zaterdag 10 december 2011

KUNST IS NIET DEMOCRATISCH


Op de nieuwe literatuursite Ooteoote, werd er afgelopen week op gewezen dat het zinnig zou zijn om eens te bekijken of je vandaag de dag op dezelfde gronden als dertig jaar geleden kritiek zou kunnen en moeten hebben op het cultuurbeleid van de overheid. Hoewel ik me ook even ter plekke heb geroerd, keer ik voor een vervolgopmerking terug naar mijn eigen stek. Niet alleen omdat er binnen de kortste keren weer andere items overheen rollen die bepaalde kwesties binnen de kortste keren onder zich lijken te bedelven – ook voor zo’n site is de finishloze race om de actualiteits-‘waarde’ een niet weg te denken factor. Eveneens niet alleen omdat deze kwestie daar en vooral elders inmiddels leidt tot weeral gesteggel met schele ogen over subsidiegelden die de een de ander niet gunt. Maar vooral omdat ik helemaal niet geloof in de zin en waarde van discussies over kunst en literatuur. Althans niet tussen mensen die zelf kunst maken, zoals beeldende kunstenaars, filmers, schrijvers. Althans in de publieke ruimte, op een al dan niet digitaal podium, met tien of duizend toehoorders in de al dan niet virtuele zaal.
          Een kunstenaar, ook wanneer hij stemt op een democratische partij en wanneer hij zijn leven probeert in te richten en te leiden volgens de normen en waarden die een democratie eigen zouden moeten zijn, is als kunstenaar geen democraat. Net zomin als dat hij een wetenschapper is.
          Het is van elk praktijkbesef gespeend te menen dat kunstenaars van divers pluimage, zowel wat afkomst als opvatting betreft, bij elkaar kunnen gaan zitten discussiëren om zodoende tot zoiets als de best mogelijke (werk)aanpak van of voor hun of zelfs dé kunst te komen. Over de kubistische visie en aanpak van Picasso en Braque is, honderd jaar geleden, gelukkig nooit gestemd. Wel hebben die twee natuurlijk onderling gediscussieerd over wat ze aan het doen waren en waar ze ermee naartoe wilden. Maar, geloof me, dit vooral middels verf en kwast, en dus met en vooral ín de dingen die ze aan het maken waren! Ik kan een paar vingers van een hand missen om mijn artistiek ware schrijfdiscussiemakkers te mogen tellen: dat zijn degenen die in mijn teksten mogen krassen, gummen, veranderen, en in wier teksten ik dat van mijn kant mag doen – en dat vindt nooit anders plaats dan strikt onder vier ogen.
          Aan wetenschappelijk onderzoek of experimenteel werk doet de kunstenaar evenmin. Hij bouwt niet weldoordachtig en systematisch voort op wat voorgangers en tijdgenoten als vaststaand hebben ontdekt of publiekelijk verantwoord hebben aangetoond en bewezen. Sowieso ontbreekt het hem, zeker in onze tijd met haar miljarden aardbewoners, aan de tijd en mogelijkheid om al die publicaties van zijn vakgenoten bij te houden. Praktiserend interesseert hij zich nauwelijks of niet voor wat kunst- en literatuurwetenschappers als evolutionair-culturele ontwikkelingslijnen menen te zien. Veeleer plaatst hij daar forse vraagtekens bij. Want wat zou Cézanne van Picasso hebben gevonden? En zou Monet zich niet in zijn waterleliegraf omdraaien bij het zien van de vlekken van Sam Francis?
          Kunstenaars gunnen de meesten van hun tijdvakgenoten, heimelijk of kennelijk, geen fijn plekje onder de zon. Ze willen licht en ruimte voor hun eigen werk. Vandaar dat er, zo niet expliciet dan wel impliciet, een voortdurende machtsstrijd tussen hen plaatsvindt. In tegenstelling tot het dier heeft de mens echter een historisch bewustzijn – anders zou hij überhaupt geen kunst maken ­–, en zo kan het gebeuren dat na een eeuw of wat, de kaarten anders worden geschud, dat een in zijn periode gevierd schilder als Cabanel als producent van poeha wordt gezien of dat een toentertijd miskendeling als Hölderlin nu, ondanks dat we in dürftiger Zeit leven, opnieuw in (een helaas nog steeds zeer gebrekkige) Nederlandse vertaling wordt uitgegeven. Maar het blijft een feit: levende kunstenaars discussiëren liever tegen dan met levende kunstenaars. Het lijkt een bestaansvoorwaarde van hun métier.


zondag 4 december 2011

TAALBOEBOEKHOUDER


Hugo Brandt Corstius zou ik niet durven en willen kwalificeren in bewoordingen zoals hij die wel eens heeft ingezet om een door hemzelf als te vernietigen opponent gekozen persoon het werk en leven met succes zuur te maken, zoals ‘kale, impotente carrièrewetenschapper’ en ‘verblinde vakidioot’, hoewel het ‘kale’ en het ‘verblinde’ in combinatie met ‘vakidioot’ Brandt Corstius toch al aardig typeren. Bovendien zal het mij uiteraard absoluut niet lukken hem zodanig te frustreren en de buitenwacht zo tegen hem op te zetten, dat hij het noodgedwongen voor gezien zal moeten houden met zijn charlatanerieën.
          Deze boekhouder van de taal en vooral van het taalspel, heeft weer eens een boekje gepubliceerd. In Rijmlijm heeft hij eindrijmen verzameld uit zijn privézoldercollectie gedichtenbundels, met de bedoeling er de achterhaaldheid en onnozelheid van te laten zien. De onnozelheid van eindrijmen, wel te verstaan. Ik zie er namelijk vooral de zelfingenomen onnozelheid (of onnozele zelfingenomenheid – wat op hetzelfde neerkomt) van Hugo Brandt Corstius in. Luister maar eens naar dit radiogesprek met hem erover. En luister daarbij vooral goed.
          Je hoeft alleen maar W.H. Auden of Joseph Brodsky te hebben gelezen (van beiden zowel beschouwingen over poëzie als poëzie zelf) om onmiddellijk te beseffen dat Hugo Brandt Corstius’ weerzin tegen eindrijm niets te maken heeft met enig inzicht in of affectie met poëzie als literaire vorm. De man is gewoon monomaan dol op boekstaven.

Hebt u inmiddels geluisterd? En hebt u het gehoord, dat ‘ververschijnsel’, dat ‘kreegkreeg’, dat ‘achachterin’, onder meer? En die afrem- en bijstuurtrucjes om net uit het gehakkel te blijven? Het kan nauwelijks anders of het moet Brandt Corstius’ stotteronderdrukkingsnood zijn die hem zo gebeten heeft gemaakt op het verschijnsel eindrijm. Van nature of nurture stotteraar, is hij als de dood voor herhaling. Herhaling als mogelijk dwangmatig ogende vorm, wel te verstaan. Want met artistieke inhoud en zin heeft dit, nogmaals, niets van doen. Hugo Brandt Corstius verdoezelt, verpakt en verkoopt op deze manier simpelweg - prima woord hier - zijn eigen psychisch mankement.
Meestal heb ik geen enkel probleem met stotteraars. Wanneer Vladimir Nabokov in een vraaggesprek over Lolita stottert, vind ik hem zelfs innemend. Van deze boekstavende, kale stotteraar echter vind ik dat hij zijn grote mond over anderen zou moeten houden.

zondag 27 november 2011

DE KAARTEN VAN JOHN SHADE


Eigenlijk had Vladimir Nabokov de dichter John Shade eerst diens lange gedicht Pale Fire onafhankelijk moeten laten publiceren, om het pas nadien, van een voorwoord en noten voorzien door meneer Kinbote, als integraal onderdeel van de ‘roman’ met de gelijknamige titel te presenteren.
Als we Brian Boyd mogen geloven – en waarom zouden we dat niet: hij is wellicht de grootste Nabokovkenner – werkte Nabokov namens Shade aan het gedicht van eind november 1960 tot begin december 1961, om het als Shade’s werk in de roman te antedateren tot drie weken in juli 1959. De roman Pale Fire verscheen in 1962. Misschien had de auteur, die inmiddels al een aantal jaren geafficheerd werd als de schrijver van Lolita, dus een jaartje moeten wachten en zijn dichter John Shade eerst onafhankelijk van hem de wereld in moeten sturen.
Meteen denk ik echter ook aan allerlei ‘maars’. Boyd kan gestaafd beweren dat Nabokov die bepaalde tijd aan dat gedicht heeft zitten werken, maar het kan niet anders of hij heeft tegelijkertijd aan Kinbote’s voorwoord en noten gewerkt. Ja, het is zelfs onwaarschijnlijk dat Kinbote’s commentaar geen invloed op het gedicht heeft gehad. Ik stel me zoiets voor als wanneer je eerst een recensie over of analyse van een tekst (gedicht, verhaal, doet er niet toe) schrijft, om daarna pas die tekst te gaan schrijven. Ongetwijfeld zal het een wisselwerking zijn geweest, maar ik bedoel, het omgekeerde had dus ook gekund.
En wat wanneer er ‘echte’ besprekingen of analyses van het onafhankelijke gedicht zouden zijn verschenen? Dan had Nabokovs Kinbote daar nauwelijks of niet met zijn eigen commentaar omheen gekund…

Maar nu is het dan alsnog gebeurd. John Shade, Pale Fire is als losse uitgave verkrijgbaar. Ik meen tevreden gegrinnik te vernemen van onder een grafplaat bij Montreux. Uiteraard kan niemand achteraf nog doen alsof zijn, laat staan Vladimir Nabokovs neus bloedt. Maar het spel is er niet heerlijker om, te meer daar het door Gingko Press aangeboden wordt in een heuse, prachtig vormgegeven spelletjesdoos.
          Deze doos bevat behalve het vier canto’s lange gedicht, een stapel systeemkaartjes van de soort dat in de roman wordt beschreven (en dat Nabokov zelf, zoals bekend, ook altijd gebruikte), geheel gereconstrueerd aan de hand van de aanwijzingen in de roman, plus nog een uitgave, getiteld Pale Fire – Reflections, met een essay van Brian Boyd (‘Pale Fire: Poem and Pattern’) en een essay van R.S. Gwynn (‘“And if my private universe scans right”: Pale Fire and Its Creative Context’).

Dit is een heel wat zinnigere, amusantere en interessantere uitgave dan die van The Original of Laura, de op wereldwijd commercieel succes weddende uitgave van Nabokovs flarden van en aantekeningen voor een (laatste) roman. (Nu verneem ik met mij instemmend, want ontevreden gebrom vanuit Montreux.) Niet alleen vielen de teksten op zich tegen, stelde het geheel literair gezien bar weinig voor, ook de vormgeving was nep fake, dus slecht gespeeld. De systeemkaartjes bijvoorbeeld zijn in die uitgave (net iets te klein en grijs van tint) op de pagina gedrukt en aan de randen geperforeerd, zodat de lezer ze van de pagina los zou kunnen maken – maar wie doet zoiets nu echt? De achterkant van die kaartjes zijn daarbij bovendien helemaal blanco, d.w.z. niet eens voorzien van de lijntjes die zo kenmerkend zijn voor dit soort systeemkaartjes. Op het perforatie-ideetje wordt in andere delen van de uitgave voortgeborduurd of -gestikt, zodat het geheel de indruk maakt van zo’n kledingstuk met overbodige stiksels. Enzovoort.
Bij de Gingko-uitgave gebeuren twee dingen tegelijkertijd. Enerzijds wordt het spel dat door Nabokov is opgezet verder gespeeld en dat helemaal volgens de Nabokoviaanse regels, met diens en Shade’s kaarten. Anderzijds is het opeens stukken makkelijker om dat gedicht nu eens onafhankelijk van die academische frust Charles Kinbote te lezen. En dan valt meteen weer en dus des te meer die prachtige opening op, met de vogel die zich tegen zijn fictie dood vloog en met die geweldige, schitterend waargenomen reflecties van binnen en buiten, heen en weer:

I was the shadow of the waxwing slain
By the false azure in the windowpane;
I was the smudge of ashen fluff – and I
Lived on, flew on, in the reflected sky.
And from the inside, too, I’d duplicate
Myself, my lamp, an apple on a plate:
Uncurtaining the night, I’d let dark glass
Hang all the furniture above the grass,
And how delightful when a fall of snow
Covered my glimpse of lawn and reached up so
As to make chair and bed exactly stand
Upon that snow, out in that crystal land!

Vladimir Nabokov, Pale Fire, A Poem in Four Cantos by John Shade, Gingko Press, Berkeley, USA, isbn 978-1-58423-431-9

zondag 13 november 2011

THOMÉSE & ATOMESE



Vanmiddag keek en luisterde ik naar enig gebabbel over de al dan niet fnuikende rol van reclame of marketing voor het literaire boek. In het programma Buitenhof zat gespreksleider Peter van Ingen aan tafel met aan zijn rechterhand auteur P.F. Thomése, en aan zijn andere hand Podiumuitgever Joost Nijsen en een schrijver met opvallend veel inkt in zijn hals.

(http://beta.uitzendinggemist.nl/afleveringen/1115918; het item begint op ca. 33 minuten.)


Thomése herhaalde enkele bewerende zinnen uit de tekst van de Albert Verweylezing die hij op 27 oktober j.l. in Leiden hield. En hij merkte op dat reclametaal altijd leugens vertelt. Ik was het met Thomése eens, zoals ik het ook eens was met wat hij in Leiden vertelde en zoals ik het wel vaker met hem eens was wanneer hij acte de présence gaf in een praatprogramma op televisie. Maar net als bij die andere gelegenheden, had ik de indruk dat hij uiteindelijk vermeed te zeggen wat uiteindelijk gezegd zou moeten worden. Ik vermoed dat het met schaamte te maken heeft. En als dat zo is, is dat op zich al iets prijzenswaardigs in dürftiger Zeit. Schaamte over het feit dat hij daar dan toch weer is komen opdraven en braaf probeert geen oneliners te debiteren terwijl hij, gezien de immer beknopte zendtijd, daar nauwelijks of niet aan kan ontkomen. Schaamte omdat hij deelneemt aan culturele fenomenen als talkshows, waarvan ik vermoed dat zijn boeken zich er expliciet of impliciet juist sterk, wie weet zelfs radicaal tegen afzetten. (Nogmaals een vermoeden dus, want ik moet, al dan niet tot mijn schande, bekennen geen kenner van Thoméses romans te zijn.) Met andere woorden: op het moment dat hij zelf deelneemt aan wat in zijn ogen niets anders dan banale reductie is, verraadt hij niet zozeer zichzelf - in dat opzicht vallen er nog wel allerlei vermakelijke morele spagaatjes te maken -, maar zijn werk. En dáár zit Thomése volgens mij mee. Het is hem aan te zien, die schaamte tegenover zijn eigen werk, wanneer hij daar weer eens zit om in de periferie van zijn waarneming een televisieregisseur guillotinegebaren vanwege tijdsoverschrijding te moeten zien maken. Een schrijver mag misschien gezin en vaderland verraden, maar niet (de intenties van) zijn eigen werk – die gedachte doorklieft voortdurend, erger nog dan de cut-gebaren van de vloerregisseur, Thoméses brein en hart, veronderstel ik, hopelijk juist.

zaterdag 12 november 2011

DIT NOG, OOK DIT

Essays over poëzie en proza:
Athenaeum-Polak & Van Gennep
Verschijnt maart 2012.
Omslag: Monique Gelissen
216 blz.

Essays over Edgar Allan Poe, Willem Elsschot Louis Paul Boon, J.C. Bloem, Vasalis, Jan Hanlo, W.H. Auden, Gerrit Kouwenaar, Willem Frederik Hermans, Huub Beurskens.