vrijdag 30 januari 2026

WAT JE NIET ZOU MOETEN DOEN, OUWE:

  


– bij een gedicht uit een Poëzieweekgeschenkbundel de indruk hebben op krukken door een artistiekerige woorden- en beeldenbrij te moeten glibberen, en daar dan publiekelijk knorrig uitvoerig verslag van uitbrengen hoewel je zelf amper publiek hebt in tegenstelling tot de dichteres die bovendien maar liefst tweeëndertig jaar jonger is dan jij

 

– bij het toevallig achter elkaar onder ogen krijgen van twee foto’s anecdotes opdissen over schending in je prille jaren, hoewel je de meer dan zestig jaren erna psychotherapieloos hebt doorgebracht: op de ene foto het pand van de voormalige bakkerij waar je als elfjarige aan je haren naar binnen werd getrokken om er te worden uitgescholden, geschopt en geslagen, op de andere de C&A-winkel waar je twee jaar later voor de etalage stond toen een vent van achteren zijn ene hand op je schouder en zijn andere tegen je gulp drukte, wat je deed verstarren voordat je de Vleesstraat in kon vluchten

 


– bij een filmpje van een optreden van een Colombiaans muziektrio als een dementerende vergeten dat je een senex bent en je dus niet alleen meldt – aan wie? – gecharmeerd te zijn van de sound van Balthvs, maar ook ingenomen te zijn met de terugkeer van Johanna Mercuriana na de geboorte van haar kind, hoewel je haar over tattooed vindt en haar gezang zou kunnen missen

 


 

vrijdag 23 januari 2026

SCHRIK

 Schrik! Al vijftig jaar oud dit...

Olieverf op doek

POST PER POST

  


‘Hier de Balker.’ Dat waren de beginwoorden van een antwoordbrief die het begin vormde van een jaren durende, herhaaldelijk vrij intensieve en intense correspondentie tussen de dichter H.H. ter Balkt (Habakuk II de Balker) en mij, twaalf jaar jonger en bij aanvang van de briefwisseling kunstacademiestudent van vooraan in de twintig.

         Ik berichtte er eerder over naar aanleiding van het gegeven dat Rémon van Gemeren werkt aan een biografie van Ter Balkt.

         Uiteraard bleek de biograaf geïnteresseerd in de brieven en geschreven kaarten die ik van Ter Balkt, van Harry, had mogen ontvangen. Hij had al brieven van mij aan Harry in het archief van het Literatuurmuseum in Den Haag ingezien. Dus deed ik voor hem alle van Ter Balkt ontvangen post in een flinke envelop om die ter verzending af te leveren bij een postagentschap vlakbij het Amsterdamse Oosterpark. De bestemming was hemelsbreed nog geen acht kilometer verderop. Na enkele dagen bleek de zending nog niet gearriveerd bij de geadresseerde. En na een week beschouwde ik, PostNL vervloekend, het Ter Balktdeel van de correspondentie al bijna als voorgoed verloren. Foto’s of scans had ik niet gemaakt. Of dat verlies heel erg zou zijn? In elk geval nogal jammer. Maar na twaalf dagen kwam dan toch nog het bericht dat voor opluchting zorgde.

         Op een paar vroege brieven en de laatste na heb ik niets herlezen, maar het beeld dat ik van het geheel heb is dat van een graag verbolgen, uitvoerig fulminerende scribent, uitvarend tegen van alles en bijna iedereen in de toen vigerende Nederlandstalige poëziecultuur, en mij daarbij in mijn aspiraties en eigen literaire pogingen veeleer de les lezend en op mijn nummer zettend dan stimulerend. In dat licht is het zo gek niet dat de correspondentie op een gegeven moment eindigde.

         Na inzage met het oog op de te schrijven biografie zal Rémon van Gemeren het materiaal bij het Literatuurmuseum in Den Haag bezorgen.

         Dat museum heeft nog een andere correspondentie van mij met een dichter in zijn archieven, anders in menig opzicht.

         Open, aimabel, enthousiast en begeesterend – dat was Leo Vroman.

         Op de site van van het Literatuurmuseum wordt deze correspondentie gedetailleerd getoond en van commentaar voorzien:

https://literatuurmuseum.nl/nl/ontdek-online/literatuurlab/artikelen/och-die-lieve-kikkers-ik-wil-daar-best-over-schrijven-jij-begint-de-kikkergedichten-van-beurskens-en-vroman

 


 

maandag 19 januari 2026

VISSEN

 Rode poon & Sprotjes - olieverf op canvasboard



woensdag 7 januari 2026

TER BALKTBIOGRAFISCH

 

Lammers overhandigt H. H. ter Balkt (Habakuk II de Balker) de Herman Gorterprijs. 4 april 1974

H.H. ter Balkt (Habakuk II de Balker) ontvangt de Herman Gorterprijs, 4 april 1974


Er komt een biografie van de dichter H.H. ter Balkt, weet ik sinds vandaag doordat de biograaf, Rémon van Gemeren, contact met me heeft opgenomen.

         Boerengedichten, de debuutbundel van Habakuk II de Balker, de naam onder welke (Harry) Ter Balkt aanvankelijk publiceerde, vond ik als negentienjarige meteen geweldig, evenals de vervolgbundel Uier van het oosten op mijn twintigste.

         Een jaar later had ik voor het eerst schriftelijk contact met de dichter: ‘Hier de Balker.’

         Met vrij grote frequentie volgden bijna tien jaar lang brieven en kaarten over en weer, waarbij Ter Balkt zijn pen en zijn typemachine allesbehalve zuinig inzette.

         Achteraf gezien is het misschien vreemd dat hij me bleef schrijven, gezien het feit dat de waardering van elkaars werk zeker niet wederzijds was.

         Als kunstacademiestudent ontdekte ik voor mezelf naast werk van Habakuk II de Balker dat van onder meer H.C. ten Berge en Willy Roggeman, en van daaruit dat van bijvoorbeeld Ezra Pound en Gottfried Benn, literatuur die wellicht meer paste bij mijn aard of karakter.

         Twee dagen na mijn tweeëntwintigste verjaardag schrijft Harry in een uitvoerige brief dat hetgeen ik denk en vind ‘riekt naar Raster [het tijdschrift van Ten Berge]. Ik vind Raster […] noch kwaliteitlievend noch bonafide, sterker: ik vind het een blad van lettermakerij, niet van literatuur. Dat wat moeizaam voortploegende ratio, bovendien niet vrij van kapsones, klaarstoomt, stelt het tegenover de vonk, de dood in de pot tegenover het leven […]. Wij zijn blijkbaar niet uit hetzelfde hout gesneden.’ En dan volgt een nietsontziende onttakeling van enkele gedichten die ik hem kennelijk had gestuurd. 

       Ja, een raadsel eigenlijk waarom hij met me bleef corresponderen. Het zou toen ook nog zo’n drie jaar duren totdat er, in 1975 dus, van mezelf een eerste poëziebundel mocht verschijnen, en dat ook nog slechts bij een particulier uitgevertje in een Zeeuws gat...

         Na nog talrijke uitvoerige brieven en nadat er inmiddels enkele poëziebundels en twee prozaboeken van mij bij een echte, gerenommeerde literaire uitgeverij waren verschenen, schrijft hij me in juli 1980: ‘Wat jouw werk betreft, […] ik stel nog altijd intuïtie en gevoel voorop – met wellicht instinct als derde, en `t verstand als toekijkend jurylid. Het is redelijk dat ik jouw werk als verstandelijk en afstandelijk ervaar, zoals je ook wel weet. Dat sluit niet uit dat een oordeel van jou mij interesseert.’ En dan verwijt hij me dat ik verzuimd heb hem iets over zijn nieuwste bundel te berichten…

         Ik ben hem en zijn werk altijd blijven waarderen, ik heb een paar keer in bladen over zijn poëzie geschreven, heb hem als redacteur van Het Moment en van De Gids meer dan eens met succes om een literaire bijdrage gevraagd.

         En wie weet, zo heb ik vaker gedacht en denk ik nu weer, moet je als dichter inderdaad een bepaalde geaardheid hebben, een natuur of gevoelsinstelling die klaarblijkelijk niet de mijne is, Harry, en had ik er verstandig aan gedaan mijn tijd en energie in iets zinvollers te steken.

 

maandag 5 januari 2026

vrijdag 2 januari 2026

HET VLIEGJE IN DE VLA

 


Ben ik een muggenzifter wanneer ik moeite heb met een vliegje in de vla? Ik bedoel, met het volgende gedichtje erover:

 

er vloog een vliegje in de vla

het is meteen gezonken.

het spartelde nog even na,

maar zwemmen valt niet mee in vla.

het vliegje is verdronken.

de moeder van het vliegje hield zich groot.

ze zoemde zacht: het was een zoete dood.

 

Ik kwam het tegen in een bespreking van een dichtbundel voor kinderen, Er vloog een vliegje in de vla, van Bette Westera (teksten) en Sylvia Weve (tekeningen). Over de dichteres zegt de bespreekster: ‘Met de nodige (klank)humor en speelsheid maakt ze iets verdrietigs en confronterend toch luchtig.’

         Ik heb er geen probleem mee dat een pratende wolf zowel Roodkapjes oma als Roodkapje zelf compleet naar binnen slokt en dat een jager het dier opensnijdt om het tweetal er ongedeerd uit te halen. Elk kind van een jaar of tien beseft dat zoiets alleen in een sprookje kan gebeuren. Maar wanneer ik vader of grootvader van zo’n kind zou zijn, zou ik me als opvoeder tekortgeschoten achten als het geen bezwaar zou maken tegen dat gedicht over het vliegje in de vla. Niet alleen omdat het zou moeten weten of aanvoelen dat een vliegje dat in de vla belandt bepaald niet ‘meteen’ zinkt maar, indien het niet subiet wordt gered, veeleer in een hopeloze kliederpartij omkomt. Het zou vooral protest moeten aantekenen tegen de suggestie dat kleine vliegen, vliegjes dus, jonge vliegen zijn en dat die ook nog een zorgelijke grote, want zoemende ‘moeder’ hebben.