zondag 4 februari 2018

NOLLES IN DE WOESTIJN

Mijn invloed op en in de Nederlandstalige literatuurwereld is zeer gering, zo niet praktisch nihil. In een invloedrijk boek zoals De revanche van de roman van literatuurhoogleraar Thomas Vaessens komt de naam Huub Beurskens, in het verschijningsjaar 2009 van die uitgave auteur van een stuk of acht romans en nog een stel andere prozaboeken, niet voor. Geen probleem, al moet ik bekennen dat ik er mijn naam wel als pejoratief in had willen zien. Hetzelfde geldt voor Vaessens’ Geschiedenis van de moderne Nederlandse literatuur uit 2013. Dat Vaessens boeken studiestof zijn op het instituut waar hij zelf zijn geld verdient, lijkt me voor de hand liggend. (Zie bijvoorbeeld hier.) Financieel rijk zal hij er niet van worden met een aantal eerstejaars Nederlandse taal en cultuur van slechts 46, wel op zijn terreintje invloedrijk.
            Daarmee ben ik bij de vraag die ik me al meer dan eens heb gesteld: hoe groot is de invloed van de academische wereld of van een bepaald deel ervan op de huidige tendens en ontwikkeling van de Nederlandstalige literatuur? Zou het kunnen zijn dat althans bepaalde academici nogal sturend werken en dus knutselen aan de toekomst van datgene wat ze zelf zouden moeten bestuderen? Het is een vraag die andermaal in me opkwam naar aanleiding van de uitgave Bundels van het nieuwe millenium, een in mijn ogen nogal premature onderneming, niet opgestart, zoals je zou mogen verwachten door (jonge) dichters die zich van een plaats in het ‘literaire veld’ proberen te verzekeren, maar door onder meer een academicus van wie je zou verwachten dat hij zo’n verschijnsel over vijfentwintig jaar zou kunnen gaan duiden, maar die daar nu alvast ‘stof’ van maakt - dit keer iemand van de Nijmeegse untiversiteit, maar ik heb de indruk dat er enige ideologische connectiviteit bestaat tussen die Nijmeegse en die ene Amsterdamse faculteit. Over vijfentwintig jaar moet de taal- en cultuurwetenschap dus zichzelf gaan bestuderen…
            Olala, in dat boek kom jij evenmin voor, meneer Beurskens…! Geloof me of niet, maar ook in dit geval heeft dat geen invloed op de plaats en grootte van mijn vraagtekens. Wellicht ben ik naïef; ik ben opgeleid in een andere wereld dan de universitaire, een onwetenschappelijke. Waarom tekent geen ‘jongere’ dichter protest aan tegen deze gang van zaken? Omdat hij of zij graag straks ook mee- dus ingerekend wil worden? Omdat hij of zij niet wil spuwen in de bron waarvan hetwater door hem of haar heen gespoeld is? Volgens mij moet de academie op de literatuur studeren, maar de literatuur niet op de academie.
            Graag zou ik eens een tekst lezen over het al dan niet vermeende van deze ontwikkeling, geschreven door iemand die, anders dan ik, een goede kijk op en in die universitaire wereld van dit moment heeft, en die ook waar nodig nuances en verschillen kan aangeven. Ik vermoed echter dat ik een Nolles in de woestijn zal zijn, wachtend op iemand die op zijn trom komt slaan. Desondanks – je bent een nolles of niet –, bij wijze van aansporing, een tekst die hier al jaren geleden werd achtergelaten.

***
Wat is dat voor een soort literatuurwetenschap en wat is dat voor een soort literatuur- en kunstbeschouwing die de kunst denkt te kunnen voorschrijven wat ze moet doen en waar ze heen moet?
                Thomas Vaessens bijvoorbeeld, hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde op loopafstand van mijn woning, noemt het ‘literaire smetvrees’ waarvan het tijd wordt dat we die ‘van ons af proberen te werpen’ wanneer iemand ‘meticuleus’, zoals hij dat noemt, een roman probeert te lezen en de kwaliteit van die roman ook op grond daarvan weegt.[1] Als ‘antwoord’ op een boek dat honderden ‘obsederende en geobsedeerde pagina’s lang morele en ethische dilemma’s aan de orde stelt’, is een dergelijke lectuur en zo’n oordeel ‘niet fair’, aldus Vaessens. Met andere woorden, het gaat om de boodschap en de kennelijke gedrevenheid waarmee die wordt uitgedragen, de rest is slakken op zout leggen in een tijd die het dierenwelzijn hoog in het groene vaandel heeft. Dat er in bijvoorbeeld Twee vrouwen van Harry Mulisch toch aardig wat literair leesplezier bedervende slordigheden staan, doet dan ook niets af aan het maatschappelijke belang van dat boek. Ik kan het niet ontkennen.
                Die verdienste laat me echter koud wanneer het niet gaat om het lezen van boeken vanwege hun boodschap of maatschappelijk belang, maar om die andere manier van lezen die niets overslaat. Mag ik soms niet meer genieten van een tekst? Mag ik niet zelf uitmaken wat genieten is bij het kijken naar een schilderij, bij het zien van een film, bij het beluisteren van muziek en het lezen van literatuur? Is dat moreel minderwaardig of verdacht? Literatuur wil ik literair kunnen lezen. En wat heet hier ‘niet fair’? Zou Vaessens er wel eens bij hebben stilgestaan hoe ‘moeilijke’ of ernstige literatuur, literatuur die juist ‘meticuleuze’ aandacht vereist, bijna steevast wordt afgeserveerd of genegeerd? Vast wel, maar het past niet in zijn programma.
                ‘Lees een moderne tekst snel, hapsnap, en deze tekst wordt ondoorzichtig, ontoegankelijk voor uw plezier,’ schrijft Roland Barthes: ‘u wilt dat er iets gebeurt en er gebeurt niets.’
                ‘Schrijf dan ook niet meer van die tijd en moeite vretende boeken,’ hoor ik de hoogleraar roepen, want hij wil dat de schrijvers, ‘liefst ten overstaan van een groot publiek, de ooit vanzelfsprekende band tussen literatuur en maatschappij herstellen’.
                Afgezien van het feit dat ik persoonlijk (maar ik sta daarin niet helemaal alleen) geen enkele roman nodig heb om ‘reële debatten over de wereld van vandaag’ te kunnen volgen, vraag ik me serieus af wat de mening over en vooral voor de wereld waard is van een schrijver voor wie het voor zijn verhaaltje niet bijster veel uitmaakt of een bepaalde boom nu een eik of iep is of van een schrijver die, zonder bijbedoelingen van surrealistische, postmodernistische of whateveristische aard, zijn hoofdpersoon eerst twee zinnen lang in de tram laat zitten om hem in zin drie uit een bus te laten stappen, onder het sloddervossenmotto ‘als je er maar komt’.[2]

Ach, de literatuur. Dat is toch een bedenksel van hoogleraren zoals Vaessens om zichzelf als cultureel belangrijk te kunnen profileren? Geen wonder dat ze er zoveel belang aan hechten hun fantasmatische constructies als werkelijkheid en als werkelijk belangrijk voor te stellen.
                Voor echte schrijvers en echte lezer bestaat ‘de’ of ‘een’ literatuur natuurlijk helemaal niet. Uiteraard vindt geen schrijver de pen opnieuw uit en geen lezer leert zelfstandig lezen. We zijn en worden voortdurend door teksten gevormd. Maar door wat voor een allegaartje aan teksten! Zelfs als je je beperkt tot de invloed van louter literaire teksten op een schrijver of een lezer. En wat ik dan zelf allemaal NIET gelezen heb, alleen al van wat er in het Nederlands is geschreven: het moet gigantisch zijn! En wat zulke hoogleraren zelf allemaal ongelezen moeten laten, al simpelweg vanwege de hun door het lot bemeten tijd van leven en het feit dat ze naar de plee moeten, daarna weer moeten eten, dat hun hormoonhuishouding naar smoezeligheden verlangt en dat hun ogen minstens een paar uur per dag of nacht geen letter meer wensen te zien: onvoorstelbaar. Al die stapels boeken waar een mens van zijn levensdagen niet aan toekomt, stapels waartussen, het kan niet anders, boeken zitten die veel beter en interessanter zijn dan veel van de gelezen en nog te lezen werken. Hoogleraren letterkunde zouden er stapelgek in plaats van hooggeleerd van moeten worden. Geen wonder dat er gecanoniseerd moet worden om de almaar groeiende leesachterstanden te camoufleren, dat er façades opgetrokken worden, geen wonder dat ze ordening willen forceren, richtingen willen aangeven, willen dirigeren. Maar in plaats van dirigenten zijn ze in feite, wanneer ze niet de gepaste en dienstbare bescheidenheid kunnen betrachten, nollessen, tromdragers van de door hen zelf in het leven geroepen, gefantaseerde, imaginaire Harmonie Sint Literatuur. Betreurenswaardig zijn de schrijvers die daar achteraan menen te moeten gaan lopen in de hoop een deuntje te mogen meeblazen.

‘Romanschrijvers op zoek naar urgentie’ heet een concluderend hoofdstuk uit Vaessens boek De revanche van de roman. Beide titels verwoorden al merkwaardige aannames. In dat samenvattende hoofdstuk schrijft Vaessens dat ‘de schrijver van nu’ zijn gezag moet ‘verdienen, net als elke andere intellectueel die de ambitie heeft te participeren in het publieke debat. Hij krijgt dat gezag niet meer alleen op grond van het feit dat hij mooie zinnen kan schrijven of omdat hij een betere literaire smaak heeft dan de meeste andere mensen.’ Wat schrijvers afleveren die hier niet in mee willen gaan is ‘leuk voor de enkeling die zich ermee vermaakt, maar verder zonder ook maar het geringste contact met een achterban.’
                Dat laatste woord is alleszeggend. Ik moet erbij denken aan zaaddodende pasta, maar dat zal wel een al te persoonlijke associatie zijn. In elk geval is een ‘achterban’ voor de artisticiteit van een schrijver dodelijk en maakt hij de schrijver, ja, nu ook de schrijver zelf tot tromdrager, tot nolles.

Voor welke achterban schrijft Thomas Vaessens zelf eigenlijk dit soort teksten? In elk geval niet voor dezelfde brede achterban waarvan hij vindt dat zijn schrijvers die moeten zien te bereiken, want op een kwantitatief haast te verwaarlozen aantal lezers na, zal het iedereen echt worst zijn dat de hoogleraar zijn hedendaagse Hollandse literatuur met gebruikmaking van geleerde woorden als ‘meticuleus’ indeelt als een keurig aangeharkt, alhoewel vrij zuinig bewaterd burgertuintje met borders voor het ‘humanistisch modernisme’, het ‘relativistisch postmodernisme’ en het ‘laatpostmodernisme’ en er met de dood van de literatuur dreigende vogelverschrikkers plaatst tegen eksterachtigen en soortgelijke enkelingen.
                Geen lezer of lezeres die in de dorpsboekhandel of nog gauw bij de AKO op Schiphol voor de vakantie op Samos, de nieuwste roman van Saskia Noort koopt en dan ook De revanche van de roman meepikt om eens uitvoerig te kunnen zitten lezen waarom men er – eindelijk, gelukkig! – ook in academische kringen helemaal niks op tegen heeft dat men Saskia Noort leest, integendeel. Vaessens boek, met als wervende ondertitel ‘Literatuur, autoriteit en engagement’, zal niet eens worden waargenomen door Noortlezers, omdat het beeld van een boek met een dergelijke titel automatisch belandt op de blinde vlek van het netvlies of omdat het gewoonweg door de ervaren handelaar in bedrukt papier niet is ingekocht. Met andere woorden, Vaessens schrijft voor een uiterst kleine elite, in de hoop die te kunnen opporren richting zijn idealen met en voor het volk. Dat heeft op zijn minst iets dubieus, vindt u ook niet?

En dan de impliciete, enge typologie van de voor Vaessens doeleinden geschikte schrijver. Wie te verlegen of te lelijk is valt al af. Wie niet rad kan praten eveneens. Net als wie zijn ellebogen niet weet te gebruiken.
De schamele appelaar achter het hondenhok
duidde op schrale grond, maar altijd wanneer
mijn vader er langskwam dacht hij aan de bijl
in de schuur, terecht uiteraard, helaas.
Wie als schrijver zijn tijd verdoet met het bekijken van het melken van bladluizen door mieren op de dahlia’s in plaats van deel te nemen aan het ‘reële debat’ loopt een hopeloos makende achterstand op en zal onherroepelijk te laat komen voor lauwerkrans en buffet. Maar of de einzelgänger dat erg zal vinden? Sowieso schijnt in het hoofd van velen de voorstelling niet te kunnen en willen opkomen dat er ook mensen bestaan, echte mensen, van vlees en bloed, die in alle oprechtheid, zonder valse bescheidenheid, om welke redenen dan ook, er geen prijs op stellen om als persoon of naam al te publiekelijk bekend te zijn. Er zijn schrijvers die op hun privacy gesteld zijn en deze als een kostbaar goed hoeden, zoals eigenlijk al uit hun boeken blijkt, boeken die mede daardoor nauwelijks of niet worden gelezen. Ze schrijven niet voor een achterban, maar voor de enkelingen.

Ach, laat Vaessens het maar neerbuigend afdoen met ‘leuk’ en ‘vermaak’, als onbenullig dus. Weet hij veel dat aandacht niet voor maar van de schrijver een vanzelfsprekende waardevolle vorm van zowel artisticiteit als engagement is. Hij begrijpt niet dat in kunst juist datgene tot uiting komt waar hij met zijn Letterkunde geen greep op kan krijgen. Etiketten als ‘autonoom’, ‘zuiver’, ‘principieel buitenstaanderschap’, ‘het probleem van de roman’, ‘niet dienstbaar aan buitenliteraire idealen’, ‘vrijblijvendheid’, ‘slechte verhouding met de vluchtigheid van de actualiteit’ blijven geen moment plakken op romans die voor de lezer als enkeling zijn geschreven, tenzij je de boeken niet met tijd en aandacht, dus niet als enkeling wilt lezen, maar ze als titels, als door een taxidermist leeggehaald en met mallen en watten gevuld, in een van je overzichtelijk academisch geordende regalen wilt onderbrengen.
                Inmiddels heeft Bas Heijne in NRC Handelsblad Thomas Vaessens de nodige klappen gegeven. Hij leek gaandeweg zijn verhaal op punten van Vaessens te gaan winnen. Maar toen een beslissende kinhaak of een trap tegen de enkel van de hoogleraar aanstaande leek, volgde deze verbijsterende slotzin: ‘Het is tijd voor een echt debat.’

[1] Het betreft hier de lectuur door Rutger H. Cornets de Groot [het bestand is inmiddels niet meer via de link te vinden] van de eerste pagina’s van de roman Onze oom van Arnon Grunberg. Vaessens noemt de leeswijze van Cornets de Groot enigszins smalend ook ‘geleerd’ omdat meteen al Roland Barthes erbij wordt gehaald. Maar precies Roland Barthes is hier nauwelijks te passeren: zeker in zijn Le plaisir du texte, gepubliceerd in 1973, laat hij zien waar ook het (moedwillige) misverstand anno 2009 bij Vaessens uit voortkomt. Terecht haalt Cornets de Groot Barthes aan waar deze zegt dat de door hem geprefeerde manier van literatuur lezen, van literair lezen dus, niet een overslaand lezen is, dat ze wikt en weegt, aan de tekst kleeft: ‘niet de (logische) extensie boeit haar, de ontbladering van de waarheden, maar het bladerwerk van de betekening,’ waarbij onder ‘betekening’ wordt vestaan ‘de betekenis voor zover ze zinnelijk wordt voortgebracht’.

[2] Zoals Jan Siebelink het presteerde met de openingszinnen van zijn roman De overkant van de rivier (1990): ‘De tram, die middag in 1906, vervoerde twee passagiers. De tram passeerde de laatste villa’s van een buitenwijk, stopte bij de eindhalte. De passagier voor in de bus stond op en vroeg de conducteur de weg naar het Bahrse voetveer.’

zaterdag 3 februari 2018

AMBITIE, VERLANGEN EN URGENTIE

Enkele jaren geleden ben ik in Nice met urgentie vervoerd, dus gestrekt liggend in zo’n rode vehicule met sirene en zwaailicht. Dit nadat ik me bij een medische post had gemeld vanwege enige ongerustheid over mijn fysiek: ontsnappen aan de greep van de urgence was acuut niet meer mogelijk. Gelukkig bleek de urgentie onnodig te zijn geweest, hoe je achteraf ook kunt denken over een ‘maar stel dat’: daarom juist. Ik bleek een oninteressant geval voor de artsen van het gloednieuwe, één dag eerder geopende Hôpital Pasteur 2, en ik voel me daar nog steeds een tikkeltje onopgelucht over, en een beetje een aansteller.
        Ik vind dat de medische wereld, of die van de lichamelijke huishouding, nagenoeg het monopolie heeft en moet hebben op het begrip ‘urgentie’. Wanneer ik het woord elders tegenkom kan ik het meestal niet serieus nemen of zet ik er op zijn minst een vraagteken achter.
        Ik kom het begrip nogal eens tegen in de literaire wereld. Hoe vaak heb ik al moeten lezen dat een schrijver urgentie moet tonen of dat het zijn of haar werk zou ontbreken aan urgentie! Er zijn literatuurbeschouwers die beweren die vermeende urgentie van een schrijver te kunnen vaststellen aan de hand van zijn of haar werk, die een literair werk blijkbaar zien als een al dan niet noodzakelijke zelfoperatie van de auteur, want het moet uiteraard altijd een urgentie zijn die niet voor niets urgent blijkt te zijn geweest.
        Allereerst: het schrijven van literatuur is sowieso niet levensnoodzakelijk. Voor niemand. Wat wanneer ik me bij de medische post in Nice had gemeld met de ongerustheid niet meer te kunnen schrijven? Wat is het Franse woord voor ‘hoon’?
        Dat er mensen bestaan die het niet kunnen en willen laten is iets anders. Wat is dat toch, vroeg de Duitse arts en dichter Gottfried Benn zich af. Een of andere drang in de hand, was zijn antwoord – men schreef in zijn tijd nog met fallisch gereedschap –, ‘eine Gehirnlage’, dus een bepaalde dispositie in het brein, in de hersenen. Hoewel meer dan 7 miljard levende wezens over taal beschikken, beschikt misschien slechts een zeer klein, bijna verwaarloosbaar aantal van hen over zoiets wat vroeger literair ‘talent’ heette, in elk geval ervaart het overgrote deel van de wereldbevolking zo’n aandrang niet. Zoals ik, terwijl ik evenzeer goede hersenen heb als Rainer Weiss, ten enenmale de dispositie mis – daarvan ben ik overtuigd – die er ooit toe zou hebben kunnen leiden dat ook ik een beslissende bijdrage had kunnen leveren aan de LIGO-detector en de waarneming van zwaartekrachtgolven. Zoals ik, terwijl ik evenzeer een goed fungerende fysiek heb of had als Johan Cruyff, ten enenmale de dispositie mis of mistte die een voetballer, laat staan een excellente speler van me had kunnen maken. Ik heb decennia lang drie dagen per week scholieren laten tekenen en schilderen, maar dat nooit met de bedoeling kunstenaars van ze te maken, integendeel, want dat was slechts ‘weggelegd’ (weer zo’n ouderwets woord) voor een aantal dat, in de loop van al die tijd, misschien op tien vingers te tellen is: zo nu en dan een jongen of meisje bij wie ik kennelijk die aandrang in de hand en die bepaalde breindispositie mede had kunnen ontdekken en opwekken.
        In mijn hoedanigheid als docent en mentor heb ik er daarentegen helaas meer dan eens getuige van kunnen zijn hoe ambitie tot frustratie kon leiden. Vaak waren het ouders die ambitieuze plannen met hun zoon of dochter hadden (nooit op het gebied van de kunsten uiteraard) en wier zoon of dochter zelf een tijdlang dezelfde ambities koesterde, totdat de geschikte dispositie voor de kans op verwezenlijking ervan bleek te ontbreken, waarbij meestal de ouders nog een vervelende tijd lang het gebrek aan dispositie voor een gebrek aan inzet hielden in plaats van andersom.
        Ach, en dan het verlangen. Het verlangen om de beroemde frontman van een net zo beroemde band te worden, op een podium voor een zaal vol krijsende en in zwijm vallende meisjes. Ik ken het uit mijn eigen jeugd:
 
Sound Under Medical Treatment
Of het verlangen om te vinden wat Dubois vergeefs in een kleigroeve in mijn geboorte- en woonplaats Tegelen had gezocht: de Limburgse missing link… Of het verlangen om een beroemd atleet te worden, iets wat mij dan weer volkomen vreemd was. Verlangen naar liefde, verlangen naar rust, verlangen naar een paradijselijk uitzicht… Verlangens – wie van de meer dan 7 miljard levende en van de schier ontelbare dode aardbewoners heeft of had er geen? En wie ben ik om uit te maken welk en wiens verlangen beter of groter is dan een ander verlangen van iemand anders? Ik vraag me af of mijn verlangen naar een literair goed boek een nobeler verlangen is dan dat naar het romantische verlangen in een kasteelroman.
Dame Sally Markham

Waarbij ik overigens een levensgroot verschil wil blijven maken tussen dergelijke verlangens en de behoefte aan brood, schoon drinkwater of een kommetje rijst.

Onlangs publiceerde romanschrijver en literair criticus Kees ’t Hart in De Volkskrant een opjuinend bedoeld artikel over de stand van de Nederlandstalige poëzie. Volgens ’t Hart deugen de Nederlandstalige dichters niet, op een tiental uitzonderingen na. Een zo klein taalgebied als het onze zou blij moeten zijn met tien echt goede levende dichters, dunkt me. Maar dit terzijde.
        Wat ’t Hart verlangt van dichters is: meer urgentie, meer ambitie en meer verlangen. Ik hoop duidelijk te hebben gemaakt waarom ik die vereisten hooguit wil zien als voorwaarden, maar niet als criteria, laat staan als garanties voor goede poëzie.
        Ik ken noch Remco Campert noch Peter Verhelst privé, maar ik neem zonder meer aan dat beide mannen over ruim voldoende ‘urgentie’, ‘ambitie’ en ‘verlangen’ beschikken. Echter de laatste poëziebundel van Campert (met de nobele ambitie ingegeven door het al even nobele verlangen naar een urgente wereldvrede) lees ik als een verzameling gedichtjes uit een schoolkrant en het Poëzieweekgeschenkje van Verhelst is voor mij een bundeltje kitsch.
        Vladimir Nabokov legde ooit zijn studenten tien punten voor met de vraag om er vier van uit te kiezen waaraan een goede lezer zou moeten voldoen:
1            De lezer moet lid zijn van een boekenclub.
2            De lezer moet zich identificeren met de held of heldin.
3            De lezer moet focussen op de sociaaleconomische invalshoek.
4            De lezer moet een verhaal met actie en dialogen prefereren boven een verhaal zonder dat.
5            De lezer moet de verfilming van het boek hebben gezien.
6            De lezer moet een ontluikende schrijver zijn.
7            De lezer moet over voorstellingsvermogen beschikken.
8            De lezer moet over een geheugen beschikken.
9            De lezer moet over een woordenboek beschikken.
10        De lezer moet over enig artistiek gevoel beschikken.
Zijn studenten neigden sterk naar ‘emotionele identificatie, actie en de sociaaleconomische of historische invalshoek,’ schrijft hij. Alsof het niet 1950 was maar 2018 is.
        Je zou ongeveer dezelfde punten kunnen voorleggen met de vraag aan welke vier een goede schrijver zou moeten voldoen, en hoewel het hier in eerste instantie om proza ging, zou het net zo goed voor poëzie kunnen opgaan. Uiteraard moet een goede dichter dan over voorstellingsvermogen, geheugen, een woordenboek en artistiek gevoel beschikken.
        Kun je meer eisen dan dit soort randvoorwaarden? Urgentie, ambitie, verlangen? Wie weet staan die de dichter soms meer in de weg dan dat ze zijn gedicht helpen.

vrijdag 26 januari 2018

BASEL BY NIGHT

In Genadeklap, de nieuwe gedichtenbundel van Willem Jan Otten[1], kom ik een oude bekende tegen: de dode Christus in zijn graf, geschilderd door Hans Holbein de Jongere, en in het Kunstmuseum Basel te zien.
            Otten laat hem ‘na sluitingstijd’ uit zijn aan een zijkant open graf stappen, als was deze man een performancekunstenaar die de hele dag voor dode Christus heeft gespeeld. Hij ‘herinnert zich / de lange werkdag, / het defilé van blikken / glijdend langs / zijn aanstootgevend lijf’. Hij werd bekeken door een flitsende Japanner (waarbij ik denk dat dit niet mag en met goede Japanse apparatuur ook niet nodig is[2], maar misschien moet ik ‘japannerflits’ lezen als een vluchtig bezoek door een Japanner), door een kind met een jonge vader die zich voorneemt naderhand Holbein te googlen, door een arts in spe, enzovoort. Ook moest een vrouwelijke suppoost ‘raak hem niet aan’ zeggen tegen een Franse vrouw ‘die vingertoppen naar / zijn ongesloten ogen bracht’: een toespeling op het ‘Noli me tangere’ of ‘Μή μου ἅπτου’ dat Jezus na te zijn opgestaan uit de dood, in de gedaante van een hovenier uitsprak tegen Maria Magdalena nadat zij hem had herkend.[3] Waarom de museumbezoekster een Française moet zijn, weet ik niet.[4]
            ‘Niemand heeft hij niet bemerkt,’ wordt in elk geval over de liggende man gezegd. Otten draait dan dood zijn en leven om: ‘De dag was hem geweest als nacht, / waaruit hij nu ontslapen moest.’ Ontslapen betekent meestal sterven, hier is het veeleer ophouden met slapen, opstaan uit ‘zijn doezelend besef’.
            Hij gaat op weg en loopt het museum uit, waarbij hij langs De burgers van Calais komt, een van de in totaal twaalf afgietsels van Rodins sculptuur van de zich als offer voor de redding van hun stad aanbiedende burgers. ‘Boetelingen’ worden ze in Ottens gedicht genoemd. De associatie met het zich opofferen voor het heil van de ander ligt voor de hand.


Wanneer hij op straat staat voelt hij een koel briesje en glimlacht hij ‘als Bruno Ganz’. Waarom Bruno Ganz? Mijn associatie: De speelfilm Der Himmel über Berlin (1987) van Wim Wenders, waarin Bruno Ganz een van de twee engelen speelt die het alledaagse leven van de mensen observeren, waarbij Damiel (Ganz) de behoefte krijgt om zo’n leven te ervaren en zelf een sterveling te worden.[5]
            In de stad merkt niemand de man, persoon, figuur, gedaante (?) op. Ook dit doet denken aan de ‘engelen’ in de Wendersfilm. Hij gaat naar een brug. ‘Basel by night.’ De Engelse frase maakt duidelijk dat het om een hedendaags tafereel gaat, in een hedendaagse uitgaanswereld.
            Nu moet ik eerst weer terug in het gedicht, want ‘vlak voor sluitingstijd’ werd de dode Christus nog bezocht en bekeken door een jongen met capuchon, een gezichtloze of anoniemeling zou je kunnen zeggen. Het is iemand die ‘hem ziende / overweldigd werd / door water kolkend / in een diepte onder hem / maar waar wanneer’. Dat lijkt nogal cryptisch. Dat is het ook, woorden als ‘crypta’ en ‘krocht’ zijn hier op hun plek, maar tegelijk… En het is precies deze jongen die de uit zijn schilderij gelopen hij blijkt te zijn gevolgd: ‘Hij staat nu op de stenen rand, / pal naast de jongen met de capuchon, // en staart mee de diepte in. / het kolken daar van de rivier / die nooit voorbij zijn kolken komt.’
            De parallel met de Wenders film is nu evident. Ook in de film staat een ‘engel’ met zijn hand op de schouder van een zelfmoordenaar – die desalniettemin zelfmoord pleegt. Alleen heeft Otten nu de engel verruild voor een Christus. Maar ook deze Christus is geen voor de zelfmoord behoedende verlosser, veeleer een begeleider. Want – en nu komt de fraaie wieling in dit fraai draaiende mechaniekje – voor zijn schilderij van de dode Christus gebruikte Hans Holbein als model een uit de Rijn geviste anonieme drenkeling… De tot Christus geschilderde drenkeling keert als het ware tot de verdrinking terug, en wel dagelijks, telkens weer… Met of in dat besef is het gedicht, dat deel uitmaakt van de reeks ‘Na sluitingstijd’, voor mij tot leven gekomen, een gebeurtenis geworden, en dat is hier en nu voor mij voldoende, ja, alles wat ik nodig heb; mogen theologen en andere theoretici zich buigen over geestelijke implicaties en zo meer.
            Dat gegeven over het model dat Holbein gebruikte wordt overigens niet op de een of andere manier vermeld in het gedicht, maar het kan niet anders of Otten kende het.

            In mijn eigen poëziebundel Hollandse wei uit 1990 vormt ‘Ein todten bild h.holbeins vf holtz mit ölfarben’ de centrale polyptiek. En die negendelige suite begint juist met dat lijk uit de Rijn: ‘Kom, kijk gerust, deze dode Christus werd opgevist.’ Of eigenlijk begint het met een domineeszoon, de jonge dichter Gottfried Benn, die in het gedicht ‘Man en vrouw lopen door de kankerbarak’ in zijn debuutbundel Morgue und andere Gedichte[6] uit 1912, de man laat zeggen: ‘Kom, kijk naar dit litteken op de borst’ en ‘Voel gerust.’ (En tegelijkertijd krijgt, zo zie ik nu, die Christus al zijn ichtus toebedeeld, zijn vis.) En in II lees ik: ‘Dit lijk wist hij een brug.’ Heb ík dat geschreven? Maar er zijn uiteraard verschillen, er moeten verschillen zijn tussen Ottens aanpak en optiek en die van mij! Zo schrijft Otten over de rechterhand: ‘Hij heeft de lange vingers van zijn rechterhand / zo wijd hij kon gespreid [aan het kruis, neem ik aan - hb] / en daarna koot voor koot / geknakt, knak, knak [met behulp van een beulsknecht].’ Bij mij wordt die hand een rennende reuzenspin: ‘Op drie na / heeft ze alle poten al bevrijd. Net op tijd joeg Holbein / een keil dwars door haar lijf.’ Maar ook ik heb me kennelijk het opstaan van die dode voorgesteld: ‘Stel de Bazelaar ontwaakt gorgelend met doorboorde / handen, zij en voeten – is er herinnering?’ En datzelfde vers VIII eindigt met deze twee regels die me andermaal over mezelf (van toen) verbaasd doen staan: ‘Uit de dood ontwaakt is de mens nog slechts de wonde / vraag of hij de god is die zich de mens heeft uitgevonden.’
            Ik heb de indruk dat Willem Jan Otten nu al een flinke tijd op zoek is naar waar ik al een hele tijd aan probeer de ontkomen. Mogelijk dat het hem zal lukken en mij niet.
            Hoe dan ook, weet je wat er na de Holbeinsuite in mijn bundel uit 1990 volgt? Een gedicht met als titel ‘Noli me tangere’.




[1] Willem Jan Otten, Genadeklap, Uitgeverij Van Oorschot, Amsterdam 2018.
[2] Uit het huisreglement: Fotografieren mit Mobiltelefonen sowie Kompaktkameras ohne Blitzlicht, Stativ oder Selfie-Stick ist für private Zwecke gestattet (Ausnahmen sind gekennzeichnet).
[3] Johannes 20:17: ‘Jezus zeide tot haar: Raak Mij niet aan, want Ik ben nog niet opgevaren tot Mijn Vader; maar ga heen tot Mijn broeders, en zeg hun: Ik vare op tot Mijn Vader en uw Vader, en tot Mijn God en uw God.’ Het voorafgaande vers is wellicht nog crucialer: ‘Jezus zeide tot haar: Maria! Zij, zich omkerende, zeide tot Hem: Rabbouni, hetwelk is gezegd, Meester.’ Maria herkent Jezus pas doordat hij te kennen geeft haar te kennen.
[4] Mijn intuïtie murmelt iets over Hélène Cixous, de feministische taalfilosofe die in verband met het werk van Clarice Lispector het een en ander over het ‘Noli me tangere’ heeft geschreven. Maar het lijkt me te veel speculatie.
[5] ‘Ik heb de film vele malen gezien,’ aldus Willem Jan Otten in ‘De engel die mijn gedachten leest’, Trouw 29 oktober 2016. En: ‘[…] het is altijd wanneer je de film ziet verbazingwekkend om mee te maken hoe, vooral door Ganz' hartveroverende acteren, het vanzelfsprekende volkomen nieuw wordt.’
[6] Zie Gottfried Benn, Morgue en andere gedichten, vertaling Huub Beurskens, Amsterdam 2017.

zaterdag 20 januari 2018

OVER HET OPDOEKEN VAN EEN POËZIEPRIJS

Bij mij in huis staan twee monsters die qua formaat, vorm, materiaal en gewicht uitstekend geschikt zijn om een indringer de schedel in te slaan, althans wanneer ik er eerder bij ben dan hij: de bronzen sculptuurtjes die ik kreeg bij gelegenheid van mijn nominaties voor de VSB Poëzieprijs in respectievelijk 1995 en 1996. In dat eerste jaar werd de nominatie omgezet in een laureaat, maar daarvan heb ik vreemd genoeg geen zo tastbaar en hopelijk nooit inzetbaar bewijs.

In De Volkskrant van vandaag, 20.01.18, wijdt John Schoorl een artikel aan de VSB Poëzieprijs en de opheffing ervan. Ter voorbereiding van zijn tekst legde hij onder andere mij een aantal vragen voor. Hieronder de antwoorden zoals hij die woordelijk van me kreeg.

                Op de vraag naar wat ik 'dacht' toen ik te horen kreeg dat ik de VSB-poezieprijs had gewonnen:

Uiteraard was ik daar zeer mee ingenomen, ook al omdat ik de tweede prijswinnaar mocht zijn na Hugo Claus (en, zoals naderhand bleek, gevolgd zou worden door resp. Vroman, Kouwenaar en Kopland). Ook qua leeftijd was dat (eveneens achteraf gezien) bijzonder: Claus 64 – ik 44 (bijna 45) – Vroman 80 – Kouwenaar 73 – Kopland 63. Daarna zijn er jarenlang niet meer zulke ‘oude knarren’ met de prijs gaan strijken: de oudste was Armando (81 in 2011) en daarna nog Knibbe (69 in 2015).
         Anderzijds ging het in 1995 om mijn achtste ‘officiële’ poëziebundel…
         Overigens kreeg mijn negende bundel een jaar later een VSB-nominatie – iets wat naderhand niet meer mogelijk was, meen ik.
         Wellicht vermeldenswaard: het feit dat mijn bundel (Aangod en de afmens) in 1995 de prijs kreeg werd me keurig persoonlijk per post medegedeeld. Dus niks geen tombola-avond of iets dergelijks waarop de genomineerden als schapen het laatste oordeel moesten zitten afwachten. Ik had dus de tijd om, zoals gevraagd, een lezing over poëzie t.g.v. de uitreiking voor te bereiden.  En die lezing werd vervolgens integraal gepubliceerd op de voorpagina van de boekenbijlage van NRC Handelsblad. Kortom: het waren nogal andere tijden.

                Op de vraag naar hoe belangrijk is die prijs voor mij is geweest, ‘als dichter’:

Hoe belangrijk de prijs voor mij ‘als dichter’ is geweest kan ik met geen mogelijkheid zeggen. Wel meen ik zo goed als zeker te weten dat de prijs voor mijn positie in het literaire veld, zoals dat heet, van belang was, en dan met name voor mijn verdere publicatiemogelijkheden bij de uitgeverij. Het feit dat Aangod en de afmens mijn achtste poëziepublicatie was bij uitgeverij Meulenhoff (… het waren nogal andere tijden…) zegt alles over het vertrouwen dat uitgever Laurens van Krevelen in mijn werk had. Des te meer had ik het gevoel eindelijk ‘iets’ terug te kunnen doen, niet qua omzet (poëzie levert financieel bijna nooit iets substantieels op) als wel qua imago. Zo’n prijs kan immers allesbehalve kwaad voor het imago van een uitgeverij. Het werkt dus naar twee kanten, want een uitgever zal niet gauw een prijswinnaar laten vallen.
Daarnaast zullen nominatie(s) en prijs me hoogstwaarschijnlijk ook hebben bevestigd in het gevoel met mijn werk op een goede weg te zijn. Een schrijver moet niet in de watten worden gelegd, maar af en toe een warm bad kan geen kwaad, integendeel.

                Op de vraag of ‘alle aandacht die hiervan het gevolg was’ me verraste:

Hoeveel aandacht was ‘alle’ aandacht in 1995? Dat mijn VSB-lezing in een landelijk weekblad werd gepubliceerd was fijn, dat een volgende poëziepublicatie meer kans op besprekingen kreeg, leek me een logisch gevolg. Ik begrijp dat de laatste jaren genomineerde dichters op tournee gaan (moeten?). Voor mij persoonlijk zou dat een schrikbeeld zijn. En het levert hoe dan ook nauwelijks iets op wat betreft verkoop van je bundel. Tijd en energie om beter te besteden.

                Op de vraag hoe belangrijk prijzen zijn ‘in het bestaan van de poëzie’:

Een vreemde vraag. Ook zonder prijzen zal poëzie blijven bestaan, het bloed zal altijd blijven kruipen waar het niet gaan kan. Maar literaire prijzen voor poëzie, mits gedoseerd en van een kwalitatief hoogstaande jury voorzien (wat eigenlijk een tautologie is), zijn in cultureel opzicht belangrijk voor de status van ‘de’ poëzie als volwaardige kunstvorm, en daarmee tevens voor de serieuze aandacht ervoor en de publicatiemogelijkheden ervan.

                Op de vraag wat heeft de prijs met mij ‘als dichter’ en met mijn poëzie heeft gedaan:

Geen flauw idee.

                Op de vraag in hoeverre het geldbedrag een stimulans om verder te gaan in mijn literaire werk:

Dat was van geen invloed. Ik heb altijd bewust een dubbelleven geleid: ‘echt’ (parttime) werk om daarnaast niet afhankelijk te hoeven zijn van literair werk. Wel vind ik zo’n geldbedrag van belang voor de status van zo’n prijs.

                Op de vraag of het erg is dat de prijs ophoudt te bestaan:

Dat is zonder meer jammer, zeker gezien de traditie die de prijs inmiddels heeft opgebouwd met 23 laureaten en nog veel meer genomineerden.
Er zijn nog genoeg dichters die deze prijs hadden moeten kunnen krijgen! Zie verder onder vraag 9.

         Op de vraag wat er in Nederland zou moeten gebeuren om mensen ‘meer aan de poëzie te krijgen’:

Ik zou het niet weten, al heb ik wel zo mijn ideeën omtrent het onderwijs op zowel middelbare scholen als universiteiten. En over de kwaliteit plus kwantiteit van poëziebesprekingen. Verder zie ik meer heil in elitarisme dan in popularisering.

                Op de vraag of ik over het ontvangen van de prijs of de prijs op zich ooit in directe zin een gedicht gemaakt heb, en zo ja, welk:

Is dit de grappige vraag in het geheel?

                Op de vraag waar de VSB-poëzieprijs voor staat en of die een  beloning is voor nieuwlichterij of juist niet…:

Wanneer ik de lijst van winnaars van de VSB-Poëzieprijs bekijk, vind ik die er zo slecht nog niet uitzien, hoewel ik persoonlijk deze of gene uiteraard zou hebben ingeruild voor een andere. (Zie vraag 7.) Een prijs is nu eenmaal ook of zelfs vooral een kiekje van de jurysamenstelling.
         Ik meen echter juist de laatste paar jaar een verschuiving te zien die er mede toe bijgedragen zou kunnen hebben dat de sponsor het met deze prijs voor gezien houdt. Maar of dat echt zo is zou een journalist moeten uitzoeken. In elk geval denk ik dat de jury’s van de afgelopen paar jaar de status van de prijs geen goed hebben gedaan.
         Zelf zou ik er in elk geval zo mijn bedenkingen bij hebben gekregen.
         De gemiddelde leeftijd van de prijswinnaars was tot nu zo’n 52 jaar. De jongste prijswinnaar is 24, een debutante, afgelopen jaar. Ze kan er zelf uiteraard helemaal niets aan doen, maar behalve dat ze de allerjongste van het hele stel is, is ze ook de enige debutante onder de winnaars.
Onder de genomineerden van dit moment, dus voor de allerlaatste jaargang, die van 2018, zijn van de vijf dichters er twee debutant, is er een genomineerd met een tweede bundel, is er een 26 en een 28 jaar, en is er een die vijftien jaar geleden al winnaar was en dus een unicum zou worden wanneer hij een tweede keer de prijs zou krijgen, want dat is nog niemand gegund geweest. Dat alles bij elkaar lijkt me al een bijzonder ongelukkige samenloop van omstandigheden, maar het is hoe dan ook de bewuste keuze van een jury. Nogmaals: de dichters in kwestie kunnen het niet helpen, en zelf zou ik ook in mijn nopjes zijn geweest met zo’n nominatie voor mijn debuutbundel – maar waarschijnlijk had ik dan op een paar vragen, zoals op de vijfde, een ander antwoord moeten geven. Natuurlijk kan iemand van 25 met een goede debuutbundel komen – hoe vaak komt dat in de hoeveel jaar voor? Maar bewijs je daar zowel de dichter als ‘de’ poëzie een dienst mee wanneer je zo’n debutant meteen in op de hoogste tree zet, wanneer je, om er in deze laatste jaargang maar enkelen te noemen, Armando, Ten Berge en Tentije niet eens tot de onderste tree van het podium toelaat? Ik wil de pret voor de genomineerden en de aanstaande winnaar niet drukken, maar helaas vind ik dat wanneer de VSB-prijs op zijn laatste twee edities beoordeeld zou worden – stel je eens voor dat dit de eerste twee zouden zijn geweest… – er met het opdoeken ervan niets verloren zou zijn.


vrijdag 19 januari 2018

VERWATEREND ZIELTOGEN

In NRC Handelsblad van vandaag passeren de vijf bundels de revue die genomineerd zijn voor de allerlaatste jaargang van de VSB Poëzieprijs.
De slotsom is ietwat merkwaardig: ‘Het afgelopen poëziejaar was een mager jaar, niet alleen vanwege de opvallend weinige inzendingen voor deze laatste VSB Poëzieprijs.’ 
Ik denk zelf aan bundels die niet genomineerd werden: Liever niet van Armando, Splendor  van H.C. ten Berge, Om en nabij van Hans Tentije (die dit weekend de Constantijn Huygensprijs in ontvangst neemt), Zwembad de Verbeelding van Tom van de Voorde, en verder aan namen als K. Schippers en Martin Reints.

Morgen meer over de VSB Poëzieprijs en zijn einde in De Volkskrant.