zaterdag 3 februari 2018

AMBITIE, VERLANGEN EN URGENTIE

Enkele jaren geleden ben ik in Nice met urgentie vervoerd, dus gestrekt liggend in zo’n rode vehicule met sirene en zwaailicht. Dit nadat ik me bij een medische post had gemeld vanwege enige ongerustheid over mijn fysiek: ontsnappen aan de greep van de urgence was acuut niet meer mogelijk. Gelukkig bleek de urgentie onnodig te zijn geweest, hoe je achteraf ook kunt denken over een ‘maar stel dat’: daarom juist. Ik bleek een oninteressant geval voor de artsen van het gloednieuwe, één dag eerder geopende Hôpital Pasteur 2, en ik voel me daar nog steeds een tikkeltje onopgelucht over, en een beetje een aansteller.
        Ik vind dat de medische wereld, of die van de lichamelijke huishouding, nagenoeg het monopolie heeft en moet hebben op het begrip ‘urgentie’. Wanneer ik het woord elders tegenkom kan ik het meestal niet serieus nemen of zet ik er op zijn minst een vraagteken achter.
        Ik kom het begrip nogal eens tegen in de literaire wereld. Hoe vaak heb ik al moeten lezen dat een schrijver urgentie moet tonen of dat het zijn of haar werk zou ontbreken aan urgentie! Er zijn literatuurbeschouwers die beweren die vermeende urgentie van een schrijver te kunnen vaststellen aan de hand van zijn of haar werk, die een literair werk blijkbaar zien als een al dan niet noodzakelijke zelfoperatie van de auteur, want het moet uiteraard altijd een urgentie zijn die niet voor niets urgent blijkt te zijn geweest.
        Allereerst: het schrijven van literatuur is sowieso niet levensnoodzakelijk. Voor niemand. Wat wanneer ik me bij de medische post in Nice had gemeld met de ongerustheid niet meer te kunnen schrijven? Wat is het Franse woord voor ‘hoon’?
        Dat er mensen bestaan die het niet kunnen en willen laten is iets anders. Wat is dat toch, vroeg de Duitse arts en dichter Gottfried Benn zich af. Een of andere drang in de hand, was zijn antwoord – men schreef in zijn tijd nog met fallisch gereedschap –, ‘eine Gehirnlage’, dus een bepaalde dispositie in het brein, in de hersenen. Hoewel meer dan 7 miljard levende wezens over taal beschikken, beschikt misschien slechts een zeer klein, bijna verwaarloosbaar aantal van hen over zoiets wat vroeger literair ‘talent’ heette, in elk geval ervaart het overgrote deel van de wereldbevolking zo’n aandrang niet. Zoals ik, terwijl ik evenzeer goede hersenen heb als Rainer Weiss, ten enenmale de dispositie mis – daarvan ben ik overtuigd – die er ooit toe zou hebben kunnen leiden dat ook ik een beslissende bijdrage had kunnen leveren aan de LIGO-detector en de waarneming van zwaartekrachtgolven. Zoals ik, terwijl ik evenzeer een goed fungerende fysiek heb of had als Johan Cruyff, ten enenmale de dispositie mis of mistte die een voetballer, laat staan een excellente speler van me had kunnen maken. Ik heb decennia lang drie dagen per week scholieren laten tekenen en schilderen, maar dat nooit met de bedoeling kunstenaars van ze te maken, integendeel, want dat was slechts ‘weggelegd’ (weer zo’n ouderwets woord) voor een aantal dat, in de loop van al die tijd, misschien op tien vingers te tellen is: zo nu en dan een jongen of meisje bij wie ik kennelijk die aandrang in de hand en die bepaalde breindispositie mede had kunnen ontdekken en opwekken.
        In mijn hoedanigheid als docent en mentor heb ik er daarentegen helaas meer dan eens getuige van kunnen zijn hoe ambitie tot frustratie kon leiden. Vaak waren het ouders die ambitieuze plannen met hun zoon of dochter hadden (nooit op het gebied van de kunsten uiteraard) en wier zoon of dochter zelf een tijdlang dezelfde ambities koesterde, totdat de geschikte dispositie voor de kans op verwezenlijking ervan bleek te ontbreken, waarbij meestal de ouders nog een vervelende tijd lang het gebrek aan dispositie voor een gebrek aan inzet hielden in plaats van andersom.
        Ach, en dan het verlangen. Het verlangen om de beroemde frontman van een net zo beroemde band te worden, op een podium voor een zaal vol krijsende en in zwijm vallende meisjes. Ik ken het uit mijn eigen jeugd:
 
Sound Under Medical Treatment
Of het verlangen om te vinden wat Dubois vergeefs in een kleigroeve in mijn geboorte- en woonplaats Tegelen had gezocht: de Limburgse missing link… Of het verlangen om een beroemd atleet te worden, iets wat mij dan weer volkomen vreemd was. Verlangen naar liefde, verlangen naar rust, verlangen naar een paradijselijk uitzicht… Verlangens – wie van de meer dan 7 miljard levende en van de schier ontelbare dode aardbewoners heeft of had er geen? En wie ben ik om uit te maken welk en wiens verlangen beter of groter is dan een ander verlangen van iemand anders? Ik vraag me af of mijn verlangen naar een literair goed boek een nobeler verlangen is dan dat naar het romantische verlangen in een kasteelroman.
Dame Sally Markham

Waarbij ik overigens een levensgroot verschil wil blijven maken tussen dergelijke verlangens en de behoefte aan brood, schoon drinkwater of een kommetje rijst.

Onlangs publiceerde romanschrijver en literair criticus Kees ’t Hart in De Volkskrant een opjuinend bedoeld artikel over de stand van de Nederlandstalige poëzie. Volgens ’t Hart deugen de Nederlandstalige dichters niet, op een tiental uitzonderingen na. Een zo klein taalgebied als het onze zou blij moeten zijn met tien echt goede levende dichters, dunkt me. Maar dit terzijde.
        Wat ’t Hart verlangt van dichters is: meer urgentie, meer ambitie en meer verlangen. Ik hoop duidelijk te hebben gemaakt waarom ik die vereisten hooguit wil zien als voorwaarden, maar niet als criteria, laat staan als garanties voor goede poëzie.
        Ik ken noch Remco Campert noch Peter Verhelst privé, maar ik neem zonder meer aan dat beide mannen over ruim voldoende ‘urgentie’, ‘ambitie’ en ‘verlangen’ beschikken. Echter de laatste poëziebundel van Campert (met de nobele ambitie ingegeven door het al even nobele verlangen naar een urgente wereldvrede) lees ik als een verzameling gedichtjes uit een schoolkrant en het Poëzieweekgeschenkje van Verhelst is voor mij een bundeltje kitsch.
        Vladimir Nabokov legde ooit zijn studenten tien punten voor met de vraag om er vier van uit te kiezen waaraan een goede lezer zou moeten voldoen:
1            De lezer moet lid zijn van een boekenclub.
2            De lezer moet zich identificeren met de held of heldin.
3            De lezer moet focussen op de sociaaleconomische invalshoek.
4            De lezer moet een verhaal met actie en dialogen prefereren boven een verhaal zonder dat.
5            De lezer moet de verfilming van het boek hebben gezien.
6            De lezer moet een ontluikende schrijver zijn.
7            De lezer moet over voorstellingsvermogen beschikken.
8            De lezer moet over een geheugen beschikken.
9            De lezer moet over een woordenboek beschikken.
10        De lezer moet over enig artistiek gevoel beschikken.
Zijn studenten neigden sterk naar ‘emotionele identificatie, actie en de sociaaleconomische of historische invalshoek,’ schrijft hij. Alsof het niet 1950 was maar 2018 is.
        Je zou ongeveer dezelfde punten kunnen voorleggen met de vraag aan welke vier een goede schrijver zou moeten voldoen, en hoewel het hier in eerste instantie om proza ging, zou het net zo goed voor poëzie kunnen opgaan. Uiteraard moet een goede dichter dan over voorstellingsvermogen, geheugen, een woordenboek en artistiek gevoel beschikken.
        Kun je meer eisen dan dit soort randvoorwaarden? Urgentie, ambitie, verlangen? Wie weet staan die de dichter soms meer in de weg dan dat ze zijn gedicht helpen.

vrijdag 26 januari 2018

BASEL BY NIGHT

In Genadeklap, de nieuwe gedichtenbundel van Willem Jan Otten[1], kom ik een oude bekende tegen: de dode Christus in zijn graf, geschilderd door Hans Holbein de Jongere, en in het Kunstmuseum Basel te zien.
            Otten laat hem ‘na sluitingstijd’ uit zijn aan een zijkant open graf stappen, als was deze man een performancekunstenaar die de hele dag voor dode Christus heeft gespeeld. Hij ‘herinnert zich / de lange werkdag, / het defilé van blikken / glijdend langs / zijn aanstootgevend lijf’. Hij werd bekeken door een flitsende Japanner (waarbij ik denk dat dit niet mag en met goede Japanse apparatuur ook niet nodig is[2], maar misschien moet ik ‘japannerflits’ lezen als een vluchtig bezoek door een Japanner), door een kind met een jonge vader die zich voorneemt naderhand Holbein te googlen, door een arts in spe, enzovoort. Ook moest een vrouwelijke suppoost ‘raak hem niet aan’ zeggen tegen een Franse vrouw ‘die vingertoppen naar / zijn ongesloten ogen bracht’: een toespeling op het ‘Noli me tangere’ of ‘Μή μου ἅπτου’ dat Jezus na te zijn opgestaan uit de dood, in de gedaante van een hovenier uitsprak tegen Maria Magdalena nadat zij hem had herkend.[3] Waarom de museumbezoekster een Française moet zijn, weet ik niet.[4]
            ‘Niemand heeft hij niet bemerkt,’ wordt in elk geval over de liggende man gezegd. Otten draait dan dood zijn en leven om: ‘De dag was hem geweest als nacht, / waaruit hij nu ontslapen moest.’ Ontslapen betekent meestal sterven, hier is het veeleer ophouden met slapen, opstaan uit ‘zijn doezelend besef’.
            Hij gaat op weg en loopt het museum uit, waarbij hij langs De burgers van Calais komt, een van de in totaal twaalf afgietsels van Rodins sculptuur van de zich als offer voor de redding van hun stad aanbiedende burgers. ‘Boetelingen’ worden ze in Ottens gedicht genoemd. De associatie met het zich opofferen voor het heil van de ander ligt voor de hand.


Wanneer hij op straat staat voelt hij een koel briesje en glimlacht hij ‘als Bruno Ganz’. Waarom Bruno Ganz? Mijn associatie: De speelfilm Der Himmel über Berlin (1987) van Wim Wenders, waarin Bruno Ganz een van de twee engelen speelt die het alledaagse leven van de mensen observeren, waarbij Damiel (Ganz) de behoefte krijgt om zo’n leven te ervaren en zelf een sterveling te worden.[5]
            In de stad merkt niemand de man, persoon, figuur, gedaante (?) op. Ook dit doet denken aan de ‘engelen’ in de Wendersfilm. Hij gaat naar een brug. ‘Basel by night.’ De Engelse frase maakt duidelijk dat het om een hedendaags tafereel gaat, in een hedendaagse uitgaanswereld.
            Nu moet ik eerst weer terug in het gedicht, want ‘vlak voor sluitingstijd’ werd de dode Christus nog bezocht en bekeken door een jongen met capuchon, een gezichtloze of anoniemeling zou je kunnen zeggen. Het is iemand die ‘hem ziende / overweldigd werd / door water kolkend / in een diepte onder hem / maar waar wanneer’. Dat lijkt nogal cryptisch. Dat is het ook, woorden als ‘crypta’ en ‘krocht’ zijn hier op hun plek, maar tegelijk… En het is precies deze jongen die de uit zijn schilderij gelopen hij blijkt te zijn gevolgd: ‘Hij staat nu op de stenen rand, / pal naast de jongen met de capuchon, // en staart mee de diepte in. / het kolken daar van de rivier / die nooit voorbij zijn kolken komt.’
            De parallel met de Wenders film is nu evident. Ook in de film staat een ‘engel’ met zijn hand op de schouder van een zelfmoordenaar – die desalniettemin zelfmoord pleegt. Alleen heeft Otten nu de engel verruild voor een Christus. Maar ook deze Christus is geen voor de zelfmoord behoedende verlosser, veeleer een begeleider. Want – en nu komt de fraaie wieling in dit fraai draaiende mechaniekje – voor zijn schilderij van de dode Christus gebruikte Hans Holbein als model een uit de Rijn geviste anonieme drenkeling… De tot Christus geschilderde drenkeling keert als het ware tot de verdrinking terug, en wel dagelijks, telkens weer… Met of in dat besef is het gedicht, dat deel uitmaakt van de reeks ‘Na sluitingstijd’, voor mij tot leven gekomen, een gebeurtenis geworden, en dat is hier en nu voor mij voldoende, ja, alles wat ik nodig heb; mogen theologen en andere theoretici zich buigen over geestelijke implicaties en zo meer.
            Dat gegeven over het model dat Holbein gebruikte wordt overigens niet op de een of andere manier vermeld in het gedicht, maar het kan niet anders of Otten kende het.

            In mijn eigen poëziebundel Hollandse wei uit 1990 vormt ‘Ein todten bild h.holbeins vf holtz mit ölfarben’ de centrale polyptiek. En die negendelige suite begint juist met dat lijk uit de Rijn: ‘Kom, kijk gerust, deze dode Christus werd opgevist.’ Of eigenlijk begint het met een domineeszoon, de jonge dichter Gottfried Benn, die in het gedicht ‘Man en vrouw lopen door de kankerbarak’ in zijn debuutbundel Morgue und andere Gedichte[6] uit 1912, de man laat zeggen: ‘Kom, kijk naar dit litteken op de borst’ en ‘Voel gerust.’ (En tegelijkertijd krijgt, zo zie ik nu, die Christus al zijn ichtus toebedeeld, zijn vis.) En in II lees ik: ‘Dit lijk wist hij een brug.’ Heb ík dat geschreven? Maar er zijn uiteraard verschillen, er moeten verschillen zijn tussen Ottens aanpak en optiek en die van mij! Zo schrijft Otten over de rechterhand: ‘Hij heeft de lange vingers van zijn rechterhand / zo wijd hij kon gespreid [aan het kruis, neem ik aan - hb] / en daarna koot voor koot / geknakt, knak, knak [met behulp van een beulsknecht].’ Bij mij wordt die hand een rennende reuzenspin: ‘Op drie na / heeft ze alle poten al bevrijd. Net op tijd joeg Holbein / een keil dwars door haar lijf.’ Maar ook ik heb me kennelijk het opstaan van die dode voorgesteld: ‘Stel de Bazelaar ontwaakt gorgelend met doorboorde / handen, zij en voeten – is er herinnering?’ En datzelfde vers VIII eindigt met deze twee regels die me andermaal over mezelf (van toen) verbaasd doen staan: ‘Uit de dood ontwaakt is de mens nog slechts de wonde / vraag of hij de god is die zich de mens heeft uitgevonden.’
            Ik heb de indruk dat Willem Jan Otten nu al een flinke tijd op zoek is naar waar ik al een hele tijd aan probeer de ontkomen. Mogelijk dat het hem zal lukken en mij niet.
            Hoe dan ook, weet je wat er na de Holbeinsuite in mijn bundel uit 1990 volgt? Een gedicht met als titel ‘Noli me tangere’.




[1] Willem Jan Otten, Genadeklap, Uitgeverij Van Oorschot, Amsterdam 2018.
[2] Uit het huisreglement: Fotografieren mit Mobiltelefonen sowie Kompaktkameras ohne Blitzlicht, Stativ oder Selfie-Stick ist für private Zwecke gestattet (Ausnahmen sind gekennzeichnet).
[3] Johannes 20:17: ‘Jezus zeide tot haar: Raak Mij niet aan, want Ik ben nog niet opgevaren tot Mijn Vader; maar ga heen tot Mijn broeders, en zeg hun: Ik vare op tot Mijn Vader en uw Vader, en tot Mijn God en uw God.’ Het voorafgaande vers is wellicht nog crucialer: ‘Jezus zeide tot haar: Maria! Zij, zich omkerende, zeide tot Hem: Rabbouni, hetwelk is gezegd, Meester.’ Maria herkent Jezus pas doordat hij te kennen geeft haar te kennen.
[4] Mijn intuïtie murmelt iets over Hélène Cixous, de feministische taalfilosofe die in verband met het werk van Clarice Lispector het een en ander over het ‘Noli me tangere’ heeft geschreven. Maar het lijkt me te veel speculatie.
[5] ‘Ik heb de film vele malen gezien,’ aldus Willem Jan Otten in ‘De engel die mijn gedachten leest’, Trouw 29 oktober 2016. En: ‘[…] het is altijd wanneer je de film ziet verbazingwekkend om mee te maken hoe, vooral door Ganz' hartveroverende acteren, het vanzelfsprekende volkomen nieuw wordt.’
[6] Zie Gottfried Benn, Morgue en andere gedichten, vertaling Huub Beurskens, Amsterdam 2017.

zaterdag 20 januari 2018

OVER HET OPDOEKEN VAN EEN POËZIEPRIJS

Bij mij in huis staan twee monsters die qua formaat, vorm, materiaal en gewicht uitstekend geschikt zijn om een indringer de schedel in te slaan, althans wanneer ik er eerder bij ben dan hij: de bronzen sculptuurtjes die ik kreeg bij gelegenheid van mijn nominaties voor de VSB Poëzieprijs in respectievelijk 1995 en 1996. In dat eerste jaar werd de nominatie omgezet in een laureaat, maar daarvan heb ik vreemd genoeg geen zo tastbaar en hopelijk nooit inzetbaar bewijs.

In De Volkskrant van vandaag, 20.01.18, wijdt John Schoorl een artikel aan de VSB Poëzieprijs en de opheffing ervan. Ter voorbereiding van zijn tekst legde hij onder andere mij een aantal vragen voor. Hieronder de antwoorden zoals hij die woordelijk van me kreeg.

                Op de vraag naar wat ik 'dacht' toen ik te horen kreeg dat ik de VSB-poezieprijs had gewonnen:

Uiteraard was ik daar zeer mee ingenomen, ook al omdat ik de tweede prijswinnaar mocht zijn na Hugo Claus (en, zoals naderhand bleek, gevolgd zou worden door resp. Vroman, Kouwenaar en Kopland). Ook qua leeftijd was dat (eveneens achteraf gezien) bijzonder: Claus 64 – ik 44 (bijna 45) – Vroman 80 – Kouwenaar 73 – Kopland 63. Daarna zijn er jarenlang niet meer zulke ‘oude knarren’ met de prijs gaan strijken: de oudste was Armando (81 in 2011) en daarna nog Knibbe (69 in 2015).
         Anderzijds ging het in 1995 om mijn achtste ‘officiële’ poëziebundel…
         Overigens kreeg mijn negende bundel een jaar later een VSB-nominatie – iets wat naderhand niet meer mogelijk was, meen ik.
         Wellicht vermeldenswaard: het feit dat mijn bundel (Aangod en de afmens) in 1995 de prijs kreeg werd me keurig persoonlijk per post medegedeeld. Dus niks geen tombola-avond of iets dergelijks waarop de genomineerden als schapen het laatste oordeel moesten zitten afwachten. Ik had dus de tijd om, zoals gevraagd, een lezing over poëzie t.g.v. de uitreiking voor te bereiden.  En die lezing werd vervolgens integraal gepubliceerd op de voorpagina van de boekenbijlage van NRC Handelsblad. Kortom: het waren nogal andere tijden.

                Op de vraag naar hoe belangrijk is die prijs voor mij is geweest, ‘als dichter’:

Hoe belangrijk de prijs voor mij ‘als dichter’ is geweest kan ik met geen mogelijkheid zeggen. Wel meen ik zo goed als zeker te weten dat de prijs voor mijn positie in het literaire veld, zoals dat heet, van belang was, en dan met name voor mijn verdere publicatiemogelijkheden bij de uitgeverij. Het feit dat Aangod en de afmens mijn achtste poëziepublicatie was bij uitgeverij Meulenhoff (… het waren nogal andere tijden…) zegt alles over het vertrouwen dat uitgever Laurens van Krevelen in mijn werk had. Des te meer had ik het gevoel eindelijk ‘iets’ terug te kunnen doen, niet qua omzet (poëzie levert financieel bijna nooit iets substantieels op) als wel qua imago. Zo’n prijs kan immers allesbehalve kwaad voor het imago van een uitgeverij. Het werkt dus naar twee kanten, want een uitgever zal niet gauw een prijswinnaar laten vallen.
Daarnaast zullen nominatie(s) en prijs me hoogstwaarschijnlijk ook hebben bevestigd in het gevoel met mijn werk op een goede weg te zijn. Een schrijver moet niet in de watten worden gelegd, maar af en toe een warm bad kan geen kwaad, integendeel.

                Op de vraag of ‘alle aandacht die hiervan het gevolg was’ me verraste:

Hoeveel aandacht was ‘alle’ aandacht in 1995? Dat mijn VSB-lezing in een landelijk weekblad werd gepubliceerd was fijn, dat een volgende poëziepublicatie meer kans op besprekingen kreeg, leek me een logisch gevolg. Ik begrijp dat de laatste jaren genomineerde dichters op tournee gaan (moeten?). Voor mij persoonlijk zou dat een schrikbeeld zijn. En het levert hoe dan ook nauwelijks iets op wat betreft verkoop van je bundel. Tijd en energie om beter te besteden.

                Op de vraag hoe belangrijk prijzen zijn ‘in het bestaan van de poëzie’:

Een vreemde vraag. Ook zonder prijzen zal poëzie blijven bestaan, het bloed zal altijd blijven kruipen waar het niet gaan kan. Maar literaire prijzen voor poëzie, mits gedoseerd en van een kwalitatief hoogstaande jury voorzien (wat eigenlijk een tautologie is), zijn in cultureel opzicht belangrijk voor de status van ‘de’ poëzie als volwaardige kunstvorm, en daarmee tevens voor de serieuze aandacht ervoor en de publicatiemogelijkheden ervan.

                Op de vraag wat heeft de prijs met mij ‘als dichter’ en met mijn poëzie heeft gedaan:

Geen flauw idee.

                Op de vraag in hoeverre het geldbedrag een stimulans om verder te gaan in mijn literaire werk:

Dat was van geen invloed. Ik heb altijd bewust een dubbelleven geleid: ‘echt’ (parttime) werk om daarnaast niet afhankelijk te hoeven zijn van literair werk. Wel vind ik zo’n geldbedrag van belang voor de status van zo’n prijs.

                Op de vraag of het erg is dat de prijs ophoudt te bestaan:

Dat is zonder meer jammer, zeker gezien de traditie die de prijs inmiddels heeft opgebouwd met 23 laureaten en nog veel meer genomineerden.
Er zijn nog genoeg dichters die deze prijs hadden moeten kunnen krijgen! Zie verder onder vraag 9.

         Op de vraag wat er in Nederland zou moeten gebeuren om mensen ‘meer aan de poëzie te krijgen’:

Ik zou het niet weten, al heb ik wel zo mijn ideeën omtrent het onderwijs op zowel middelbare scholen als universiteiten. En over de kwaliteit plus kwantiteit van poëziebesprekingen. Verder zie ik meer heil in elitarisme dan in popularisering.

                Op de vraag of ik over het ontvangen van de prijs of de prijs op zich ooit in directe zin een gedicht gemaakt heb, en zo ja, welk:

Is dit de grappige vraag in het geheel?

                Op de vraag waar de VSB-poëzieprijs voor staat en of die een  beloning is voor nieuwlichterij of juist niet…:

Wanneer ik de lijst van winnaars van de VSB-Poëzieprijs bekijk, vind ik die er zo slecht nog niet uitzien, hoewel ik persoonlijk deze of gene uiteraard zou hebben ingeruild voor een andere. (Zie vraag 7.) Een prijs is nu eenmaal ook of zelfs vooral een kiekje van de jurysamenstelling.
         Ik meen echter juist de laatste paar jaar een verschuiving te zien die er mede toe bijgedragen zou kunnen hebben dat de sponsor het met deze prijs voor gezien houdt. Maar of dat echt zo is zou een journalist moeten uitzoeken. In elk geval denk ik dat de jury’s van de afgelopen paar jaar de status van de prijs geen goed hebben gedaan.
         Zelf zou ik er in elk geval zo mijn bedenkingen bij hebben gekregen.
         De gemiddelde leeftijd van de prijswinnaars was tot nu zo’n 52 jaar. De jongste prijswinnaar is 24, een debutante, afgelopen jaar. Ze kan er zelf uiteraard helemaal niets aan doen, maar behalve dat ze de allerjongste van het hele stel is, is ze ook de enige debutante onder de winnaars.
Onder de genomineerden van dit moment, dus voor de allerlaatste jaargang, die van 2018, zijn van de vijf dichters er twee debutant, is er een genomineerd met een tweede bundel, is er een 26 en een 28 jaar, en is er een die vijftien jaar geleden al winnaar was en dus een unicum zou worden wanneer hij een tweede keer de prijs zou krijgen, want dat is nog niemand gegund geweest. Dat alles bij elkaar lijkt me al een bijzonder ongelukkige samenloop van omstandigheden, maar het is hoe dan ook de bewuste keuze van een jury. Nogmaals: de dichters in kwestie kunnen het niet helpen, en zelf zou ik ook in mijn nopjes zijn geweest met zo’n nominatie voor mijn debuutbundel – maar waarschijnlijk had ik dan op een paar vragen, zoals op de vijfde, een ander antwoord moeten geven. Natuurlijk kan iemand van 25 met een goede debuutbundel komen – hoe vaak komt dat in de hoeveel jaar voor? Maar bewijs je daar zowel de dichter als ‘de’ poëzie een dienst mee wanneer je zo’n debutant meteen in op de hoogste tree zet, wanneer je, om er in deze laatste jaargang maar enkelen te noemen, Armando, Ten Berge en Tentije niet eens tot de onderste tree van het podium toelaat? Ik wil de pret voor de genomineerden en de aanstaande winnaar niet drukken, maar helaas vind ik dat wanneer de VSB-prijs op zijn laatste twee edities beoordeeld zou worden – stel je eens voor dat dit de eerste twee zouden zijn geweest… – er met het opdoeken ervan niets verloren zou zijn.


vrijdag 19 januari 2018

VERWATEREND ZIELTOGEN

In NRC Handelsblad van vandaag passeren de vijf bundels de revue die genomineerd zijn voor de allerlaatste jaargang van de VSB Poëzieprijs.
De slotsom is ietwat merkwaardig: ‘Het afgelopen poëziejaar was een mager jaar, niet alleen vanwege de opvallend weinige inzendingen voor deze laatste VSB Poëzieprijs.’ 
Ik denk zelf aan bundels die niet genomineerd werden: Liever niet van Armando, Splendor  van H.C. ten Berge, Om en nabij van Hans Tentije (die dit weekend de Constantijn Huygensprijs in ontvangst neemt), Zwembad de Verbeelding van Tom van de Voorde, en verder aan namen als K. Schippers en Martin Reints.

Morgen meer over de VSB Poëzieprijs en zijn einde in De Volkskrant.

vrijdag 1 december 2017

LIEFDESCONFLICT BIJ GEBREK AAN STATEGIEËN?

Iets over Else Lasker-Schüler en een ijselijke barbaar
[Eerste publicatie in De Gids, jaargang 158, 1995]

Het merendeel van de gedichten die Else Lasker-Schüler als reeks onder de noemer ‘Gottfried Benn’ publiceerde, werd in 1913 en 1914 geschreven. Gottfried Benn had in 1912 zijn eerste gedichtenbundel gepubliceerd, Morgue und andere Gedichte; hij was toen zesentwintig jaar. Als inleiding op haar Benn-gedichten liet Else Lasker-Schüler in Die gesammelten Gedichte (1917) de volgende tekst afdrukken:

Doctor Benn
Hij daalt af in het gewelf van zijn ziekenhuis en snijdt de doden open. Een nimmerzat in het zich verrijken aan het geheime. Hij zegt: ‘dood is dood.’ Desalniettemin vroom in het niet geloven, houdt hij van de gebedshuizen, van dromende altaren, van ogen die van ver weg komen. Hij is een evangelische heiden, een christen met afgodskop, met haviksneus en luipaardhart. Zijn hart heeft een gevlekte huid en is uitgestrekt. Hij houdt van vacht, houdt van mede en van de grote bokken die op het bosvuur gebraden werden. Ik zei eens tegen hem: ‘U bent allerlei bitterzoet, louter rots, ruwe vlakte, ook bosstilte, en beukenootjes en struik en roodrode meidoorn en kastanjes in de schaduw en goudloof, bruine bladeren en riet. Of u bent aarde met wortels en jacht en veendamp en paardebloem en brandnetels en donder.’ Hij staat vastberaden, onwankelbaar, draagt het dak van een wereld op zijn rug. Als ik me verdanst heb, weet ik niet waar ik naartoe moet; dan zou ik een grijze fluweelmol willen zijn en zijn okselholte omhoog willen woelen om me erin te verbergen. Ik ben een mug en ben aan één stuk door voor zijn gelaat aan het spelen. Maar ik zou een bij willen zijn om rond zijn navel te kunnen zoemen. Lang voordat ik hem kende, las ik hem; zijn gedichtenbundel Morgue lag op mijn deken: huiveringwekkende kunstwonderen, doodsdromerij die contouren aannam. Pijnen sperren hun keel open en verstommen, kerkhoven gaan door de ziekenzalen en planten zich aan voor de bedden van hen die vreselijk veel lijden kennen. De kreten van de zwangere vrouwen uit de kraamkamers zijn tot aan de andere kant van de wereld te horen. Elk van zijn gedichten een luipaardbeet, een sprong van een wild beest. Het bot is zijn klauw waarmee hij het woord tot leven wekt.

Al voordat ze haar gedichten zelf aan het woord laat, is duidelijk hoezeer Else Lasker-Schüler de jonge dichter-arts Benn vereert, ophemelt, mysterieus en mythisch maakt, hoe ze niet slechts zijn poëzie maar vooral hemzelf aanbidt.
            De twee hebben elkaar vrij gauw nadat Morgue in 1912 verschenen was leren kennen. Else Lasker-Schüler was toen drieënveertig jaar oud, maar dat wist bijna niemand. Pas geruime tijd na haar dood in 1945 te Jeruzalem heeft men ontdekt dat ze zich altijd voor iemand van zeven of acht jaren jonger had uitgegeven. Ook Benn is ‘er ingetuind’. Zelfs in zijn Rede auf Else Lasker-Schüler, uitgesproken in 1952 te Berlijn,
zegt hij dat ze een jaar of tien ouder was dan hij. In werkelijkheid was hun leeftijdsverschil dus zeventien jaar. Kennelijk zag ze er ook werkelijk veel jonger uit. Benn beschrijft haar in zijn gedenkrede als iemand die haar gemeubileerde kamer als een klein meisje had volgestouwd met speelgoed, poppen, knuffeldieren en prullaria, iemand die klein en ‘jongensachtig slank’ was, met kortgeknipte pekzwarte haren en grote, levendige, ravenzwarte ogen. Daarenboven was ze altijd extravagant gekleed, behangen met goedkope sieraden en met aan haar vingers een veelheid aan ‘dienstmeisjesringen’: ‘Je kon toen maar ook nog later niet met haar over straat gaan, zonder dat iedereen bleef staan om haar na te kijken.’ Nadat hij in maart 1914 samen met Franz Werfel een voordracht van haar had bijgewoond, noteerde de achttienjarige, latere uitgever Wieland Herzfelde in zijn dagboek dat ze zo mooi was, ‘vol zinnelijkheid, ik wist heel goed dat ze al achtendertig was’, niet wetende dat ze al vijfenveertig was.
            Nu is het niet zo dat ze louter en alleen omgang had met mannen die jonger waren dan zij, maar zulke, niet louter erotische maar van haar kant zeker altijd intense contacten waren toch allesbehalve uitzonderingen. De arts Berthold Lasker, met wie Else Schüler in 1894 trouwde, was ouder. Maar bij haar tweede huwelijk, in 1903, was haar partner Herwarth Walden negen jaar jonger dan zij. Franz Marc, met wie ze druk correspondeerde, was elf jaar jonger, en Georg Trakl, die ze in Berlijn had ontmoet en die ze bewonderde, was achttien jaar jonger dan Else, die zich altijd Lasker-Schüler is blijven noemen (althans wanneer ze zich niet van zulke fictieve namen bediende als Jussuf, Prins van Thebe of Tino van Bagdad...).
            Het heeft er alle schijn van dat tussen haar talrijke verliefdheden en liefdes de affaire met Gottfried Benn die met het hoogst oplaaiende vuur, het langste nagloeien en, bijgevolg, die met de pijnlijkste wonden is geweest. Dat blijkt bijvoorbeeld uit haar brieven aan Franz Marc. Aan Marc schrijft ze wat ze Benn, op wie ze verliefd is, voor zijn verjaardag heeft gegeven: ‘Een graalsoldaat van hout, een trompetje van chocolade, een speelvlag uit mijn stad Thebe, een beker, een zilveren pennehouder, twee zijden doeken, een zegelstempel van agaat en veel, heel veel zegellak.’ En ze vermeldt dan ook nog welke tekst ze erbij heeft gevoegd: ‘Lieve koning Giselheer, ik wou dat je van kristal was, dan zou ik je hagedis willen zijn, of je zeester of je koraal of je vleesetende bloem.’ Maar meer nog blijkt de diepte en omvang van haar liefde voor de Morgue-poëet uit haar zestien Benn-gedichten (waarvan in dit nummer van De Gids een aantal in vertaling is opgenomen). De reeks bevat prachtig intense (liefdes)poëzie. Wanneer de gedichten bovendien in hun boekvolgorde worden gelezen, wordt de verschuiving van speelse verliefdheid naar verdieping en verlangen, naar jaloezie en uiteindelijk naar boosheid maar vooral wanhoop evident zichtbaar. Wat uit de reeks blijkt is dat de geliefde haar uiteindelijk afwees. Waarom?
            Vaak heeft men Gottfried Benn en Else Lasker-Schüler niet samen gezien. Het schijnt dat het na een ‘mislukte’ avond aan de Wannsee in 1913 uit was met het paar. Ze schrijft aan Franz Marc dat ze, sinds ze ‘Giselheer’ verloor, niet meer kan huilen en niet meer kan lachen: ‘Hij heeft een gat in mijn hart geboord. Dat bloedt niet, dat gaapt als de diepte van een uitgelopen oog. (...) Hij beweerde dat ik mijn wereld in G. geprojecteerd heb en dat hij niets van me begrijpt.’ Ze heeft hem met geschenken overladen, schrijft ze, en hij ‘schonk me een ontgoocheling’. Maar ook hier zeggen gedichten meer, zo niet alles. Else Lasker-Schüler schreef het kleine gedicht ‘Höre’, dat oorspronkelijk de ondertitel ‘Laatste lied voor Giselheer’ had, met daarin de schitterende formulering van (haar) jaloezie: ‘Ik ben je wegrand./ Zij die je schampt/ Stort neer.’ In oktober 1913 verscheen Benns tweede gedichtenbundel, Söhne. De bundel is opgedragen aan Else Lasker-Schüler: ‘Ik groet Else Lasker-Schüler: Doelloze hand uit spel en bloed.’ In deze bundel is ook het gedicht ‘Hier ist kein Trost’ opgenomen, dat zo begint:

Niemand zal mijn wegrand zijn.
Laat je bloesems maar verwelken.
Mijn weg stroomt en gaat alleen.

Een mokerslag is er niks bij. Aan hardheid en duidelijkheid laten Benns versregels niets te wensen over. Het zijn juist de aspecten die zij zo aan hem bewonderde, zijn bijna ijselijke onwankelbaarheid en onaantastbaarheid, die zich regelrecht tegen haar keren. ‘Als hij me nu zo zou zien,’ schrijft ze aan Franz Marc, ‘dan zou hij me liefhebben,’ want ‘hij houdt van alles wat dood is, wat hij kan opruimen. Zo'n barbaar!’ Als je Benns levenshouding al als strategie kunt beschouwen, is het in geen geval een strategie van maskerade en onvoorspelbaarheid, hoe Else Lasker-Schüler ook in een van haar gedichten rept van een ‘verraderlijke kunstenmaker’ die een los touw spande. Ze heeft van meet af vermoed en kunnen weten wat voor vlees ze in de kuip had. In dat opzicht is ze dan ook niet bedrogen uitgekomen. Ik denk dat dit ook een van de voornaamste redenen is dat zij nog in 1917 (Gottfried Benn is dan al enkele jaren getrouwd en vader van een dochter) zo’n allesbehalve rancuneuze tekst aan haar Benn-gedichten vooraf laat gaan. En ook naderhand, als zij meer en meer wordt geconfronteerd met haar joods-zijn, als hij even de kant van de bruinhemden kiest om vervolgens een ‘interne emigrant’ te worden, terwijl zij in Jeruzalem verblijft en niet meer terug kan, ook dan wordt Gottfried Benn niet voor eens en altijd door haar verguisd. En zelf is ze al helemaal niet strategisch te werk gegaan in haar amoureuze toenaderingen. Gottfried Benn moet zich binnen de kortste keren volkomen door haar bedolven hebben gevoeld, overladen met cadeautjes, gedichten en andere liefdesbetuigingen. Door zich zo onverbiddelijk aan hem te geven, ontnam ze hem elke ademruimte. Hem bleef dan ook slechts de mogelijkheid van een niets aan duidelijkheid overlatende bevrijdingsslag uit haar omstrengeling. Een compromis of het bereiken van een balans was in deze (liefdes)machtstrijd van zulke zich extreem profilerende individuen ondenkbaar. Die strategieloze overgave van haar heeft er ook bij Benn toe bijgedragen dat hij altijd - het klinkt paradoxaal - alleen met liefde aan hun tijd, aan haar en aan haar gedichten heeft teruggedacht. ‘Het was opmerkelijk dat haar geestverwanten niet dat in haar zagen of wilden zien wat ze qua niveau was. De oorzaak daarvan ligt in het diepste wezen van Lasker-Schülers werk. Dat heeft een exhibitionistische trek, daar valt niet aan te twijfelen, ze exponeerde haar grenzeloze hartstocht, burgerlijk gezien, zonder moralisme en schaamte.
            Met andere woorden, ze nam de grootse en onverbiddelijke vrijheid geheel en al over zichzelf te beschikken, zonder welke kunst immers niet mogelijk is.’ Aldus Gottfried Benn over de ‘zwarte zwaan’. Of begrijpt hij eigenlijk nog steeds niets van haar, zoals hij in 1913 te kennen gaf, en heeft hij het gewoon weer over zichzelf en zijn eigen kunstenaarschap, deze bijna zesenzestig jaar oude radardenker (inmiddels voor de derde keer getrouwd, nu met een vrouw van bijna dertig jaar jonger dan hijzelf), tijdens een gedenkavond zeven jaar nadat Else Lasker-Schüler op bijna vijfenzeventigjarige leeftijd in Jeruzalem gestorven is. ‘16.11.52 - Lieber Herr Oelze, (...) Ik vertoon me aanstaande zaterdag in het British Centre voor de 1ste keer sinds 20 jaar aan het Berlijnse publiek: 10 minuten over de Lasker-Schüler, gedenkavond, was tenslotte ooit mijn vriendin, 1912.’ Macho!
 
Intussen: levert de affaire die Else Lasker-Schüler met Gottfried Benn had mij voldoende gegevens om iets vast te stellen over de wijze waarop zij zich in en door het (haar of wiens?) leven bewoog? En stel dat ik nog veel meer over Else Lasker-Schüler ‘weet’, van alles en nog wat over haar huwelijk met Herwarth Walden bijvoorbeeld, over haar arrestatie door de Zwitserse vreemdelingenpolitie, over al die hotel- en pensionkamers die ze bewoonde, over haar reizen naar Palestina, over haar familie, over hoe zij als joodse het jodendom beleed of zag, kan of mag ik dan, op grond van de teksten en tekeningen van Else Lasker-Schüler maar vooral op grond van berichten over haar levenswandel uit de derde, vierde of vijfde hand, als een psycholoog van de koude grond conclusies trekken over haar al dan niet tot geluk leidende ‘strategieën’? Zou ik mogen zeggen, zoals een van haar biografen het kennelijk zonder aarzelingen doet, dat de redding van deze ‘eeuwig verliefde’ haar vlucht was ‘in het fantastische spel van haar verbeelding, de gedaanteverwisseling van haar empirische persoon in een soort poëtische incarnatie’, dat ‘de ingrediënten van haar leven grote vroomheid en deemoed waren, verlangen naar liefde en geborgenheid, verlangen naar de dood en angst, levenslust en vertwijfeling, hulpvaardigheid en eergevoel, een impulsief temperament met onuitputtelijke humor, een niet aflatende drang naar vrijheid en avontuur, kinderlijkheid en naïef vertrouwen, eeuwig ongenoegen met de feiten van de realiteit’ en dat zij ‘haar eigen maatstaven’ had? Zoiets zou ik niet kunnen en niet willen kunnen! En ik begrijp niet eens dat anderen het durven... Aan de lopende band worden socio- en psychogrammen van in de literatuurgeschiedenis bijgezette auteurs opgeworpen, ontworpen op reeds bestaande socio- en psychogrammen. Want, laten we eerlijk zijn, in bijna honderd procent van deze proeven van kunstenaarsleven-interpretatie gaat het om veredeld, dat wil zeggen al dan niet met raffinement gemaskeerd geëxcerpeer. Nu is aan de nieuwsgierigheid naar de individuele mens, en zeker ook naar de mens in, achter, voor, boven of onder zijn kunst, niets menselijks vreemd. Maar in plaats van dat biografen levens weer ademruimte en hartritme geven, levens openen, openen ze meestal de lijken om, ze definitief aan stukken snijdend, te proberen te achterhalen waardoor en hoe het leven eruit geweken is. En dan vraag ik me af, in navolging van Elias Canetti, of er onder degenen die hun comfortabele, veilige, rechtlijnige academische leven bouwen op dat van een schrijver die in ellende en vertwijfeling heeft geleefd, ook maar ééntje is die zich schaamt.
            Else Lasker-Schüler: had ik haar écht gekend, dan had ik nog minder uitspraken over haar durven doen. Nu ken ik onder meer haar gedichten voor Gottfried Benn. Bijzonder mooie gedichten. Maar misschien geniet ik onder meer van die gedichten omdat ik lekker buitenstaander kan blijven van een menselijk drama? Was ik Benn geweest, ik had eveneens schielijk mijn biezen gepakt. Zeker weten. Voor Else Lasker-Schüler ‘werden leven en poëzie identiek’, aldus Margarete Kupper, alsof daarmee een of andere ideale situatie werd bereikt, terwijl het zowel inzake leven als poëzie een van de grootste strategische blunders betreft die een mens kan maken (of moet ik zeggen: ‘overkomen’?). Gelukkig is het Else Lasker-Schüler juist niet gelukt leven en poëzie te laten samenvallen. Gelukkig? Voor wie of wat? Voor de poëzie? Maar wat is die nu zonder leven?


literatuur
Gottfried Benn, Briefe an F.W. Oelze (1950-1956), Fischer, Frankfurt a.M. 1982.
Gottfried Benn, Gesammelte Werke in der Fassung der Erstdrucke, Fischer, Frankfurt a.M. 1982.
Jakob Hessing, Else Lasker-Schüler, ein Leben zwischen Bohème und Exil, Heyne, München 1987.
Erika Klüsener, Else Lasker-Schüler, Rowohlt, Reinbek bei Hamburg 1980.
Else Lasker-Schüler, Sämmtliche Gedichte, met een schets van haar leven door Margarete Kupper, Kösel, München 1977.
Klaus Theweleit, Buch der Könige (I), Stroemfeld/Roter Stern, Berlijn 1988.