vrijdag 14 november 2008

WHAM! IN DE KOU

Er is een nieuwe gedichtenbundel verschenen van Rutger Kopland, Toen ik dit zag. De dichter heeft een ernstig ongeluk en coma overleefd en is revaliderende. Ik las een kort vraaggesprek waarin hij zegt: ‘Ik probeer met mijn gedichten nog steeds de wereld te laten zien zonder dat wij in die wereld zijn.’ Ook worden er drie versregels aangehaald uit ‘Tuin’, een van zijn nieuwe gedichten: ‘Ik zit voor het raam en zie/hoe de tuin niet is veranderd/voor haar ben ik niet weggeweest.’ En toen dacht ik aan Dirk van Bastelaere. Nadat mijn tweede termijn als lid van de adviesraad van het Fonds voor de Letteren erop zat, meende ik dat ik mezelf op andere wijze moest dwingen om enigszins op de hoogte te blijven van wat er in het Nederlandse taalgebied aan poëzie verscheen. Dat was destijds ook een belangrijke persoonlijke reden geweest om adviesraadslid te worden: ik vreesde dat ik de gretigheid verloor om zoveel mogelijk te bekijken wat er aan nieuwe bundels en nieuwe namen uitkwam, zeker nadat ik zeven actieve jaren als redacteur van De Gids had afgesloten. Ik zocht daarom opnieuw een stek als poëziebespreker. Rond mijn dertigste had ik zo’n stek bij De Groene Amsterdammer. Daar kon ik weliswaar enkele artikelen publiceren, maar ik kreeg toch vooral credits van Jeroen Overstijns, destijds chef Letteren bij De Standaard. Zo publiceerde ik in de boekenbijlage van dat dagblad onder meer een bespreking van de bundel ‘De voorbode van iets groots’ van Dirk van Bastelaere. Dat was in mei 2006. Mijn, ik neem aan, definitief laatste poëzierecensie verscheen er eind juni 2007. Er was en is nog zoveel meer te lezen en te zien dan de nieuwste Nederlandstalige poëzie en het buitenland is nog alijd en in toenemende mate nog veel meer en meer dan Nederland. Het meeste van wat ik in de loop der jaren heb geschreven over andermans gedichten lijk ik te zijn vergeten. Min of meer bij toeval lees ik er nog wel eens iets van terug, zoals onlangs, bijna noodgedwongen, mijn bespreking van Komrij’s gedichten in De Groene van mei 1982 (zie mijn blog van 7 juni jl.). En hoewel ik een en ander nu iets anders zou formuleren, kan ik me meestentijds nog in de strekking ervan vinden. Dat geldt ook voor die bespreking van de bundel van Van Bastelaere van een paar jaar terug. En toch had ik er, al tijdens het schrijven, een probleem mee dat ik nog altijd niet kwijt ben. Mijn Standaardbespreking van ‘De voorbode van iets groots’ is niet bepaald wervend voor de uitgave te noemen. Dat heeft er alles mee te maken dat ik de bundel simpelweg te manifest poëticaal vond. Iets wat ik – ik zit er nu opnieuw in te lezen – nog steeds vind. Neem alleen al de titel met zijn integrale aanhalingstekens: in allerlei opzichten, negatief, positief, ironisch, gemeend, taalkritisch enzovoort, kan die meteen al worden gelezen als poëticaal programmatisch, als commentaar ook op hoe taal vaak werkt en hoe je daar dan op kunt wijzen en tegenin kunt gaan. Wanneer iemand een lans breekt voor bepaald complex aandoend werk, zoals dat van Dirk van Bastelaere, worden critici van dat werk vaak neergezet als mensen die er geen raad mee weten. ‘De meeste recensenten van Nederlandstalige poëzie blijken maar niet met het werk van Dirk van Bastelaere uit de voeten te kunnen,’ schrijft zo ook Gaston Franssen aan het begin van een alinea (in Parmentier) en bij de besprekers die hij dan, geïllustreerd met een citaat, de revue laat passeren staat ook mijn naam. ‘De recensenten blijken maar weinig met zijn poëzie aan te kunnen vangen,’ schrijft hij daarna nogmaals, aan het einde van dezelfde alinea, om het stelletje als het ware in het kooitje van zijn alinea op te sluiten. Ik pretendeer absoluut niet alles in Van Bastelaeres bundel te begrijpen, te kunnen volgen. Menige toespeling en de betekenis van deze of die wending zullen me ontgaan, maar dat wil niet zeggen dat ik er niet mee uit de voeten kan, dat ik er geen begrip voor kan opbrengen. Ik denk dat de denkwereld van Dirk van Bastelaere zich vrij dicht bij de mijne bevindt, dat die zelfs serieuze overlappingen met de mijne vertoont. Vandaar ook dat ik onwillekeurig aan Van Bastelaere dacht toen ik de uitspraak en de drie versregels van ‘de nieuwste’ Kopland las. Want zowel die uitspraak als die drie regels zouden, zeker inhoudelijk, noch van Dirk van Bastelaere noch van mij afkomstig kunnen zijn. Zowel hij als ik zou in zo’n geval als het weerzien met een tuin (na een ernstig ongeval en lange afwezigheid bijvoorbeeld) juist op de een of andere manier hebben opgemerkt dat die tuin juist wel veranderd was, dat met mijn afwezigheid en mijn terugkeer ook die tuin veranderd was, dat de tuin mij nu anders zag, zoals en omdat ik de tuin anders zag, dat alleen al het feit dat ik zou kunnen opmerken dat de tuin mij niet had gemist, er een andere tuin van zou maken, enzovoort, enzovoort. Met andere woorden, ik ben het voor een zeer groot deel eens met Dirk van Bastelaeres visie op en denkwijze over de wereld en de taal. Ik heb veel respect voor zijn inzet, kennis en intelligentie. Dat besef ik ook wanneer ik naar het gesprek met hem kijk en luister dat enkele jaren geleden werd opgenomen en uitgezonden door De Vrije Gedachte, toen hij nog aan ‘De voorbode van iets groots’ werkte: http://www.devrijegedachte.nl/dvgtelevisie/dichters/afl-4/afl-4.htm

Misschien is het enige waarvoor ik allergisch ben in dat gesprek, zijn gebruik van en nadruk op het woord ‘onderzoek’. Maar dat enige is wellicht, in artistiek opzicht, essentieel. Bij een gedicht als ‘onderzoek’ haak ik radicaal af. Zo’n praktijk roept bij mij dan het beeld op van een scholier die van zijn tekendocent de opdracht heeft gekregen het beeld van een vuilstort te schilderen en met een verfsmeerboel op papier komt aanzetten omdat dit op zich ook een rotzooi is, zoals een scholier die de opdracht krijgt tot het schilderen van een sneeuwlandschap triomfantelijk een wit vel papier inlevert, met dit verschil dat Van Bastelaere opdrachtgever en uitvoerder tegelijk is. ‘Ga (de mechanismen van) de taal onderzoeken middels een gedicht, dus middels de taal’ – zo ongeveer zou de opdracht kunnen luiden die Van Bastelaere zichzelf heeft gesteld. De tekendocent die niet eerst zijn leerling heeft laten zien dat (het geheim of beeld of effect van) sneeuw veel meer dan wit is, dat 'wit' eigenlijk niet bestaat of in elk geval nooit hetzelfde is, heeft het aan zichzelf te wijten wanneer zijn leerling meent een blanco blad te kunnen inleveren.

Ter lering strekt en werkt de poëzie van Van Bastelaere al helemaal niet, daarvoor is hij veel te manifest tegendraads. Hij wordt juist alleen maar te begrijpen gevonden door mensen die hem (zowel de dichter als zijn poëzie) in feite juist misverstaan. Een goed voorbeeld daarvan lijkt me Anne Vegter, zelf een dichterlijke spring-in-‘t veld, van de hak-op-de-tak-springster, die vindt dat je maar associatief wat op papier hoeft te kwakken, dat de lezer aan een half woord genoeg moet hebben en dat dit dan zoiets is als je laten sturen door het accidentele materiaal. Terwijl Dirk van Bastelaere in boven genoemd gesprek duidelijk en zeer terecht een onderscheid maakt tussen de essayistische en lyrische praktijk, gaat Vegter in de bespreking lustig door met haar vrije associaties, in haar kennelijk ene en enige (door sommigen voor creatief, gevat en grappig gehouden) toonsoort. http://www.groene.nl/2007/vsb/Anne_Vegter_over_Dirk_van_Bastelaere Dit is het slot van haar bespreking van ‘De voorbode van iets groots’ (De Groene Amsterdammer, 3 april 2007): ‘Het is een oerzang geworden op een nieuwe werkelijkheid van het individu. De titel fluistert erover. De slotafdeling verwijst naar een onzegbare wereld in taal. Maar ook voor onzegbaarheid zijn een hoop woorden nodig. Mind you. Wroet niet te veel in die hoop. Explosiegevaar. Het bevredigt op magistrale wijze de culturele nood aan nieuwe mythen. Whhhham.' Ik zou, als ik Dirk van Bastelaere was, wel weten wat ik liever zou hebben wanneer ik zou mogen kiezen: zo’n geëxalteerde bespreking van Anne Vegter of die kritische van mij in De Standaard. Want ik ben nog niet met Van Bastelaere klaar, Vegter wel, ze denkt dat hij in haar straatje past. En daarom nu Wham! - de titel fluistert erover en het bevredigt op magistrale wijze de culturele nood aan nieuwe mythen:  https://www.youtube.com/watch?v=E8gmARGvPlI

Wordt ongetwijfeld vervolgd.

donderdag 6 november 2008

WAT JAMMER NOU! OF NIET?

In De Groene Amsterdammer van deze week (45) wordt in een beschouwing over het werk van Francis Bacon, van wie in Londen nu een overzichtstentoonstelling te zien is, tot mijn verrassing en opwinding een relatie gesuggereerd tussen dat werk en een van de, wat mij betreft, topstukken uit de Westerse schilderkunst, de zogenaamde Allegorie van de liefde, geschilderd tussen 1540 en 1545 door Bronzino. De schrijvende beschouwer Patrick van IJzendoorn begint zich al kijkend af te vragen wat steeds weer die aanwijzende pijlen in Bacons schilderijen doen en als zo'n vraag eenmaal is gesteld leidt dat al gauw tot een mogelijk creatieve obsessie. Meer dan benieuwd volg ik dan ook zijn betoog.

Het valt Van IJzendoorn op dat die pijltjes van Bacon gericht zijn op lichaamsdelen en wonden daarin. Vervolgens oppert hij de mogelijkheid van een link met Monty Python ‘dat in 1970 het absurde How To Recognize Different Parts of the Body’ maakte. ‘Bij “Number One: The foot” wijst een pijltje naar de alles verpletterende voet van Cupido, die te zien is op Agnolo Bronzino’s Allegorie met Venus en Cupido in de National Gallery,’ schrijft hij, om te vervolgen met: ‘Bacon kwam daar graag om schilderijen van Rembrandt of Michelangelo te bekijken, maar met een zoon die door zijn moeder wordt gestraft, een man die schreeuwend de haren uit zijn hoofd trekt, een vrouw met een grotesk dierenlichaam en een gespierde oude man met een zandloper op zijn rug zal ook het schilderij van de Florentijnse meester hem hebben geboeid.’

En dan is zijn artikel meteen ook afgelopen. Zomaar, abrupt... Wat jammer! Jammer niet alleen dat niet nu pas echt wordt vastgebeten, maar ook dat Van IJzendoorn kennelijk niet eens even de moeite heeft genomen zelf goed naar het werk van Bronzino te kijken, zoals hij al evenmin enige moeite heeft gedaan om de betekenissen te achterhalen van dat schilderij!

Want hoezo een alles verpletterende voet? Cupido behoort niet eens tot de klasse van het vliegengewicht en de twee duifjes (waarvan bijna alle reproducties er eentje bruut wegsnijden) eronder, of beter ervoor, wordt geen veertje gekrenkt. Hoezo een zoon die door zijn moeder wordt gestraft? Met een tongzoen en zijn vingers rond haar tepel? Hoezo een man die schreeuwend zijn haren uit zijn hoofd trekt? Het is niemand minder dan Dame Invidia die zich daar tot wanhoop gedreven voelt door die verdomde liefde!

Wat een afknapper dus, zo’n artikel. Of toch juist niet? Want evident slecht kijken van de ene kan soms de waarneming van degene die dat tot zijn spijt en verontwaardiging moet constateren, helpen en verrijken.

Pijltjes, daar ging het toch in eerste instantie om? En kijk daar eens, in deze allegorie van Bronzino: een pijl, dé pijl (door Venus) gericht op een lichaamsdeel (van haarzelf)...
Overigens heeft deze, in zoet erosgif gedrenkte pijl volgens mij net zo min iets met die aanwijspijltjes op Bacons schilderijen te maken als dat Monty Python iets aan die schilderijen heeft bijgedragen.

HAND&BRAINJOB

Op het einde van een kort artikel in het nieuwste nummer van het tijdschrift Yang wordt Elias Canetti geciteerd uit de in een noot vermelde vertaling Het geweten in woorden uit 1984. Het geweten IN woorden? De titel van Canetti’s essaybundel uit 1978 is toch Das Gewissen DER Worte? Heeft hier een dualist al dan niet opzettelijk meteen maar het wereldbeeld van Canetti naar zijn hand gezet?
Alle reden in elk geval om van de noot terug te keren naar het citaat in de tekst, die, misschien op juist dat einde na, op mij was overgekomen als het zoveelste ingesleten, schijnoverzicht van DE ontwikkeling van DE Nederlandse poëzie van de afgelopen decennia; de auteur, Marc Reugebrink, zet weliswaar kritische kanttekeningen bij zulke overzichten van anderen, maar in feite denkt en kijkt hij daarmee zelf opnieuw in noodzakelijkerwijs kortwiekende en beknottende lijnen, ook wanneer hij uitkomt bij dichters die zich, als ik hem mag geloven, niet meer wensen vast te pinnen op programma’s en doelen. Op het einde van zijn artikel wordt echter duidelijk dat hij zijn kritisch schijnoverzicht juist heeft opgezet om zich te keren tegen precies dat kennelijk in DE ontwikkeling van DE Nederlandse poëzie ontstane en nu heersende gevoel van koersloosheid. De essentie van de literatuur, zegt hij, blijft een verlangen. En dan komt hij met Canetti op de proppen.

Op het einde van zijn, in genoemde bundel opgenomen beschouwende redevoering, zegt Canetti dat een schrijver een verantwoordelijkheid moet voelen voor het leven dat zichzelf vernietigt, ‘en men hoeft zich er niet voor te schamen te zeggen dat die verantwoordelijkheid gevoed wordt door mededogen (‘Erbarmen’)’. Er ligt een soort impliciete, persoonlijke wet aan ten grondslag die zegt – en nu citeer ik de Nederlandse vertaling uit 1984 – ‘dat men het Niets alleen opzoekt om de weg eruit te vinden en de weg voor een ieder aangeeft.’ Ik vind dat meerduidige ‘alleen’ (voor ‘nur’) prima, maar ‘bezeichnet’ verliest met ‘aangeeft’ precies dat cruciale karakter van de praktijk van het zetten van tekens. ‘Betekent’ is dan ook een even simpele als adequate vertaling, want die impliceert dat ‘men’ iets betekent in juist, misschien zelfs alleen maar in het betekenen, dat wil zeggen, binnen het geweten niet IN maar VAN de woorden. Als je Canetti’s woorden zó leest, lopen ze ook niet de kans menigeen als ‘dagsluitingsproza’ in de oren te klinken, zoals Reugebrink vreest. Als dagsluitingsproza klinken mij daarentegen zijn eigen slotwoorden in de oren. Voor het schrijven zijn volgens hem ‘als vanouds, veel hoop, geloof en liefde nodig’. Mij persoonlijk althans heeft geen van de drie genoemde deugden ooit mijn zwarte Waterman in de hand doen nemen.

Wat zet me dan wél aan om die vulpen op te pakken en de de dop ervan los te trekken? Met enig gevoel van artistieke, laat staan maatschappelijke verantwoordelijkheid voor De ontwikkeling van De literatuur heeft dat niets te maken. Ik probeer altijd eerst even uit hoe de Waterman schrijft. Onzin! Ik vind dat zetten van betekenisloze krullen die voortvloeien uit het vloeien van de inkt door de spleet van het gouden Parijse pennetje gewoon al meteen lekker… Het gevoel erbij in mijn hand. Of van mijn hand. Wat is het?

Dat vroeg Gottfried Benn zich ook al af. Een aandrang, toevloed, stuwing (‘Andrang’) in de hand, was het volgens hem. En waar kwam die aandrang dan vandaan? Een priapisme in de hersenen, zei hij. Uiteraard bedoelde hij dat als beeld. Priapos, de antieke god van de erectie. Voor met Viagra- en penisvergrotingsspam bestookte naïevelingen is de erectie en zeker de priapistische iets benijdenswaardigs. Maar deze dichter die het had over een priapisme in het brein was zeker op dat terrein alleminst naïef. Van beroep (dichter zijn is echt geen beroep, prozaschrijvers verdienen soms geld met hun boeken, dat is prettig voor die schrijvers maar misleidend voor de beeldvorming van hun praktijk), van beroep dus arts in huid- en geslachtsziekten, deze Gottfried Benn. De man heeft serieuze priapismen onder handen gehad, geloof maar.

Bijzonder pijnlijk, bovendien zeer gevaarlijk, zo’n toestand. Behandeling door de uroloog onder hemodynamische bewaking: adequate pijnstilling (eventueel penisblock) plus eventueel een kortwerkend anxiolyticum (saturatiebewaking!); met 23G-naald met driewegkraan het corpus cavernosum loodrecht aanprikken; zoveel mogelijk bloed aspireren in een 10 ml spuit met 10 ml 1:1.000.000 epinefrine-oplossing het corpus cavernosum irrigeren en zonodig meer bloed aspireren (de oplossing niet achterlaten); na verwijderen van de naald 5 minuten afdrukken. (Bron: AMC, Amsterdam)

Met andere woorden, men moet er zo gauw mogelijk vanaf zien te komen. In combinatie met die ‘aandrang’ in de hand, dringt zich nu natuurlijk het beeld op van een, pleonastisch geformuleerd, zelfverlichtende zelfbevrediging.

The poet as a wanker? Zijn we hier weer terug bij de modernistische misvatting van een dualistische ‘zelfexpressie’? Zoals elke vergelijking gaat ook deze gelukkig uiteindelijk mank. Namelijk precies wanneer ze ruimte biedt voor een volgende vergelijking: die van de dichter als schepper. Van zelfbevrediging komen niet gauw kindjes. Van schrijven komen echter wel teksten, Worte*. Er ontstaat (dat is althans mogelijk) die vreemde, mythisch aandoende ‘Verwandlung’ waar Elias Canetti het in praktisch zijn hele werk over heeft. Als vanuit het Niets, of vanuit zijn onaangename pijnen en zijn prettige stuwingen en aandragen, begint de dichter oog te krijgen voor zijn woorden, voor het gedicht dat bezig is te ontstaan. Met hoop, geloof of liefde heeft dat vooraleerst nog steeds niets te maken. Gaandeweg echter ontstaat er een (caverneus tekst-)lichaam, zo lijkt het, dat een eigen bestaan begint te leiden, dat een eigen geweten begint te krijgen, niet IN zijn woorden, maar als zodanig. Zelfs als die woorden gaan over menselijke wezens die elkaar misvormen en vernietigen: met een verwonderde en, zoals altijd na een daad waarin je jezelf leek te hebben verloren, met een weemoedige blik zie je dan, een weg, een ‘zin’ zowel in als uit het Niets.

Misschien dat je op grond daarvan, als lezer, even iets overkomt van hoop, geloof en liefde?

*Het Duits kent twee meervoudsvormen voor 'Wort': 'Wörter' voor wanneer het gaat om afzonderlijke woorden, 'Worte' bij samenhang van woorden, zoals dankwoorden, redevoeringen, teksten.

zaterdag 1 november 2008

"KINDEREN KENNEN TAFELS NIET MEER"


De schaal fruit

De tafel beschrijft
niets: vier poten maken
er een tafel van. Vier regels
maken er een kwatrijn van,

het gedicht dat de schaal fruit
schraagt wanneer we zeggen dat het op
een tafel lijkt – hoe kan het de strekking
beschrijven van het gedicht?


- William Carlos Williams

vrijdag 31 oktober 2008

PROTOHUMMINGBIRDHUMBIRD?

Nadat zijn Lolita een kassucces was geworden, ging Vladimir Nabokov met zijn vrouw Vera wonen in een zijvleugel van Grandhotel Montreux Palace aan het Meer van Genève. Waarom aan het Meer van Genève? Zijn zus Elena woonde in Genève. Maar was er niet nog meer waardoor deze literatuursfinx werd aangetrokken? Meer zelfs dan rust, fenomenale zonsondergangen, schitteringen in het water? In de Zwitserse Alpen ving Nabokov 4323 vlinders - zijn Europese verzameling die wordt bewaard in het Musée Cantonal van Lausanne. Maar er was volgens mij nog iets.
In de tweede helft van de negentiende eeuw was een zekere Aloïs Humbert curator en directielid van het natuurhistorisch museum van Genève. Deze paleontoloog en insectenkenner schreef in 1873 een brief aan Charles Darwin over een bijzonder verschijnsel, de pogingen van een pijlstaart om nectar te halen uit de bloemen van een bloemenbehang...
'(...) le Sphinx reste plus ou moin longtemps dans la chambre et s'arrête devant un plus ou moin grand nombre de bouquets, puis il repart subitement par la fenêtre.'
Wat past beter in Nabokovs fictieve Humberthumbirdhummingbirdsphinxworld!?
In zijn roman Ada, geschreven aan het Meer van Genève, heeft Nabokov een kamer (laten) behangen met papier met hummingbirdmotief...
Hum, bird, hum!