Rode poon & Sprotjes - olieverf op canvasboard
maandag 19 januari 2026
woensdag 7 januari 2026
TER BALKTBIOGRAFISCH
H.H. ter Balkt (Habakuk II de Balker) ontvangt de Herman Gorterprijs, 4 april 1974 |
Boerengedichten,
de debuutbundel van Habakuk II de Balker, de naam onder welke (Harry) Ter Balkt
aanvankelijk publiceerde, vond ik als negentienjarige meteen geweldig, evenals
de vervolgbundel Uier van het oosten
op mijn twintigste.
Een jaar later had ik voor het eerst schriftelijk contact
met de dichter: ‘Hier de Balker.’
Met vrij grote frequentie volgden bijna tien jaar lang brieven
en kaarten over en weer, waarbij Ter Balkt zijn pen en zijn typemachine
allesbehalve zuinig inzette.
Achteraf gezien is het misschien vreemd dat hij me bleef
schrijven, gezien het feit dat de waardering van elkaars werk zeker niet
wederzijds was.
Als kunstacademiestudent ontdekte ik voor mezelf naast werk
van Habakuk II de Balker dat van onder meer H.C. ten Berge en Willy Roggeman,
en van daaruit dat van bijvoorbeeld Ezra Pound en Gottfried Benn, literatuur
die wellicht meer paste bij mijn aard of karakter.
Twee dagen na mijn tweeëntwintigste verjaardag schrijft
Harry in een uitvoerige brief dat hetgeen ik denk en vind ‘riekt naar Raster [het tijdschrift van Ten Berge]. Ik vind Raster […] noch kwaliteitlievend noch bonafide, sterker: ik vind het een blad van
lettermakerij, niet van literatuur. Dat wat moeizaam voortploegende ratio,
bovendien niet vrij van kapsones, klaarstoomt, stelt het tegenover de vonk,
de dood in de pot tegenover het leven […]. Wij zijn blijkbaar niet uit hetzelfde hout gesneden.’ En dan volgt
een nietsontziende onttakeling van enkele gedichten die ik hem kennelijk had
gestuurd.
Het zou toen nog zo’n vijf jaar duren voordat ik zelf met
een poëziebundel bij een handelsuitgeverij mocht debuteren.
Na nog talrijke uitvoerige brieven en nadat er inmiddels
enkele poëziebundels en twee prozaboeken van mij verschenen, schrijft hij
me in juli 1980: ‘Wat jouw werk betreft, […] ik stel nog altijd intuïtie en gevoel
voorop – met wellicht instinct als derde, en `t verstand als toekijkend
jurylid. Het is redelijk dat ik jouw werk als verstandelijk en afstandelijk
ervaar, zoals je ook wel weet. Dat sluit niet uit dat een oordeel van jou mij
interesseert.’ En dan verwijt hij me dat ik verzuimd heb hem iets over zijn
nieuwste bundel te berichten…
Ik ben hem en zijn werk altijd blijven waarderen, ik heb een
paar keer in bladen over zijn poëzie geschreven, heb hem als redacteur van Het
Moment en van De Gids meer dan eens met succes om een literaire bijdrage gevraagd.
En wie weet, zo heb ik vaker gedacht en denk ik nu weer, moet
je als dichter inderdaad een bepaalde geaardheid hebben, een natuur of
gevoelsinstelling die klaarblijkelijk niet de mijne is, Harry, en had ik er verstandig
aan gedaan mijn tijd en energie in iets zinvollers te steken.
maandag 5 januari 2026
vrijdag 2 januari 2026
HET VLIEGJE IN DE VLA
Ben ik een muggenzifter wanneer
ik moeite heb met een vliegje in de vla? Ik bedoel, met het volgende gedichtje
erover:
er vloog een vliegje in de vla
het is meteen gezonken.
het spartelde nog even na,
maar zwemmen valt niet mee in vla.
het vliegje is verdronken.
de moeder van het vliegje hield zich groot.
ze zoemde zacht: het was een zoete dood.
Ik kwam het tegen in een bespreking van een dichtbundel
voor kinderen, Er vloog een vliegje in de
vla, van Bette Westera (teksten) en Sylvia Weve (tekeningen). Over de
dichteres zegt de bespreekster: ‘Met de nodige (klank)humor en speelsheid maakt
ze iets verdrietigs en confronterend toch luchtig.’
Ik heb er geen probleem mee dat een pratende wolf zowel Roodkapjes
oma als Roodkapje zelf compleet naar binnen slokt en dat een jager het dier opensnijdt
om het tweetal er ongedeerd uit te halen. Elk kind van een jaar of tien beseft
dat zoiets alleen in een sprookje kan gebeuren. Maar wanneer ik vader of
grootvader van zo’n kind zou zijn, zou ik me als opvoeder tekortgeschoten achten
als het geen bezwaar zou maken tegen dat gedicht over het vliegje in de vla.
Niet alleen omdat het zou moeten weten of aanvoelen dat een vliegje dat in de
vla belandt bepaald niet ‘meteen’ zinkt maar, indien het niet subiet wordt
gered, veeleer in een hopeloze kliederpartij omkomt. Het zou vooral protest
moeten aantekenen tegen de suggestie dat kleine vliegen, vliegjes dus, jonge
vliegen zijn en dat die ook nog een zorgelijke grote, want zoemende ‘moeder’
hebben.



