dinsdag 14 januari 2014

JE LEVEN VERANDEREN 2




Het hoeft niet per se zo te zijn dat elk verkeerd uitgangspunt tot zinloze dwalingen leidt. Het komt zelfs meer dan eens voor dat juist een misverstand een creatief denkende en handelende persoon vooruit helpt, zoals andersom een te veel aan kennis die voor onomstotelijk wordt gehouden, de vindingrijkheid danig kan belemmeren. Een mooi voorbeeld van het laatste werd ooit geleverd door de jonge Louis Leakey, die, niet gehinderd door de veronderstelling dat prehistorische gereedschappen altijd van vuursteen gemaakt moesten zijn, binnen de kortste keren in Oost-Afrika prehistorische gereedschappen vond die een gerenommeerde Duitse paleontoloog jarenlang over het hoofd had gezien doordat ze daar van obsidiaan waren vervaardigd.
         Zo leest Peter Sloterdijk de slotzin van Rilke’s gedicht ‘Archaïscher Torso Apollos’ mijns inziens verkeerd om hem vanuit die interpretatie in zijn cultuurfilosofische boek Du muβt dein Leben ändern juist, dat wil zeggen, als een agens te kunnen inzetten.

In dat boek besluit Sloterdijk het hoofdstukje met de titel ‘Maligne herhalingen III: Het op zichzelf betrokken kunstsysteem van de moderniteit’ als volgt[1]:
‘(…) staat ook het kunstsysteem op een tweesprong: ofwel het volgt tot het einde de weg naar de corruptie door nabootsing van het buiten de kunst gelegen effect in het tentoonstellings- en verzamelingswezen en ontmaskert de kunst definitief als de speelplaats van de Laatste Mens, ofwel het bezint zich op de noodzaak de creatieve imitatie terug te brengen naar de werkplaatsen en daar opnieuw de vraag aan de orde te stellen hoe het herhalenswaardige moet worden onderscheiden van het niet-herhalenswaardige.’
Als cultuurfilosoof wil Sloterdijk in zijn analyse van de stand van zaken in de wereld van de (beeldende) kunst vanzelfsprekend zo veel mogelijk boven of buiten de partijen staan, maar zeker als je hebt gelezen wat hij aan deze slotsom vooraf laat gaan, is het allesbehalve lastig te raden bij welke van de twee door hem genoemde mogelijkheden zijn hart ligt.
‘De noodzaak de creatieve imitatie terug te brengen naar de werkplaatsen en daar opnieuw de vraag aan de orde te stellen hoe het herhalenswaardige moet worden onderscheiden van het niet-herhalenswaardige.’ Dat is, in al zijn nieuwheid voor mij, precies de formulering van wat ook mij aan het hart ligt en waar ik de afgelopen jaren herhaaldelijk aandacht voor heb willen vragen, zowel middels teksten over kunstenaars die bezig zijn met pogingen om ‘de creatieve imitatie terug te brengen naar de werkplaatsen’ – denk alleen al aan David Hockney – als door teksten over en tegen de kwaadaardigheid van het autoreferentiële, zoals Sloterdijk dat noemt, tentoonstellings- en verzamelingswezen – denk alleen al aan Jeff Koons, Damien Hirst, Tracey Emin…
Sloterdijks formulering leverde me ook een herinnering aan mijn tijd als leerling van het Sint Thomascollege in Venlo. Niet dat die herinnering zich voor het eerst manifesteerde, integendeel. Maar ik kreeg de betekenis ervan en het erin besloten uitgebleven antwoord nu nog helderder voor de geest.
Hoe oud zal ik zijn geweest? Een jaar of zeventien? In elk geval was ik me al voor gedichten, dat wil zeggen voor poëzie als serieus te nemen literatuur gaan interesseren. Ik was geboren en groeide op aan de Duitse grens. De twee Duitse televisiezenders waren bij ons thuis populairder dan de aanvankelijk nog enige Nederlandse zender. Ondertiteling hadden we niet nodig, we konden om de in het Duits nagesynchroniseerde Hiram Holliday of de Kölsch kallende Willy Millowitsch net zo lachen als om het ‘Sapperdeflap’ van Pipo de Clown. Dus besloot ik mijn docent Duits na een van zijn lessen maar eens te vragen wat hij me als nieuwe Duitse poëzie kon aanraden.
Hij nam er de tijd voor, liet me weer gaan zitten en nam tegenover me plaats. ‘Waar gaat het in het leven eigenlijk om?’ vroeg hij fijn glimlachend. Wat had die vraag met de mijne te maken? ‘Welnu,’ antwoordde hij zelf, ‘over geboorte, liefde en dood. Toch?’ Ik kon het niet ontkennen: zonder het eerste en het laatste was het leven ondenkbaar, en dat er tussenin wilde ik inmiddels ook niet meer missen, zeker niet in het weekend. Ik zal dus hebben geslikt en geknikt. ‘En waar gaat het vanouds in de literatuur over?’ Ik wist wat hij van me wilde horen en liet het hem daarom ook zelf maar zeggen: ‘Over het op de aarde gekomen zijn, over de liefde en over de dood. Waarom zou je daar moderne poëzie voor gaan lezen?’ Hij stond op, liep naar zijn privé verzamelinkje Duitstalige boeken, koos er een uit en gaf me dat mee, waarbij hij een triomfantelijke blik vanwege een vervuld geachte missie nauwelijks kon of wilde onderdrukken.
Bedremmeld liep ik met iets van Lessing, Goethe of Schiller in mijn hand door de lege, betegelde hoge schoolgang.
Met Sloterdijk in de hand denk en antwoord ik nu: ‘Terug naar de werkplaatsen en de bouwhutten, inderdaad, maar om daar opnieuw de vraag aan de orde te stellen hoe het herhalenswaardige moet worden onderscheiden van het niet-herhalenswaardige. En wat is er in het leven herhalenswaardiger of herhalensnoodzakelijker dan op de wereld komen, de liefde en dat alles weer moeten laten gaan?’

Arnold Schönberg, Blauer Blick, 1910


De ‘catastrofe van de beeldende kunst’, zoals Sloterdijk het niet mis te verstaan noemt, is begonnen in het tweede decennium van de twintigste eeuw. En deze catastrofe ‘ontpopt zich als de catastrofe van het imitatiegedrag en van het daarmee verbonden trainingsbesef’, zoals hij het uitdrukt. Met andere woorden, het métier en de traditie ervan werden niet meer of almaar minder doorgegeven.
         Ik bezocht enkele dagen terug de tentoonstelling Schönberg & Kandinsky. Tegendraads in kunst en muziek, in het Amsterdams Joods Historisch Museum. Het misverstand van het er als talent en kwaliteit tentoongespreide stemde me opstandig en neerslachtig tegelijk. Over Schönbergs kwaliteiten als componist wil (en kan) ik niets zeggen. Het niveau van zijn artistieke teken- en schilderwerk is gelijk aan dat van puber die nog geen potje of appeltje kan natekenen, maar zich beroept op alle clichés van de expressiviteit. Als het meest pijnlijke ervoer ik het feit dat hij zich bij herhaling, zowel in geschrifte als gesproken woord, beriep op zijn gevoel, op het ‘feit’ dat hij het gewoon zo had gevoeld en had uitgedrukt. Wat een egocentrisme, wat een selfishness, daar in het begin van de eeuw die een van de zwaarst beladene uit de wereldgeschiedenis aan het worden was! Wat een hoogmoed om niets anders dan de uitdrukking van jouw eigen, louter persoonlijke gevoel aan de wereld te tonen, en daar ook nog applaus voor te verwachten (en warempel gaandeweg te krijgen)!
         Het is een goed voorbeeld van waar Sloterdijk op doelt. De gevolgen van de ontwikkeling, zowel vanuit de heiligverklaring van de vrije expressie als die van het concept, zoals belichaamd in de pisbak van Marcel Duchamp, zijn funest. ‘Het enige aspect van de kunst dat tegenwoordig nog voor nabootsing in aanmerking komt,’ zegt Sloterdijk, ‘zonder dat de nabootsers de strekking van hun nabootsing zelf in de gaten hebben of zelfs koesteren, (…) bestaat hierin dat kunstwerken niet alleen geproduceerd maar ook tentoongesteld moeten worden.’ Hij heeft het in dit verband terecht over ‘de kunst als tentoonstellingsmacht’. Deze wereld van de moderne beeldende kunst is voor de rest een ‘imitatieblinde subcultuur’, waarin ‘het kunstwerk in het selfish system [ja, dat woord had ik van hem] van de gepostmoderniseerde kunst er niet eens over [peinst] een wereld te creëren.’ De kunst is een pseudoreligie geworden, waarin ‘de curatoren (…) autoreferentiële exposities organiseren en de kunstenaars als zelfcuratoren en zelfverzamelaars optreden.’ Het devies luidt dat je ‘op het punt van de selfishness nooit ver genoeg (kunt) gaan, zolang het publiek bereid is op kunst te reageren [vrij vertaald: “erin te trappen”] als een verschijnsel van transcendentie.’ Het gaat hierbij niet eens meer om een vorm van l’art pour l’art als wel om ‘the art system for the art system’. Als je tegenwoordig naar een kunstacademie gaat word je dáár in onderwezen…

Terug naar de werkplaats. Maar dat is heel wat makkelijker gezegd dan gedaan. Want dat geld, hè, het zo vele en grote geld… Uit de greep ervan komt de beeldende kunst niet een-twee-drie. ‘De toekomst van het kunstsysteem,’ aldus Peter Sloterdijk, ‘(…) ligt in zijn fusie met het systeem van de grootste vermogens.’
         Hoe zit dat dan in en met de literatuur? Wat proza betreft begint die aardig te lijken op de pseudoreligieuze, aan het grote geld gekoppelde systeemgekte in de beeldende kunst. De recente hype rond Murakami spreekt geen boekdelen maar boekexemplaren, auteurs als Brett Easton Ellis en Dave Eggers zijn goed voor miljoenen (lezers, exemplaren, dollars). En de Kafka’s kunnen per definitie pas opstaan na hun overlijden.
         Nee, dan vormen dichtkunst en dichters een heel wat minder lucratieve handel. Bovendien start Sloterdijk zijn beschouwing niet voor niets met een gedicht van Rainer Maria Rilke. Dat betekent op zijn minst dat hij Rilke beschouwt als een dichter die uit de greep van het modernisme is gebleven, en als een kunstenaar die zijn vak verstond of zijn plaats in de  werkplaats nog kende. Zo’n dichter was (en is) Rilke natuurlijk ook.
Typoscriptpagina van The Waste Land met saneerwerk van Ezra Pound

T.S. Eliot heeft The Waste Land (1922) opgedragen aan Ezra Pound, die als redigerende kameraad inkt noch vriend had gespaard. ‘Il miglior fabbro’ noemt Eliot hem, ‘de betere vakman’, een betiteling die Dante bij monde van een door hem in de Divina Comedia opgevoerde dichter aan de Provençaalse troubadour Arnaut Daniel had gegeven. Maar wat het métier aangaat is Rainer Maria Rilke in het jaar 1922, het jaar waarin hij zijn Duineser Elegien afrondde en Die Sonette an Orpheus schreef (slechts bijna tien jaar ouder dan Pound die zo’n drie jaar ouder was dan Eliot), wat mij betreft de nog betere vakman, zeker in het licht waar Sloterdijk zo’n kunstenaar ziet: in het licht van een eeuwenoude, op vaktraditie gebouwde en onderhouden werkplaats.
         Zeker, zowel Pound als Eliot legden bijzonder veel aandacht aan de dag voor poëzie uit vroegere tijden: Arnaut Daniel en Cavalcanti waren favorieten van Pound, Eliot schreef met bewondering over Vergilius, Milton, Byron, enzovoort.[2] Maar met hun eigen schrijfpraktijk braken ze op vrij rigoureuze, modernistische wijze met datzelfde verleden. Nog even, in zijn imagistische beginperiode, neigde Pound ernaar om met zijn gedichten een impressionistische sfeer te creëren, dus zowel het oudere handwerk te imiteren en voort te zetten als er concrete beelden mee op te roepen. Maar zijn Cantos, het project dat hij omstreeks 1915 aanvatte, vormen wat hij zelf een ragbag noemde, een voddenbaal of allegaartje. Met de openingsregels van zijn vijfdelige gedicht ‘E.P. Ode pour l’élection de son sépulchre’ (1920) ver(ant)woordt Pound zijn afscheid van de traditionele poëzie[3]:
Drie jaar lang, uit de toon van zijn tijd,
Trachtte hij de dode kunst der poëzie weer in
Het leven te roepen; de aloude ‘verhevenheid’
Te handhaven. Verkeerd vanaf het begin –
Want, zo heet het dan in deel twee:
Het tijdperk vroeg een beeld
Van zijn grimmige acceleratie[4],
Iets voor het moderne toneel,
In geen geval van een Attische gratie (…).

T.S. Eliot komt met een soortgelijk programma. De poëzie van deze tijd, aldus Eliot, kan niet anders dan moeilijk zijn omdat de moderne cultuur zo verscheiden en ingewikkeld is. Dat verplicht de dichter ertoe zich steeds omvattender, allusiever, indirecter uit te drukken en zelfs de taal te ontwrichten.[5]
         Wanneer je niet zou weten dat deze mannen bijzonder intelligent en erudiet waren, zou je hun modernistisch uitgangspunt toch zonder meer kwalificeren als hoogmoedig en naïef? En veeleer als een sociaal programma dan als een literair bestek?
Maar of intelligentie en eruditie een waarborg vormen voor artistieke integriteit? In feite kon hun programma op niets anders uitlopen dan op een klacht. In Canto 116, de laatste die Pound voltooide, klinkt deze verzuchting: ‘And I am not a demigod,/I cannot make it cohere.’ Meer en meer was zijn uit louter referenties opgebouwde Canto-universum een autoreferentieel systeem geworden, alsof iemand door middel van een parallel beeld een beeld op de schaal 1:1 van zijn tijd meende te kunnen vormen. En blijkbaar – dat lijkt me hier essentieel – zag hij geen weg terug, want ‘terug’ dat was in de door hem zelf afgekondigde modernistische verordening een doodzonde, want een terug-val. Met andere woorden, ook de klacht over het eigen onvermogen, over het niet ‘rond’ en samenhangend kunnen krijgen, moest onderdeel zijn en blijven van het niet te realiseren systeem of programma… ‘Autoreferentieel cynisme’: noemt Sloterdijk dat niet zo?
Eliot en Pound zijn twee voorbeelden van dichters die het modernistisch dictaat voor de poëzie hebben bepaald en in feite tot op heden, tot en met het zogenaamde postmodernisme en er weer aan voorbij, nog steeds sterk bepalen. Naast maar ook veelal samen met dichters onder het parool van vrijheid middels expressie.[6] In literair-cultureel opzicht staat ‘ontwrichting’ (aangezien het scheppen van samenhang onmogelijk is, en of die nu voortkomt uit hyperreferentialisme, deconstructivisme, privé associativisme, geflarf) binnen de hedendaagse poëziereceptie voor ideologisch correct, al heeft die correctheid van zichzelf de indruk juist tegendraads en stout te zijn en te moeten blijven. Veel van deze derde of vierde generatie modernistische poëzie blijft gekant tegen nabootsing en bootst ondertussen niet veel anders meer na dan dat gekant zijn tegen.

Terug naar de werkplaats. Dat is nog steeds veel makkelijker gezegd dan gedaan, ook in de kunstdiscipline van de poëzie. Want waar is die werkplaats gebleven, waar staan nog ateliers van meesters, de gildehuizen of bouwhutten voor vaklui? Zo goed als gesaneerd, alles. En als je probeert weer zoiets op te bouwen, doe je dat uiteraard niet met materialen van weleer, dan komt het licht niet van een kaars of olielamp, maar door een druk op de elektriciteitsschakelaar, en met een druk op een knop zet je ook je beeldscherm aan, waardoor een beeld van de huidige tijd als vanzelf bij je naar binnen komt. En uiteraard ga je dan niet als een rederijker of … Maar die angst van bijna iedereen in deze tijd om niet bij de tijd te zijn, die moet zoveel mogelijk worden uitgebannen: je moet je leven veranderen.
         Daarnaast lijkt het me van belang dat dichters weer als leermeesters over hun werk kunnen en willen praten. En daarmee bedoel ik: aangeven waarom bijvoorbeeld dit woord hier en niet daar staat, laten zien hoe een gedicht is gecomponeerd en wat dat inhoudelijk betekent, waarom er al dan niet voor een zogeheten vaste vorm is gekozen, enzovoort. En zo’n dichter komt nooit en te nimmer aanzetten met kreten als ‘omdat ik het zo voelde’, want dan toont hij zich allesbehalve een (leer)meester. Evenmin bedient hij zich van ideologische frases over eigentijdsheid en dergelijke. Nee, laat hem aanwijzen, concreet, terug- en overschrijven waar anderen bijstaan. Waarmee ik geenszins wil zeggen dat een gedicht helemaal ‘logisch’ begrijpelijk moet kunnen worden gemaakt. Een schilderij van Rembrandt is ook niet met logica gemaakt, maar het is wel vatbaar en het kan almaar vatbaarder en daardoor juist nog boeiender worden; wie zou er geen uitleg en les van de meester gehad willen hebben? Weg met de angst om het gedicht kapot te maken door uitleg erover! Een gedicht dat zoiets niet kan hebben, is een prul. En het wil ook helemaal niet zeggen dat ik vind dat poëzie simpel en niet complex zou mogen zijn. Maar complexiteit op zich is niets.
O, ik ben ervan overtuigd dat menig hedendaags dichter neigt naar (de)constructief of juist particulier associatief tot stand komende cryptiek om daarmee een air van onaantastbare interessanterigheid te willen bereiken. Zijn of haar eigen zwijgen en babbelende nietszeggendheid daaromheen vormt meestal een prima indicatie voor selfishness.


[1] Ik gebruik de Nederlandse vertaling van Hans Driessen: Peter Sloterdijk, Je moet je leven veranderen, Amsterdam 2011.
[2] Zie bijvoorbeeld Ezra Pound, Literary Essays of Ezra Pound, Londen 1954, en T.S. Eliot, On Poetry and Poets, Londen 1943.
[3] Ik gebruik hier de vertaling van Paul Claes en Mon Nys uit Ezra Pound, Mauberley en andere gedichten, Haarlem 1985.
[4] De vertalers forceren hier het rijm door omkering: Of its accelerated grimace. Of forceerde Pound het rijm? Want wat is nou een opgeschakelde, verhaaste grimas?
[5] Ik citeer hier Paul Claes uit diens inleiding bij zijn vertaling van The Waste Land: T.S. Eliot, Het barre land, Amsterdam 2007.
[6] In zijn canoniserende publicatie Die Struktur der modernen Lyrik (Hamburg 1956) figureert Rilke (tijdgenoot van ook Apollinaire, Valéry, Trakl) als niet veel meer dan een paar voetnoten.

zondag 5 januari 2014

JE LEVEN VERANDEREN

of

Rilke in Hôtel Biron, Parijs

JE LEZEN VERANDEREN


Ik ben altijd huiverig of bijzonder op mijn hoede wanneer wordt gesteld of beweerd dat een kunstenaar of literair auteur een of andere taak hoort te vervullen voor het welzijn van het algemeen. En ik ben al helemaal op mijn qui-vive wanneer daarbij het beroemde, enigmatische slot van Rainer Maria Rilke’s gedicht ‘Archaïscher Torso Apollos’ wordt ingezet: 'Du musst dein Leben ändern.'[i]
Ik ben die formulering of formule in toenemende mate anders gaan lezen, anders dan hoe ik hem zelf aanvankelijk las en anders dan hoe de meesten hem kennelijk nog altijd lezen, namelijk als een imperatief, een opdracht of op zijn minst een raadgeving. Gaandeweg ben ik die lezing minder passend, ja zelfs onpassend gaan vinden. Niet passend bij zowel de artistieke instelling van de dichter als al het eraan voorafgaande, het corpus of zo je wilt de tors van zijn gedicht.
In Nederlandse vertaling raakt helaas meteen het keuzeverschil verloren dat in het Duits bestaat en dat hier essentieel is, want zowel het werkwoord müssen als sollen kunnen wij slechts met moeten vertalen.[ii] De vraag blijft desalniettemin waarom er niet ‘Du sollst dein Leben ändern’ staat. Ook voor Duitstaligen is de keuze tussen müssen en sollen overigens niet altijd evident.
Ik vergelijk dit slotakkoord graag met het constateren van het einde van ieder van ons. ‘Du sollst sterben’ klinkt als een door medemensen of door hun God uitgesproken dreigement of vonnis, terwijl ‘Du musst sterben’ een onwrikbaar feit uitdrukt. En ik heb meer en meer de indruk dat Rilke met ‘Du musst dein Leben ändern’ veeleer een onontkoombaar gegeven dan een opdracht verwoordt.
Wanneer je ervaart dat een beeldfragment in zijn suggestieve kracht zo’n ontgrenzende belevingstotaliteit teweegbrengt, waarin het zien van het geheel en door het geheel worden gezien volledig samengaan (‘denn da ist keine Stelle, die dich nicht sieht’), is het onontkoombaar dat je er in opgaat en dat jij dus op dat moment je leven verandert, een leven dat normaliter zelf als fragmentair en geïsoleerd in de wereld wordt ervaren. Denk aan bijvoorbeeld Rilke’s veertien jaar later geschreven ‘Achtste elegie’ met formuleringen als ‘Was draussen ist, wir wissens aus des Tiers Antlitz allein’ en ‘Wir haben nie, nicht einen einzigen Tag, den reinen Raum vor uns’.
Met andere woorden, ‘Du musst dein Leben ändern’ is, gezien het eraan voorafgaande, geen oproep maar een constatering, geen verwoording van een noodzaak, maar van een voldongenheid! Vergelijk het ook met wat de Engelse jezuïet en dichter Gerard Manley Hopkins in maart 1871 in zijn dagboek noteerde[iii]: ‘What you look hard at seems to look hard at you’. En enkele regels verderop: ‘Unless you refresh the mind from time to time you cannot always remember or believe how deep the inscape in things is.’
Hopkins gebruikte voor het benoemen van dat verschijnsel twee zelf gevormde begrippen: ‘inscape’, zoals in bovenstaand dagboekcitaat, en ‘instress’. W. Bronzwaer schreef er het volgende over[iv]: ‘Het eerste begrip, inscape, wordt gebruikt om de innerlijke, wezenlijke vorm van het individuele ding aan te duiden: de eigen, unieke, “afzonderlinge” ditheid van elk geschapen object. Onder instress lijkt hij verschillende dingen te hebben verstaan: de energie die de inscape van een ding tot stand brengt én de kracht of invloed die een ding uitoefent op de geest van wie het waarneemt.’
Hopkins (1844-1889) zou zonder twijfel zijn beide begrippen hebben aangewend in een lezing van Rilke’s gedicht en hij zou met name de slotregels hebben getypeerd als een verwoording van instress, waarbij, geheel à la de eigen schrijfpraktijk van Hopkins, het gedicht als totaliteit deel blijft uitmaken van die bijzondere ervaring, als een van de drie afzonderlijk onvatbare quarks in een elementair deeltje.
Natuurlijk smaakt zo’n eenheids- of volkomenheidservaring naar meer, wil je zoiets nogmaals beleven. Daarom schrijven dichters als Hopkins en Rilke zulke suggestief gave complexe gedichten, poëzie met een opperste taaldensiteit, om daarin iets als instress te kunnen bereiken én vast te houden, daarom ook moeten ze steeds weer opnieuw proberen zo’n gedicht voor elkaar te krijgen. In die zin roept Du musst dein Leben ändern op tot een vervolg, namelijk tot een nogmaals willen beleven van deze ditheid. Maar een psychologisch, sociaal of politiek advies is het allerminst.

Maar nu wordt dus veelvuldig juist die slotformule zelf uit haar context gelicht, geïsoleerd, losgemaakt van het Unerhöhrte van het gedicht. En dat niet met de bedoeling om vanuit dat fragment dat gedicht terug op te roepen, maar juist zonder nog oor en oog te hebben voor het gedicht zelf, voor de instress ervan, en zo deze formulering te entstellen (vervormen, mismaken; letterlijk: van zijn plaats halen) tot imperatief. Als was het Apollogedicht een drietrapsraket die slechts de bedoeling had de slotregels als dictum de ruimte in te brengen.

De Duitse cultuurfilosoof Peter Sloterdijk heeft Rilke’s instressformule zelfs als titel en opstap gebruikt voor een lijvige verhandeling: Du muβt dein Leben ändern.[v] Sloterdijks lezing en gebruik van de Rilkeformule spreekt meteen al uit de titel van het eerste hoofdstuk van zijn boek: ‘Het bevel uit de steen’.
In dat beginhoofdstuk haalt Sloterdijk een trucje uit om zich te kunnen veroorloven de slotwoorden van Rilke’s gedicht uit hun context te lichten. Eigenlijk hoort zoiets natuurlijk niet, zegt hij, maar de twee slotregels zijn als het ware ‘een zelfstandige carrière begonnen (…). Ik geef het toe, voor deze ene keer wil ik de behoefte billijken zinnen uit hun verband te rukken (…). In hun solide bondigheid en mystieke eenvoud stralen ze een kunstevangelische energie uit die vrijwel uniek is in de recente literatuur.’
Welnu, wanneer die woorden worden gelezen als oproep vanuit het gedicht naar buiten, als ze worden gezien alsof ze zichzelf als het ware al deels buiten de rest van het gedicht hebben geplaatst, kunnen ze inderdaad worden ingezet voor een of ander pleidooi tot het aanpakken en veranderen van je of ons leven.
Uiteraard lukt het een filosoof van Sloterdijks kaliber om buitengewoon zinnige opmerkingen te maken over de eerste twaalf versregels. ‘De beloning voor mijn bereidheid mee te gaan in de object-subject-omkering valt mij ten deel in de vorm van een persoonlijke verlichting,’ zegt hij, ‘in dit geval als esthetische ontroering.’ Maar het lukt hem niet het slot te zien als onlosmakelijk deel, namelijk als een poging zich, aan de uiterste rand ervan, terug te plooien, het gedicht in en er niet alleen bij maar erin te blijven horen.
In plaats daarvan ziet hij het als een verwijzing over de rand van het gedicht heen, die zegt dat ‘de volgende stap die ik zet deel moet uitmaken van het veranderde leven dat van mij geëist wordt’, iets wat is ‘teruggebracht tot het zuivere bevel, de onvoorwaardelijke opdracht, de doorstraalde uiting van het Zijn dat kan worden begrepen – en dat alleen spreekt in de gebiedende wijs.’
Juist doordat Sloterdijk zich heeft toegestaan, bij wijze van hoge uitzondering, de eraan voorafgaande tekst af te stoten – waarom uitgerekend hier, bij een gedicht van Rilke? –, en dus al zijn strategische  cultuurfilosofische routeplannen heeft met ‘Du musst dein Leben ändern’, ontstaat er in zijn lezend oog een blinde vlek waardoor hij de plek van die formule in het gedicht niet te zien kan krijgen… Sloterdijk heeft zich voortijdig uit het gedicht teruggetrokken, hij houdt zich al bezig met een ‘vervolgens’ (‘Als je je leven vervolgens inderdaad verandert…’), terwijl het gedicht een uiterste, enerverende poging doet als het ware het besef van het orgasme binnen het orgasme te houden…
De crux is nou net dat Rilke’s slotwoorden niet losgemaakt kunnen worden uit hun verband, willen ze kunnen blijven zeggen wat ze eigenlijk zeggen! Willen ze blijvend kunnen trachten iets uit te spreken over de geestelijke of esthetische ‘kleine dood’ zonder er daarmee uit te tuimelen.
O, op grond van een misverstand kun je nog altijd tot zinnige gedachten komen. Ik ga er zonder meer van uit dat het traject waar Sloterdijk zich door zijn eigen mislezing naar uit heeft laten sturen, boeiend en zinvol zal zijn met het oog op de vigerende cultuur. De man is ongetwijfeld integer en buitengewoon intelligent. Maar dat hij heeft meegedaan aan de onthoofding van uitgerekend het torsogedicht van Rilke zal ik hem niet kunnen vergeven.
Viele Philosophen sind des Dichters Tod.’ Elias Canetti[vi] waarschuwde daarmee literaire auteurs ervoor zich te veel te laten voor-schrijven door de filosofie. Maar sta me even toe zijn bedoeling anders te begrijpen en ‘Manchmal genügt schon ein Einziger’ te antwoorden.

Nog dit: Rilke moet het werk van Arthur Rimbaud hebben gekend; hij vertaalde poëzie van Rimbauds vriend en pleitbezorger Paul Verlaine. In de afdeling ‘Délires’ van Rimbauds Une saison en enfer (1873)[vii] staat de vraag: ‘Il a peut-être des secrets pour changer la vie?’ (waarbij de laatste drie woorden dus gecursiveerd zijn). Die vraag is naderhand door André Breton en medesurrealisten, maar ook in de jaren zestig door Parijse studenten tot imperatief voor eigen gebruik omgevormd door simpelweg het vraagteken te kappen. En de woorden ook verder uit hun hengsels te lichten. Immers bij Rimbaud worden ze voorafgegaan door de klacht nooit in de wereld van de ander te kunnen binnentreden (‘j’étais sûre de ne jamais entrer dans son monde’). Of het hierbij al of niet gaat om Rimbauds vriend Verlaine doet er nu niet toe. De ‘ik’ heeft zich nachtenlang zitten afvragen wat en waar een dierbare slapende naast hem was. Zijn verlangen om dat te weten is intens. En dan zegt hij dat hij erkende dat die slapende een ernstig gevaar in de samenleving zou kunnen vormen (‘qu’il pouvait être un sérieux danger dans la société’), zonder angst om zichzelf (‘sans craindre pour lui’). Hoezo dat? Omdat de slaper niet weet dat hij slaapt, alleen, dus niet samen leeft en de maatschappij slechts kan bestaan en gedijen buiten de slaap en de droom, neem ik aan. Vervolgens komt die vraag of hij, de ontoegankelijk levende slaper, misschien geheimen heeft om het leven te veranderen. Nee, antwoordt de ik dan zichzelf, hij zoekt er alleen naar (‘Non, il ne fait qu’en chercher, me répliquais-je’).[viii] Hoe en wanneer zou hij het geheim waarnaar hij zoekt dan kunnen vinden? Als Rilke’s vraagteken- én uitroeptekenloos ‘Du musst dein Leben ändern’ een antwoord op de vraag van Rimbaud zou zijn, dan impliceert dit antwoord dat het wel degelijk mogelijk is, al is het maar een ogenblik lang, om geheel en al door dat andere of die ander te worden opgenomen (zowel in de betekenis van ‘deelgenoot te maken’ als van ‘te worden waargenomen’) en dus niet zozeer het geheim te kennen als wel er deel van uit te maken. ‘Du musst dein Leben ändern’ is in die zin de vaststelling van een dubbelparadoxaal alomvattend samen-alleen-zijn, waarvoor dan weer de woorden gelden van Gottfried Benn[ix]: ‘Wer allein ist, ist auch im Geheimnis’.
Samenlevingsgevaarlijk? Wie weet…




[i] Archaïscher Torso Apollos

Wir kannten nicht sein unerhörtes Haupt,
darin die Augenäpfel reiften. Aber
sein Torso glüht noch wie ein Kandelaber,
in dem sein Schauen, nur zurückgeschraubt,
sich hält und glänzt. Sonst könnte nicht der Bug
der Brust dich blenden, und im leisen Drehen
der Lenden könnte nicht ein Lächeln gehen
zu jener Mitte, die die Zeugung trug.

Sonst stünde dieser Stein entstellt und kurz
unter der Schultern durchsichtigem Sturz
und flimmerte nicht so wie Raubtierfelle

und bräche nicht aus allen seinen Rändern
aus wie ein Stern: denn da ist keine Stelle,
die dich nicht sieht. Du mußt dein Leben ändern.

[ii] In de Nederlandse vertaling van Peter Verstegen (Amsterdam 1998) gaat deze hele kwestie letterlijk en figuurlijk finaal verloren ten koste van het rijm: ‘(…) geen plek aan hem die jou niet ziet./Zo doorgaan met je leven kun je niet.’ Jammer dat de vertaler in zijn (begrijpelijke) onmacht niet toch nog iets anders uit de as heeft weten te slepen, wanneer hij niet ‘jou’ maar ‘je’ had gebruikt: ‘geen plek aan hem die je niet ziet’. Het subject was als dat van een Rubinvaasillusie geworden. Hoe perfect passend voor dit gedicht!
[iii] Gerard Manley Hopkins, edited by Catherine Phillips, Oxford University Press 1986.
[iv] Gerard Manley Hopkins, Gedichten – keuze uit zijn poëzie met vertalingen en commentaren, samengesteld door W. Bronzwaer, Ambo, Baarn 1984.
[v] Peter Sloterdijk, Du muβt dein Leben ändern. Über Anthropotechnik, Suhrkamp, Frankfurt a.M. 2009. (Sloterdijk gebruikt in zijn titel de oude spelling met Ringel-s, zoals Rilke die hanteerde.) Ik gebruik hier voor het gemak de Nederlandse vertaling van Hans Driessen: Je moet je leven veranderen, Boom, Amsterdam 2011.
[vi] In Elias Canetti, Die Fliegenpein, Hanser, Zürich 1992.
[vii] Facsimile van de allereerste, door Rimbaud zelf bekostigde Brusselse uitgave op http://gallica.bnf.fr/ark:/12148/bpt6k70658c/f2.image.r=.langFR
[viii] De verleiding is groot om er nu ook de beroemde frase ‘We live as we dream – alone’ uit Heart of Darkness (1899) van Joseph Conrad bij te betrekken…
[ix] ‘Wer allein ist’, in Gottfried Benn, Statische Gedichte, Arche, Zürich 1948.

donderdag 2 januari 2014

I. M. Albert Grosfeld


Gisteren overleed op 82-jarige leeftijd de Blerickse kunstenaar Albert Grosfeld.
In zijn galerie mocht ik in 1976, net van de kunstacademie, mijn allereerste expositie houden.


dinsdag 31 december 2013

DE SMAAD VAN HET NEPCITAAT


‘Limburg staat op een culturele tweesprong. Een fors dilemma doemt op. Moet de focus liggen op de Limburgse identiteit, oftewel: eigen cultuur eerst? Of is het devies: “groot” blijven denken en Limburg aantrekkelijk houden voor creatievelingen die onze provincie verkiezen boven de Randstad? Zeven experts vertellen welke afslag zij zouden nemen. Vandaag aflevering 4.’
         Zo leidt de redactie van Dagblad De Limburger / Limburgs Dagblad een artikel in van A.H.J. Dautzenberg. De redactie had zich simpelweg kunnen behoeden voor een kolossale journalistieke blamage door het slot van die inleiding als volgt te formuleren:
         ‘Zes experts en een psychopaat vertellen welke afslag zij zouden nemen. Vandaag aflevering 4, die van de psychopaat.’

Er zijn twee mogelijkheden, beide even bedenkelijk: de redactie is net zo gestoord en laaghartig als de schrijver die ze aan het woord laat, of de redactie heeft haar journalistieke plicht volkomen verwaarloosd, de plicht namelijk om een en ander wat er in zo’n stuk wordt beweerd te verifiëren en bronvermeldingen van de scribent te eisen.
         Om duistere redenen stalkt A. Dautzenberg Wiel Kusters al tijden en hij bestookt hem, die hij steevast met diens academische titels noemt, alsof dat iets beladens zou zijn, daarbij steeds weer met hatelijkheden.
         Wat deze Dautzenberg op de laatste dag van 2013 in de Limburgse kranten mag presenteren en presteren slaat echter alle normen, niet alleen die van het fatsoen, maar ook die van het gezonde verstand. Daarbij doel ik niet eens op zijn ronduit idiote betoog, waarin hij het dialect in Limburg wil verbannen (‘niet het accent’* – want het lukt de arme jongen zelf maar niet dat kwijt te raken) en waarin hij beweert dat hij door de Limburgers is verstoten als ‘Hollander’ omdat hij op zijn negentiende in Tilburg is gaan wonen; ook ik ben op mijn negentiende in Tilburg gaan wonen en op mijn vijfentwintigste zelfs in Amsterdam, maar van een verstoting op grond daarvan heb ik nooit en te nimmer iets gemerkt – ik vrees dat de psyche van Dautzenberg niet bij machte is de ware reden te onderkennen van het gebrek aan sympathie jegens hem.
         Nee, wat simpelweg niet door de beugel kan is het feit dat Dautzenberg Wiel Kusters meerdere malen citeert, dus uitspraken van Kusters tussen aanhalingstekens zet, terwijl die citaten nergens anders vandaan komen dan uit de ranzige duim van Dautzenberg zelf!
         Maar Dautzenberg, dat moge duidelijk zijn, is een geval – die kan er dus zelf weinig aan doen dat hij zo verknipt is. De verantwoordelijkheid ligt bij de redactie van de krant. Deze redactie heeft de journalistieke mores met voeten getreden en Wiel Kusters ernstig geschaad.
         Ik ben er benieuwd naar of men bij Dagblad De Limburger / Limburgs Dagblad de courage heeft om ruiterlijk, dus publiekelijk schuld te bekennen en toe te geven te hebben verzuimd de ‘citaten’ te verifiëren waarmee een flares met een negatieve Kustersfixatie een zoveelste wangedrochtelijke haattekst heeft gestoffeerd. Zo niet, dan lijkt me dit geval gesneden koek voor de Raad voor de Journalistiek.
Bah.

* Voor de goede orde: dit is echt een letterlijk citaat waarmee D. zich als een kind lijkt te willen indekken. Zoals ik zelf niets tegen dialect heb, heb ik ook niets tegen een accent.
[Raadpleeg de betreffende krantenpagina HIER.]

UPDATE:
http://www.l1.nl/nieuws/238649-geen-rectificatie-dautzenberg

Dezelfde krant die actie voert om zelf te kunnen overleven onder de titel 'STOP DE MOORD OP HET LIMBURGSE WOORD' - voor wat dat woord voor de krant zelf waard is. Niet veel dus...
http://www.limburger.nl/article/20131220/DOSSIERS/131229613/1045#Dossier_Stop_de_moord_op_het_Limburgse_woord

zaterdag 21 december 2013

VORM EN VENT



Dagelijks neem je dichtertjes de maat,

genadeloos voor wie jou niet ontregelen laat,

je geeuwt van wie dicht zoals het al eeuwen gaat

en met geen nieuw licht verwart de staat.



Radicaal verander je je leven dan, zet

het bundeltje terug op alfabet en maakt

kiekjes voor op internet: van dochtertjelief

verkleed als snoezige elf van zes, van de poes

die met haar teddybeertje slaapt, de kerstboom die

is opgetuigd voor het behang waartegen de familie

compleet hangt ingelijst, de tafel die al feestelijk is

gedekt, van al dat och zo intieme, en van die

oliebol met slechts één, minieme krent –

of is dat soms je zelfportret?