wil en kan ontdekken.

*

Gelukkig is hij als schrijver nauwelijks geïnteresseerd in symboliek. Vanochtend werd hij bij het oversteken op een haar na geschept door een vrachtwagen van het Centraal Boekhuis die hopelijk ook enkele exemplaren van zijn net verschenen boek vervoerde.

*

Samen met succesauteurs die hij persoonlijk kent dweept successchrijver Q graag met schrijvers die weinig of geen weerklank vonden in hun tijd.

*

Zou een bepaalde mate van besef van wezenlijk ongelukkig zijn voor een auteur een voorwaarde (hoewel allesbehalve een garantie) zijn voor het kunnen maken van interessante literatuur? Zou het zich wezenlijk ongelukkig voelen in de hedendaagse Nederlandse literatuur daar dan ook bijhoren? Nee, dat in geen geval, want dat zou niets anders zijn dan een er logisch uit resulterend bijverschijnsel.

*

Repliek op de voorgaande notitie: ‘En toch wordt men ook daardoor weer persoonlijk misvormd.’

*

Paradoxale opgave van kunst: zichzelf als kunst bij waarlijke beschouwing ‘als kunst’ doen vergeten zonder daartoe de eigen kunstmatigheid te verdoezelen.

*

Duchamp poneerde bij wijze van antiburgerlijk schokeffect een pisbak in de burgerlijkheid van het museum. Dezelfde burgerlijkheid zal honderd jaar later net zo geschokt zijn wanneer het museum die pisbak eindelijk bij de vuilniscontainer zet.

*

Valse argumentatie, in zowel de betekenis van foutief als van gemeen (en vervuild): ‘De kunst die jij afvalt zou door de nazi’s ontaard zijn verklaard.’

*

‘Ontaarde’ kunst willen maken: hoe pervers kun je na Auschwitz zijn?

*

De nazi’s (net als de machthebbers en hun aanhangers in andere dictaturen) hebben zo’n zeventig jaar geleden met hun afbeeldende kunst de afbeeldende kunst in discrediet gebracht. Waarom laat men dat nog steeds gebeuren?

*

Duchamps pisbak (of flessenuitdruiprek) met frisse ogen zien: wie kan dat en wat zie je dan behalve een pisbak (of een flessenuitdruiprek)?

*

Vanaf het moment dat kunst alleen uit het stellen van een daad bestaat, hoort ze als alle menselijke daden hooguit nog in de geschiedenisboeken thuis.

*

‘Actuele’ kunst willen maken? Alsof je ooit anders dan actueel zou kunnen leven!

*

Toeristische barbarij. Hij zat op een openbare bank aan het Museumplein te tekenen naar de aanschouwing, toen een stel dat het had over ‘the overwhelming Rijksmuseum’ dat zojuist was bezocht, zo pal naast hem kwam zitten dat hij zijn tekenarm niet meer kon verroeren.

*

Hij zat op een openbare bank aan de noordkant van Het IJ te tekenen toen een dame vriendelijk vroeg of ze stil links naast hem mocht komen zitten om te zien hoe hij dat deed.

‘Wat je nu tekent terwijl het langskomt is een zogenaamd beunschip,’ zei ze.

Toen zijn tekening af was praatten ze nog een tijdje door over het feit dat ze blij was zo aan het water te wonen waar ze dagelijks de schepen kon zien varen na de dood van haar man, met wie ze haar hele werkzame leven op de binnenvaart had doorgebracht, en toen ze beiden opstapten scheurde hij de tekening voor haar uit zijn schetsboek, waarna hij er pas echt tevreden over was.

*

Het voordeel van dubbele getalenteerdheid: met de voortbrengselen van het ene talent in de openbaarheid kunnen treden en die van het andere in particulier bezit kunnen houden. En dus…? Bij het ene beseffen waarvoor je het bij het andere doet en vice versa. Hoe bedoel je? Beseffen het publiek niet nodig te hebben om het niet te vergeten.

*

Het grote nadeel van het feit dat studenten op de allermeeste kunstacademies niet meer klassikaal naar model of stilleven tekenen? Dat ze niet meer leren al doende zelfstandig ‘retinaal’ waar te nemen? Ook. Maar vooral: dat ze het elkaar niet meer al doende zien doen.

*

Een schrijver die geheimzinnig doet over zijn schrijfpraktijk heeft meestal een gebrek aan geheim te verbergen. Een schrijver hoort niet te weten dat hij een geheim heeft als hij er een heeft.

*

Openheid van schrijfzaken is vaak het meest ver te zoeken bij auteurs die met hun werk pretenderen verborgen zaken aan het licht te brengen.

*

Toen J niet meer aan V vroeg hem bij zijn schrijfwerk op de vingers te kijken was het voorgoed gedaan, niet alleen met hun vriendschap maar ook met dezelfde richting van hun artistieke wegen.

*

Kan het dat een liefde de stijl van schrijven van een auteur aantast?

– Ja, dat kan, want anders is zijn liefde niets waard.

Kan het dat de stijl van schrijven van een auteur zijn liefde aantast?

– Ja, dat kan, want anders is zijn stijl niets waard.

*

Mensen die eraan twijfelen of ze wel in staat zijn goede literatuur goed genoeg te kunnen lezen hoeven slechts aandachtig enkele boeken te lezen die in de krant zijn besproken en de betreffende besprekingen na de boeklectuur te lezen om ervan overtuigd te raken beter te kunnen lezen dan degenen die ervoor betaald werden.

*

Veel lezers spreekt het niet aan dat een literair boek moet worden aangesproken.

***

© 2020 Huub Beurskens